Skip to main content

Full text of "Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt; verdeelt in negen leerwinkels, yder bestiert door eene der zanggodinnen; ten hoogsten noodzakelijk, tot onderwijs, voor alle die deeze edele, vrye, en hooge konst oeffenen, of met yver zoeken te leeren, of anders eenigzins beminnen"

See other formats


rOT ROTTERDAM 



I N L E Y D I N G 

TOT DE HOOGE SCHOOLE DER 

SCHILDERKONST: 

Anders de 

ZiCHTBAERE WerELT. 

Verdeelt in negen Leerwinkels ^ yderbejttert 
door eene der 

ZANGGODINNEN. 

Ten hoogden noodzakelijk, tot onderwijs, voor alle die deezc 
edele, vrye, en hooge Konft oefFenen , of met y ver zoe- 
ken te leeren, of anders eenigzins beminnen. 

Befihreven door 

S AMÜEL VAN HOOGSTRAETEN. 




Tot ROTTERDAM. 

By Franfots vm Hoogïlraeteny Boekverkoopcr^ 

M. DG. LXXVIII. 



OP DE TYTELPRINT. 

\JE Schilderleerlingftaet hier in de Tytelprint , 
Omringt vant negental der fchrandr e Konflgodinnen : 

Euterp hem wakker heyt aenjlaep en hielen bind', 
^olymnia bedeelt opmerklijk te beginnen : 

En Klio wij ft hem 'tfchoonft der Zichtbre Werelt aen 
Terwijl hem Er at o met wapens heeft omvangen : 

Thaleye blaefl hem in ordentlijk 'voort tegaen , 
^aer hem Melpomen licht in gloryrijke gangen : 

't Gekroont T enfeel ontfangt hy van Terpjichore ) 
Om nae den Talmt ak van KalUope teflreeven : 

ürania bereyt hem Lauwren » om daer mee 
BekranfiinFamaeshofonfterfeltjkteleeven* 



1969 

DAVACO PUBLISHERS 

Holland 



THE GhTn' CEMTER 



OPDRACHT 

t^en de Edele i Geflrenge ^ en Grootachtbare He er en ^ 
mijn HEER EN, 

De Heer KORNELIS POMPE van MEER- 
DERVOORT 5 Ridder : Heer e van Henrik-iden-en 
Schildmans-Kinderen- Ambachten-i enz: Schout der Stadt 
"Dordrecht : 

DeHeer MATHEUS vanden bROECK, Treji- 
dent Burgemeefler : 

De Heer ADRIAEN van BLYENBURG: Rid- 
der : Heer e van Naeldivyk : 

DeHeer POMPEJUS BERK, Vryheer van God- 
fchalk-oord : 

DeHeer PIETER BRANDWYK. van BLOKLAND: 

Tegenwoordig Regeerende Burgemeejieren : Mitsgaders 

de Oud-Raeden of Vroed fchappen van onze Stadt , 

en de goede Luiden van den Achten. 

Elijk de vruchten van een welbeplanten hof, 

En'c weelig aerdgewas, den Landheer toebehooren, 

Schoon zy door keur van aert, en ongeHjke ftof, 
Niet even aengenaem de tong en *t oog bekooren : 
Want d*eene is zerp of zuur j en dient gezoet,gezult , 
De wrange Quee vereyfcht de koften van de keucken , 

Zoo doet alt Winter-ooft : noch heefrmen al geduJt , 
Menfnoept de Mifpel niet , of laerfe eerft leggen meuken: 

Maerdaerenteegenfchijntdemildeen rijpe Kers, 
De Pers 5 end* Abrikoos, enjongenoudtenooden : 

De voedzaeme Appel , en de Suikerpeer , noch vers 
En goudgeel , tart Ambroos en Nektar van de Goden : 

Ik zwijg van Vijgen Pruim, van Moerbey , van Miloen , 
Granaet , en al't fieraet der overbergfche hoven , 

Van Chine-oranje , van de fappige Sitroen , 
En van de rijpe Druif, die 't alles gaet te boven. 

* 2 Zoo 




OPDRACHT. 

Zoo , zeg ik , als dit al den Landheer eygen heet, 
Zoo hoort al 't Pennevverk , in wel beftierde fteeden , 

Aen d'Opperoverheit der zelve : fchoon men weet 
Dat Pen en Pen verfchilt , na ftofFen dieze ontleden. 

Want d*eene Pennevrugt is dienftig voor 't gemoedt : 
Een ander om den gee il in konften op te wekken : 

Een ander tot gerief van*t lichaem : geen is goedt 
Ten zy ze nut geeft , en tot vordering kan ftrekken. 

Ik dit bedenkende , toen ik mijn Hooge fchool 
Had opgezet , om na mij n macht de Konft t'ontvouwen , 

Vond my verplicht , om aen ons Dordrechts kapitool , 
Dat 's aen uwe Achtbaerheen , dit Penwerk te betrouwen : 

Dewijl't £Teplukt is in den trans van uw gebiedt : 
En noch te meer , om dat gy hooft voor hooft om't befte 

De Konft begunftigt. Wel , al is't zoo fmaeklij k niet , 
Zoo geef dit Penooft maer een plaetsje by de lefte : 

Om voor het ongediert , voor vorft en winterweer , 
Bewaert te zijn ; ik zeg niet voor het nijdig knijpen 

Der Laftertongen : want ik acht het geen oneer 
Gelaekt te zij n , maer tracht al rottende te rij pen. 

^eze tnyne fchuldtge plicht dan af gekit hebbende 
ruft ik , en blijve Edele Geftrengeen Groot - 
achtbaere Heer en 

In Dordrecht, dezen *t i^ i J • r%' 

I Macrt 1578. Uw Onderdanige Uienaer 

S. y, HOOGSTRAETEN. 



Op 




OOGSTRAETE S.DiE T PENSEEL \tFXKlSSVL.T ME. I DE P£N, 
W?LDAT2\WV:^.OERL\?VD H£>f DU5 XXFR T LEE\ EV KEV , 
Min I\ ZVN beeld, a\N K0N<ST0PL0L TRE KEtDENS^ GRONDEL, 

GeP^OE^ITI^ Ces\P.5^^//0E te RcOME.EN BÏNMIV Lo\T>E>/ . 

f.OiMiaan.- 



Op de 

RYM-EN SCHILDERKONST 



van 



Sr. S. V. Hoogfiraten. 

DE Griekfche Lier gehecht aen V oudpenfeel 
Her plant ons Eeuw op T^or dr echts vreucht Toneel : 
Terwijl zijn Rol hier Sam* wel dubbel fpeelt \ 
Wat is *er dat zijn handofbreyn 'V er-v eelt ? 

J. V. Somerc n 
Camera bipartitdi afecretis, 
MAKAPITHx, 

Aen de Heer Samuel van Hoogstraten op zyn 
Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilder konji. 

A Ls men eertijts pleeg te zoeken , 
-^^ Negen Sufters , negen Boeken , 
Uyt een breyn-verniifce fchooc. 
Waren 't die van Herodoot. 
Maer nu moet het anders wefèn , 
Negen zijn 'er nu gerefen , 
Uyt de Geeft van u verftand , 
En door u beroemde hand. 
Dies wil ik den Griek met *t fchrij ven , 
Laten by zijn Oudheyd blijven , 
En hier zeggen op dit pas , 
Dat hy d* Eer van Grieken was. 
Maer u die u Stad verpligten : 
Door *t Paneel en u gedichten , 
Sal ik geven voor het mijn , 
Dat gy zult Apelles zijn. 
Of zoo gy wilt hoger huyfen , 
En vertrekken by de Mufen , 
Dochters van den Helicon , 
Gy daer wezen zult de Son. 

C. van SOMEREN. 



* 



Op 



Op de Beeltenis van de Heer Samuelvan HoogHraten , 
in zijn Hooge Schoole der Schilderkonft. 

NkXMxar genegen om kaar zelve te verbeelden , 
Verkoos daer toe 't Tenceel van Remedie Ferdinand 
In diepe bezigheydvan Staten noit verveelde : 

En roemde dus de kragt vant hoog-begaefd v erfland : 
Apelles ik wel eer om zyn vernuft beminde , 

En Orpheus trof mijn hart door zijn volmaekt gedigt , 
Maer ziet Hem , voaer in wy te zamen zijn te vinden j 
IVat prijs ik meer ? de Zon behoeft geen fakkelligt. 

Jacob van Someren, J.Ctus, 
Op de Beeltenis van S. v. H. 

DEesfchaduwe verbeelt Hoogftraetens aengezicht j 
Hy dicht in Schïldery , enfihildert in zijn dicht. 

B.T.V. 

Op d' Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonft 
door S. V. Hoogftraaten. 

IN d' oog verlokbr'e beemd der Schilderkonft te weyde } 
Geef Ariadnes draad ons 'c veylige geleyde j 
Of anders loopenwe , in de dwerling (dat 's gewis .' ) 
Van zoo veel kronkelpaan , de rechte doorgang mis : 
Held Thefeus, op zijn moed, ter Doolhofingelaten, 
Ontzag geen Stierenkind ^ maar 't log van 700 veel gaten , 
Dat ftaag den weg , in 't gaan , hem breydelende kruyft ; 
Het norffe bul-gedrocht verwon hy voordevuyft, 
Maar eerft: behoefd' hy 't fnoer aen d' ingang vaft te maken > 
Om langs dat kluwe weer geveyligt vry te raken , 

Die Doolhof, dat Gevaarte, enonuytvind'lijkheyd> 
Wanneer de weg ons hier, endaar, en derwaarts leyd , 
Gelijkt de Schilderkonft , met haar vernuft en vonden j 
Een losheyd , uyt zijn grond geheel aan een gebonden j 
Een vaftheyd, van zijn loffe ontbinding door gefneen j 
Een kluchtig veelderley , een mengel-ftrijdig een : 
Of zouw zich in dat Woud geen monfter vinden laten , 
Van qualijk t' faamge voegde of fchrikfe ledematen , 

Meer 



Meer dan een Stierenkind , of Halfmanosgedrocht f 
Wat of dan in zijn droom de Lierman rev'len mocht, 
Pie in de Dichtkonft zoekt zijn Leerling te onderwijzen : 
jewis hy vondt 'er een ; maar kon die vond niet prijzen : 
Want alhoewel hy 't al den Schilders , en de ry , 
Van zijne Dichters fchijnt te laten los en vry , 
Dat 's echter onder 't fnoer van deze voorbepaling , 
Dat hen die vryheyd niet vervoer tot zulk een dwaling. 
Daar 't wrange en 't mollige zich t'famen voegen, daar 
De Slang met Voog'len , 't Lam zich met den Tijger paar'. 

Nu luyfter na 't bericht > het voorbeeldt, en de leffen 
Van Negen Zinlijkheen; zeg, zoo veel TooverefTen , 
Die niet den Leerling, maard' Aanfchouwer, reysopreys, 
(Als waar 't in Amadis betooverde paleys) 
GeleydenineenHof, daar zich, ten allen zyen. 
De veel Verdiepingen, Gewelven, Galeryen, 
Bekleeden met een pracht , en rijkdom van vernuft , 
Daar d'alderfchranderfteKonft-Dedaal voor verfuft; 
Hoe zal ik 't konft verdek , van boven tot beneden , 
Dat lieflijk puyk-cieraad , der kameren ontleeden j* 
Waar uit de wangeftalte , indienze 't oog mishaagt , 
Waar uyt het fchrikgedrocht der wanfchik word verjaagt : 
Doch zoo niet , dat het fchijn van 't konftfpoor te verwilderen , 
Indien men, metVirgiel, den toeftel koom' befchilderen 
Gelijk zijn fchaduw-bruyne en donkere ingang eyft , 
Daar Vorft Eneas met Sybil naar ond'ren reyft , 
Met Briareuzen , metChimeren, en Centauren; 
Want eyndlijk daagt het veld met mirten , en met lauren , 
En laat de lieflijkheyd van een gedreven dag , 
Daar 't fchoon op fchaduwen in glans affteken mag : 
Zoo mogen w' in de konft het wrang' en 't hard gedoogen , 
Behoudens dat de konft het heb in haer vermogen • 
Het breyd'le met den toom van voegzaam overleg ; 
En alswe dus den Hof, en alswe dus den weg , 
En alswe dus het Huys , met alle zijn vertrekken , 
Zijn veelderleyheyd zien verdomm'len en ontdekken . 
Zoo fchijnt de Schilderkonft ons eene droom gelijk , 
Dielieflijk, aengenaem, invallig, vonde-rijk. 
En, niet tezamen hangt, en, fchakelt aan elkander j 
Elk is een eygen lidt , daar echter 't een aan 't ander , 
Als in een zachten droom, onsbreydelt, ons weerhoud, 
En noodigt dat men dit zoo wel als dat aanfchou wc : Maar 



Maar droomcn in der daad zijn vliegende gedachten 

Een herfienfchildery , door 't duyfter van de nachten 

Gekoetftert, door den damp bevangen , 200 men weet. 

Als in 't bewindfel van een fchaduwachtig kleed ; 

Waar van de dag al 't werk en toeftel doet verdwijnen : 

Hier is dit onderfcheyd , dat als de nachtgordijnen 

Gefchoven worden , hier dees zoete droom begint , 

De dag haar koetftert , 't licht maakt datm' haar fchoonhcyd mint : 

Indienme voor 's hands niet die Doolhof zoekt te fchuwen > 

't Is noodig datme zich van Ariadnes kluwen , 

Dat 's van uw* onderwijs en weibedreven pen , 

HoocsTRAATEN, cerft voorzic , en zoo de paden ken ^ 

Om niet by 't wangefchep te dwerlen en te dwalen ^ 

Om in die maalftroom niet oneyndelijk te malen : 

Dan zeg hy die vernoegt , en vry te rugge koomt , 

'tiszoetgedwaalt, gedwerlt , getoovert, engedroomr. 

J. Oudaan. 

Opd'InleydingtotdeSchilder-konft, enz. Door den 
Wijd-vermaerdcn Schilder , en Zinrijken Poëet . 

S A MU EL van HOOGSTRATEN. 

DE BïAve Schilde R-KONST, noch nop nae ejfch befcbreven » 
Noch, ' i's ut dat z.^ behelsde, op' t pronk- toneel gebragt -. 
Weid dooi Hoogstraten s pen , vanyver aengedieven , 
Jen Egren-Throon gevoerd , metlujjler) glans , en pracht, 

Matthijs Balek. 

t^en Sr. S. van Hoogftraeren j konfiich Schilder , envermaert 
^o'éet , op zijn hileyding tot de Schilderkonji, &c. 

T^En zichtbren aartkloot , in *t geheel , 
•*--^ Aenzietme als vaft in 't ydcl zweven : 

Die met u hant , door *t konft penfeel > 
Recht wort verheelt als 't ware leven. 

U groote geeft klimt fteilder op , 
Doorluchtich in befpiegelingen , 

Tot op den alder hooghften top , 
En vliecht door al de Hemelringen. 

Niet 



Niet ruftende ghy ruft geniet , 
En jockend' kont ghy ernft verklaren , 

Daer 't hooft van and'ren kookt , en zied , 
Eer zy haer denkbeelt openbaren. 

U Zangodinnen , zullen wy. 
Als yder op zijn beurt zal Ipreecken» 

Beluiftren , dat haer reden zy 
Een medecijn voor ons gebreecken : 

Waer door uw nacm by yder is, 

In eeuw 'ge lofs gedachtenis. 

^. van Bracht. 

TETRASTICHON, 

Ad Au£torcm. 

TEcumpiBorem^ Samuel> natura crearat ^ 
Cafialidum facris 'juljit adeffe [ïmul : 
Hinc ornaspatriam metris -, hinc Cafaris aula , & 
AngUapidiuris efi decor at a tuis. 

Op S. V. Hoogftraetens Zichtbaere Wereld , of Inleiding 
tot de Hooge Schoole der Schilder honfl. 

'Atuur, die duizenden van jaeren 
' Noit mat of moede wiert in 't baeren 

Van kinderen vol fchranderheden ; 

Men zou , al waert gy fchoon gebeden , 

Van u met geenerley gedachten 

Iet wonderlijkers kunnen wachten , 

Dan dat gy zoo veel geeft en leven 

Den menfcbcn hebt in 't brein gegeven , 

Dat zy het wezen achterhaclen 

Der Zichtbre Wereld , daerze maelen , 

Met doode verwen en penccelcn > 

Op blinde doeken en pancelcn. 

De Schilders hebben fneegen fchrander 

Gefchildert , fcdcrt Alexandcr , 

Apelles gwnftling , aller wege 

De wereld doorzworf met veel zege. 

Wie kon hunn' glans en luifter dooven ? 

Zy kleedden Koninklijke hoven , 

' * * Ge- 



Ni 



Gewelven, Kloofteren en Kerken , 
Met onvergankelijke werken. 
Men zag hun uit de laegte rijzen 
Gekroont met koftelijke prijzen , 
Van hun verovert en geftrceken. 
Italien heeft uitgefteeken 
In keur van Schilders , *r groot Britanje , 
Hoogduitsland , Vrankrijk en Hifpanje. 
Men heeft ons Nederland zien deelen 
Wel diep in dierbre konftjuweelen > 
Ja neemt de konfl" ging elders onder , 
Noch zouze in Holland als een wonder 
Weer rijzen , en de zaelen eieren 
Met onnavolgelijke zwieren. 
Daer , om den leerluft aen te drij ven , 
Des Schilders hand haer gaet befchrij ven » 
En toont met welgegronde reden 
Hoeze is te handlen en t* ontleden. 
Werd oit volkomener voor dezen 
Den Schilders leerling 't fpoor gewezen 9 
Om 5 van het Negental gedraegen , 
Met levens verwen op te daegen , 
En noit in 't flijm der konftgebreecken 
Te flibbren ofte blijven ftecken ? 
Noch minder zou 't pinfecl verflenfTên , 
Zoo nu de zinlij kheid der menfchen , 
Daerze als verzet ftaet en verwondert 
Op zulk een konft de keur uit hondert > 
Uit dit gemael na zichtbre dingen 
d' Onzichtbre Godheid lof ging zingen > 
En haeren Schepper needrig eerde , 
Die aen den menlch die vvondren leerde j 
Of die hem fchonk zoo rijke gaven, 
Dat hy met zijnen geeft de haven 
Der konft bezeilde , en wift te treffen 
Al 't zichtbre op doeken vlak en effen. 

F.V.H 

OP 



OP DE ZELVE. 

WAt drift van Digtlujl geeft aen mj 
Bequaemheid van volmaekte reden , 
jEn klimmende hoggdraventheden , 

Om met gewade Voéz.y 
Dien langgewenfïen Dag te z^ingen ? 

o ZANGGODINNEN', neopt my aen » 

Cetroon met hem ten dans tegaen > 
Die deftig in befpiegeltngen 

Uw ongefchonden lof verbreid , 
Zoo ver de Taem metfnellefennen 
Zig reppende , noit moe VAtJ rennen > 

Hare onbetoombre tongen fpreit. 
Menfpreeki nietfkut van Protogenen , 

Eertijds hy d' Oudheid voortgebragt , 

EnvanApeüen, z.oogeagt^ 
En aengebeden lang voorhenen. 

Hier leert defchrandre BATAVItRy 
In puik van kpftlijke Jmpeelen , 
En Hemelfch Manne ons mee te deelen > 

Zig eigenen den Lauwerier , 
Volvan triomf 't den p) ijs van braven. 

Hier brand de Leerling in eengloet. 

Hier z.wemt hy weder in een vloed 
VanTioetiche'eny om z^igte laven. 

Hier word een Helikon gefticht , 
Betreên van w^z.e Zangereffen > 
Die , z^uigende geleerde leffen , 

Op'tpkk^n van datfakkelUgt 
Eerbiedig haren weg beftieren ; 

En volgen mét bevreefigelaet , 

In't maegdelijke Koorgewaed , 
Om dez,e waerdicheên te vieren, 

*k. Verheug my blijde op z.ulk een trant. 
En wie z.ou mijne tong beletten » 
ïVterd zy door Maroos Loftrompetten 
Gefterkt > te loven uw verftand ? 
Nuxjpigtenwe , Oom, voor Zonneligten , 
'ie groot voor tedere gedigten. 

D.Y.HOOCSTRATEN. 

** 2 




SC HILDER ko N ST. 

Ewijl 'er onlangs niemant geweeft is , die de geheele Schilderkonfl met alle 
haeren aenkleeven heeft gelieven te befchrijven, wantdegroote meefters, 
die dit werk beft machtig waren, zijn doordegroote winft, die hen d* oefFe- 

ning der konft gewoonlijk geeft, zoo karig, of liever zoo gierig geworden, 

at zy niets vanden tijdt, die hen zoo vrugtbaer was , hebben willen mifl'en , om de 
el ve aen de armzaelige penne te befteeden , zoo heeft dit gebrek noch een veel grooter 
)aezich gefleept, namentlijk, dat de Schilderkonft , by de meefte menfchen, als 
.'en andere gemeene konft of handwerk is geacht geworden: en hier opis gevolgt, 
lat 'er duizenden aen de konft gevallen ofgevoert zijn , zonder de zwaerigheden, die 'er 
nfteeken,eens te overweegen , jae min noch meer, dan of zy een Schoenmaekersam- 
oacht hadden by der hand genomen : zonder eens te weeten dat deeze konft de geheele 
Ztchtbaere Wereld behelsde^ en dat'ernaulijx eenige konft ofweetenfchapis,daer een 
Schilder onkundig in behoorde te zijn. Men heeft dan rueeil luk op raek echter Schil- 
ders gcmaekt , en hoe? Menbefteede de jeugtby d'eenof d'ander Schilder, of die 
men zoo noemde, om quanfuis het teikenen te leeren , dat was mannetje naemannet- 
jetemaeken, en hier wat gelukkig in zijnde, zooquam mentot hetpenfeel , endus 
kreeften zy mettcr tijdt by d' onkundige de naem van meeftersindekonft te zijn, eer 
zy zelfs in 'tminfte willen wat de Schilderkonft was. Waeruitdan gevolgt is, dat de 
"elukkigfte by geval eenig deel van de konft hebben aengetroffen , dat met hunne na- 
tuur enden trant des tijds over een quam , wacr doorze, doch als bundeling, tot een 
goede Fortuinegeraekt zijn: terwijl de rett, noch blinder, en als nae den weg taften- 
de verlooren liep : vermits delaetdunkentheyt, fpeelnoot van de jongelingfchap , het 
meefte deel op hun eygen werk dec verlieven : en zy , nu volwaflen , en «net den naeni 
van Schilder pronkende , zich fchaemden langer ergens te leeren. Jae 't en baete 
veelennict, datzevan natuere weegen met een be<juaemen geeft begacft waren, ver- 
mits zy die door onkunde geheel averechts befteedden , daerze , indienze te recht 
indeHoooe Schoole dezer konft wa^en ondcrwcezen geweeft , w^iets gevonden zou- 
den hebben om rrtflijk in uit te munten. En die gcene , die tot de konft onbequaem wa- 
ren, zouden hacr gebrek tijdelijker zijn gewaer geworden, en dit zoude hen liever by 
tijts hebben doen aftreeden, en iets aodersby deihandneemen, dan haer leeven als 
breekcbecnen in de konft te verflijten. 

Ik deeze gebreklijkheden in 't leeren der kooft al vroeg geinerkt hebbende , wiert be- 
woogen, om met ernft t' overweegen, of'er niet een weg te vinden waere, zoo voor 
my 2elfs,als voor andere , waer door een bequaeme geeft in d' oprechte Hoo^e Schoole der 

Schil- 



AEN DEN LEZER. 

ScDtlde^konjl mocht ^eraeken. In welke men mocht keren, wat 'er al tot de konR be- 
hoort, om zichzelvendoorocffeningdaerin meeftcrtemaeken. Maerde gewichtirr 
heyt dezer llofte, en 't onprofijtelijk tijd verzuim, dataen'tfchrijven vaftis, nevens 
den naery ver, die de gulde bchilderkonft port , om haeren oeftcnaer geheel alleen te be- 
zitten, hebben mijn voornemen geweldig doen inkrimpen, zoo dat ik niet verder als 
tot een Inleiding tot dtezc Eooge Sihooleheh durven komen. Een Inleiding ze^ ik <» dat 
is, dat wy de leerlingen als met der hand in de 6V/;oo/f geleiden , die \vy in ne^^en Leer- 
winkels verdeelt hebben, enwywijzenhendanaen, wat'erinydertelecrenis, en in 
watdeelen derkonftzy zigtraps gcwijs hebben^te oeffenen , daer wy dan zoodani^r 
onderwijs by doen, alsonstedierüeedegereetflcnbequaemft voorkomt. En fchoon 
dit werk maer een Inleiding is , zoo maecken wy ons flerk , dat niet alleen de leerlingen 
hier door zullen geholpen worden , om met een zekerder voet nae den top der konit op 
telhppen: maer dat zelfs mcefters indekonft hier uit een lichtigheit zullen raepcn, 
om hacre Difci pelen wel te onderwijzen ; door de fchifting,die wy in de leeden der konft 
hebben aengeweezen. Want fchoon ?y de konft by avontuuren in 't "ehecl beeter ver- 
ftaenmochten,dan wy, zoo zal 't henlieden juift nietgeiuft hebben ^ dezelve zooda- 
nig in leeden te verdeelen , dat zyze bequaemelijk aen een ander kunnen overleeren. En 
behalvendit, zoozullenzyhaereeygene werken, hoe konltig die ook zijn moo"en 
zeer gemakkelijk tegen onze regels kunnen toetfen. Wantikhoude onder verbetering 
ftouteiijk llaende, dat de Schilderyen, hoe hoog menze ook wacrdeert, die oeen 
proef kunnen houden tegen de leflen van Polpnma , aengaende 't geene tot de welfcha- 
penheyt vaneen menfc h behoort : die tekort fchieten , in't veitoonen der lijdin^^en 
desgemoeds, en de doeningen der leeden, gelijkze C/zo leert ; ofin'taerdifr verfieren 
met by werk mift , daer Erato van {preekt ; die de behaeglijke ordening niet e^ hebben , 
daer T/u/tf^f van rept ; die nae de leifen van Terpfulmc niet gekolorecrt en oehandelt 
zijn : daer de zorgvuldioheytin'tfchaduwcr.en daegen van Melpomen in mankgaet : en 
daerdeGratien van C<ïü/opf uit verbannen zijnj louter beuzelinart, en voorgrolien te 
fchattenzijn; gelijk alle rechtfchape Schilders, meen ik, met my zullen toelben. 
Zoo komt dan deze onze Inleiding ook zeer wel te pas voor alle Liefhebbers van de 
Schilderkonft, fchoon zy in de zelve onervaere zijn, om in*t koopen van Konftltuk- 
ken niet bedrogen te worden, want zy zullen die wacrdecren nae de maete der deug- 
den, die in de zelve zijn waergenomen , en geen naemkoopcrs blijven , gcüjk'er 
tans veel zijn, die vand'eenofd'anderen fnoeshaen verleyt, kaele vodden in grooter 
waerden hr uden , om dat hun is wijs gemackt , datze van d'ccn of d'ander groot Mee- 
ftergefchildertzijn. Zeker een belachlijke hefhebbery, als men iets voor konflich en 
hoog acht , daer men niet konfligs noch hoo: s in zien kan. Nietdatikzeqoenuil, 
dat deeze mijne Inleiding allen Liefhebbers de cogen zoo zal openen , dat zy zelfs flrax 
vandekunft zullen kunnen oordeelen: dat zy verre; maer zy zullen uit ons werk «e- 
nakkelijk kunnen begrijpen, waer van dat men oordccicn moet, en dan zullen z'y, 
net behulp van een ervaren Schilder, de deugden en fcilci^, die in eeni^ werk zijn klaer 

** 3 



AEN DEN LEZER. 

en onderfcheidelijk kunnen naefpeuren. Belangende onze ordening, wymeenenin 
het werk zelfs daer reeden genoeg van te geven : hebben ook onzes vveetens geenig deel 
derkonftovergedagen: maerofiemant anders vond, eneenige flellingen kon optel- 
len , die by ons verzuimt waren , of eenige duilterheden bemerkte , zeker hy zoude ons 
ten hooc^lten verplichten met die aen te wij zen, en 't zoude ons een lufl zijn deeze negen 
boeken° de Muzen toegewijt, met een tiende voor Jpo/io te verrijken. Maerwatmag 
ik dit voordellen.^ daer my noch heugt, hoe ik dit zelve, niet lang geleeden, opeen 
van onze vermaerde Schilders uit vrientfchap verzocht, die my daer op antwoorde : 
Dat hy dit werk wel begeerde teleezen , maer dat hy op geenderley wijze zijn gevoelen 
daer van fchriftelijk wilde bekent maeken: want, meende hy , dus zoude hymy de 
ceheymcn van zijn konftmeededeelen, en onderwijzen, 't welk hy aen niemand, dan 
aen zijn Leerlingen of Difcipelenjfchuldig was. Zeker, dacht ik, zoo moet ik dan 
niet alleen dapper milt, maer zelfs quiltig zijn, daer ik hier niet alleen mijn onder wij- 
zingen met honderden aen mijn vrienden, maer zelb aen mijn vyanden, indien ik'er 
heb ir>eededeel , zonder daer ander genot van te wachten , als het opbouwen van de 
konft-, die ik van harten wenfche dat hoc langs hoe hoogermagrijzen j En ik zal nim- 
mer verflaeuwen in de hand daer aen te houden. Belangende onzen trant ofte ftijl , wy 
bekennen dat wy fomtijts te wijt afweyden , en elders te fchaers zijn , 't eene fpruit uit 
een vryicheyt van de Poëten ontleent , en't ander , om dat men dikwils meent , haeft 
genoec^ van een zaekgezegt te hebben, die eender zelfs gemeenzaem is. Maer wat heb 
ikzooveelreekenfchaps van mijn doen te gecven? daer ik zekerlijk weet, dat ik de 
befcheydcneweleenig vernoegen zal geven, maer dat ik den wangunltigen nimmer- 
meer zal voldoen : zeker, ik zoude my bedroeven, wanneer ik ongelaftert bleef, daer 
andere, die veel waerdiger werken in 't licht gebracht hebben , zoo dapper geheekelt 
zijn. Echterftaeikin'tminfte gevaer, omdat ik noch de haeftgeraekte Godsdicnft, 
noch de teedere ftaetkunde,noch de bitsfe^Philofophie, maer de Itomme Schilderkonfl 
onrleede : en ik mijne Leezers , onbefmet van partyfchap , meer vermakelijkheden,dan 
duiftere t wiftreedenen,toebrengc. 



EU- 



E U T E R P E, 

De Redewikfter. 

Het eerjïe Boek, 

Inhoudt. 

T^ e Minnelijke Euterpe, aenleydfiertotdeKunfiy 
Lokt hitr dejeugt welaen met een bekoorlijk pijpen , 
Maer waerfihtmt ook , die niet lichtvaerdig aen te - rypen » 

Ten zy men voele een drift van Goddelijke gunfl, 
Zy fielt de proeven voor van recht bequamc geeften , 
En hoe Natuur en Les te zamen dtent gtpaert : 
hoort van de Teykenkonfl hat r eygenfchap en aert y 
Ew weg en omveg , van den minfien tot de meeflen : 
IVat grooter nut men uit dees oeffening ontfangt > 
^aer wel te Schildren meefl aen wel te teyknen hangt. 

Op de Print. 

^Dees^rint vertoont de Konfly diens lokkende vermogen 
2) e Jonkheid tot zich trekt : een vleyende S ir een > 
ï)/> Koot'Cn Kinderfpelmet voeten doet vertreèn : 
Met recht M er kuur gewijd, die Argus hondert oogen 

In flaep zong. Liefde ontfieekt door 't zien vont 'Tafereel 
OfT*ronkbeelt : maer *t geval kan zich hier ónder mengen : 
PFant Rafel door de gans, en Maerten door h(t plengen 
Pan y^eik , en Smtt ^lintijn aenvaerdm het ^irïjeel'. 
Een Metjer 'Polydoor , een htjjer , en een Herdtr -, 
Maer die op's meefiers nekgetilt zijn , zien licht verder* 



I N- 




E U T E R P E. 

INLEIDING. 

Euterpe, die Naz.o den Minnedichter begenadich- 
de , die door Goddelijke gunft een zoeten toon 
fpeelt , en de teedere jonkheid beft behaegt .' Kom 
ontdek ons , wie tot de Schilderkonü bequaem of on- 
bequacmisj en wat weg menzalinflaen, om't einde 
der loopbaenc , daer zoo veele ten halven weege langs 
ftruikclen , en verdoolt loopen , te geraeken. Ge- 
doog dan voort, dat ik, met hulpe uwer Zufteren9 
deKew/rqueele, daerik'tgrootfte deel van mijn leeveninbeftcethebbc, 
en dit kleine Werk , ten aenzien van d'oneindlijke grootheit der zelve , ten 
einde breng. En al is't dat ik geen roemwaerdich Boek volvoere, zoo zal 
iktenminllcnindeeze uiifpanningmy oeftenen, en mooglijk aen andere 
dienftich zijn. De Pen was al van ovcrlang aen't Pinfeel vermaegfchapt> 
en als een fpreekende Schildery ; gelijk de Schilderkonft ook als een ftom- 
mePoëzy wort gehouden; Gezufteren van gelijke vryheit, gelijk Hord- 

üui zingt ; 

De Schilders hebben ojt de macht , als de Poëten 
Van vryltjkje heft Aen , aVtgeene dat zy iveeten, 
■^ ,• Maernochtans hebben weynich Schilders onzes tijts zich met van de Konft 
va^n 'ckVhil- te fchrij ven bemoeit; van de ouden zeytmen wel,dat zulks by Anügones, Pro. 
óerkmd ge togenesy Theopbanusy Eupbranor , Xenocrates , Apelles , 't welk hy zijnen 
fchrevcn leerling Perfeus toeëy2,ende , gedaen is : desgelijks van eenen Duris, 
hebben. jjippiasy MetanthiusenJubaKonin^ derMauren ; maer hunne boeken zijn 
door d'alverflindendeti)t lang verloren. By d'jtaliaenen Cchred Leon Bap- 
ttfta Albertynl-loientijn dry boeken van de Schilderkonft, in't Latijn, en 
tienvandeBouwkonft, nevens meer andere, en, zoomenzeyt, beter, 
dan hy die konde in't werk fteilen j hy leefde tot den jaere i^^'y.Leonardoda 
F/«f>hceft van de Schilderkonft, Tey kenen en Koloreeren, kloek en ver- 
ftandichgefchreven: maer zijn Schriften zijn meeft verlooren , hoewel'er 
noch eenige overblijtfelen onder zijn naemuitgaen. Gelukkiger zijn dié 
van den Ridder Georgio rdj(/4r^ bewaert , die de aenreyckenin^en van Z4«. 
rensGiberü, Vomintkp Girlandai , en van den grooren Rafaél Urb^nt ge- 
bruikt heefr. KarelVermanderheekvin deKonii t behalven zijn levens der 
Schilders, in Vlaemfche verzen gezongen j maer hy valt kort, en heeft 
meerderkracht om den geeft op te trekken, dan te onderwijzen» Voorts 
hebben fommige andere (ik ftei hierbuiten onzen Juniust die de Schilder- 
konft der ouden ijict grooten vlijt ophaelt) Schrijvers > die de pinfeelen niet 

gevoert 



Het eerjle Boek. y 

gcvoert hebben , veelarbeytsaengewent: Maer zy zijn, behoudens hare 
gratie , de zaek onmachtich , en fchoonze menichmael met heerlijke 
Spreuken het doclwilt treffen , zoo doen zy dikwils , met Alexander , A pel- 
les leerlingen lacchen ; en varen als de Scholift Pbormiotii die in tegenwoor- 
digheid van Hamibal , eenoverften Veltheer met welfprekentheid wilde 
uitbeelden. 

Hoe noodich het nochtans is, datde Schilderjeugt, wegens de regelen 
en gronden der Konft , berecht wort , verneemtmen doorgaens van de 
geene > die de pinfeelen tot haren ouderdom toe gehandelt hebben : en 
nochtans zich meeft beklaegen, van noit eenich volkomen onderwijs gc- 
hoort te hebben. En zeker, ik wenfchte mijn zelfs tans wel wederom jong , 
om de regelen der konft , zoo alsze van onze Muz.en hier worden opgeflelt , 
met een nieuwen y ver in't werk te ftellen : hoe wel het my aen d*e gemeenc 
middelen, door welke de konft tot noch toegeleert is, niet en heeft ont- 
brooken. Gebrek van onderwijs doet veel braeve borften als blindeling-den 
rechten wech zoeken , en een iegelijk heeft het geluk niet van by een goet 
meefter, in't gezelfchap van brave metgezellen, de Konft, alseenvoed- 
fameMelk, in zijn jeiigt in te zuigen. Noch ten valt ieder konftgierige 
niet te beurt , op kofte van Koning Louj/s van Vrankrijk, te Romen , by daer 
toe beloonde meefters, te leeren , en onder de veertich, daermenvan 
zeyt, dat laetfteen leerfchool voor opgerechtis, getelt te worden. Ko- 
ninklijkzeker, ik wenfch dat löW'ifJ door deze daetonfterflijkernaem, als 
met al zijnoorlogen,mach nalaten. Leeve de gedachtenis van Laurens de Me- 
i'icisy dieinzijnhofeenSchoole voor jonge Schilders en beeltfnijders op- 
rechte, de zelve verfierende met marbere beelden, en overblijfselen der 
Konftrijke Outheid. Leve , zeg ik , al die de jeugd zoo de hand 
reiken , en hunne middelen tot zoo waerdigen onderwerp hefteden • 
waerinzich noch heden veel Prinfen en Kardinalen in Italien verlufti- 
gen. Dit port my ook te meer aen , om het weynige , dat ik tot, 
opwekkinge hebbe aengeteyckent , hier by een te fchi'kkcn ; het zal , 
hoe onvolmaekt het is, den leergierigen ten rainftentot prikkel dienen 
wanneer zy gewaer zullen worden, dat zoo veel aenmerkingen weleen 
wakkere geeft vereyfchen. ]k ben ook niet befchreumt een beftraffing , ge- 
lijk als AriftoteUiv^n Alexander yaVxct^^i van de meefters dezer Konft te 
hooren , want ik antwoorde met dien Filofoof: Hoewel dit werk allen 
Konftliefdigen , als een licht en fakkel om veelduifterhedent'ontdekken, 
en om den geeft te vermaeken kan dienen : dat echter niemant volkomen 
verftant uit dit gefchrift zal trekken, ten zyhyin de leeringen dezer Konft 
tot zweetens toe arbeyde. Want voorwaer de Schilderkonft is geen hand- 
greep om oftroy of een gunftbrief van te verkrijgen , noch geen weten- 

A 2 fchap 



4 EUTERPE. 

fchap,diemen elkander licht kan by zetten ; maer zy vereyfcht een bequamen 

geeft, een vlijtige betrachting, en een gcduerigen arbeit. Weloverge- 

L rfdt dcr^"^^'^^ ^^ ^^" wakkere geeft, die in den waren padt, vanbegin af aen, 

Ouden. beftiert wort ! daer andere dikwils, deze gelegent heit miflende, zoolich- 

Een talent telijV verdoolt loopen , of voor ftaen blijven. d'Oude zijn zeer vrek ge- 

7S óool^roo- weeft in haer onderwijs voor flechren loon mede te deelen. Pamflui om 

^^"' de Konft in eeren te houden , nam niet min , dan een talent, in tien 

jaeren, of, zoo andere zeggen, tien talenten 'sjaers, en zoo veel be- 

taeldenhem Apelles en Melamius, hoewel ik op andere plaetfen vint, dat 

Wie de konft i4pf//« een talent 's jaers gaf. Maer deezen Pamplus leerde ook demaet-en 

mocht lec- getal-konft ; zonder welke hy zeyde , dat de Schilderkonft onvohmekr was. 

Doch hy onderwees niemand , dan Edelluiden en groote heeren Kinderen; 

want het was ongeoorloft de Konft aen onvrye of flaeven te leeren ; die 

nochtans degeneeskonft en andere gewoonlijk oeffenden, en zoo komt 

hetby, dat de gantfche outheid nergens gewach maekt van eenig ftuk 

Schild«rys,datdoorde hantvaneen Slave gemaekt is, daerdedienftbaer- 

heitzommige nochtans niet belet heeft groote Mlofofen , Geneesmee- 

fters en Poëten te worden. Hy ftelde haer vooreerft , als allernootzake- 

lijkft , aen de Teykenkonft , op Tafelkens van Biisbooin hout 3 en voerde 

b^ck3cr'' ^^ Schilderkonft ten top boven aile vrye Konftcn. 

dennaem Maer het zal mogelijk veele vremt dunken, dat ik dit Werk onder den 

vjndeMu- naem van de negen Muz.en uitgeef: Ten eerften, dewijl dezen Tijtel, 
zen uytgact. y^gj eer aen de Hiftorien van den ouden Herodotus gegeven , de geloofwaer- 
dicheit der zelveby eenige gewei dich heeft verdacht gemaekt : zoodatze 
gemeint hebben , dathy, door de vry held der A£«2Lf«, zommige dingen 
om den geeft te vermaken, een weinich te ruim en te weelich uirgebreyt 
heeft -j maer dit en heeft my niet kunnen af keeren , dewijl ik geen Hiftorie , 
maer een vrye konft ontleede, daer de driftige aen porringen dikwils meer- 
der, dan de funpele en waerachtige regels, gelden. Ten anderen zal ie- 
mant voorgeven , datmen de Mux^en wel voor Meeftreften der Poëzie , maer 
voor geen Schildereften plach te houden. Hier op antwoorde ik : Dat m en 
van outs met den naem van de Muz,en allerleye wijsheden, geleertheden» 
cnfchranderheden, te kennen gaf, en dat, behalven deZufterfch^ptuf- 
fchen de Schilderkonft en Poëzie (uit Hor^fttt^ boven aengeroert) deampten 
dezer Godinnen tot de by zondere leden der Schilderkonft zoo ey^en zijn , 
als ofze tot geen anderen eynde waren ingewi jr. Gelijk in't vervolg hy alle 
verfcandii^en zal befpeurt worden. Dat ik het ook de Zichtbare Werelt noe- 
me, is, om dat de Schilderkonft al wat zichtbaer is , vertoont. Maer dit 
heb ik te liever gedaen, vermits ik zeeker ander Werk, dat miffchienaen 
veclen vermaek zal geven > met den Tijtel van d'On^nhtbare Werelt ge- 
doopt heb. Mar- 



liet eerjie Boek. j 

liarfiliusFicinusWil , datdegeene, diehaertot vryeKonflen begeren, Int Bock 
dryinael dry dingen totleitsluiden hebben, terftelijkdry vanden hemel, "^-^n'tdy;. 
reweten, debegunftiging van dedry planeten Mercurius^ Sol, en l'e>!us.]°" ^^ '' 
7 en tweeden dry in 't gemoed, als de leergierige wil, het vatzaem be- Drymael 
grijp, en hetgoed onthüLit. Dedry Iclteilelt hy als tot fttunzels : goede divlutsiui- 
ouders, een getrouw en verllandich leermeefter, en een beqiiaeii) en er- ''<■'" tot de 
varen Medecijn. W'y geven acn onze leerlingen der Schilderkonlt , in ftede ^'''y'^^o"- 
van drymael dry leitsliiiden , negen meesltrcfl'en , die zelFvanouts over 
al de p/aneten, ftarren hemel, en der zelver mietgangen geltelt zijn. 
Want onze Euterpe {i^LCt over Merkuury die de jeugt tot vinding van gehei- 
me zaken aenport, Melpomene beheert het Zonnelicht, oor^aek van den 
dach, en Erato Venm ■, hoewel ( a) andere haer onder Thalia {^.cWen, (^a) Cefaf 
Aengaende de tweede dry, Uranta regeert in 't gemoed de wil , Tluilia Mdfatti. 
de bequaemheyt , en Po/;'>«w/4 de memorie. Voorts zijn Terpficborc , CliOy 
en Calliope geen mindere fteunfels voor de Schilderjeugt ; wan: deze zul- 
len haer als ouders , lecrmee(trefl!cn en opfienflers , verftrckken. Een 
2eJve geeft hecrfcht over alle vryeKonflen, de zelve geeft, die de Poëten Een zelve 
tot dichten verwekt , drijft de Schilders tot het verbeelden der zichtbaerlij- f '^l ^j '^ 
kc dingen ; die door de dichters alleen met woorden worden uitgedrukt. Paècen. 
Maer wat noem ik een andere geeft als de geeft van Euterpcs'E uterpe is zoo Eutn-pe 
veel als de Godlijke genade en gunft , zonder welke onze Edele Kunft niet te ^'""Z eiin 
leeren is. Dit is den zei ven geeft, waer van de Heere by Mofeslu het boek des ^^."^'.f^', 
Uittochts Spreekt : Ziet ik hebbe by namen geroepen Bez.aleel(^tn zone Ury r '°'' 'i"l 
endehebbe hem vervult met den geeft Godts, met Wijsheytende verftant^^„4,jf.j5/'' 
endebekentenifte, ende met allerley werk Konftelijkente arbeyden , van vuolt pe>fet- 
Gout, Zilver, Koper, Konftelijken fteenen tefnyden, ende in te zet- f'^wm/e/;w- 
ten: en konftelijken te timmeren van houte, temaken allerley vcerk. Ln Pj'/"''; 
verder: Hyisvervult met den geeft Godts, dat hy wijs verftandich enoe- ^^^^''"""' 
fchiktzy, tot allerley werk. En hem isonderwijzingein zijn harte gcge- hf^^uGo- 
ven , met famen Ahaluh , Godt heeft hare harten met wijsheit vervult , te den da- on- 
maken allerley werk, tefnijden, werken, en teftikkenmet geeïerzijde, <^f"- 
fcharlaken, Rozijnroot, en witter zijden : en mer weven, dat zy maken 
allerley werk en Konftelijken arbeit vinden. Maer om niet alleen uit te vin- 
den , of dezen geeft ook in de jeugt is in-^cboren , opdat men geen nabe- Men moet 
rouw met zuuren arbeit en koope, enookte wererh, tot welke der Konften ^«^pcefteo 

deeze ingeborentheit bequaemft is; zoomoet een voorzichtich vader of '■^'"''"^^° 

UMI" j j .• » 1 •,- r tot hun na- 

momber alle vlijt aenwenden, om deze natuurlijke dnlten te toetfen. tuurli,ke 

Want> gelijk Ff »w4«<ifrzeyt, drifr. 

NMuur geeft hatmr , ploeg , en hoelien , en 'tpenfeel , °^^y ve rkic-" 

De jeugt Qükundiih krijgt fomtijts een onrei h> dteL . avcr*cbtr" 

Ai 7'' ^ 



Tcy'^cneo 
y2fli)k 
nootzake- 
lijk. 

\'oorbccIt 
onzes tijdts. 



EnanJere 
des ouden 
tijds. 



In deKrijgS' 
kondc. 



6 EUTERPE. 

3^4 z,09 , datplompaerts üth wel tot de Konjl vervofgen , 

Daer Edlegeefien z.ijngedu>ongen *t lant tefloegeti» 
Wat de eerde beginfelen der Teykenkonfl: aengaec , voorwaer niemandt 
en behoorde hierin onkundichte zijn, dewijrernoch Konflnoch hand- 
werk, ja by na geenerley beroep is, waer inze niet, alseen tweede wijze 
van Schrijven, nootzakelijk fchijnt : gelijk zeker Staetsheer, met Prins 
Hfwr/i^ van Om«;Vh te velde zijnde, welgewaer wiert: wantalsmen over 
eenigebefchanfingen, ofieegerwerkenraet pleegde, enhy zijn meining 
noch door gefchrlït, noch door uitfpraeke konde verflaenbaer maken, 
zoo verzocht hem de Prins', die door teykentrekken uittedrucken: 
waer op by zich wel meende te verontfchuldigen, met te zeggen, 
dat hy geen Teykenen geleert had : maer die groote Veldheer te rug 
treedende , hield hem als noch meerder verbaeft , zeggende : Hoe ! eru 
roude een man van zoodanigen bewint , als gyzijt, niet kunnen Tey- 
kenen j* Waeroverdienhecre zoo befchaemt wiert, dathydemisdaet zij- 
ner ouderen, die hem die zoo overnoodige Konft verzuimt hadden te doen 
leeren, zoodanich boete, dat hy niet alleen zijn zoonen, maer ook zijn 
dochtcren in de Teykenkonft liet onderwijzen. Die dit nu nieuw of vreemt 
dunkt, die krakkeele met r^rr», 't Is onmogelijk, zeythy, dat een vrou- 
we, die de Schilderkonft niet geleert en heeft, van des borduurwerkers 
handelinge , of van des Wevers fieraeden in de kufl'ens kan oordeelen. 
Maer^n/io/f/«gaet noch breeder, 't Meefle deel der Grieken, zeythy, 
pleegen haere kinderen in de Schilderkonft te doen onderwijzen : ten eyn- 
de dat zy in 't koopen en verkopen van allerley vaten en huisraet niet bedroo- 
gen zouden worden : of liever, dat ty de volmaekte fchoonheden der licha- 
men met vernuftiger en zekerder kennifTe zouden leeren onderfcheyden. 
Dkheeft Paulus Emilius i verwinner der Grieken, zonder twijfel bewogen 
om dien voet te volgen j want hy gaf zijne kinderen niet alleen meefters, 
om haerin de natuurkunde en welfprekentheyt te onderwijzen. Maer hy 
voegden'er ook Schilders en Beeltfnyders by. Oin nu wy ders te toonen dat- 
ter by nae geenderleye wetenfchappen zijn , of de Teykenkonft wort 'er in 
vereyfcht, zoo zeggen wy, datzevoornamentlijkaen hooge Staetsperzoo- 
nen, zoo wel in oorlog als in vrede, te pas komt. Door haer ziet een 
Krijgsoverfte de veftingen, die hygezint is aen te randen, eerft op 't pa- 
pier , fchoonze ver af leggen , en hy teykent zelfs den omkring zijns legers 
af, eerhy te velde trekt. Hy ordent zijn Regimenten met gefpreyde vleu- 
gelen , of door de engtens der Wegen ingedrongen , met de pen , eer hy- 
ze met den degen inde vuiftte velde daegt. En door goede Kuntfchap 
van des vyandts macht en orden vcrwitticht, zoo voor ziet hy het treffen, 
eer denftrijdt aengaer. Lnhoe zouw een vel/heer de Veftingboumeefters 

recht 



Het eerfte Boek. j 

recht verHaen , de Teykcnkonft onkundich zijnde r* Door de Teykenkonft 
beeldden d' oude Helden, die van den Trojaenfchen oorlog vvedergekcerc 
waren , de belegering der Stadt op haer Tafels met een wcynich Wijn af, 
en VU^ci trokze met een rijsjen in 't zant j voor de verliefde Kaljpfo. 

Ik laet Boumecders, Landmeeters , en andere, die men zeker weet (t^r"^,™"" 
dat de Teykenkonft niet miffen niogen, ftilftaen, Ikzalook niet twiüen, 
of de letteren zelfs tot de Teykenkonft behooren, fchoon ik wel meen te gif- ' 
fen y als ik gis datze haer oudtlle gedaentens uit figuuren van eenige beken- 
de dingen bekomen hebben: gelijk de Egyptenaersen Mooren noch lang 
by die wijze van fchrijven gebleven zijn. iMaer hoe nootzakelijk fchijnt de- 
ze konftaen de befchrijvers der natuurlijke Hiftoryen ^ Want als zy al veel Katuurlijlcc 
woorden hebben gemaekt, inde eedaentens eenicer viflchen, vogelen , *^'"°fy- 
kruipende en viervoetige dieren te Deichrijven, zoo vertoonen zy eynde- 
lijk het afbeeltfel ; dacrmendan zijn oogen vertrouwen mocht, als men 
wift dat den fchrij ver dit dier zelfs met verf lant en aendacht had afgeteykent; 
dacr het anders veeltijts valfch, en de heelebefchrijving derhalve niet een 
boon waerdichis. 

Aengaende de Wereltbefchrijversr zy zullen de Stuerluiden bedriegen 
en bederven, als zy haere Voorgebergten, Kaeppen, en Zeeboezems , °"^ 
een vaUchegedaente geven. Daer de Pilooten als in een bekent vaerwater 
komen, wanneer zy bevinden , dat de wijtgelegenfteEylandenzich eeven 
als de print, die zy daer van hebben, opdoen. Zeker niemandt kan de ge- 
daente van eenige vremde landen, die hy bezoekt, oprechtelijk op 't Pa- 
pier ftellen, ten zy hyhet Teykenen verftaet: en hoe heerlijk een goede 
kaertis, daer in men dewerelt als uit eenandere werelt beziet, zy heeft 
het de Teykenkonft te danken. 

DeStarrekunde kan ook het licht der Teykenkonft niet iniflen , ik zal Artronomi. 
niet zeggen, om daer door te beter de in^^ebeelde figuurenen gedrochten 
in 't begrip te vormen ; maer voornamentlijk om de kringen, faraenvoe- 
gingen en tegenfreilingen, vernuftelijk te befchouvven. hn zeker Archi- 
Wf^« kon zijn holle Kopere werelt, daer de Starren in gefchildert waren, 
zonder de Teykenkonft niet volvoeren. 

Maer mooglijk kon den Medecijn, ofte geneesheer, deze konft ontbee- ^Icdici. 
ren P deeze vooral niet : want behalven dat hy in 't ontleeden der menfchen 
zelfs behoorde af te teykenen 't gcene hyondervint, zoo zal 't hem geen 
kleyn gemak geven, om de kruiden te kennen, enhy zal een luft krijgen , 
om de misflaepen, in veel kruitboeken begaen , met een Konftige hand > 
nae de natuerlijke te verbeteren. . . 

De Hif-oryfchrijvers kunnen ook de doorluchtige mannen door de Pen ' °"" 
niet behoorlijk vereeuwigen , ten zyze haere beeltcnifTcn in haer werk 

voe^- 



8 EUTERPE. 

voegen : want wat is 't , als zy zeggen , dit heeft Alexartder gedaen , daer- 
ze zijn geJaente zoo vcrwardelijk aenwijzen ? Als wy daerentegen het leven 
van Keyzer K4rf/, v^n Hendrtkjie Groot t en van andere verinaerde mannen 
leezcn, en inen ons daer nevens haerewaere afbeeltfcls in print vertoont, 
zoofchijnthetvermaek van hen te zien onze aendachtte verdubbelen, en 
wy aenmerkcn haere daedeni als ofze in onzen tijdt waren voorgevallen. 
T. Pomponius Attikus heeft de becltenifTen der bcroemfte Romeynen in't licht 
gebracht , en haere merkwaerdichtfte daeden , en de eerampten die zy be- 
dient hadden, daer onder geftelt, en in vier of vijf verzen begrepen. Varro 
infgelijx heeft de naemen van zevenhonderr deurluchtige mannen met hun- 
ne beelteniflen vereeuwicht , en haere gedaentens den naekomelingen ver- 
toont ; maer hoe veel gemikkelijker en wijtfpreydender kan men dit tans te 
weeg brengen , nu wy de plaetdrukkery , een nieuwe konfl: , tot ons gerak 
hebben ^ gelijk j?. Oudaan zich daer van gedient heeft , i j d' oude en vcrltor- 
ve Roomfche Mogenthep als uit het graf op te delven. Wel aen dan , zoo moogt 
gyvryelijkdejeugt, wat gy'erook mee voor hebt, zoowel inde School 
van onze Schilderachtige EuterpCy als in die van de letteren, geleyden. 
Maer wy zullen niemant inwijden > als die tot het vervolg waerdich en be- 
quiem is. 



EERSTE HOOFTDEEL. 

Hoe zommige zeer vreemt tot de Konfl zijn gekomen j en 
wat geeflen tot de zelve beqtiaem ztjn, 

' Oede gelegcntheyt en d' opvoeding doen veel , tot het vcr- 
, wekkenvan een volmaekt Schilder, daerom millend'Egyp- 
ïtifche meefters niet, in hare kinderen de Kond deelachtich te 
maeken, om hen vcor eerft meede te deelen't Leene zy'er 
Grlegcr». %2f i^fKjS!!^ k zelfs in hadden overgewonnen , waer opzy dan, als op een 
hcid. wel valt geleyde timmering noch hooger konden bouwen: en, gelijk men 

zeyt, dat d* ouders haer als op de fc houders tilden, opdatzedaernaezich 
zelven opgerecht hebbende , noch veel verder zouden kunnen zien. Doch 
de gelegenrheyt is niet altijts verzelt met bequaemhey t : want groore ver- 
nurtclingcn laeten dikwijls onleerzaeme kinderen nae ; en de gwede gele- 
gcntheyt wort menichmael door ongenegentheyr verwaerloort. Daerente- 
gen gebeurt het ook wel, dat de innerlijke bequaemheit des geeftes, hce 
zeer door de geboorte > opvoeding en fortuine verhindert > gelukkichlijk 

ui&- 




Het eerfle Bock. «> 

uitfpat I gelijk vertelt wort van ?ntagoiAi , die , een arbeits jongen of hout- En't gewi 
hakker zijnde, op een tijd nae de Stad^WfM toegaende, meteen bun- 
del houts op zijn fchouder, welke met een zeer konftigcftrik tezamen was 
gebonden, ontmoet wiert van den wijsgeer D^woi^rirw: dieboertich van 
aert zijnde, en alle dingen met vermaek aenziende, juifl zijn oog liet val- 
len, zoo op den torfenden jongeling, die als nae de kunftdasr henen trat, 
als op den wiskunftigen bandt: hydit aenmerkcnde beval ProM^oMf ft il te 
ftaen, doende hem het hout nederleggen, ontbinden, en den ünk weder 
op nieus leggen : 't welk hem zoo behaegde, dat hv hem tot zich nam, 
van onderhout verzorgde , en in de Filofofie onderwees, envanhemzoo- 
danichcenvcrmaert man maekte, dat de dodlijke VUto zelfaen een van 
zijn famenfprekingen het opfchrifr Viotagoimi verleent heeft. Zoo zoet 
iacht de minlijke Euteipe hacr Schoolkindcrs toe , en rukt fomtijts fomn)ige 
op wonderlijke manieren tot zig. Gelijk ook gebleeken is aen Giotto , die VooibeeHea 
Vin zijn Vader tot het hoeden der Schapen beitelt was : want hy *^" lorami- 
fchoonmaer tien jaren oudt, teykende overal , waer hy vlakte vond , zoo S'"' "^'^ "". 

il ••» j 1^1 if vremt totdc 

opnueren, iJeencn, weegen, jaintzand, tot dit Cmabue , by geval i^on^^ijg 
indit Dorp wat te doen hebbende, hem bezig vond met een van de Schae- gckomco, 
pentckonrerfeyten, zonder dathy oit't zelve van iemand anders gezien 
had: Cimabuet toen ter tijd den beften Schilder van Italyen, ftond hier 
over verwondert , en verzocht daedlijk van den Vader, dat hy hem meedc 
mogt neemen , gelijk gefchiede , en 't bleek wel haeft , hoe zeer hy de 
natuer tebaethad; want hy overtrof niet alleen binnen korten tijd al de 
Schilders, die in etlijke hondert jaeren voor hem geweeft hadden, maer 
ook zijnen Meefter ; gelijk'er de Poeët Dantes van zingt : 

Men achte Cimabue den beften Schilder : maer 

't Gerugte van Giotto mackt zijne faem onkfaer» 
Zooh Andreas Mantegna^ uit een beeltenharder, meede en Schilder, en 
voorts een eerlijk Ridder geworden. Rafa'el da Regio, een boere jongen 
2tjnde, weyde de Ganzen, en alzoo hyby ongeluk een van de zelve met 
een kluppel de beenen aen (tukken wierp , zoo vluchte hy van zijn geftoor- 
den Vadtr , en by eenige Schilders geraekt , wiert eyndelijk van Fiederikus 
Zuccaro acngenonicn , daer byhy in korten tijd zoo zeer vorderde, dat 
vecle zijn dingen alzoo liefzagen, als die van zijnen Meefter. Bv nae dier- 
gelijk geval had onzen MartenHeemskerki want hj van de koeyen, met 
den Melkemmer op het hooft, komende aengaen, ftier de zelve teegen 
een tak van een boim, en plengde al de Melk; dies hy, zijn Vaders 
gramfchap ontvlugrtnde, zijn wijk rot dekonll nam. Ouk R^kmetden 
Stelt j door't branden van zijn been , tot de Viflêrspinkjes onbequaem, 
daa zijn V ader by leefde , wiert door deleedighcit en't iiilzitten leyke- 

B naer 



lo E U T E R P E. 

naer en Schilder. Maer wonder weetmen te zeggen van j^lwf^Mf/^'i» die 
ter liefde van zijn Meeüres, van een Smit een overvliegend Schilder ge- 
worden is. Zoo is ook den Metfelknegt Poitdoor door'c zien fchilderen in 
een Schilder verandert, en een groot meel ter geworden. Ik had by de voo- 
rige Harders Dominiko Bekjfurm ook behooren te plaetfen ; Deezen van zijn 
Heer, daerhydeSchaepen voor hoede, met een üok in 't zani teyke- 
rende gevonden zijnde , wiert van 't velt genomen , en aen de konll be- 
ftelt. Oiergelijkc voorbeelden zijn'er meer, diewy om kortheyts wille 
ovtrflaen. 
Der AtTicni- Die van AthenenbeRelden aen hare kinderen onder't fpeelen veelerley 
rnzen proef, gereetfchappcr^om te zien , welke zy eeriè , of knaphandicntft zouden aen- 
?and '"'!"- f aften en handelen, en daer uit te mo^en "iffen , tot wat konitofbezicheit 
dcrjcu"t. hare natuure meeü heide. Zeeker ten milten ook aen £/////« met , toenhy 
AchiUeSt in vrouwe kleederen , onder de Jufferen van Detdamia in Cjfrot 
verborgen, opzocht: want hy allerley fnuiücry en vrouwetuig onder hen 
veylende , hjd'er ook ecnige wapentuigen en ge weeren in vermengt; 
Achluis ^^ de juffifren grepen na deltnkken en quikken, maer iltfciWfitafte 't ge- 
weer aen, dus vertoonde zich den binnenften Achtlles^ hoe zeer hyuitwen- 
En Tbuci- ^^^^ v^''"^®"'^ ^"^^ > en zijn natuurlijke neyging, zfifterwijlhy diefcheen 
dides. te verbergen. Men fchrijft ook van Thuadtdes : als hy in zijn kintsheit Hero- 

ZJetinFo- </oflf zijn heerlijke hillorien , in een byeenkomftder Olympifche Spelen, 
iyns Biblio- hoordej >pzeggen, dathy, als door een dodlijke drift, daeroverween- 
ijeky Dio- j^^^ 't welk Herodoot merkende den Vader van Tbucidides daer over aen- 
ceWwwj, 00^ ^pr^k , zeggende: ó Oiorus l wat grooter trek en helde merk ik in uwen 
KjmtrArius Zoon tot de Geleerrheit, overwaerdich dat men die door goede onderwij- 
zingen aenvoede. Maer Herodoot zach dit zonder twijfel uit meerder om- 
ftandicheden, diehemdenbecjuamenaerten hoogen geeft van Thucididet 
ontdekten. Wanr her zouden niet al ihuadtden zijn, die in'taenhooren 
van hiftorien weemoedich wierden , fchoon 't een teyken van opmerken is : 
noch ten zijn niet al Herodoten , die de driften der jeugt waerneemen. Daer- 
om acht ik het noch geheel zwaer te zijn , de natuerhjke bequaemheit in de 
liikednft"^' j^ugt tot de konft te kennen: Want dat fommige in de Schooien, inftee- 
de van fchrijven , zich met mannekens en beeltkens te maekenbezich hou- 
den, geeft wel eenich vermoeden van een natucrlijke drift, maer is al te 
onzeektren gront om op te bouwen, en dacrom tegelooven, datzy'er 
rechtbequaem, enalstuegeboorenzijn: want ofhet wel fchijnt, datzy 
daer door tot de konft fchijnen te neygen , zoo wort 'er een keur'ger proef 
vereyfcht, om haer geeft rechtte kennen; naeinentlijk, of zy dier in ten 
eynde toe wel zullen volharden; en zich tegens allehinderpaelenaenkan- 
ten. Wantikhoudevoorgewis I dac de genen « diemenbelucexikan, 

de- 



Het eerjle Boek. 1 1 

dezelve met hart en ziele te volgen, tot de zelve onbequaem zijn; zoozy 
anders eens de zoeticheit dacr van geproeft hebben. Volgens deze fpreukc : 

Du men van de Konft kan houwen , 

Machmen die niet toevertrouwen. 
lAj gedenkt zeer wel, dat zeeker mijn Voegt, in mijn jeugt, als mijn 
Vader geflorven was, iny de Schilderkonlt met zoete reedenen afried, 
en een ander beroep, dat hem zeekerder fc heen, met fch-jnbaere woorden 
aenprees. Matr iDy dacht, f choon ik no..h geen veertien jaerenoudt en 
Wras, dathy my als uit de zalicheit wilde trekken, cnalsinflavrny doem- 
de : want ik had de helft van mijn leven reets in dienft van onze Euterpe ver- yolhardca 
fleeten. Dezckerfrewegdanis: datmen diegenen, darrmen die natuur- blijken, 
lijke drift in vermoed, den toom vicre, en hem tot hetleerenvaad'eerfte 
beginfelenderTeykcnkonftbeftelIe, En hitris zoo veel te minder gevaer 
in , van de tijd en keften te vergeefs te fpillcn ; dewijl de Teyken- 
konft, gelijk reets beweezen is, tot alle beroepingen dient. Welaen, 
den nieuwen leerling heeft zijn cerften yver betoont, en al eenigen tijd 
daerinv«Jhart, u dunkt ook, volgens de gemeene waen, dathydapper 
toeneemt, en vry wat wonders te weeg brengt: nu wort het tijdeen an- 
dere rol re f pcelen, met uw beft te doen , om hem, doch met befcheyden- 
heyt, van i-eeze verlokkende 5/rffw af te trekken. Indien hyu lichtelijk in- 
volgt, enditfpeelegaenmoeis, zoo ftel u geruft , en geley hem tot wat 
anders aen. Maer is't dat hy ftant houd, en daer niet af te fcheuren is, jae dat 
liy van alles walgt, wat men hem ook aenprijft, zoo mach mendenken, 
dathy op de konft heeft beginnen te verheven. Slaevry toe, en leert my j j 
flcchts , zey t Diogenes , tegen den Leermeefter der wi jshey t , by Comeniusy Hontlhen 
nae dat hy verzocht haddc onderweezen te zijn. En fchoon hy ook in de/e Diogtmx 
proef bellandich is, zoomoet gy noch naeder onderzoek doen , en hem de induitsver 
onmetelijke hoogte der konft voorftellen , proeve van zijn gedulr nemen , *'*'}^ ^°'"' 



cnzien, of hy niet veeleer, door een vadzigeloflïcheit, van zijn meede- T'^P^'''"u 
leerhngen verleyt is , dan dathy, recht op de konft verheft, dezelve ^'^ ''^'"' 
met een leergierigen yver navolgt. Gelukt u dit ook , en ziet gy hem ganfch 
verflingert, wel aen, zoek hem nu, eer't te laet is , een keurich meeliet 
uit, en laet zien hoe hy hem, ontrent zijns gelijke keurlingen, zalaen- 
ftellen ; want deeze zijn noch niet alle tot Meefters voorfcnikt. 

Onzen Fabritiusy mijn meedeleerling , ftelde my in onze jeugd deezc 
vrac^ voor : 

Welk zijn degewifte kenteykenen , en vruchten van den geeft in een 
jong leerling , < m een gnet Schilder uit te verhoopen /* 

Ikantwoorte; na de maereiDijnsbegrips in dien ouderdom: Kentcvkc- 

Dat hy niet alleen Ichijue de konft te beminnen, nuvr dat hy in demio. 

B i daet, 



iz E U T E R P E. 

daet, in de aerdicheden der bevallijke natuur uit te beelden, verliertis. 
Dathy nier alleen het doode lichaem derkonftbeooge, dat is trant te vol- 
gen ) en te doen als andre > iiiaer dat hy op de ziele der konft als verOingert 
is: dat is, de natuur in hare eigenfchappen te onderzoeken. Hy is nijdich 
dat een ander iets, hem onbekent, weet , hy fcnaemt hem vaniemant 
ietsindrukkendtr wijze te leeren, en zoekt alles door eygen arbeit uit te 
vinden. Dit was mijn antwoort te dien tijde, toen ik fomtijts , door 
ineefters onderwijs verdrietich, my zelven zonder eeten of drinken met 
traenen la.tde, en niet eer van mijn werk ging, voorikdeaengeweeze 
misflach te booven was. Maerwat verder de Kenteykenenvaneenbequa- 
me natuur aengaet , de gaven zijn veelerley en verfcheyden , en 200 veeler- 
leyzijnoDkde byzonderheden onzer konft. Maer ik zoude niemant toe- 
laten , ten ware ik in hem eenen zeer bezigen en befpiegelenden geeft be- 
fpeurde. 

Nu zoo heeft de lichamelijke gefteltenis ook fommigc, als Rijk^met 
den Stelt , voornoemt , tot de konft genoodicht. 
acn'fSchil- De Redenaer Mfjf/^/dgafvoor, en'twiert vanilagtt^Witoegeltemt, dat- 
deren bcftdt. '"Cn Q^Pedius, die Itom geboren was ,wcSchilderkonft zoude leeren: enfe- 
dert heeftmen meeft alle ftommen , onder luiden van aenzien , tot de Schil- 
derkonft gevordert , even gelijkmen gemeenlijk de blinden tot de muzijk 
offpeeltuigen alderbequaemft acht. Zeker, ik kan wel zien, dat'crvoor 
ftommen niets bequamer , dande Schilderkonft is: maer dat de ftommen 
daerom juill al tot de Schilderkonft zouden bequaem zijn , volgt niet. Wel 
iswaer, dat den zin van 't gezicht , door die van *t gehoor min belemmert, 
by hen krachtelijk werkt , dewijlze meeft al doof zijn ; maer 't is hen veel 
ongelegener wel onderwezen te worden. Immers ik achtzebequaem genoeg 
om in ee-'ich by zonder deel van de konft uit te munten. Maer om algemeen 
te zijn , mocht hen licht veel ontbreeken. 
Die tracg Zommige geeften zijn , gelijk Plutarchus vanden jongen Kato getuigt, 

begrijpen zwaerachtig van beeriio , want als hybeftont te leeren, werd hy hart van 
ecmccDli k v^rft^nt gevonden, en traegm het begrijpen : maer het geene dat hy ook 
beftdacrdc eensgelecrt hadde, onthielt hy zeer wel, en had een fterke memorie, 
gtzwintftc gelijk gemeenlijk in alle andere bevonden wort : want de gene , die den geeft 
geeitfnycel- vaerdich en levendich hebben, zijn gemeenlijk kort van onthout, en die 
vannicmory Zekerlijken met arbeit leeren, behouden veel beter 't geen zyecns begre- 
zijn. pen hebben; overmits dat het leeren is, gelijk als een verwarmingeen ont- 

ftekinge voorde ziele. Men bevont Kato ook niet licht van geloof, want 
fchoon hy zijn meeft er wel gehoorzaem was , en al deede wat hy hem beval, 
200 vraegdehy hem nochtans altijts naden waerom, enhy wildede oor- 
zaek en de reeden yan aUe dingen weetea £a hier door fcheen hy te trager 

te 



Het eerjle Boek. i^ 

te zijn I om een zaek te bevatten. Want het is klaer , dat het leeren zoo veel 
is) als eenigeindrukkingete ontfangen j waer door het gefchiet, dat de 
gene, die mm tegenhouden, lichrehjxtgeloovcn; daeroinzijn de jonge 
luiden lichrer dan d* oude te raden , de zieken als de gezonden , en in 't ge- 
meen, hoe het geenedat ftrijten twijfelt, zwakker is, hoe het beter is 
te overwinnen j en dien volgende becjuanier om eenige leeringen op goet ge- 
lood te begrijpen. Maertotde algemeene Schilderkonft zoud' ik echter de 
vaerdichrte van begrip voor de gene, die goet van onthout zijn, verkiezen: 
dewijlzemeer eenvaerdige daedlijkheit , dan een te befchreumds nafpeu- 
ring, vereylcht. Als ik mijn meelterRfwir^wreensIaftig viel, mette veel vlugge gee- 
oorzaek vragen, zoo ant woorde hy zeer wel: Schikt u daer nac, dat gy 't gee- ^^n z'JQ 
ne gy alreets weer , wel leert in *t werk ftellen , zoo zult gy de verborgent- ^yj^^^^^Qj 
heden, daer gy nu na vraegt, tijts genoeg ontdekt zien. De regels der ^c algcmee- 
onderwij zingen, alszewaerachtichzijn, ftraxtegeloovenennatevolgen, nc Schilder- 
wint veel tijt uyt i maereentwijfelendcn leerling ftaet ftil, en blij ft doch jj?"^^* 
onmachtich om van de waerheit te oordeelen. Maer tot eenich byzonder „^H^^^. 
deel van de konltzouwd' ik eerder een zwaermoediger geelt gedogen. Want zondere 
deze zal met meerder lijdzaeraheyt de zaek , die hy voor heeft te leeren , ten deden, 
eynde toe uit behartigen, en niet zoo ongeftadichen wifpeltuerich van 't een 
op 't ander vallen. Want fchoon de vlug'^c geeften rijk , aerdich en fcherp 
zijn, en wel te recht by een fcheermes geleken worden, dat fijnen dun van 
metael '\% ^ maer lichtelijk gaet omliggen: Zoo zijn dieloch entraegvaa 
begrijp zijn, gelijk eenbijl, die taeyen zwaer zijnde, alles doorklieft, 
wat'er voor komt. En hierom zijn de Italiaenen beter in't gros van de konfl: 
maeronze Nederlanders, die niet zoo vlug van geeft en gedachten zijn> 
maer aerdachtigeren kouder, zullen 't den Italiaenen in eenich byzonder 
deel , daer hun natuer toe neigt , zelden gewonnen geven. 



ira- 



TWEEDE HOOFTDEEL. 

Van 'VToeg te beginnen , nae goet onderwijs te trachteny 
en *t zelve wel in 'r werk te ft ellen. 

Yders , Htn takj'te tot een haekj^alpajfen , moet vroeg beginnen krow Vroez cïe 
r^K'^/ffnCzeit iemand) daercmmoetmenhemjdieeenbchilderzal ^°"^ ^^ ^^^ 
worden , al vroeg aen de kunft voeren. De Romeynen hadden &'""^"' 
een wet » die de kinderlijke fpeeltijdt bepaelde , Cu aldus 

B 5 Een 




luide: 



DOL 



14. E U T E R P E. 

Cewifcg- Een zoon den jacrenoudt zijnde, raoetdanalle kinderlijk bedrijf reriae- 
gcndc jon- (gn , cn hy ver mach niet meer leedich langs der Srraetcn te gaen ; maer de 
gclingcD by ^^ j^jj qJ voogden zijn gehouden hem buiten de vry heidt der Stadt te beft el- 
len, om geleert en onderwezen te worden , 'fzclf borgen te blijven, dat 
hy niet onbthoorhjxoit zal bedrijven; op verbeurte van haereeyj^enc vry- 
heden. Dit was algemeen voor de vry^eborejonkheit, hoe vet 1 te meer is 
de Schilderjcugt gehouden vroeg op te zijni' Wjnt niemant kan, gelijk 
Cicero zcyz f volleert worden , tenzyhy vroeg acn 't leerengaet. Daerde 
(preukcookweloptcpaskomt, alsmenzeyt, Hy heeft van kintsbecn af J 
ai n de konlt geweelt. Want de dingen, die men in de jonkheyt leert, wor- 
den, gelijk Ireneus zcyt, zoo valt in de «jeheuggenis geprent, dat.uenze 
niet lichtelijk vergeten kan. 

Onder de kentey kenen is dit ook geen van de ininft^ , dar de genegent- 
heit tot de kon/t zich vroeg openbaert. GoltüU' , zeeven j.uen oud zij idc , 
bcteykendc mueren en wanden , jawacrhy maei by kon: eneenander, de 
Iconlt niet vremd , fchilderde met zijn eygeng;cl, kenbare dinpen, toen 
hy noch in de lange rok liep. Niet minder is het blijken van onyerdrootc 
naerHicheit j Taddco Zucherowu zoo verlieFt, toen hy een jongen was, 
indedirigenvan Ji4/<ïi?/nateteykt'nen, dathy» zich zelfs vergeetende, in 
de Lozien van Giji, ofwaerhy zich vond, bleet flapen. En Jofeph van Ar- 
fiu9 vergat, door grootenaerÜichcit, zijn (x>rrjtsbroot;jen «^eheelop te 
(Ccten, alshyuitteykenenwas. Maer zeekcrdtr kcnteyken gaf Mü7;ifi A- 
gnolo, toen hy een jongen was ; want ziende een zijn meedcdifoptl eeni- 
ce gekleede vroukens , met de pen geteykent van haer meefter Gnllandujo , 
Kopijceren, nam hy een grove pen, en gaf een van deezemeelfers vrou- 
kens eenen anderen en beteren omtrek; wtlketeyk.ningdaeroin, als een 
Warjeoaer- wacrdich gedenkbeelt, naderhand bewaertwicrt. Macr hier toe en is hy 
ftichdt Tci- niet zonder groote naerfticheit , in die dry jaren , die hy by deczen mcefter 
■*«^ leerde, gekomen. De naertticheitmaekt het zware licht , en do »r vlytich 
hand aen 't werk flaénbereiktmen zijn voorneem jn. ^^ü/rppffVi leerde in eenen 
nacht zoo veel fchrij ven, als hem tot her geeven van quijtfchrift van noo- 
den was. Titiaen wps t* zijnen twalef jaren al zoo verre geraek , dat hy zeer 
gelijk konterfeyte: enhair, kleederen enzyden zeer n^tuerlijk, en het 
vlees zeer vleesachtichkoloreerde: ja zoo, darmen zij 1 werken voor die 
van Giw^iön^ begon aen te zien. Maer wonderlijk was her van onzen Luk^s 
vaQLejfderty dat hy, negen jaerout zijnde, printen van zijneigen werk 
en uitvinding uitgaf. HySchilderilet' zijnen twalef jaren van waterverwc 
de hiftorie van 5/ Htttfrr , enkreegdaerzoo veel gourguldens voor, als hy 
jaren haddc, 't Zijnen veertien jaren fneed hy den Mabomet , die door dron- 
kenfchap een monik vermoort heeft ; een zeer aerdich Ituk. t' Zijnen vijf- 
tien 



Bjtooier 
kindcrtey. 
kcQblijk. 



Naerftic- 
kcits blijk. 

Blijk Tan 
OoidccL 



ITet e erft e Boek, i ^ 

tien jaren de ronde pafl*y , die zoo zwacr te bekomen is : en Et Teunls bekoo- 
ring; als ookdic wondeilijke p4«/«> bekeeringe. En 't jaer daer aen , die 
zeer aerdige Ecce Homo, Werken , die hem den naem van een groot meefter, 
eer hycei. hair om den mond had , watrdich ii.aekten. Deeze vohnaekthe- 
den, zeeker, zijn hem niet anders, dandourgrootenvJijten nacritichcit 
toegekomen: hebbende noit ander kindcr/ptcltuig, als kool en krijt, pen-. 
p'.nreeiengraeFvzcr, cndergehjke, gebruikt. Zijn makkers waren Schil- 
ders, GlacHchiijvers, en Drijvers. Hyknooptt de nachten aen de dagen; 
en wasnoit vcrzaed van teykenen: ja rot nadeel zijntr gezontheit. Nie- 
mant behoeve de voorbeelden van den llordigen Mabuz.e, den zwelgenden 
Frans t bus j of den ongueren £ro«/*'fr , tut voordeel te neemenj wantce* 
ven deeze , hebben hare jeugd met groote naerfiicheit doorgebracht. Ja niet 
minder ah Pier tjn del Vage , die armzijnüe, de halve weeken voor de Schil- 
ders a-beide , belteedended' andere helfr, en de heyligc dagen tot alles na 
te teykenen, wat hem dienltich dacht : verdragende geduldich honger en 
ongemak , om eens tot den top der konff te geracken, 

üeNatuerlijkegave vaneen bequamen geeft , mach we! geleken wor- ^ri,|ic7' 
den by een vruchtbaren akker : maerhet onderwijs is het zaet, daerde gavcgoc« 
ware vruchten van te verwachten ftaen. Die dan door een geduerige oeffe- oodciwijt 
ning, en geduldigenarbeit rijp worden. Jahetgcbeürtfomtijts, dat fom- *'^"^^'''* 
mige , fchoon (ober van geelt , door 't wel waernenien van goct onderwijs, 
zich de konit als met gewelt eygencn : daer bequame geelten , door gebrek 
van 't zelve, gelijk dageiijx befpeurt wort , breekebeenen blyven. Min 
rochmeer als er vertelt wort van L^curgushondcn, Want als dezen groo- Wathcnel- 
ten Wetgever , aen zijn gemeente van Sparta , betoonen wilde , wat de op- ^^ *""i»c'^- 
voeding en gewoonte tot eenige deugt , ot wel aenleyding en onderwijs tot 
eenige konIt , vermocht : Zoo llclde hy den volke twee honden voor, d'eene 
was vancefltchteenhazewint, en af komftich van een zeer goeden en vcr- 
maerden aerr , maer alleen gewent in den haert luy en ledich te leggen ;d'an- 
der was van een flechte en ongeachte foorte van honden ; maer van jongs aen 
op de jacht gehouden en gewent. Daer op liet hy uit een kot een wakkeren 
haeslos, en meteenenfteldehyeenpot met eenige huiskoft daer ontrent; 
toen zachmen dat den geboren Hazewint, zijn gewoonte meer dan zijn na- 
tuer volgenile, tot den pot litp: mier dat den anderen, die rot de jacht 
onderwezen was , het wilt volgde, en ving. Zoo veel vermach de opvoe- 
ding, aenvoering, en onderwijzing 3 hoe veel temeer voordeels zalze te 
weeg brengen, daer van natuere wegen een vruchtbare ader vloeit. Hier 
op paflen Horatius verzen zeer wel , in zijn dichtkunft : want wat den Poëten 
aenL,aet, betreft ook de Schilders. 

Of 



i6 E U T E R P E, 

OftnendoorWetderKonfl, of door Natuur leert dubttftt 
h onderz^ocht : Maer dat de Konfl iets goets ilouip fticbten i 
Kan ik^niet zjen ; indient.* een vruchtbare ader mift : 
M onderwijl Natuur ook^y door geen Konjlgejle epen y z^ich vergif, 

tlkanJcr bc- Blkjifcht des anders hulp , z.ji pajftn hey te [amen, 

hoore 1 te lAaer die zjjn oogwit wil beiejfken , moet üchpratfien 

verzdlcn, Van jongs op tot veel doen, ontz.iende hett' noch koutP , 

En dat hy zich van wijn en minne Cpel onthouw, 
Maer om deze vraege, of dekouU grooter baet van de natuur , of van de 
leeringe heeft , te beantwoorden, zoo is te weten ; dat de natuur zonder 
deleeringeveel vermach: en dat in te_;endeel , de leennge zondereenige 
_ hulpe van de natuur, ydel en te vergeets is. Maer wanneer middelmatige 

endcLcerte- gaven der natuure door leeringe geholpen worden, zoo fchijnt de natuur 
gcnelkande- zich te beteren , en geeft uieer uit, als't verfhnt begrijpt ; daerenregen 
revergelc- zullen uitmuntende geeften , diedevolmaektheytbtkimi.nen, meerdanks 
' aen de leeringen, als aenhaere ingeboreneygingen, Ichuldich zijo. De 

dorreenonvruchtbaereaerdebefpotdenarbeytdes belten boumans: zoo is 
het onderwijs niet daa Roozen voor de verkens, als tren'taen iemant 
veripilt , die noch luft noch ooren heeft. Zoodanich een leerling zond ik 
laetlt zijn ouders t' huis , maer kreeg ondank van die bootfchap » dieze door 
blinde liefde eerft gelooven zullen,als *t te laet zal zijn. Een vette gront geeft 
fomtijts ookweeligh vruchten, fchoon niemant de hand daer aen flaet. 
Maer nergens na half zoo veel , alsze wel , door de naerlticheit des bouwers 
geholpen zijnde, zoude kunnen draegen. Zoo is de konft, die van de 
Braeflte vernuften , zonder meefter, zonder onderwijs , geocfïent wort, 
gemeenlijk vol doolingen. En deze Konftenaers , diedwaeflVlijkfnorken 
en pochen , dat zy , zonder van iemant geleert te hebben , geleert gewor- 
den zijn, zijn even als een Schip, dat zonder roer of pyloot in de wilde 
Zee doolt, en niet en weet , werwaerts het zijn koers zal zetten. Zeker, 
datzevry briefjes aen de Kofter geven om te bidden voor perloonen, die op 
eengevaerlijkereyze, ofop den doolwech gerackt zijn. En te meer, de- 
ivijl dusdanige perfüonendikwils met zoo milde gunlten van de Natuerbe- 
gaeftzijn, datze de hong^fte trappen der konlt machtich waren te beklim- 
Afsookdc f"en, indienze door goede leitslieden waertn beftiert engeleyt geweefl. 
Theorye en Dit zelvevcrfchü wort ook gedongen onder de nneuei- van Theory en pra- 
pradijk. öijk. A'anneer men vraegt , of de konfl: meeft door Je leeringe , dan of door 
de oeffeninge geholpen wort? Waer opwy antvv^orden , darde leeringe 
zonder de oefFeninge nietich is. En fchoon de oeffeninge zonder de leerin- 
ge fomrijrs wel iets belooft, dat de konft tot geenderley volmaektheyr kan 
rij ^en , ten zy men die geftaedich octftne, en nae de onfeylbdtreicgels d^r 
Icere beftiere. Terwijl 



mm 



Het eerfie Boek, i y 

Terwijl ik tot Wcenen aen'tKeyzerlijke hofv7as, 200 fchrcefmy een 
mijner Difcipelen uitHollandt, dat hyde gemeene regels dcrKonft wel 
kende, maerdathethem ontbrak in de voorgangen van andere, die reets vr.,^ 

aar in meelters waren, te zien. Ikichreef hemtotantwoort: dat hem dit w«t, moet 
noch te vroeg was , dat het gerucht dat 'er van hun ging, hem beeter van men gewen, 
verre zou aenporren, als vannaeby, dat zyniet dan door naerfticheyt en "^"i,'"'a 
het wel in 't werk ftellen van goet onderwijs , brae ve baezen geworden wae- j^" 
ren. Vorder vraegde ik hem : of hy met naerliichey t ook dageiijx zijn groot- 
fte vlijt in 't werk fteldej' Of hywelooyt eenteykening met rechten aen- 
dacht hadde geordineert ? De lydingcn, beweegingen, fchaduwen en 
daegen , op 't fchoonft , en zoo als hyze hadde kunnen op 't beft verzinnen, 
had waergenomen ? En of hy wel oyt zijn vermoogen eens geheel en al had 
uitgeput ? Ik vermoede van neen : en beval hem eerft zijn vermogen ganfch 
en gaer te gebruiken, en veroorlofde hem dan vry rondom te zien, en de 
' meefters te bezoeken, die in andere oorden zoozeer beroemt waren. Maer 
dewijl hem dit noch niet en voldee , en hy my de luft van over d* Alpen re 
klimmen, en Italien te bezoeken, bekent maekte: 200 fchreefik hem 
daer op den volgenden brief. 

Het klinkt my vremt in d' ooren , mijn broeder (want deeze was 't , wiens 
Lijktejiktn noch tot Weenen in de Heilige Kruisgang te zien is) dat gy alreedc 
fchijnt te befluiten van het vermaert Italien entrotze Roomcnte willen 
2ien : vermits ik niet en kan begrijpen , door wat grontreeden u dit als noch 
ncotzaekelijkis. Zeker 't is zotheid te veranderen, wanneermennietzee- 
kerlijk weet te 2ullen verbeeteren. Gy moet deeze fpreuk voor vaft houden 
engelooven: 

Men trekt geen nut uit £ oude kunfi 
Voor datmen fiaet in Fallasgunjl. 
Envan gelijken deeze waerfchuwing: 
Wiltgeu in Roome recht verz^aeden. 
Zoo trek^ daer heen met kunji gelaeden» 
Want de dingen , die een hoog befchouwend verftant verey f chen, zijn aen 
d'onbedreve en duiftere oogen onnut , en worden onaengemerkt voorby ge- Al te vroeg 
treeden. Ik heb meede bevonden, dat de geene die zich te vroeg be^eeven, ^^^''^''ec- 
om met een fpits oordeelde fcherpftetwiftreedens derhooge konftop een '" 
hair te deurklieven, zoo diep als in de letterkennis derzelve verwarden, 
dat zy daer nae onbequaem bevonden wierden rot het in 't werk (tellen van Dus moet 
het minftevan'tgeene zywiften. Dewerkdaedige wetenfchappen verey- '"^"'"ch- 
fchenoeffening, en hetdoenzoo welalshet verftaen : Wantdiedehande- ^" '^"" 
ling ontbreekt , en dezelve niet nae tracht, zal een breekebeen blijven, kunnen 
fchoon hy al wift j wat 'er tot de kunft behoort. Daerenteegen die zich be- doen. 

C vlij- 



Men vind 
«veral ftof. 



iMetam: 
Ub.9. 



18 E U T E R F E. 

vli jticht om wel te doen , zal Je kennis licht aengroeijcn , of hy zal zich ten 
miulten bequaem maekenom diet'ontfangen. Het is inde Schilderkonft 
een daegelijxfe ziekte, dat de leerlingen deniiddeimaet te buiten (lappen , 
'tzy datze meeflers inde mont worden, of datzeflechts uit gewoonte en 
2onder verltant de gemeenc fleur volgen. Men moet al 't geene men weet , 
letren in 't werk liellen , en al *t geene men ter handt flaet , poogen te ver- 
ftaen. Endit kuntgy.in'tvaderlant alderbeft behartigen, berey u daer, als 
ind'eerlte fchoolen, inde grondregels, om daer naeinhoogerfchoolen 
tot hooger bcfchouwingen bequaem te zijn. Leer vooreerft de rijke mtuer 
volgen, en watVrinis , naebootfen. De Hemel, d'aerde , de zee, 't ge- 
dierte, en goede en booze menfchen , dienen tot onze oeffening. De vlak- 
ke velden, heuvelen, beekenen geboomten , verfchaffen werx genoeg. 
De Üeeden , de marten , de Kerken , en duizent rijkdommen in de Natiier, 
roepen ons , en zeggen ; kom leergierige , befchouw ons , en volg ons nae, 
Gy zult in 't vaderlant zoo veel aerdicheit , zoo veel zoeticheit , en zoo veel 
waerdicheit vinden , dat, alsgy 'teens welgefmaekt had, gyuleevente 
kort zoud keuren , om alles wel uit te beelden. En in deeze minfle voorwer- 
pen kanmen al de grontregels leeren in 't werk ftellen , die tot de alderheer- 
lijkfte dingen behooren. Daerom weeft zoo nieuwsgierich niet , en gelooft 
vryelijk, dat de natuer u daegelijx dingen voor oogcn itelt , die gy van 
ganfcher herten zoud zoeken op te fpeuren, indien gyze maer eens gezien 
ha It. 't Is waer , Italien pronkt met duizent ftatuen , daer de konft 
zich op 't alderfchoonft , en op 't heerlijxt in opdoet. Maer watraekt 
dit u , die noch nauliix het gemeene leeven te volgen machtich zijt f 
deeze voorbeelden zijn u als noch zoo nut , als aen de jonge fchoo- 
lieren en taelleerlingen dehooge gedachten van Ariftotelesen Plato : zelf 
d' Antijken te volgen heeft fommige in kettery gebracht. Ik vreeze 
zelfdatgy, terplaetfe, daergyzijt, van ons onderwijs, in 't naevolgen 
van de natuer, zult afdwaelen, en andere naevolgende, vanden rechten 
weghgeraeken. Derhalve vermaen ik u , dat gy ufchikt om wel te doen. 
Op dat gy in 't toekomende met Hf r;^tt/n, byNaz.o, moogt zeggen: 

Veel klappen geit' er niet , om ons verfchil te jlechten ; 

De handen moeien 't werkjn met de tong verrechten. 
Dat \iy een ander met veel woordtn voer de vlagb j 
Met daeden toon ikjat men my niet overmach, 
Maer wat nutticheit het (laedichbey veren vandeurgaenswel te doen, in- 
brengt , zal in 't laetfte hoofdeel van dit boek, en elders breeder > vervolgt 
worden. 



DER. 



Het eerjie Boek. 



lp 




DERDE HOOFTDEEL. 

Hoemen met ordre te leer en heeft. 

Erfle beginfelen der konfl:, om niet verdoolt ce loopen» 
moeten op een gewifle ordre geleert. worden. Maer men 
vind ondcrtufTchcn nu noch luiden , die in twijfel trekken, P^l '^'"^'^?'''' 
of'er ook regels en wetten ten aenzien van de bchilderkonlt "^,fl" ,è° 
I , , ziin? dan ofzy alleen door zien doen, nadoen, en door 't gds bcftact. 

oeffenen der bequaeme verltanden , geleert wort? Tenluflmy niet op alle 
twijfelingen te antwoordenjmaer hope in dit werk te betoonen, oat de Schil- 
derkonft , niet min dan eenige andere vrye konft , in vafte en gewifle regels 
beltaet. Endatze, hoewelze veel zwaerder als eenige andere in de uitvoe- 
ring fchijnt, gehelijkt* ontleden, en vanftuk totüuk, door onderwijs, 
ten einde toe uit te leerenis. Maer dat iemant denken zouw, datmen hem 
*t verftant der zelve al teffens zoude kunnen in trechteren , of dat hyze in al 
zijn deelen zoo teffens zoude kunnen bevatten, die zouw zich bedrogen 
vinden. Sentonuiy als hy de oudeLufitaenen beduiden wilde, datdemacht 
der Romeinen, hoe groot zy ook was, dooreen mindere macht was uitte 
roeijen, liet twee Paerden brengen: het eene was kloek en flerk , het an- 
dere mager en' teer i aen 't magere paertfcelde hyeen jong fterk man, en 
aen 't ander een ongevalligen ouden j bevelende elk van hen den ftaert van 't 
paert, daerhyaengeftelt was, uit te trekken. Hier op begon den fterken 
jongeling den ftaert van 't zwakke paert vattende, te trekken, zoo lang 
tot hy moe was; niet meer te weeg brengende, dan dat hy, zijn kracht te 
vergeefs gefpilt hebbende, van ald'omftanderswiert uitgelachen, Maer ^'^'"^f 
den ouden man trok op zijn gemak den geheelen ftaert van 't fterke paert uit, SenTe^Icc- 
nemende maerweinich hairtjes teffens , en zoo veel tijts als hem van nooden ren zijn. 
was. Zooookmoetmendefchilderkonft, enalle vrye konften leeren, by 
leeden of trappen, ja als met hairtjes uitpluizen. Zoo groei jen dan ook de 
krachten aen, en men wort alsfterkerenfterker, en men krijgt eindelijk 
'[vermogen, van 't geen als ondoenlijk fcheen, en nochtans door gemak- 
lijke weegen en regels, die ook onfeilbaer zijn voor dieze vaft hebben, te 
weeg te brengen. Wie zouw niet verwondert ftaen . als hyeen out man (als 
weleer ^rf/;/Wfd«' zach zitten, en hem, op zijn gemak, een inftrument 
met veel raderen en rollen met zijn hand bewegende , een groot Koninklijk 
Schip , boven gewoonte geladen ,uit het water zach trekken , en over 't land 

C 2 by 



20 E U T E R P E. 

by hem komen, alsoft op 't water gedreven hadder' en dit was nochtans 
maer fpel voor Archimedes , want hy kende yder rat van zijn konftwerk , en 
wiftwatyder, dus of zoo bewogen , noot/akehjk doen moeft. Maer wat 
minder wonder is 't, wanneer een braeffchilder zich neerzet, en wonde- 
ren door de konü doet , die hy te voren in zijn verdant begrepen hebbende , 
verzekert, en met groot gemak , door de gewifle kennis der wegen , te weeg 
brengt f 

Om dan wel ond rweezen te worden, zoo moetmen een goed meefter 
En hier toe Verkiezen, die zich de kond verftaet, om van begin af op den rechten 
een goed wcch tegeraeken. Want ik hebbe dikwils bevonden, datdejongers, die 
Mccfterte by eenichbrodderhaer begin genomen hadden, bezwaerlijker hare quade 
manier konden verzetten, alsofzy eerft van begin af zouden geleert hc^b- 
ben. Ik zegge, tot trooll der ongeoeffende, met Deskdrtes y dat, gelijk 
menin'treyzen, als men de rug keert na de plaets, daer men zijn wil, zoo 
veel temeer daer af verwijdert, hoe men langer tijdt neemt en gez winde- 
lijker voortgaet, jaezoo, dat men, fchoon men naemacls op den rechten 
wegh geraekt, niet zoohaeit ter voorgenome plaets kan koomen , alsof 
men tevooreniet gegaenhadt; dat men, zeg ik, als men quaede gron- 
den of beginfelen heeft, hoe men hen meer bearbeyt, en naerftichlijker 
zich daer toe begeeft , hoemen verder van de waerekonftafraekt. Daer uit 
ik dan befluitedat een geheel groen en ongeleert Difcipel , die noit hand 
aen't werk floeg , alderbequaemfi; is , om door goet onderwijs in korten 
tijdt gevordert te worden. Ja ik heb zelfs bevonden dat jongers , die alleen 
by haer zelfs hadden aengevangen te teykenen, van de quaede manier, die 
zy reets hadden aengenomen , fchier nimmermeer waren af te brengen. 
Een aerde pot , of ander vat , 
Zuigt graeg den geur van 't eerjie nat : 
U)Verkla- Ents diefierkj ofriektz^ebangy 

yjf^ae D. Zoofiinki de pot ^n leven lang. 

Eraffni,op Wy zien aen de Schilders ^ zeyt Erafmus {a) dstt zyom minder loon iemant 
Manus leeren, die ganfch ongeleert is, dan die van eenander Meefterqualijk is 
f^i'***, onderwezen; vermits dat men in den ongeleerden niet dan eenderley ar- 
moite net ^'^'^ '^^^^ * maer in den qualijk geleerden dubbtle moeite heeft , want men 
qualiik ge- hem eerft het geen hy geleert heeft, moet ontleeren , en den arbeit van ont- 
Icedcwe- leeren, valt moeilijker, als van eerften af te beginnen. Hierom vrae^de 
d rom te den beroemden Fluitfpeeldcr T/wior^fHi, alsmenhemdifcipelenaenbrachti 
Schilders als of zy 0(jk eenige beginfelen van fpelcn hadden s* want hy begeerde twee- 
Dichtets mael zooveel van degenen , die reets by iemant anders hadden aengevan- 
moeten uic ^en , als van degene, die niet met allen en konden. Derhalven zeg ik 
fte- cude nocheens, die by een brodder begint, lijd gevaer vaneenbrodderte wor- 
'' ' ' den 



Het eerjie Bock. 21 

den, en wat is'erfmadiger voor een £dcl gemoed, als inhetgeenemen 
by de hand neemt, zoo wijd achter te leggen , en voornamcntlijk in de Schil- 
derkonlt ? voorwaer niet min walglijk als llecht in de Poëzie te zijn , 't welk 
JioraüUi dus bettraf; : 

Een taemltjk^ Rechtsgeleerde of Yoorfpraek.i 

Hord nochgelcen : Macr om wat oorz.aekji 
Zoudge een niatr taemlijl^ Dichters grol ver draegen. 
Die Godt noch Mcnfch noch 't Schouirburg kan hehaegen ? 

Zy walgt als vals Muz.ijk^, en 't [meeren 

Van Kompojiinefigers , jrel t'omheeren. 
Het is een groot afzien , dat Princen en Vorlten door flechte Schilders zoo Cecn brcJ. 
wanltaltich verheelt worden. Alexander wilde daerom niet lijden, dat zijn ders tot itrs 
beeltenis van eenich brodder gemaekt wiert. Maer hy veroorlofde al- ^crhcvens te 
leen aen Apelles hem te mogen fchilderen ; aen Lifippus en Polikjetus hem ^^ 
te fnijden, of in koper te gieten ; enaenP^r^ofc/w zijn afbeeldmg tegra- 
veeren, 

DeThebanen en wilden ook geen flechte Schilders in haere Stadt dulden, 
en haere Wetten veroordeelden de konftenacrs in een gcltboete , wanneerze 
haere werken niet zoogoed, als hun mogelijk was , hadden uitgevoert. 

Mach u nu, ó Schilderjeugt ,een goet Meeller gebeuren,die u den rechten 
wech wijll:, zoo is 'er hoope van fpoedige vordering. Deze zal miflchien het 
futfelboek zoeken , niet alleen om de leerpenningen uit te rekken , maer 
ook om de konft zwaer te doen fchijnen. Spoed u derhalven zelfs om de on- 
derwijzingen vlijtich in 't werkte Üellen , want u Meelter zal zooBarba- 
rifch niet zijn kunnen, dathy, ziende uwen y ver, u niet en zoude willen 
verder geleyden. 

Gy Meefters zult ook in uwe onderwijzingen de natuuren uwer Difcipelen 
te gemoet komen. Theopompus wiert van zijn Meelter Sokjates met den AendcMcc- 
toom, maer E^j/jor«i met fporen bedwongen. P/^^ro van gelijken hadde twee 
leeT]OT\£^ers Arijiotelesen Xenoktatesy waer van den eenenzeerlangfaemen 
zwak van verltandt, maer den anderen zeer leerzaem was: waer over hy 
placht te zeggen : dat hy deneenen, als een willich paert met den toom, 
maer den anderen als een traegen Ezel met den prikkel bellitrcn mo(}. Zoo 
zult gy ook den dezen met kracht opVekken , vermits hy wel hart van 
begrijp is , maer echter zeer bequaera om het bcgrcpe te bewaeren. 
En den geenen, die den geeft: te vlug is, zult gy inbinden, opdathy't 
geene hy geleert heeft , mach behouden. De korzelhoofdichcit paft: 
ook den Meefter niet, maer hy fr hikke zich Sarpcdon tevolgen, waervan i,j(;ato-'an 
Tlutarchus zeyt: dat hy de redenen vaerdigerhadde, om zijne Difcipelen te Lrj,f4, 
onderwijzen, als de vuill gelicht, om hen te flacn. (Jok en zouden ^y 

C 5 juilt 



12 E U T E R P E. 

juift niet al 't gedult van Dfogenes hebben > en zeggen , Sla vrjf toe Meefter , 
en leert 7nyftecht{y maerontijdichdcn moede opgeven ; want hoe zouw den 
leerling het gedult keren van een Meelter, die zelfs onverduldichis? 
Ii««i een Zone van M^rJ^y/tti, en, zoomenzeyt, geteeltbyonzet/r<i«/4, 
leerde aenHcrcwi^op de Citherfpeelen: maer alzoo hy plomp en hart van 
begrijp was , zoo bekeef hem den Meelter , en beftont hem eindlijk te flaen, 
waer over Herculeshcm met ongedult daer tegen verzette , zoo dat hy Linus 
doodfloeg. Eenjammerlijkeynde van zoo heerlijken man , die verlcheydc 
Du ieUer- boeken van den oorfprong des werelts, van Zon en Maene , en van de 
Jingen mo.-- yoortteelingen der dingen gefchreven hadde. 

2a?n(fücn°'' Gy Leerlingen hierentegen> zult niet alleen uwe Meefters gehoorzae- 
gcloovcn. men, maer hen ook in't onderwijzen gelooven. Die uit den mont van zijn 
Gr.oft.cap. Meefter wat Iceren wil (zeyt H.Noütus) moet dat zelve naekomen, zonder 
^ ■ ^ ' eenige onderzoekinge , zoo lange tot dat hy het geenige datter geleert is , 

wel en te recht verftaet. Veele, vervolgt hy, hebben de maniere, dat 
zoo haeft zy wat vanhaer Meefter gehoort hebben, dat zelve ftraxhaer 
oordeel onderwerpen , en van de waerheit , eer zy't recht begrijpen , wil- 
len vonniffen j fchoon hun begrip en oordeel noch ongeoetfent is. Zeeker de 
Schilderkonft beftaet in wel te doen,en niet in wel te zeggen. Daerom zou- 
de ik den leerlingen liever, als Pjnhagorai zijn Difcipelendede, eenvijf- 
jaerich ftilzwijgen opleggen, en een ftriktehjke gehoorzaemheid aenbe- 
velen , niet om dat zy onkundich in de konft zouden blijven , maer op dat zy 
eerft te degen het gene hen aenbevolen is , zouden leeren in't werk ftellen. 
De leerlingen, zeyt Verulamius, zijnhaere Meefters een tijd lang geloove 
Niette fchuldich, en moeten haer oordeel opfchorten , tot dat zy de geheele kon- 
vroeg Mcc- ftenwech hebben, en die tijt gekomen zijnde, zoo zijn zy ganich vry. 
fterzijn , of Dat niemand zich ook te vroeg waene meefter te zijn. Prinuticcioilond 
na gewin ce 2,es]3.er onder JulioRotttam , en Taddeus Gaddi vierentwintig jaeren onder 
Giotto: maer den vermaerden P<«w^/ttiftelde tien jaren, die zijn Difcipelen 
moften uitdienen. Noch dat niemand ook te vroeg na gewin trachte, ge- 
lijk het veelen gebeurt , die dan als in haren loop door de aenzoetende pro- 
fijten gefteuit worden; en methet aengrijpen vanhethenneney , hetgan- 
zeney verliezen. Maer op dat onze voorbereydingen niet re lang worden , 
200 zullen wy ons tot het ondervi^ijs der Teykenkonft fpoeden ; voor zoo 
veel als ons de tijd en luft zal toelaten, tn op dat de loflijke gedachtenis van 
onzen Vermander , wiens voorgang ons tot dit werk heeft aengeport, 
geëertblijve, zoo moet dit vers inonze HoUant,fche tael nagevolgt voor 
afgaen jwaerinde bovengeroerde waerheeden niet onaerdich bevefticht 
worden. 

Ver- 



Het eerjle Boek. 2^ 

Vermaning aen d'aenkomende Schilderjeugd. 

OHebes Kr 00 ft ^ en Genius Scholieren , 
Die vaek^i tn ftee van fchrijven^ uip papieren 
Met Mannekens en Scheepen en (Jediert 
Vervulde y 'tfihijnt of u Nature fttert 
Tot fchilderen , waer toe dan voort uit> ouden > 
Geen kofi' ontz.iend\ u voeren op' er fchouders. 

Men oordeelt Itcht daerfteekt een Schilder in , 
Dit woord ti haeft gefprooken , maer den z,/» 
li dutfter i want d'een Schilder is van d' ander 
Als door een berggefcheiden van mzlkander > 
Zoofteil dat veele utt wanhoop onder weeg 
Bez^weeken > eer van tien een iets verkreeg. 

Men moet niet licht de jeugd de Konft aemaden > 
Zj' lokt z.elfs aen , en is tot veeier fchaden 
Een toorts gelijk^y waer tn de niugge vliegt 
En z.ich verbram. Den glans der kunft bedriegt 
Ook^dtku'tls : kuntgj uwen luft weérhouwen , 
Laet af by tijds, voorkom het fpa berouwen. 

De Konft ts een verlenende bireen 
Vooi veelen : maer Natuer kan ongemeen 
Vernuft , en Geeft , en Gunft aen iemant geeven > 
Om anderen metfpoet voorby teftreeven : 
Dat blijkt al vroeg : het hout dat tot een haek^ 
Zalwajfen, moei vroeg krommen , die den Draek^ 
Van Lemen , en veel monfters Zail veripinnen , 
Moet van de Wieg al aen een Slang beginnen. 
Is u Natuer z,oogunftuh ? uw beft aen 
Is lofiijk y en nut reen niet af te raên , 
Cj z.ult miffchien duor vl^i den prijs genieten > 
Daer honderden en meer vergeejs nafchteten. 

Sla vooji dan , na den Top mU Eedel fpooor j 
Geef aen Kupid' of ^dc\\v\s gten gehoor. 
En wilt deflaep en vuige traeghett mijden : 
De Kunfgodinn en kan geen Minnaer lijden , 
Die niet geheel z^ijn zwinnen aen er bind. 
Z^i naetftichfpAtd' en vroeg > tpant tk bevind 

Het 



Uit Arioftc» 



Il E U T E R P E. 

Jlet Spreekïpoon vals , datfcbilderen maekt wilder » 
Hoe grooter geeft intfchilderen , hoeftilder, 
l^amfchoon m'er weetydiem werken roemrijkjL^n , 
Die tot den korf, verz^oopen in den w^n , 
Geraeki zwijnt dit s bekent, dat z.^ eer ft leerden 
Metfoberheit , en toenz^e zjch onteerden 
Vervielenz.e ook^y z.et vadz.enAeneenz.j, 
Be Deugd verftert de konjl : een Eedle ry 
Van Schilders heeft in deugden uitgeblonken 5 
Die door defaem metglory z^ijn befchonken. 
Daer is een oude Grjixjtertfnel te been , 
Die duiz.enden van namen gaert by een 
Derjiervenden , opfedeltiesgefchreeven > 
In 'tpp van zwijnen rok., dangaet hyjlreeven 
Na Letbis vliet , enJlroitz.e voort te x.aem 
In 't water , z.00 dat naul^x eene naem 
In weezeen bl^ft , hoewel daer kraey en gieren ^ 
En Ravens en verfcheide vogels zjvier en , 
Die etntge uit de baeren van 't getal 
Op grijpen , daer metfchreewen engefchal 
Meedeurgaen ; maer z.' ont flippen haer, en z.inkenf 
Een klein getal ontkomt nochtans 't verdrinken 
Door hulpe van twee zjpaenen , want defaem 
Ontfangt van hen voor eeuwichyder naem 
Dergener , die zJch lovenswaerdich quieten , 
Wiens beuggenis men nimmer z.al vergeeten. 



VIERDE HOOFTDEEL. 

Van het oogmerk der Schilderkonft s watze is , en 
te izieeg brengt. 



De schilder- 
konft is de 
Natuur te 
verbeelden. 




E Schilderkonft is eenwetenfchap) om alleideen, ofte denk- 
beelden , die de gaiifche zichtbaere natuer kan geven, te verbeel- 
den: en met omtrek en verwe het oog te bedriegen. Zyisvol- 
maekt, wanneerzeheteynde, daer P4rr4/i«i vanroemde,bereikt. 



die aldus opgaf: 

N«i z.eg tkji ts het eynd van onz^e kpnji gevonden, 
Maer 't onverwtnlijkjynd my baud als va^ gebonden. 



Dat 



Het e erft e Boek. aj 

DAt ikjiiet verder mach ; dus beeft een y der tnenfcb 
't Geen hj/ te klagen heeft , off geen metgaet na spenfch. 
Maer dit eind heeft hy hem gewis ingebeelt gevonden te hebben, toenhy r r ■ < 
den moedigen Zeuxis bedroog. Want een volmaekte Schildery is als een dcrnatucr, 
fpiegelvandeNatuer, die de dingen, die niet en zijn, doet fchijnente 
zijn , en op een geooilofde vermakelijke en prijflijke wijze bedriegt. 
Den Konftver/inader Agrippa bekent , dat de Schilderkonlt een zeer zuivere 
navülgfter der natuerh jke dingen is , die eertijts d'eerfte plaets der vrye kon- 
den in hadde. Ln zeker zywas outstijts, en isnochdeblocnie vanalle 
Konften : Hierom rekenen onze Poëten haer af komftich van Narcijfust die ^^°^J^ ^" 
in een bloem verandert wiert. Want wat mach beter rijmen op de fchoone " *""' 
geftaltenis dezes. jongelingSjzich in de kriftallijnklare fonteine fpiegelende , 
dan een konftich en wel ge(childert beelt de natuer gelijkvormich. Hierom 
noemen andere haer ook de fchoone dochter van de fchaduwe. Want gelijk fchajii" 
de fchaduwe den uitwendigen omtrek der dingen onfeylbaer afpaelt , waer 
uit gezeyt wort, dat de Teykenkonft haer eerfte begin nam, zoo beelt de 
Schilderkonft de geheele natuer na. Zy is een gedenkfchrift der voorledene 
zaken ; een wonderlijke vertooning van't geene ver af is : een Prophetifche 
verbeelding van 't geen noch te gebeuren ftaet ; en de machtichfte onder alle 
konften. Waeromze ook met recht het boek der Leekengenoemt wort- Boek der 
werkende met een doordringende kracht op het gezicht van allerley men- ^"^^"' 
fchen. 

Haer voornaemfte en cerfie grondtregels beflaen in de Teykenkonft, 
welke zelf zonder verwe fchildert, en de voornaemfte dingen der natuur 
uitbeelt. Een Teykening, fchoon zonder verwen,alleen in omtrekken,lich- d "reykoi- 
ten en fchaduwen beftaende , zegt Phtloflratus , verdient nochtans den naem konft. 
van een Schilderye , vermits wy daer in niet alleen de gelijkenifTen van 
d'afgebeelde perfoonen befchouwen , maer ook zelfs hare bewegingen, 
vrees en fchaemte, ftouticheitenyver: en fchoon zy alleen in eenvoudige 
linienfomtijtsbeflaet, diedejeugt, hair nochbaert, niet en kunnen uit- 
drukken, nochtans gevenze de geftalte van een zwarten ofwitten menfche 
genoeg te kennen. Zoo dat een Moor, zelf met witgeteykent, zwart 
(chijnt , wegens zijn platten neus , kort hair , bolle kaken, en zekere dom- 
micheit ontrent zijn oogen , welk alles zeer lichtelijk aeneen verflandich 
aenfchouwerj dat het een zwart is > uitdrukt. 



VYF- 




26 E U T E R P E. 

VYFDE HOOFTDEEL. 

Fan de Teykenkonfi. 

El te recht begint Vermander van de Teykenkonfi op dezen zin : 
'De Vader van veelfchoone konfien is 
Df Teykenkonit , dievaerdtch en gewis, 
Betgetn den z.tn berat heeft , uit kan beelen ^ 
'Doerfcbnjt bekent m al des H'erelts deelen. 
Wy hebben boven gezeyt , hoe de 7 eykenkonit niet alleen noodich is aen 
Tcykfn- Beeltfnijders , Bootfeerders, Gout-en Zilvervverkers , maer ook aen 
konit, Boumeefters , Timmerlieden, ja aen Veltheeren , Prinfen> of, om met 
een woord te zeggen, aen alle vernuft oeffenende menfchen ; vermits 
het gezicht en het oordeel door de Teykenkonlluitermaten verlicht wort. 
'^'?^"°°" Maer boven al dient zy tot deSchilderkonft, waer van zy zooonaffchey- 
SchildaJ. delijk is , dat de Schilderkonft, zonder haer, niet alleen gebrekkclijk, 
maer geheelijk doot en ganfch niet is. Daer de Teykenkonft , zonder 't 
behulp der verwen , alleenlijk met aenwijzing van lichten en fchaduwen het 
grootite werk, in iets te verbeelden, machtichis. Waer uit lichtelijk te 
begrijpenis, dat die tot de Schilderkonft wil geraken, door de Teyken- 
konft moet opklimmen, en dies te omzichtiger, vermits het oud en alge- 
meen oevoelen is , datter meer Schilders zijn , die 't aen 't wel teykenen > 
als.aen't wel koloreeren gebreekr. 

Men fteltde jeucht gemeenhjk aen't nateykenen van oogen , neuzen, 
monden, ooren, en verfchcyderley tronien, en verder, na prenten van 
't Principael aldcrley flach. Nu wel aen, hang het geene gy nateikent , 't zy prent of Tey- 
op te han- kenin^,lootrecht als een Schildery op: op dat gy u gewennen mooght op een 
g'"- kunftvoeglijke wijze recht uit te zien. Zit fteyl overeyndt , en beurupa- 

^^oetczit- pigj.Qffeykenboekmetde liiikerhandtookfteylachtich, op datgyuwoog 
en hooft in het opzien niet te veel hebt optertaen. Komt u een goede 
't Nut uit prent voor, 'ten zal niet altijts noodich zijn, dat gy dezelve in al haer 
prenten te deelen nateykent , maerleeral vroegh de deuchden der konftonderfchey- 
halen , Jen_ Qy ^ult in zommige, wezentlijkc en aerdige troonyen , wel geftelde 

fchoone naekten of natuerlijke bewegingen, en (tanden der beelden, aer- 
dige kleedyen en vremdegereetfchappen vinden: in andere, heerlijke ge- 
bouwen, deurzichten, en lantfchappen , of fchoone paerden, honden 
of eenichongeaicen dier. Voich dedingen, niet alleen, zoo als gy die 
voor u ziet » maer onderzoekt zelf , waer in derzelver deucht beftaet. 

Leer 



Het e erft e Boek. ly 

Leer zoo van tijt tot tijt uwen geeft met fchoone ftofFcn verri jken,om op uw 
beurte ook uwe vindingen te baren. Maer boven al zoo onderzoek de deucht 
van een goede ordinantie» 't Is een groot geluk zeer goede teykeningen,om 
een goede handeling te leeren, al vroech na te teykencn j want zoovint EnTevke: 
men in korten tijt 't gunt andere lang zochten. Anders vervalt men licht in nin^en , 
een quaedc manier, die men namaels bezwaerlijk kan verlaten. Wanneer 
gy uwe handeling nu machtichzijt, enuwoog wat verklaertis, zoozal'tEn Schildc- 
u ook niet verfcheclen veel verwige Schilderyen in eenverwigeteykeningen ^y^"* 
na te klaren. Ontwerpt het geheel van'tgeene gy voor hebt, eerilinzijn 
eroote zwier, op uw papier: en Tchifc dezelve wederom in grootachti;:e ^ootf^nof 
geaeeltens , t zy gy een beeld m hoott , armen , lichaem , en bcenen ^^^ 
verdeelt, of verfchey de beelden in groepen onderfcheyt , neemnaerftich 
acht, hoe veel 't eene gros van't ander in grooie verfchilt , en wat fprong en 
zwier alles te famcn maekt. 

Want gyzult'erdeelen in vinden, die rondachtich, vierkantich , drie- j. , 
hoekich, langwerpich, offchuins van form|2ijn. Merk decze gedaen- 7,^,,, 
tens dan met een half fchemerend oog aen , zonder op eenige kleinicheden 
te letten. Overzie in een tronie vry de byzondere leden , ten waer gy alleen 
met lofle ftreeken de holachtige fchaduwkens , van oogen , neus , of mond , p^^^ j^ 
die zich voornamentlijkvcrtooncn, aenweeft; doch dat dit niet te vroeg, Schctfcni 
en buiten haer behoorlijke placts gefchicde. Deeze manier van in't gros te 
fchetflen, is by de meefte op een onbedwonge wijze in't gebruik, maer 
fommige hebben zich aengewent , met rechte ftreekjes , de voornaeme 
gedeeltensin vierkantachtigc, langwerpige, en in boekachtige formen, 
doch niet geheel toegehaelt, te begrijpen. Ik laet dit aen de keur des ., ,. 
leerlings : maer wat verder het ruw fchetflen belangt , het is de eerfte gront- 
vell van'twelteykenen, en van zoo groot een belang, dat, wanneer het 
gros ofte geheel, wel en verftandich is aengeweezcn , men daer door dikwils 
meerverrecht, als'er namaels met grooten arbeit kan werden uitgevoert. , 
Enevengelijkmenzijnvriend van verre befpeurende, of by fchemcrlicht ^"°^"^'" 
ontmoetende, itrax als met het verfiant zijn gedaente ziet, en bevat, 200 ' *" 
geeft een ruwe fchets dikwils aen den kenders zoo grooten indruk , dat zy'er 
meer, dan diezegemaekt heeft, in zien kunnen. 

Alles nu als zweemende geplaetft hebbende, 200 begint de by zonder- 
heden al nader en nader aen te wijzen , de ruime lichten en groote fchadu- '" ^" " ^°' 
wente plaetfen, tronien, armen en handen reonderfcheiden, maer voor 
al de w aere beweegingen , en ftanden na haren aert te (chetflen ; tot dat uw 
geheel werk een algemeene gedaente hcbbe. Nu hand af, en den geeft 
wederom mer niei we f poorfljgen genoopt. Stel uw volgwcrk eens nevens 
't meefterwerk ter proeve j overzie, overwik, en onderzoek, ofgyook 

D z nergens 



28 E U T E R P E- 

nergens gemift hebt. 't Is noch tijt van verbeteren. Verhelp uwe misflagen 
ftrax, en zonder uitftel, op dat gy in geen gebrek van oit gebreeken te wil- 
len dulden, vervalt. Gy zult zelden miifeii , alsgy gewoon zijt niet te wil- 
len miflfen : en een dingen wel gedaen hebbende ) zal u meerder voordeels 
in uwen voortgang toebrengen , dan of gy hondert dingen fa la had ver- 
vaer dicht. 

Die d^eerfle lei vdn dez.e Konft begeert 9 
Zie dat hy wel en aeidigh fchetpn leert, 
d'EerftcLci. Dat'sy hoe de z^wier der dingen valty betrachten y 

En netticheyt en (i^vichejt verachten : 
Want miftmen in den tveljïant van* t geheel. 
Men fpüt vergeefs z,yn arhtyd in een deel. 
Men kan in*t fchetsfen dikwils den aert der dingen zoo gelukkich treffen ^ 
dat d'alderuitgewrochtfie dingen daer by niet halen mogen. Myquameen 
Verwonde- verbaesde bangicheyt aen, ztp. Arhiter, als ik my zelven de ruwe affchet- 
ringover fels van ?rotogenes voor oogenftelde, vermits dezelve, met de waerheyt 
ruwe Schct- yan denatuere , ineenen ftrijt fcheenen te treeden. Zoo wonderlijk ver- 
"■ mogende zijn de Schetfen van groote Meefters, en dies te nootzakelijker 

is'tjhet wel fchetfen te betrachten. Laet u hier geen opmerking ontbreeken , 
om voor al de plaetfen der dingen recht te gifTen ; want dit zal uwen voort- 
gang verzeekeren, en indiengein dit begin njift, 200 zal alles verminkt 
, uitvallen, en ev zult niet alleen verdoolt loopen, macr ookgenootzaekt 

ca voorfich- ^tjn om te keeren, en van nieuws tebegmnen. Maermdiengy , oleer- 
tich. gierige jeugt, voorfpoedich in de konlt poogttezijn, zoo zijt voorzich- 

tichenlangfaem • want weldoenis den wech tot ras doen, Maerwiltgy 
alles haedich, en by geluk aentaften, gy zult tot uw ongeluk mistaften, 
uwen arbeyt en tijt verquifien , niets leeren, en den luft verliezen. Dies, 
Opmakino-. zoo zijt voorfichtich enniettehaefiich. Want omdeTeykenkonft te leeren, 
moetmen met kleyne fchreden beginnen , en van geen dingen affcheyden , 
voor men't wel begrepen heeft. Alsgy nu uwc Teykeningenopmaekt, die 
door de netter fchetfingenalreets een gedaente hebben, zoo zie toe, dat 
gy niet wederom buytenfpoorgeraekt, geeft de buitekanten haer eygene 
zwiertjes, niet met een omtrek, die als een zwarten draet daer om loopt, 
maer wijs met een luchte hand ftuk voor ftuk aen. De deelen, die voor ko- 
men , vertoonen haer geheel , andere fchuilen deelsgewijs achter de 
Omtrek. voorite. Maer neem waer, dat gy niet teveel kleynicheyts en inhammen 
aenwijft; op dat de groote deelen haer fchoonheyt behouden* 't En is ook 
niet altijts van noodende buytekant door een omtrek aen te wijzen j want 
fomtijts kunnen ook eenigeduwkens , wijt van elkander , dezelve veel 
grootfer uitbeelden. Parrafius was , na 't getuigenis der geheele oudtheyt , 

al der- 



Het eer/Ie Boek. 29 

alderbeft in zijn omtrekken, enzy hielden dit voor d'oppcrfcc volmaekt- 
heyt, daereen Konftenaer toe gerackeii kan. En hoewel het geen Ivleyne 
zaek en is , de lichacmen haere binnewerken behoorhjk acn te wijzen , 200 
meenden zy, dat'erveelehierinne tot den hoooften trap waerengeklom- 1. « i j 
men : maer d uiterfte bepaelmgen der duigen in een gewifle tey kening te goede om- 
befluiten, hielden zy voor wat ongemeens, en achten 't alleen een werk trekken, 
van een zeer gelukkige handt. \\ antden uiterften omtrek moet zichzelven 
200 keurichlijk omvangen , enzoogeeüich in een aerdichomrondfcleyn- 
digen , dat zy niet alleen fchijnt te beklappen wat daer achter fchuilt , n^aer 
metcenen ook tevertoonen wat daer binnen verborgen leyt. Schoon nu 
Farrafius in zijnbinnewerkberifpt wiert, 200 heeft hy eenonfterflijkeeer 
door zijne goede omtrekken verkregen. Zoo getuigt ook Petronius Arbiter , 
dathy, ziende de Schilderye van Apellesy die Monoclmienos ^enoemtwicn , 
200 ontroert wiert , dat hyze boven al 't geene menfchelijk was moft eeren> 
om dat de buitenÜe omtrekken der figueren zoo zuiverlijk nadewaerege- 
daentens der lichacmen eyndigden , dat men naulijxmachtichwas, an- 
ders te gelcoven , of men zach de levende Schilderye der geeflen en zielen 
zelve. Zoo groot is't belang van bevallijke en welgeplaetfte omtrekken 
t'allen tijde geacht geweeft. 

Maer men moet daerom niet verzuimen, al vanbegin afaen,defchadu- ^*^^'^f^'*- 
wen waer te nemen , en de 2elve al fchetfende haeren 2wier te geven : want 
daer door krijgt uw werk ftrax een verheevener gedaente j en het gros 
wort'er te beeter door onderfcheyden» 

De tweede Les is , dat men moet gewennen 

De [chaduwen en dagen t^ onderkennen. 

In fchaduip k^n een bruine [treek f^iet fchaén , 

Die nimmermeer in'tdaghlicht mach befiaen. 
Eenige beginnen hare Tey keningen met omtrekken , andere op gegront pa- 
pier, bootfende dezelve, eerze eenige omtrekken aenwijzen , met de groot- 
fle lichten , andere met alles te gelijk in't geheel te dagen en te fchaduwen. Vink re leg. 
Maer 't zy gy met de fchaduwen be^^int of eindicbt > gy zultze by u zelfs in S^" • 
mindere en meerdere gnen verdeelen , en elke , na haer behoorlijke bruinte , 
op een vlakke manier aenwijzen : want door het te veel verdrijven, en in een 
fmelten zou al uw wtrk koper worden • engy zoud zelfs het oordeel daer 
af verliezen. Laet u ^een kleyne kantigheden van een zachte fchaduwe ver- 
veelen , noch dat een bruindere in't midden derzeive van naby ietwes (toot ; 
want de kracht zal te grooter zijn , als gy 't wat uit de hand ftelt , en gy zult 
gewoon worden deel regens deel te vergelijken ; en eindelijk meer nuts uit 
deeze wijz-e van doen rapen, als gy u oit zoud hebben durven inbeelden: 
daer gy anders > door het zoet verdwijnende gefutfcl , gevaer loopt van 

D 3 geheel 



De Schaiu- 
ven 



Van gfiijkcn 
<Jcdigrn, 



D- 'de Les, 
ydt; ding na 
7i'n pert te 
hjndc)"n» 



30 E U T E R P E. 

geheel te verdoolen: gelijk aenmenich edel geeft, dooreen genegentheit 
van hun werk deurgaens met diepen en ophoogen te verzoeten en bekrach- 
tigen,gebleeken is. Dit zelve moetmen ook op gegronde papieren , in het 
aenwijzen df r dagen of lichten , gedachtich zijn, Zijt ook fpaerzaem met 
altefterke glanflen, eniaet den grond van 't papier zoo veel dienft doen , 
als't lijden kan: want het uiterfte licht fpaert men gemeenlijk, als een 
plichtanker, voor den uiterften noot , als in dingen die bhnken. Wammen 
moet zijn handeling nae den aert der dingen fomtijts veranderen. 

De derde Les is, nae den aert van't leven ^ 

len^der dmg z.^n ejgenfcbap te geven, 

hit handelen : vien fven z.uh geen manier. 

Als die z.icb firekt tot alUr dingen z.wier. 
Maer deze opmerkinge zal door geftadigeoefteiiinge rijp worden. 



ZESDE HOOFTDEEL. 

Va?i 'verfcheyde wtj'zen van teykenen 5 en Jioffen 
daer toe noodich. 



Waer op rfc 
oude pi 'gen 
tc teykenen» 




Xjct hriet 
hierv/}}iPli- 
n'uslil. 15. 
c.jp.ii. 1;. 



ET Teykenen gefchiet op veelerley manieren, nadenluften 
het behagen des Teykenaers. Deftoffen, daermenopteykent, 
zijn ook veeierlejr, en de ouden hebben al andere , als wy nu 
hebben,gebruikt. P^wpWiDifcipelen teykenden, alsgezeytis, 
op tafelkens van Palm-of Busboom hout , men bereydeze ook van Beuken- 
en Linden paneelen , welke met Was overgoten wierden , waer op men dan 
meteen Yzeren, Elpenbeenen , of Bosboomen griffie teykende. En deze 
^ewaftc Tcykentafcls konde men menichmael gebruiken ; want als de 
Teykening de tafti onwaerdich was , zoo maekre men het Was maer 
warm , zoo wiert de brcddery vernieticht , en de Tafel weer zoo bequaem 
alstevonren. En door dit middel zach men zoo veel onnutte teykeningen 
niet, als'er nu op papieren omzwerven ; noewei men ook tafereelkens 
van Loot gebezicht htcfr. Naderhant nam men bnlten van boomen, als 
van Beuken , Ahorn , ElTchen, en Olmen : te weten het dunne vlies , tuf- 
fchen het hout enden ball, dat by de Latij. en //i'frgenoemt wiert. Maer 
d'Egyptenaers vonden een foorte van Biezen, die men in dunne bladeren 
van malkander kon fpouwen, en dirwiirr papier genaemt, waer van het 
onze, van oud Ly waet (en dat van de Chinefen van zijde} gemaekt,noch den 

nacm 



oot m 



Hef eer/Ie Boek. ^I 

naem behoudt. Andere gebruikten palmbladeren , ^üijk Eneashv Virgilius 

tegens de Kuaiaenfche Sjbtlle gedenkt : 

ik^bidde alleen y betrouu? uw yaers geen PallemhUdt, 

Op dat de Jmlle wint het met vcrjtroje en vutt'. Ewf.« 

Maer dat il'Egyptenaers in overoude tijden Schaepc-en Geytevcllen, in 

fice van Biblenot papier, gebruikten, getuigt iifro^oor, en dat te zijnen pr j 

tijde noch vecle Barbaren haer daer inne navolgden. Wy ook gebruiken Terp/ïcWr 

witte pergamcnten , voorts witte en blaeuvve papieren , of gegronde , 't zy 

danblaeuwachcich, afchgraeuw, geel, ros, groen, en ook vleesverwich : 

niet een fpons , gedoopt in water met wat inkt , roet , of zoodanige verwe p^p pinftel 

gemengt, als men begeert. De ftorfen , daer men nieede teykent , zijn en inkt, 

ookveelerley , als de Schrijfpen uit ZwanefchachtjofGanze-pennen , of 

wel uit een droog riet gefneeden , zeer bccjuaem om met inkt , die een 

weinich met geüooten of gelchrapt root krijt , of fchoorfteenroet gebroo- Schetjwizc 

ken is, uw eerfte gedachten op't papier te fchetfen, en de fchaduwen tcgtbruikcn 

met een pinfeel, en 't zelve vocht met water, aen tezabbeien j om zoo 

een gros van 't geheel , datgy voorneemt , in'truwtezien. tn zeker deeze 

wijze van met pen en pinfeel te teykenen , is ook allcrbequaemft om een Ookbc- 

meellerhjk werk in zijn volle kracht te voleinden. Dewijl mcn'er ook, quamjtot 

als't pas geeft , met rood krijt en kryons in kan fpeelcn , als of men byna met ^^" gt^'ict'c 

verwen fchilderde. Maer men moet zich wachten van alteltiiveeereeelde °'^'^'"^"'"-' 

,, ,. r ■ Liii •'&D. Uit Ct voeren 

trekken, die men arleenngen noemt: want behal ven dat zy nergens toe dien- 

ftig zijn, zoo doen zy door haere langwijlicheit den aendachr fluimeren.Laet 
uwe penftreeken los en onbedwongen alleen der dingen zwier en de fchadu- p, . 
wen uitbeelden. Deeze wijze is ook allerbequaemit om Lantfchappen na't fcharpen.' 
leven te teykenen, dewijl de Pen te t loof en bladeren, en gebrooke gron- 
den, en Iteenwerk allcrbequaemft is ; en de Pinfeel tot het aenvecen 
van een eenparige fchaduwe. Maer tot het teykenen van tronien, handen, 
of geheelenaektenna'tleeven , moogt gy gefmijdich root krijt op wit pa- ^ , .. 
pier gebruiken. Gy moet u aen een redelijk dikke of niet te dunne Pen ge- or^^en^èc 
wennen , die gy genoegfacm voor uit lleekende in't fchaduwen flijpen zult , dmgtn na't 
om, daer'tvannoodenis, cenfcharper toets tegeeven. Het zwart krijt '=v<^" ^c tcy- 
heeft het zelve gebruik, maer noch meer opblacuweof gegronde papieren, Z^^," l 
maer hier nevens heeft men V\ it krijt of gedroogde Pijpaerde van noodcn , \vu kiijt.' ' 
om de dagen, die lichter als den grond uwes papiers zijn , optehoogen. 
Gy zijtvoorzichtich,indienge den grond tuffchcn deeze beyde kryons wel, 
laetdeurfpeelen, daer men zich ook met allen yver toe moet gewennen ; 
maer gy zijt dwaes, indien 't tot nadeel van uw werk gcfchiet ; want ik wil dat 
gy zelf uwc fchaduwen, indienze te hart zijn, des noots met wit krijt ver- 
zacht, en de fterke lichten met een befnicurde vinger te niet cloer. Gy 

moet 



31 E U T E R P E. 

Kryónj. moet de waerheit in UW vverk brengen , al zoud gy alles met vinger en duim 
overhoop haelen, en hier toe zijn de Kryons van veel foorten van koleuren 
zeer dienflich- deeze worden van Pijpaerüe, een weynichGomwater, 
Hoc te ma- ^" '"<^^ zoodanige enkelde of vermengde verwen, als gy begeert , ge- 
kcn. kneet, platgedrukt, en noch week, in vierkante lange pennen gefnee- 

den, engedroogt. Ofmen neemt zoodanige verwen alsmen wil, en ver- 
mengtze met verdurven Lijm, of Gom. Ik laet de liefhebbers de vryheit 
van haerenlnfl te volgen, die tot zuivere en nette kleynicheden geneegen 
*^'°°^* ziin, laethaervry op 't fpierwit Perkament, of met Potloot, of andere 
fijne pennekens aerdicheden uitvoeren. Maer gy,ó Schilderjeugt ! die moed 
in't hart draegt , plak vry grijswitte vellen papier aen een, ot gemeen pa- 
pier , en ftrijk'er een grond over , leg dan welbeprocfde lange pennen Bus- 
HcoIyJc kool een uur of twee in Lijnoly, en ftrax afgedroogt , zooteykenuwe 
Kdol.hacr naekten of flokbeelden leevensgroot na't leeven ; zoo zal hetoordeelin 
gebruik. uw oog, endeitouticheitinuwehand aengroeyen , endee?eteykeningen 
zullen ook n'et licht afiluiven. Maer vreeft gy datuweteykeningen,met 
^™ "^,ai zwart en wit, of ander Kryongemaekt, mochten afflij ten, zoobereyeen 
aSi^tcntc'^ vierkanten bak met water, doet daer in half Arabyfche Gom, en Gom 
tcrhocdcn. Dragant, zoo veel tot'er vette ftarretjes op't water drijven, hier zult gy 
uwe teykeningen deurhalen, doch zoo, dat het Kryon door 't infteeken 

niet affpoele. 

Zoo dra uw ham en oog begint te wennen 
. TotKoolenKr^ty P tnfeelen ofte Pennen ^ 

tc^tcykcDcn. Zoo tree ftout toe y de levende natuer 

t' Ontwerpen : wantfcboon uw dien arheyd xjier 
E» lajiich valt , 't en moet u niet verdrieten , 
Gj z.ult na't Luer de z^oeticbeit genieten, 
üatuer is't wit , waer na menfchiet en mikt , 
De Leytjïar , daer men recht z.tjn koers na fcbikt. 
In't leven zijn des Schilders rechte boeken , 
Waer in den Text derwaerheit is tex^oeken. 
Natuer volgunjl en aerdtchedtn [peelt t 
'/ Zyge op papier eenpoez.el wichjen teelt , 
of Man of Vrouw , gediert, ofBofch of Bergen t 
of wat den geeft des Schtlders is te vergen , 
Verkorting, en verbuiging, vlakte en gr ondty 
Dicmemam Mnder arbeidt ojt ver (lont. 



ZEVENDE 




Het eerfte Boek, 3^ 

ZEVENDE HOOFTDEEL. 

Hoe de zichtbaere Natuer zich bepaelt vertoont. 

Aer op dat wy niet te vergeefs aen^frforitt^paerdenftacrt, als 
gezeytis, trekken, 200 moeten wy dit ons overal tegenwoor- 
dige meefterwerck de natuer ontleden , en zullen by trappen 
gaende, zonder ons veelaen de redenkavelige regels te bin- 
den, alleen de byzonderheden onderfcheydelijck verhandelen. In deze na- 
fpeuring van de natuer, hebben wy alleen haer zichtbaer deel aen te mer- 
ken , want alles wat'er in de natuer;zichtbaer is , moet de Schilder- en Tey- 
kenkonft ten onderwerp verftrekken. 

Zoo komen ons dan ftrax de gedaentens der dingen , met haere verwen 
in'toog, waervanwy de eerfte zullen noemen vormen, ofgeftalten, of 
met ons gewoon konftwoordt , de Ttylusnmge. Van de verwe zullen wy in 
Terpficbore onder ons konftwoort kokreeren fpreken , in Melpomene van licht ' Zichtbaer 
en ichaduwe, en in Calliope vande houdinge: doch 200, dewijl tweeene „"^J" ^^^f^ 
niet van d'andere afgefcheyden kan worden, en de vorm, zonder verwe Teykcning, 
niet te zien is , noch geen verwe zonder vorm in de natuer zich openbaert > 
dat deze famen een zelve zaek begrijpen , daer van wv de byzonderc 
eygenfchappen onderzoeken , om die door de Schilderkonft te leeren 
nabootfen. 

De by zondere eygenfchappen alJer dingen vertoonen zich dan eerft aen 
ons in haere vormen en gedaentens: niet zoo alsze van de natuerkundigen 
befchreven worden , maer zoo alsze alleen, gelijk de fchael om het ey> 
de uitwendige geltaltens bepalen, en de lichaemen, die zy begrijpen, als 
door een buytenfte, van andere dingen affcheyden: gelijk als de wijn, in 
een flefle befloten , dcgedaentedes bokaels aenneenit, zoowort de vorm 
vandefleflehet voorwerp van't geene een Schilder befpiegelt, enzooda- 
nich begrijpt hy alle natuerlijke dingen, enyderin'tbyzonder. De bepa- 
lingen der dingen bellaen in lengte, enbreete, hoochte en diepte, holte 
en bult, recht en kromte, fchuinte en fcheefte , enopzooveelerley ma- 
nieren , als uit linien en punten kunnen getrokken worden ; en eenigerhan- 
de vorm uitmaken. Door linien dan moetmen de natuerlijke dingen leeren 
op't papier brengen , zoo alsze ons toefchijnen. Hier komt nu de Zichtkunft 
in haer kracht : want het ooge en bevat de dingen niet geheel noch teffcns , Dat is uiter- 
maer alleen die zijden, diet'onswaert gekeert zijn, en zich eyndigenin ^^ bepaling. 
bepalingen van omtrekken , gemaeckt door de zichteynden van de ftraeien, 

E die 



34 E U T E R P E. 

die uit ons' oogen afgaen. Alsby voorbeelr, een ronde kloot of kogel vet- 
Van de toont een ronde kring , en een eenigen <-)rizontof zichteind, hot wel wy 
zichtbare met hand en verllandteen oneyndich getal begrijpen: welke ronden om- 
zijdc. jj.g}j j^Q^j^ fchaers de hcUt nacr ons oogen toe bevangt ; voornainentlijk, 

als zy wat groot, of/eer naby is. ten yegelijk weet zeer wel, datwyin 
zee zijnde, weiden Urizont, maer niet de helft des werelts zien , gelijk 
Hiertoecen vvy aen Zon of Maeii kunnen, en ook zouden wy denzelven Orizontci kei 
zich zien uitfpreiden, indien wy ons in de lucht konden om hooch bege- 
ven. Daeromme bthoortmen een bequame af ; ant te beraemen, om na eifch 
Bequimeaf der voorvallen te gebruyken. terllelijk hebben wyaen te merken, datwy 
ftanttebcra- ^^gj q^^c oogen rondom ons zien , en desweegen geen rechte linie kan ge- 
to^enworden, die op alle plaetfen onze oogen eeven na is ; macrweieen 
kromme j als den onrrek van een kring, waer van het miadelpuntinons 
oog is : gelijk gy zien kunt voor een gebouw of Kerk (laende , dat niec 
alleen beyde de einden dermueren, maer ook de Torens van ons afloopen, " 
Hoeveree verkortenen verfchietcn. Hoe dvvaeflijkvvaer*t,dit aldus aftebeel jen, ten 
nemen. waer u werk, ook van zeer naby gezien wordende, 't zelve nootzakelijk 
vereifchte. Maer indien gy'tzy Kerk of Toren wilt teykenen, zoo zult 
gy niet eer flil houden van te rug te treeden, voordat gy het ganfche ge- 
bouw met een opflach der oogen kunt begrijpen : en gy mooo t niet eer be- 
ginnen, voor dat gy eerlt het geenegy nareykcnen wilt, met uw paneel 
of papier, 't zelve in de hand houdende, kunt bedekken. En dit moet gy 
altijtsvoor een regel houden, fchoon gy een levende figuer, ftokbeelt, 
ofwat het ook zijn mach, voorneemt; anders zuk gy licht in wangefhlt 
vervallen, zonderte weeren waer uit die fpruir. Gyzultookuwteykening 
tenminiteneenellebooglengte wijt van uw oog hou Jen, om de zelve van 
gelijken geheel in't oog te kunnen bevatten. Maerindiengymaereenich 
deel, 'tzyeentronyof handnateykent, zoo zal d'afllant zoo naeuw niet 
luifteren , echter kanze na befcheidenheit genomen , niet lichtelijk te 
verre zijn. Dezen regel, fchoon meer verkiezing als wet, is alleen ten 
aenzien van byzondere dingen, als tot Teykenincen en Schilderyen, die 
opalleplaetfen mogen verzet, verhangen en verdragen word. n, en om 
de ^ebreeken te vermij Jen : want hier in wort dikwils gemill , dat de beel- 
den het hooft na boven , en de voeten na onder verkorten : de geplaveide 
vloeren brceder als lang, de pilaren zoo rond als een ey, en de vierkanten 
fcheefhoekich worden j ja dat de Piramiden en andere fteenenfchijnente 
hellen. Maer dit dient alleen tot waerfchiiwing , want de rechte afïlant 
wort na allerley aertvanwerkinde Deurzichtkundegeleert ; 't zal hier ge- 
noeg zijn, dacinen den afitant niet lichtelijk iiiinderneem , als de hoogte 
of breette van 't vveik. 

ACHT. 




Het eerfte Boek, g ^ 

CHTSTE HOOFTDEEL. 

Nutticheit van veel met opmerken te tey kenen. 
Ich aldus gezet hebbende, zoo moetmen nae een gewoonte 
trachten van altijdtmer opletting te teykencn , en ditzoobey- Gewoonte 
veren, datmcn't als voor eendootzonde keure, daerin oytte van oplet- 
V erri leuwen : want eens verflaeuwt hebbende , zoo kan 't meer- ^iog. 
xnaels gebeuren : maer die deze verflaeuwing als een verfcheurend wilt beeft 
ontwijkt, zalindewakkerheid van zijne oplettingegeftadich toeneemen. 
r/«f4r<fc«i ze yt ergens, opdevraege, n'^erotnde Paerdcny welke ■, ten tijde 
als zjji noch veulens waren, dcor de tVolf vetvolgi z.ifn gewteji , veelfnelder z.ün 
Ms andere} datzulx /i|nkan , doordien de (chrik hun in de jonkheyt de ge- 
wrichten verfterkt , de zenuwen gerekt . en al die declen,dic tot het !oopen 
dienen, bcquaein heeft gemjckt, wier t'oorze dan al hacr leven ar-.derein 
fnelheyt overtreffen. Wy zeggen hier ook,dat de verfl jeuwing in hei oplet- 
ten een woedende wolf is , en dat die geene , dieze inzijn jonkheyt^ioor 
ivakktrhc) t ontloopt , alle andere zal voorby ftrecven. De gewoonte van 
opletten maekt het oordeel zeeker, en leent aen het oog een gewifl'e maet- 
ftok. hn zeeker hetooge vereyfchtwel een naeukeuri:;e gewisheyt, eer 
men 'er het oordeel , daer P. Hoof tin zijn vonnis van Paris van zingt > aen 
vertrouwen mach: 

Waerplat of rond voegt , bruin ofbleekofblos moet leggen^ 
Staetaen de kennisvan 't gezwicht y het oog moet z.eggen 
Wat lang of kort is i eng of wijt , wathartofz.acbt. 
Doch waer het oog feilt , ftaet den maetftok in uw macht. 
Zoo zal het oog met 'er tijdt een pafler verftrekken. Want ik bevinde dat 
de regels en gronden der konft , een vernuftich liefhebber voorgefchreven , 
hem wel verllandich maken, om van dezelve tefpreeken; maer dat hy 
door ongewoonte van doen, groote misflagen begaet, en door een on- 
geleerder, die door grooteoeffening den pafler in 't oog verkregen heeft, 
overtroffen word. De gewoonte van opmerken zal hetooc en de hand .^f"^^"^' 
eens )ongenleerlings zeer grootendienlr doen. Die zich vJijtich aenwent kn>en. 
inet goede opletting veel na 't leven te takenen , zal n.enichnuel een 
groot meefter befchamen . en de natuerlijke eygenfchappen der dingen na- 
der komen, dan zijn vetüand , noch in langen tijd daer nae , zal kunnen be- 
grijpen. Zoozal'tdan zeernut, en tenhoogften noodichzijn, al vroeg 
veel na 't leven te teykenen. En alift dat'er juift altijrs geenfchoolen van 
naektzittiig voorhanden zijn, zoozal 'taen geenrtof ontbreeken. Want 
bynaieder deel der Natuer is bcquaem genoeg om deezeoplcttingtevoe- 

£ i den, 



^6 E U T E R P E. 

den, en de fcherptedes oogs te wetten. Zygaenwacrlijck wel dapper op 
krukken, diegeltadichdcn Maetltok en PaiTer van nooden hebben , daer 
het ooge, door oeftening gelterkt , zelfeenPafler verftrekt. Maer vuige 
traegheitfchriktveelenafvan dit wilt te bejagen, dat niet te verkrijgen is, 
, dan door een geduenge oeffening , gefterkt door een vierige hoop , om 
l!ikm"V" eens de vrucht van dien loflijken arbeit te genieten, en eere te behaelen , 
mocielijk. die zelfs groote Meeiters eenichzins hebbenmoetenontbeeren. Want als 
den roemruchtigen Tiüaen tot Romen 'in't Belvideer gekomen was, ver- 
toonde hy aen Michcl Agnolo een naekte Danaëvdin zijn konft , welke Agtwlo 
Oordcel van tegens Vafarj , dieze met hem gezien hadde , ten aenzien van 't koloreeren 
Agnolo over gn fchilJeren zeer prees 3 maer hy zeyde , dat het fchade was , dat de 
Tuutn, Venectfche Schilders, in hun begin, niet wel en leerden teykenen ; want, 
vervolgde hy, zoo dezen man zoo wel door de Teykenkonll geholpen wa- 
re, als hy in 't navolgen der Natuer met de verwen is, zijn werk zoude 
onverbeterlijk zijn. \Vy willen ons tot geen rechter over 't gefchil tuflchen 
deze twee lichten opwerpen-, want hiere weegen en inzichten zijn zeer 
verfcheyden gcwceft. Deeze oordeelden dat de Teykenkonft zich alleen 
ontrent het fchoone, maer d' andere, datze zich ontrent alles, wat de 
natuer voortbrengt, bcezich hielt. En dezen wechzalde jeugt vooreerfl: 
alderdienüichft zijn , datnien üchgewenne de dingen , ceven alsz.e Tiijn , nae te 
bootfen, om met der tijdt, tot de kennis der dingen geraekt zijnde, de 
fchoonfte met oordeel te verkiezen. Maer laet u, ó fchilderjeugt, niet vroeg 
te veel voorÜaen, noch en becit uniet in, datgy de Teykenkonft vall 
hebt , wanneerge een aerdich tronitje of bootsje kont op 't papier brengen, 
X/iozalons, wat'eroneindelijke velden in de Teykenkonft te doorwande- 
len zijn, melden, Ir<«ro baeren trant volgen , en rfe<ri/e van'tordineeren 
fpreeken. De Teykenkonft is de waere tuchtmeeftres onzer konft , en wie 
van haere leeringen niet deurvveckt is , raekt lichtelijk in 'r wilde, 
Bj Liet de tucht der konfl , vervalt , en moet verwilderen , 
De Tevken- ^'^ ^'^'^^0, ^^ Tejkenkonfi verUet , en valt aen 'tfchilderen. 

konft is onze Die 'tTeykenen verlaet,verlieft ook wel licht zijn deel van deTeykenkonft. 
Tuchtmcc- Meeft alle voorname meefters hebben al haer leeven lang onophoudelijk ge- 
ftrcs. teykent. Maer dat van fommige gedreven wort , datmen, feftien, achtien, 

ja twintich jaeren behoorde te teykenen , zonder tot het pinfeel en de ver- 
wen te komen, iseenuitfporige dwaesheyt. Want het fchilderen zal aen 
het teykenen geen hinder doen, maer veel eerden geeft des Teykenaers 
verquikken. U y zijn bynae een toon te hoog geraekt , daerom laet ons tot 
befticring der opletting eerf lelijk zien , waer op wy te letten hebben ; maer 
dit paft rolj'mniA , en loopt een graed te verr' voor Euterpej die de naer- 
ftiijC jonkhey t au met gedenkprijzen nae de tweede fchooleftuert. 

P O- 



Het e erft t: Boek. ^y 

P O L Y M N I A 

De Rederijkfter. 

Het tweede Boek. 

Inhoudt. 

yJTmerkm aengegroeit , *t onthoudt derjeugt ontxoaekt > 
Begint Polymnia , gefpitft op Redeneeren , 
^e Menfchkunde eerji 't ontleen , van top tot teen te leeren 

T)e hooft zweem , en haer werk, in tronyen en na e kt , 
En haer beduidenis : defperen aen te wijzen , 

En haer beroerlijkheen > zoo veel de konfl betreft. 

Zy toont de rnaetfchik , die zr tot den Hemel hef f , 
En zelf gebreken , die men hoorde te misprijzen. 

Het menfchbeelt is V voornaemft , daer onze konfl op bouwt ^ 

^at dan defchtlderjeugt haer leffen wel ont houwt. 

Op de Print. 

Hier heeft de Konflgodin meer aen dacht in haer mijnen^ 
S at umus ernft beftiert haer tong in Y over re en : 

Haer leerelingen zijn vafl bezich in 't ontleen , 
In 't meet en , paffen , en de deelen af te lijnen : 

Omgrondich te verftaen , wat tot een menfch behoort. 
Zypoogen zelf den geeft der innerlijke driften 
^oor *t uit er lijk gezicht te kennen : en tefchiften , 

Hetgeen te laken is , van *tgeen het oog bekoort. 
Zyfronjfen *t voorhooft , ofze een dallas wilden teelen : 
^aerom heeft de es Go dm een Hooft pronk vanjuweelen. 



In= 



38 P O L y M N I A. 

INLEIDING. 

U zal ons Toljmnia demenfchkunde Iceren, en vandeKrooft- 
kunde beginnende met haren m.ietflok voort i^anfche lichamen 
afmeeten ) en ontdekken wat fpicren de leden beroeren. Zy zal 
ons de welfchapenheit en goede geftalrenis aenprijzen ; en ver- 
tellen hoe veel arbeyts men placht te beftecden , om tot kennis van de ware 
volmaekthcyt te geraken. Deze Godin, die over 't geheugen geilelt is, 
endiemenaltijtsalsleerendeuitbeelt, zal de j ui^t belt onderrecht doen 
van de dingen, die men zeeker behoort teweeten, en nimmer te vergee- 
ten. Maerachofzy, die meeftreffe van de welfprekentheytis, mijn Itijl 
begunftichde , en dit boek haren naem waerdich mackte. 





De wezens 
der men- 
ie hen zijn 



EERSTE HOOFTDEEL. 

Fan degelijkheyt en ongelijkheyt der zweeming. 

Es menfchen aengezicht wort met recht gehouden voor het Edeï- 

fte en Schoonde van den menfch , die het alderkonftichfte werk- 

rtuk is, van al wat hier beneden gezien wort. Nu zoo is 't een 

wondere geheimenis in de natuer, dat zoo veel duizenden van 

menfchen al verfcheyden van wezen zijn : en dat'er zoo zelden twee gezien 

worden, die den anderen in alles gelijk zijn. Daerze nochtans, van een- 

derley aert en gedaente zijnde , een gemeene gelijkvormicheit met malkan- 

deren hebben. Nochtans is'tdor r ervarentheyt grooter wonder geacht > 

elkander on- j^fj^jgj^^ in ZOO veel verfcheydenheyts , twee gevonden heeft, die elkan- 

S^*'J^* der in alles geleeken. Het lufl my nochtr^ns eenige op te tellen, diebyver- 

fcheyde fchrij vers zijn aengeteykent. Daer w.is, toen de Koninginne van 

Voorbeelden ■ ... 

van 

die (.. ,. w - - - . 

"clekcn. Konin^s bedde leggende , en zich krank vcynzende , al de Vorften des Rijx , 
die hem quaiiien bezoeken, bedroog: want hy maekte zijn Tertament, 
als of hy Konin» vi^as , en (telde zoodanigen naevolger in 't Rijk , als hy met 
de Koninginne was verfproken • 't w elk ook achtervolgt wiert , zonder dat 
men 't bedroch merkte. 

Men vertelt ook van d' Affirifche Koninginne Semiramis, dat zy haer 
zoon Niw«5 in wezen en manieren uitnemende gelijk was ; en datzy, nae 
haer mans doot , een mannelijk kleet aenneraende, den perfoon haers 

zoons 



^'oorbeelden gyi-jgn Antioihus haren man vermoort hadde , eenen Artemte , die den dooden 
J^° elka'fdcr Koning zoodanich geleek, dat hy, op't verzoek van de Koningin, in des 



Het tweede Bouk. 3^ 

zoonszoodanichfpeelde, dat zy het Kijk bcliiclt, en onder den naem van 
Vinus groote daden deed, en vcertich jacrcn regeerde, ik^vvycevande 
tweeliiij^en Seniltj , daer Cicero van vei hack , en van de vUuttjujche Mencch- 
my , die moeder noch voetHer onderfcheyden kon. Ln van de zieke twce- 
hni^enby Qunitiiaeu: Maerdat acnmerklijkcris, ten tijde van Fompnusy 
2cytn)en , v\aieijdcr binnen Rome twee mannen, ^iblie en Vubluie die 
hem allebcy zoo wel ^cleeken , dat , als zy gchjk gekleet hadJen gcwctit , 
men getwijfelt zouw hebben, w\c rompeius was. Dcreelijkeen overeen- 
komlt was er OOK tullchen zijn vader SfMi/o ; en een kolTiot Ronun «nhc- 
ten JVlfwo^'fWfijgtwtelt ; z/odjthet volk den kok citrubo , en Siiubo hU' 
nugenei noemde. Ook verkocht men tot Romen twee ilaven , d'eene een 
L>uKs, end'ander een Aziaen , doch van cenen ouder , niaer zoo «elijk , 
dat al de weiclt veiwon xrt was haer te zien , te meer om hatren 
200 wijt verlcheydcnlandaert. Het gebeurde ook, ten tijde van Aunujius, 
dat'ertot Romeneen jongeling woonde , den Keyzer zoozeer eelijk, dat 
riemant eenichonderlchiy: konbefpeuren. Maer hierurt volgde een cee- 
IHgentrek: want 0^4V/rf««i dit vernomen hebbende, dcede hem ontbie- 
den, en befpeuicnde dat eenieder degelijkheyt enzweemende overcen- 
komlt temecrbevont waerachtich te zijn, zoozeyde hy uit boerterye tot 
denjongn.an; Zeg my, broeder, quam uw moeder, jong zijnde, niet 
fomtijts binnen RoiTenr* Neen, antwoorde den jongeling, merkende 
waer den Keyzer heen wilde, maer mijn Vader is 'er menichwerven ee- 
weelt. Zeker 't was goet, dat hy den bcdaerden Augujius voorhad, die 
hem deze fcheut als een quinkflach wel afnam. 

Ik heb ook tot Londen gezien zeker Edelman tepaertdeur deStadtrij- 



ijjtujjjKs win w atrr zien icucij^cn , uin udc yaer zeyae, dar ny tvoninc •^ — ^ 

Karel den tweeden op en ron geleek. Maer wy zouden op dit pronoolt te Ian>' r^^"^ r 
t... ., ,, '■ iiiiii- * i t h nas, in r.tn 

bJijven, ikzal tmet eenlaetlte Itaelcje, uix K. Vetnuinder , entcnioean rerfcheide 

deie, die ik niet voorbykan, bcfluiten. Fr atn en Gilles ^ zoonen vanden ///^w. En 

ouden Alo^^tr; van Huilt , tweelingen, waren malkander zoo zeei gelijk, GouUrtin 

dar hunne ouders zelf hen niet en konden onrierkeimcii. Hy voeqt'er tot een 5'-'" "'°"'^''''" 

merkteyken of nader getuigenis, noch deze klucht by: dat G;//fi op een 'lr^^"-'r°' 

tijdt zijn Va Iers werk ging bezien, alzoohy een Schiluer,en zoo 't fchijrt, i,ts, Endt 

vandehand was, en, 't zy dioryver of anders, ging zitten op den lloel , I^-^rj'wr 

daer zijn Vaders palet met verwen op lagh , en maekte 't zoo , 'dat den Va- WiYwilw^ 

der, wedergekeert zijnde en zijn verwen zoo door een ge irukr ziende , zijn '" K''"^-'''*- 

zoon Fr4Wi boven riep, die was onbelmet , enhjd 'et niet gedaen, toen ^'^'^ 

JiethyoW/ci roepen, diebeanxt zijnde, nochtans goeden racd vond ,- zy TweJingcn. 

droe- 



40 P O L Y M N I A. 

gen elk een byzonder mutsken, waer doorzy in 't gemeen onderfdielden 
wierden I Gi^iigafdanaenFMm zijn mutsken, die daer meede , als in den 
parfoon van GiUist voor den vader verfchijnende, ook zuiver gefchout 
wiert, en zy beydevan ftraffe vry. De Raetsheer Heemskerk^wethnek in 
zijnBatavifcheArkadie, van twee zoo gelijke zufters. En Goulartt in zijn 
wonderlijke Hiftorien onzes tijdts , van diergelijke overeenkomt van wee- 
zen in broeders , in zufters , en ook in vreemde. Maer deeze dingen vallen 
zeer zelden voor , en als 't ai gebeurt , zoo zalmen onderfcheyts genoech 
befpeuren, wanneermen die zoo zeer gelijke perfoonen nevens malkander 
ziet. 

Men heeft in ouden tijden de beeltenifTen van Amjinomus en Anapus t twee 
Twee Zoo- jongelingen gebroeders , die hare ouders uit de uitbortelende vlammen van 
ncn,dic hare Etnaophare fchouderen gebergt hadden, d'eene den Vader, end'ander 
ouders, en el- <Je Moeder op den rugh dragende , van Koper gezien, waer in niet alleen 
Icekcn^^^" ^^^^ broederlijke bloetverwantfchap was aen te merken , maer ook het 
Krooft van hare ouders ; want hy , die den Vader droeg , fcheen gehee- 
lijk na hem te zweemen, en den anderen was de Moeder wonderlijk gelijk. 
Het aengezicht des menfchen heeft niet meer , gelijk Pl'tnius zegt , als tien, 
of daer ontrent, byzondere deelen, daerde gclijkheitofongelijkheitinbe- 
flaet: als het voorhooft, de oogen, die hoewel twee meeft gelijk zijn ^ 
Deelen van Jioewelik'er verfcheyde gezien hebbe, die een blaeuw , en een bruin oog 
acngezichr!" hadden , de oogleén , de winkbraeuwen , de neus , de mond , opper-en 
onderlip, de kin, en de wangen. 



TWEEDE HOOFTDEEL. 



Zyondcr- 
fchcid de 
landaert, 

Geflacbc. 




P^an de Kroojlkunde, 

iE Krooftkunde nu is een kennis van uit de byzonderheden, diein 

; de aengezichten of tronien der menfchen befpeurt worden , haer 

landaert, gedacht, geeft en neyging des gemoets te verklaren; 

ja dat noch verder gaet , en van veelen gelooft word , het geluk 

of ongeluk, dat iemant over 't hooft hangt, te kunnen voorfpellen. Zeer 
lichteli)k kentmen gemeenlijk een Italiaen uit een Duitfch , een Engels- 
man uit een Hollander , en een Franfois uit een Spanjaert, ja met naeuwer 
opletting kentmen by na de burg ers van nabygeleege fteeden uit malkander. 
Wegens 't izeflacht zoo zietmen dat alle kinderen iets van haer ouders Krooft 
voeren : daer dan in deeze het vaderlijke , en in geene het moederlijke 

tneeft 



Het txceede Boek. 41 

meeft uitzwccmt. De Jooden kent men gemeenlijk uit een by zondere 2 wec- 
ming j en den Oeurluchtichften ftain van Ooftenrijk aen d'uitfteekende on- 
derlip. De oude Schilder Plnlochareii twee perfoonen ineenftukgcfchil. 
dert hebbende, deed een ydcr oordeelcn, dat het Vader en Zoon was ; 
want fchoond'eene oud, en d' andere jong fcheen, zoohadhyhetkrooft 
en de zweeming, in deeze zoo zeer verfchillende aengezichten , zoowel 
waergenomen , dat het y der een merkte. 

Watdehoogheytdesgeeihaengaet, hierin vind ik een eindeloos veld ^^^^' 
van innerlijke befchouwingen, en duiftere ramingen ; want wie zouwze 
zoeken in een gebulten£z,op«i, of gekromden j^fK^o .«' Nochtans noemt- 
menhetaengezichteenlpiegelde»geefts, en zijne grootheit moetmen in 
de weezentlijkheit kennen, hn aldus moet een vernuftich Schilder, wan- 
neer hy eenige Hiilorie voorheeft, met een Poëtifche uitvinding, de 
geelt des pcrloons , dien hy wil verbeelden , in het wezen brengen , en 
hem iets geeven, daerhy aen te kennen zy: Als ontzachlijkheit aen Aga- 
memnon i hÜicheit aen JJüffest onvertzaegthcit aen Ajax^ koenheit aen 
Diomtdes , en toornicheit aen Achiües. Den manken (pitskop Therftes , moet- 
men ookdomheyten blooheitin'taengezicht fchilderen. Maerom deeze 
gebaeren des geraoets aen te wijzen , en hare eygenfchappen te onderfchey- 
den, zoowijsikde konRoeffenaerstotdegeene, die vandeKrooftkunde 
ge fchre ven hebben j doch voornamentlijk tot haereeygene bedenkingen. 
Want wie zal, wanneer hyecn menfch ziet, wiens aengezicht breet en 
lang is, als op een berd geplakt , en neus en wangen eeven hoog zijn , den 
ïelven geen üskop noemen ? ofzoozijnoogenvaekerichftaen, hem geen 
Eezelskop heeten ? ten waer darmen 'er eenige norsheit in fpeurdej want 
dan zouw men hem eer voor een bufFelskop keuren. In een kalfachtige 
trony zie ik een botterik: ineen Aepachtige een poetfemaker , en in een 
khaepachtige , een Schaepshooft. De natuer heeft aen yder Dier een zwee- 
ming naden aertvan zijne neiging gegeven. Zoo voert den hond vriend- 
fchapentrouwinzijnoogleen, indien hy door geen wolvenaert verbaftert 
is. Hetpaertfchijntdenhoogmoetten oogenuit, wanneer het wel deur- 
havcrt d' aerde kratlh Hetzwijnis onbeleeft van oogen fnuit. En uit het 
gezicht des leeuws kentmen zijn onverbidlijke gramfchap. Ontveynsdc 
quaetwillicheitTpeeltin den beer: en naezoo veel dierifche byzonderhe- 
den zijnd' Edele trekken des menfchlijken aengezichtsofmeerofmin hel- 
lende. Zoo dat P4r<JCf//w wel zouw fchijnen gelijk te hebben, alshy zeyt, 
datmen Hondemenfchen, Katte- menfchen, Wolve-menfchen, Leeu- 
we-menfchenjenvan allerley aert van diere-menfchen vindt. Macr deze 
vcrfchillentheit wort men allermeeft gewaer in de beweegingen des ge- 
mocts: want dan worden de tronien zoo veelmeer die dieren gelijk, daer 



En voorïcyt 
toekomende 
gduküf 01",- 
gcluk. 



Ecnige 
vooibeclden 
in dcKrooft- 
kunde. 
Telkenen 
van 't voor- 
hooft, 
Hoüfiflae- 
pcn, 

Oogcn , 



Neuzen, 



Lippen , 



Tongc, 



^i P O L Y M N I A. 

zy naer aerden, hoe de bewegende oorzaekdit of geen dier meer betreft, 
Maerhier van in de tweede vvaeineeming , noopendede Hiftorieby onze 

Kiw. 

Datmenuit het weezen eensiuenfchen iets van zijn toekomende geluk 
ofongeluk zoude kunnen voorzeggen, is eenoud gevoelen ; en wort van 
den letterkonltigen -4pio« getuigt, du Apellts trovyLn, diehy na'tleeven 
deede, zoo wel geleeken , dat zeeker Krooltkundigerdacr uit k jnde ra- 
men der gekonterfeyte luiden voorleeden en toeko nende gefchiedenif- 
fen, haerleeven en üerven, en dit zoude waer bevonden geweelt zijn. 
Immers men heeft my willen wijsmaken, dat als Koning IC^rdd'eerRe, 
van Engeland, zijn konterfcytfel, deur van D^i^gedaen, aen den Ridder 
Bernijnzondf omhetzelveinmarbertemiken, de Krooilkundii^e in Jta- 
lien des Konings geweldige dood wel ftip zouden voorzey t hebben , en dat 
alleen uit de welgelijkende Schildery. 

Wy zullen, eer wy verder gaen, eenigewaernemingen der ouden, wee- 
gens deKrooftkunde, hier by voegen. Niet om datwy verftaendatze al- 
tijts zeker gaen, maer alleen om den Schildcrgeeft op te wekken, om 
door 't volgen vandeeze of dergelijke uitvindingen, zijn voorzichticheic 
te betoonen.De trekken en rmipelingen des voorhoofcs beteykenen ylhoof- 
dicheit in een zieke, zeytH/ppofr4fff . Vleyzigeen uitpuilende fpieren aen 
den flaep des hoofts, zijn , na Scaligers meeninge , wifle teykenen yan on- 
verftand , onwetenhey t en atkeericheyt van konften ; maer Arijloteles zeyt ^ 
datze ontemlijke gramfchap beduiden. Hy zeyt ook dat pinkoogers bloode 
cnbevreeft zijn. 't Verblaeuwen der oogenis denkranken een wis teyken 
van fterven. Maer dit, als ook boven wegens d'ylhoofdicheit, behoort 
tot de lydingen. 'tGeftadich beweegender oogen, fchrijft Ariftoeles den 
wreeden, grammen, en roofachtigen toe. Degeene, die platte dikke 
en vleesachtige neusgaten, gelijk d'oflen, hebben, zijn geefteloos, 
traeg, bloo, leuy, en logenachtich. Die een ronde dikke neus, met 
kleine neusgaten , of als een verken heeft, is plomp. Diegroote welge- 
fchikte neuzen hebben , rond en boteyndich , met middelmatich opgef per- 
de neusgaten, zijngrootmoedich. Ook zijn dunne lippen, zacht en flap, 
dat de hovende d'onderRc overdekke, na *t gevoelen van Arijloteles, tey- 
kenen van grootmoedicheit. Maer dunne harde lippen, ter zijden aen de 
hondstandenwatopgeheft, cf ingetrokken, beteykenen onedelheyt, en 
van fnoode of verachte werken niet afkeerich te zijn. Maer dikke lippen, 
waer van de bovenlte over d'onderfle hangt en gaept , tuigt gekheit en 
grof heit des verÜants. Een lange en fcherpc tong mei t wreetheyc en quaet- 
aerdicheyt. 

£en dikken vleyzigenhals, zeyt Scaliger» beduit geen groot verftant. 

Een 



Het tweede Boek. 45 

Een aderachtigen hals dartelheyt ^ een breeden ; betrouwen , een rond ge- 
draeiden, oprechticheir ; een langen, wantrouwen ^ een onbeweeglij- 
ken , hartnekkicheyt , lift en verraet: een flimmen, op bedroch pein- 
zende j een vooroverduikenden , giericheit, flofficheit, cfdwaesheit. Bccnen. 

Diens beenen ©vermaten dik en vleezich zijn, buitens beens, meteeni- 
ge uitpuilingen , is, na ^r//?ofr/^i zeggen, door zijn onbefchaemtheit by 
yder gehaet en gefchroomt. 

Het luft mynoch, eer ikdeeze ftofFe verlaet, de geheele afbeelding „ , 

vanKeyzer jftt/J4««i, deKriÜverzaker, hier in te lafTen , zoo als hem Gr^- Ijarm,, 
gorïus l!iaüanz.enus befchrijft. Ik en kon in dien geheelen menfch , zey t hy , Hijï:Ecc\ef. 
niet goets zien: Want den hals was hem ganfcn onbeweeglijk. Defchou- Tn/J4r(/M. 
deren vertoonden alle opgeblaezentheyr. Zijn oogen Honden wilt, tn"''-!' 
vloogen gins en herwaerts , met een wreet opzicht. Zijn voeten waren 
nimmer ftil. Zijnen neus flondt, alsom tefmaeden. Zijn mondt was vol 
fchimp enfpot. Hy was zeerongemaniert in 't lachen, en fchaterde luit 
uit. Immers hy deed zich zoodanigvoor , zelftoenhy noch jong was, dat 
Naz.'tan7ienus , hem wel deurzien hebbende , uitbarfte : O quale malum Ro- 
mamrum Ref^ub. nutrit ! O fpat een adder kpeftert de Roomfche Republ^ke in haeren 
fihoot 1 

Maer in 't affcheiden van deeze diepzinnichedcn (dewijl dan d'een menfch We.ck de 
met een haviks-of kamuisneus , d' ander met een hondtsmuil of met haze- ^^i^ ^^°^ ' 
lippen, deeze met kattenoogcn , en zeKjuno de Godinne met blanke ar mcnfcheo is. 
men en oflen oogen van Homeer befchreeven word) 200 mocht nu iemand 
vragen, welk dan de ware geftalte vaneen menfch is/* Ikantwoorde eer- 
flelijk, dat dezelve alle menfchen, die niet kenbaermismaekt zijn, ge- 
meen is. Waerinne defamenftelling derleeden onze verwondering gelijk 
(a) Vofim wel zeyt , verre te boven gaet. Maer de recht volmaekte is de vol- (a) G V- in 
kome fchoonheit : in welke men noch in het geheel , noch in eenich deel , dekennijfe 
eenigeafdwalingekanaenwijzen: diemen lichter metverwonderinge we- Vi^^^^H^' 
eens de volmaektheden kan prijzen en beminnen, als den rechten regel, 
waer indat zy beftaet, uitvinden. Zoodanich, geloof ik, dat onze eerlte 
ouders Adam en Ev4 geweefl zijn : die na den beelde Godts onverdorven 
gefchapen, en zonder ander Krooft, zweeming, ofaert, alsnadewijs- 
heit des alderhoogften konftenaers, gevormt wierden. Van de verfcheydene 
geftalte zal in de perfoneele kennis ook iets volgen. En dewijl wy nu dus 
veele van de zweeming- en krooftkunde gerept hebben, zoo zal hier niet 
qualijk voegen , iets van 't konterfeyten of fchüderen van gelijkeniflen te 
fpreeken. 

F z DER- 




44 P O L Y M N I A. 



DERDE HOOFTDEEL. 

Fan't Kont erf ey ten -, of eens menfchen gelijkenis 
te verheelden, 

Eele hebben zich 't na *t leeven fchilderen van menfchentronien 
onderwonden, enzijnookveelnjts daer op zoo verlekkert ge- 
worden, datzy de relt van de konft geheel verflofc hebben: ja 
^oo fchandich vervallen zijn , dat zy niet alleen niet een arm of 
Eengoet been, maerzelf niet een gezonde fchouder aen den hals van haere Konter- 
tcrbchoort feytfels hebben kunnen valtinaken. 'tlswelwaer, dat het aengezicht het 
ten minften voornaemfte deel eens menfchen is ; maer dies te min is't te verfchoonen , 
een figucr onbequaem tot de reft te zijn ; en zy verdienen dat men hen dit vaers yan Ho- 
Itltt ^^"«^ voorleeft: 
nen. Eenbeeldebredder hj't Emilisperk^i m'iffchien 

Zouw Itcht wel 'r z,achte hair of nagels doen na *t leven 
In Keper -y maer de reft, dtewaertuteheüen. 
Kan by met geen gelukje rechte welftant geven. 
Een goede trony te kunnen maken is wel prijflelijk , maer een welftandigc 
figuer met een maer taemelijke trony te maken,is meer. Om nu na behooren 
de konft van konterfeyten te oefFenen, zoo zoude ik garen hebben, dat wy de 
wijze der Grieken daer in volgden , gelijk Plutanhus die in't leven van 
C/woMbefchrijft. Wy laeten fchilaeren , en na't leven aftrekken, zeythy, 
cenige fchoone oengezichten , die goede gratie hebben , en indien daer 
eenige onvolmaektheyt , of iets leelijks in bevonden wort, zoo en wil- 
lenweniet, dat men dezelve geheelijk achterweege late, nochdat'erook 
devolmackt te veel naerfticheyt gebruikt worde, om dezelve misftant, zoo als zyis , 
dan de ge" "^^ ^^ drukken i overmits dit de Schildery zoude ontfieren , en het andere, 
brt-cken , in't die ongelijk maekcn. 

Konterfcy- j^gt weli^elijken van een goet Konterfeytfel wort by al de werelt geacht, 
ten wacr te ^^^^^ ^^^ vergoelijken , nae't gevoelen van den Ridder P. C. Hooft , voornae- 
iji.5nV/, mentlijk by de Franfen. U.E. maelt my af, fchrijft hy aen C.BarUus, 
even of deSchillery naVrankrijk moeft gaenj alwaer men altijtsafflaet 
vandefchoonheyt eender gemaelde trony, die van buitenkomt, nae ge- 
lang van de toegift, die daer te lande, aen de fraeye vrouwen , door 't 
vleyen vandeKonltenaers, doorgaens te baete komt. Waer over Meefter 
MicbielMtcieveltt vervolgt hy, nimmer een aenfchijn, om derwaerts ge- 
zonden 



Het tvoeede Boek. a^ 

zonden te worden aflchildert , dan met de ovennaet van goelijkheyt, 
waer toe men daer gewent is. Maer andere volken zien deze toegift ai mede 
gaerne over't huoft , alsze met befcheydenheyt wort in't werk gefteJt. 

Up dit propooü komt zeer wel te pas het vacrsje, datzeekere Mevrouw 
mytoezont, nae 't zien van zekere Schildery , van een niet te ichoone Juf- 
fer > by my een weynich toegegeven : 

Uehigy een Juffer , in baer beeltenis te maelen > 

Bevallijks^ «j/iz<e is, tefchoon op 't bertgejielt , 

En weygertz.e daerom de Schildery te haelen , 

Zoo brengtz,e f mijnent , en ontfang 't bedonge geldt. 
Te kennen gevende , dat een weynich toegevens niet lichtelijk iemant mis- 
noegt ; voürnamentlijk aen geen juffers. 

Enzeeker eenfchoone tronie, op'tfchoonftna te kunnen volgen, is 
wel een meetterftuk. Hierom zey t Vlimus zeer wel , dat het zelden gebeurt, 
dat de Schilders een volmaekte fchoonheit niet en verflimmen. Afeües, 
zeytmen , had Alexander te bruin gekoloreert. Maer Ltfippus had de zoetig- 
heyr, diein zijn tronie was, en 't dragen van zijn hals een weynich op de flin- 
ker zy de , wel waergenomen. Demetriui fchoonheit was Apeües noch niemant Men kan 
machtich wel na te volgen: daerom zijnzebijlter op den doolwech, die niccalcijts 
zich inbeelden , datmen zelf d' al Jerfchoonde tronien kan toegeven (of flat- A'ittccrcQ. 
teeren) want een fchoonvel gaetde verwen al verte boven j gelijk wy by 
Terpfichore vernemen zullen. En wat de teykeninge belangt , die in dezelve 
wel geoeffcnt is , zal in een fchoone tronie zoodanige bevallijke eygenfchap- 
pen vinden, dat hy de les van den jongen P//w/«;vvel waerdich zal achten: 
dat is, dat hy zelfs om beters wille , befchreumt zal zijn van de voor^ellelde 
gelijkeniffc af te wijken. Zoo fpreekt ook Eunapitu van hen, die in't nakonter- 
feyten van jeugdige Ichoonheden, dezelve dooreen konftc reep zoeken te 
vermooyen, datze de gelijkenilTe verderven, en zelf defchooonheit des 
voorgeftelden patroons overflaen. Daerom , ó Schilderjeugt ! laet het u ^^"™°"' 
riet genoeg zijn, in'tgrosuw voorbeelt, ofden perfoon , dien gy kon- opi^e,j{ 
terfeytcn zult, aen te zien • maer onderzoek, met een keurich en vlijtich 
oog, welke fchoonhedenof byzondere bevallijkheden, of wat weezent- 
lijke mijnen gy daer in bevint te zijn , en volg dezelve met al uw krachten 
nae, zoo zal uw tronie leeven , en eenaerdigen geell krijgen. Denk aen 
het geene wy in de Krooflkunde hebben aengeroerr , en op *t geene gy voor- 
hebt, gvzuitmooglijkaerdicheden vinden , die andere over 't hooft zien. 
Dunkt u niet, dat Apeües we) aendachtich op de eygentlijke wezens dergee- 
nen, diehy konterfeyte, moet gelet hebben, dat de tronybekijkers, die 
Metopocopi o{ Phyfiognomi genaemt wierden , zoo wel uit zijn Schildery, 
als uit het leven zelver, voorzeggen konden > wanneer den afgemaelden 

F 5 per- 



tot 

CQ 



4Ó P O L Y M N I A. 

perfoon zou komen t* overlijden? gevvifielijk jae. Ten is niet genoeg dac 

men den YïlcCooi' Sokrates aen zijn kalen kop , platten ingevallen neuze en 

Der by7on- "*^P"JJcf^'^^oogenkent. Plutarcbm zcy tin' t^ros, dat de Schilders, die na 

derc cygcn- 'tleven kontcrfeyten , yverich acht geeven op de gelijkenifle des aenge- 

fchappcn. zichts , opflach der oogen , of trekken des voorhoofts , waer uit men der 

menfchen zeedenaert verneemt. Let dan op die deelen, als ofgy haren 

zeedenaert nafpeurde, maer met een fchilderachtich oog, vaerdiger tot 

uitbeelden, als tot uitfpreeken j op dat, zoo wel hand als veritant , flux 

en vaerdich worde. 

Die zich tot konterfeyten begeeft , moet alle vlijt aenwenden, om de 
kracht van zijn verbeelding te wakkeren. Gelijk Döw/wi^ Girlandajo, die, 
noch een jongen zijnde, niet alleen 't geen hyvoor hemhadde navolgde, 
maer ook de voorbygangers en bekenden door een vafte inbeelding by 
•onthout poogde te kontcrfeyten, dat menze kennen kon. Tranciskp Mttx.z.ol% 
van P<«r»if«ikonterfeyteKf^/èr lC<Jre/ levensgroot by onthout, tot yder eens 
verwondering ; en den Prinfe der oude Schilders A^eUes trok met een koole 
van 't vier P/4«tti den hoveling, die hem uitfpottery by Koning Ptolomeus 
hadtegaftgebeeden , op de wand, by onthout, dat hy ftrax bekent wiert. 
Bartbolomeus Spranger fchilderde ook jufferen in haer afzijn uit ; tot behagen 
haerer min naeren. 
Kont^rfey- Maer niet alleenis den konterfeytersdeeze kracht van inbeelding noo- 
tcr moet een dich, dewijl de ganfche Schilder konft uit de innerlijke verbeelding des Kon- 
machtige (tenaers gebaert wort, als een andere Pallas uit de herfenen van Jupiter. Daer- 
h^'wj om en heeft men zich niet te verwonderen in 't doen van Frfw/wf/, die, in't 

aenfchouwen van den Franffen Koning, biereen hand, daereen voet, el- 
Vóorbecldcn d^rs een trony , zonder teykenen fchilderde , en eindelijk dit alles tot een 
hier van. vvelftandich beelt vereenigde : dewijl een verftandig meefler niet alleen de 
fchets, maer zelfs een volmaekt begrijp van *t geen hy voorheeft in zijn 
verftant voor af maelt. 

Maer om van't kontcrfeyten te befliiyten , zoo refl eert'cr noch , datmen 
fomtijts perfoonen moet fchilderen, die men noit gezien heeft. En hoe- 
wel dit ons werk in alle Hiftoryen is , dat men , als door een perfoneele ken- 
nis , daer ons K/io belooft heeft eenich bericht van te doen , de voornaemfte 
tKonter- betijen ^gn ^eekere kenbaere gedaente geefc j waer doorze , nevens 
afweezende 't werk datzcdocn, voor deze engeene bekent worden, zoo en zijn wy 
ofgcftorre hier inne zoo lichtelijk geen bcrifpinge onderworpen, omdatniemantde 
perfoonen. waere gelijkenis van de geene, die etlijke eeuwen doodt zijn, in zijn ge- 
dachten heeft: maer hier wort eennaeuwerenKrooftkundigeberichtinge 
vereyfcht, die weynich luiden ons vandenafweezigenof doodcn kunnen 
geven , echter heb ik 't fomtijts zien gelukken dat korts geftorve perfoonen 

re. 



Het tweede Boek. jy 

redelijk gelijk gcfchildert wierden door delcvcnde ondcrrechtir.ge van de 
genen, die dier gemcynzamelijk mee hadden verkeert ; en hier helpr ce- 
vveldich veel toe, vvanneer'er maer 't minfte afbcehfel , 'tzy van vroeecr 
jarcn,of zelfs quaelijk gelijkende, voorhanden is, dat inen dan lichtelijk door 
een naeuwkcurich berecht kan verbeeteren: anders zalmen licht wel zoo 
verlegen llaen, als den Griekfchen Schilder in 't uitbeelden vanden hcy- 
jigen N/ii;o«, hocwel't hem beter gelukte, als hy zelis verwacht hadt. ik 
zalu, om den geelt te vern.aeken , hier in voegen wat men djer van ver- Baronius 
telt. MuUfenus Raetsheer van Lacedemonien was zeer gehouden aen den -^w- Chrijli 
HeyligenN//^o«, enalsdeeze van hcmfcheyde, en na Konltantinopolen 998- 
trok, zoo beloofde hy aen Malafenusy dathy zijn aengezicht noch weder- 
om zoude zien. Maer als Malafenus een wijl daer nae verflond , dat den 
Heyligen man geftorven was , zoo bedroefde hy hem van ganicher herten : 
Maer door zijn geloove , op het zeggen des mans , een valt betrouwen heb- 
bende, zoo ging hyby een Schilder, en befchreef aen hem het aengezicht 
en de gedaente , zoo goet als hy kon , ten eynde dat hy hem die in Schildery 
zoude vertoonen. Maer wat den Schilder deede, fchoon hy een groot kon- 
ftenaerwas, hy kende 't rechte weezen niet treffen: en alzoo M^j/^/ewa^te 
deezcroorzaeke in grooten angftwas, is't gebeurt dat Nikju hem aldaer 
heeft vertoont, t'eenemael in de gedaente, gelijk hy geleefthadde^ ver- 
maenende den Schilder dathy hem zoude aenzien: enzoodeezen, zulks 
gedaen hebbende, zich wederom keerde tot zijn tafereel, om hem nae te Müakuicuzc 
fchilderen, zoo bevond hy dat hy daer, nu al t'eenemael volmaekten wel Schildery. 
gelijkende, opflont : de Schilder dit groot mirakel ziende, was verwon- 
dert en verbaelt, en zoo hy zich wederom nae den Heylich keerde, om 
hem eerbiedicheyt te bewijzen, zoo vernam hy dat hy verdweenen was • 
en dus heeft MaUfenus Nikon in deeze Schildery wederom gezien , gelijk hy 
voorzey t hadt. M aer dit zy voor ons daer van genoeg ^ in Melpometie zult ey 
coch van een Schilderye leezen , die zich voor deeze niet en ichaemt. 




VIERDE HOOFTDEEL. 

Vandewelfchaepenheyty Analogie ^ ofte 
proportie , tnt gemeen. 

Y hebben reets gezeyt , dat dit de waere geflaltc eens menfchen 
IS, in welke men geen kenbaer teyken van wandal kan aenv^ij- 
7en. Nu mocht iemant met Momus heulen, en zeggen dat wy 
alle misfchaepen zijn: Want deezen boocsmaeker^ enfchalk- 

aar 



48 P O L Y M N I A. 

nar onder de Poëtifche Gooden , betifpte den Schepper der menrchen 9 niet 
alleen, dat hyborftvenftertjesinhen vergeeten hadde , om hunne verbor- 
ge jaedflaegen daer door te kunnen zien , en dat zy d'oogen zoo wel binnen 
als buitenwaerts hadden behooren te kunnen keeren, om de gebreeken, 
die zy van binnen gevoelden, te kunnen naezien: maer hy wiftookwatop 
den itant der kuiten te zeggen , en datze op de plaetfe der fcheenen hadden 
behooren te ftaen , omdebeenen teegen het ftooten en quetfen te befchut- 
ten. Wy zullen zoodanige berifpers geen ander antwoort geven , dan dat 
wyhen deeze verbetering in hunne lichaemennietcn zouden misgunnen , 
fchoon zy'er noch klaeuwen en hoornen hadden by bedacht, tn zeggen met 
De wcifcha» Albert Durer : Untflaet u van deeze valfche waen , iets beters te willen mae- 
ptiihcyt kenalsGodt, want uwe poogingen zouden te vergeefs zijn. Maer deeze 
by ons gepreezene , en by alle dankbacre z'elen goetgekeurde menfchelijke 
welfchapenheit is tweederley, als eerft, een algemeene , dewelke men 
lichtelijk overal in het afmeeten van levende beelden kan bekoomen , en is, 
tegen 't gevoelen van MomuSy zoo volmaekt, en in alzijndeelenzoobe- 
quaemelijk gefchikt, datmenze nergens in berifpen , enhaer , als de 
Ridder Hooft zingt , niet z onder verwondering aenzien kan, 
, Oogt op u: pyx.ult licht bevroeden, hoe utp teeden 

inBaeto. ^^"^ jiAtnen z.tjn gevoegt , enofAlz^ulkejleeden, 

Datdtedemachibadi enveranderdevanplaets 
Eett Itdt Alleen , hem z.ouwd' berouwen z,ijnesraets : 
In blijken hoe al 't bejl , dat z.ijn verwaent bediüen 
Wijt uit te 1 echten y tpaigemakj, ofmaekfeljpiüen, 
Maerhierfchietmyin'tzin, hoe niet alleen byzondere perfooncn, maer 
zelfs geheele volken, door een verkeert oordeel, deeze natuerlijke wel- 
Woit bv fchacpenheyt , door konlt of door gewelt zoeken te verbeeteren. Want men 
aommigc vertelt van die van Cumana, datzede hoofden der eerftgeboore kinderen 
f olkeo Tcr- tuflchen boomwolle kuflens prangen , op dat de aengezichten final , en duS| 
**'*'• nae hacr gevoelen , fchoon zouden zijn. De Tovoupinambaultiers daer- 

cntegen begeeren platte tronien , daerom drukken zy de vrugt , zoo drae- 
2e gebooren is , met den duim de neus in. De Peruanen in 't Weften, en 
die van Cochin, en zommige andere volken in 't ooflen, hebben zulk een 
lud in lange ooren, datzedacr, van jongs af aen, eenige zwaertevan me- 
taclaenhangen, totze eyndelijk tot aen hunne fchouderen reyken. d'In- 
Woonders by de Riviere Gabon hebben d'onderlte lip deurboort, zoo 
datz'er de tong kunnen deurfleeken. In 't oofterfche China , en in 't wefter- 
fche Florida , willen de mannen met geen baerden gequelt zijn , maer trek- 
ken die haii voor hair uit: Europe volgt tans veel deeze moode nae, maer 
tot meerder voordeel voor de baertfchecrders. Die van Monemugi maeken 

groot 



Het tweede Boek. aq 

groot tverk van een kijk-Icehk , daerom kccrenzc hacrc ooglccJen opwaerts 
om. JJe Azancgen hebben de vette vrouwen lief, en by zonder die groot 
van boezem zijn; en om dec/efchoonheyt te venneerdcren , zoo worden 
de mammen van de meysjes , alsze zeventien jaer out zijn , met touwen ge- 
bonden en luftig uitgerekt; om tegen datze gcbacrt hebben , becjuaem te 
zijn om over de Ichouders te werpen ; want zy draegen de zuigende kinde- 
ren op den rug. De Chinezen hebben het lang hair en ongekorte nageicq 
aen dellmker hand in grooterwaerdc: zy prijzen ook dekleyne voeten 
maer alleenlijk m de vrouwen, diezy, van jongs afaen, zoo zwachtelen 
en in engef choenen parlkn , datze hen tot het gaen veeltijts t'onbruik wor- 
den. Andeie volken,als die van nieu (jallicien,en andere , mogen zelfs geen 
gladdehuitzien, maerzydeurkerven dezelve, en verwende iitteekenen 
op datze met zouden verdwijnen. Dejavaenen befmeeren haer iichaem 
daegelijx met geele ver we : De Kaffersof Hottentots met een zwarte, wan- 
neerze die krijgen kunnen , al waer'tmet het zwart vande ketels, alsze 
op de HoUjntfche fcheepen komen; want dan houden zy dit voor een groote 
weldaetvandek')k. Maer om noch fchoonder uit te komen, zoo verwen 
de wilden in nieuw Vrankrijk haer aengezichtenroot en zwart : en die van 
nieuw Nederland neemendaer toe allerley bonte verwen. Andere fchilde- 
ren de helft van haer voorhooft, 'teeneoog, een wang, dehalvekin, en 
voort d'eene helft van het Iichaem zwart, en geven d'andere helft een an- 
dere kleur, zoo dat het twee halve menfchen aen een gelalt fchijnen. Ein- 
delijk zeytmen vand'inboorlingen vanCumana, daer wydeeze verbete- 
ring van de natuerlijkewelfchapentheyt mede begonnen hebben , datze op 
hunne feefldacgen zig zei ven met een gomme beftrijken. £n datze dan plui- 
men en vederen vanallerley kleuren daer op kleeven ; en aldu 'neen nieuw 
flag van uilen veranderen. Zekerde menfch verfchilt weynig van een beeft , 
alsderedelijkheytin hemoffluimcrt , of doodt is. Enfchoon^eheele vol- 
keren met gemelde zotheden bchebtzijn, zoo zaldegcene, die zijn na- 
tuerlijk verltant gebruikt , van al decze verbeteringen walgen. Men inig 
degebreeken, die 't geval in de narucr geeft , wel herftellen : maer nicc 
anders, dan nae 't model van een gezonde wel fchaepentheyt, beRacnde in 
een bequaeme n-iecdevocglijkhcyt van deelcn , nae den eyfch van 't rrcheel. 
Want de menfchhjkc welfch'epenheyt kan ook verfcheyden zijn.alsl'ort en 
langachtig, tenger en ge^er. Auguftus was kort van lichaem,maer deeze kor- Zy 
ticheytwiert door de gefchikthcyt en gelijkvormigheid der leden, zo beqi-a- kot 
meiijk bedekt, datmenzemacrallccndoor de vcrgclijkinnemct eenlanrer 
man,die naeby hem ftonf,verneemcn kon^Tiberiuswas lang^brcet van fchou- I angach 
deren en borü , en de reft van zijn leeden nae dezelve maere ucfchikt. \!acr "^^ * 
wat hoegrootheyt 't zy dwerg-of Reusachtig, de overeenkoinftot ^;m/ö- 

G ^,c 



kan 
qi-a- kortichtij^, 



^o P o L Y M M I A. 

Ennaaller- ^i^der deelenmaekt de vvelfchapentheyf. Zoo dathetfchijnt datze veeler- 

leynuetcn ley kan" zijn, en de zelve in de nacuer verborgen, ontftelci^emeenelijk onze 

^''°* oordeelen, gelijk Dwr^)- zeyt; want men bevind fointijcs twee nienfciien 

zeer fchoon en fi aey , van de welke d'eenc ni. t d'andere niets gemeen heeft, 

noch van niaet noch van geftalte, en nochtans is 't niet cpenbacr, wie van 

beydcn volmackft is. Zoo duider is ons verlUnt , vervolgt hy , wie zal dan 

de waerefchoonheyt befchrijven? maer hoewel 't ons nieren blijkt, zoo 

is 't nochtans gelooflijk, dat d' een van deeze beyded'anderin vohnaekt- 

AlhmDit' heyt te boven gaet. Elders zeythy, dat dedeelen vaneen beelt van den 

rervnnde hoofde tot de voetzooien moeten overeenltemmen, het zy dan rouw of 

menfchelijki glat, vleezig of miger, op dat het op d'eene plaets niet deurvoed, en 

proportie ^^^ ^p d'andere uitgehongert fchijne ; dat d'armen niet dun , en de 

Boeck. ' beenen dik zijn , de borft vol , en de billen uitgeteert, *t hooft jong, 

en 'tlichaem oudt , en wat des meer is. Yder ouderdom moet daer 

toe bequaeme deelen hebben , een jong menfrhe moet gladt , fap- 

pig, en effen zijn, een oudt daerentegen rouw oneffen en mager. Die 

lof begeert, zeythy verder, vermijde de leelijkheyt in zijne beelden, dat 

is , hy zuivere haer van alle opfpraeklijke teykenen , en trachte nae *t geenc 

gezontenbehaeglijk is. En hier toe wil hy , dat men zich veel levendige 

menfchen lichamen voor oogen ftelle, en de fchoonlle maeten vergadere. 

Want de kond is in de natuer ingedoopt , als gy die daer uit zult getrokken 

hebben , zult gy veele dwaelingen in uw werk vermijden. Dit is 't meeft al » 

dat den grooten Albert Durer tot onderwijs in zijn Proportieboek voorftelr , 

ikgeloove, dat hem de doodt, terwi)l hy dit werk optielde, verraft heeft.. 

Wy befluiten dan dat de welfchaepentheyt des lichaems bethet , in een zee- 

kere Simmetriej die des zelfs deelen onderling , en met het geheel hebben» 

Want een lichaem, dat dus overal zijn gedeeltens fchoon is, overtreft ver 

de fchoonheyt van eenigh uitmuntend deel. Alle dj gedeeltens van een ftok- 

beeltbehooren fchoon te zijn, zeyt Socrates, want wy betrachten niet zoo 

zeer deaerdige nettigheden der byzondere deelen inde kolofltn, als wy 

wel letten op de weHchaepenheyt van'tgeheele maekfel. Dies is het be- 

fpottelijk dat eenmeefter defraeyichedeninde deelen zou w waerneemen, 

enden vvellhnd van het geheel verzuimen. Parrafiusachtcdk Hooftftukder 

kond boven alle andere , en Polijkletus be vlijtigde niets zoo zeer. 

E n konfii- ^^ tweede of konllige kunde der gelijkmatighey t , of proportie der men- 

ge wdfcliae fchelijke leeden , die men de volmaekte fchoonheyt noemt , heeft de groo- 

j'cnhcyt, te meeRers in d'oude eeuwen vermoeit en doen zweeten. Den grootea 

Apeües achtte Eif/fpWor«nn deeze kennis booven zich zelfs. Deze.verkiefl 

het fchoonfteuit veelderlev fchoon: en't valteenmenfchete zwaerom in 

zijn leeven uit te vinden, Maerzyisby d'ouden, door veel naezoekens en 

lank- 



Het tweede Boek. fr 

lankhe^r van tljdt , zoodanig uitgevonden en acngegroeit, dat zy met 
valle regels (waer van ons de verftooring vnn 'r Roomfche rijk berooft heeft) 
haere beelden een allerfchoonRegelijkmaticheit der deelen gaven. Ja zoo 
zeeker» datter gezeyt wort , dat,indienmen aen twee byzondere beeldhou- 
wers (de Schilders zijn niet min ervaren geweeft) alleen twee gelijke vinge- 
ren, oi groote teenen , of eenige deelen eenes lichaems beflelde > zy 
zonder van eikanderen te weeten , twee gelijkmatige beelden zouden ge- ^y^^ '^\iitw 
maekthebbcn, weetende, uit een deel, de maeten van alle d' andere te °l'\,'^'^' 
vmdcn. vV yen willen ons niet ophouden met (4) I«c;<i«tti verhael te onder- iAln Her- 
zoeken, diezeyt, dat PljtdiaSi lirax, op het eerfte gezicht vaneen leeu- wof/wo. 
wenklaeuwe , wift hoegrootenform hy dien leeuwe moft toepalTen. Noch 
ook met den landmeeter Pw/cfcfr , die, toen de Pontifche volkenden Key- 
zer T/tfr/Wicenen geweldigen tand toezonden, die meer als een voet lang 
was, den Keyzer gepleit heeft, met hem naukeurich uitte beelden , wat 
lijflengte den afgeltor ven held, eygenaer van dien tant, plachte hebben. 
Maer veel uenmerkelijker is het verhael van Diodorus Siculus , zeggende dat 
de twee vermaerde beeldevormers Telekjesen Theodorus, zoonen van Rbe-^'^^"^^^ 
kusy eenbeeh vzn ApoüoPitbiusy voor d inwoonders van 't tyland Samos, j,^ ''^* '^^ 
op een ongemeene wijze volvvrochten : wantalhoewel Telekles d' eene helft 
dezes beelds in 't Eyland Samos , en zijn broeder Theodorus d' ander helft tot 
Ephezen mackte , zoo paften deeze twee halve beelden zoo wonder wel op 
malkanderen , als ofze van een zelve meelter t'eender tijdt waren uitgevoert, 
end' Egyptifche priefters hielden ftaende, dat deze valticheit inde konft 
dcnEgypcenareneygen was, eerzevan de Grieken oitwas in 't werk ge- 
ftelt, ja dat d' Egyptifche konftenaers, na het zeggen dezer Priefters, de 
beelden niet by der gis, of by 't oog, afmaeten, gelijk de Grieken, maer 
als twee konftenaersde marberen, tothaer werk dienende, gedeelt had- 
den, zooberaemdenzy tuffchen hun beiden eenbequaeme maetfchiklijk- 
heit, vanhetmeeftetothetminfte, in hun werk, en regelden hun beftek 
dooreen-en-twintich deelen overeenkomende met demaete vaneen wel- 
fchapen menfch , waer in zy zoo vnlt ^Mren , dacze door geen tuflchen wijtte 
verhindert wierden, maer brachten de byzondere (lukken des gemeynen 
werks, nae verloop van crlijke macnden en dagen , by een j tot groote 
verwondering van al die 't quamen te zien , en t' aenmerken. 

Maer Kalliope zal hier af noch iets, als zy van defchoonheitfpreekt, ?en- 
roeren. Laet dir alleen genoeg zijn om u, ó Schilderjeugt, op te wekken, 
om deeze heerlijke konfl nae te trachten. Wy vinden te Romen en elders 
blijken genoeg, dat 'er een konftige kennis dermaetfchiklijkheit geweeft 
is. En of wy fchoon tot haereonfeylbaere kennis niet en geraeVen , zoo zal 
nochtans ons oog keurlijk worden , in 't verinijdeitder wanftalticheden , die 

G z §e. 



52 P o L Y M N I A. 

cemeenlijk deur 't naevolgen van de gemeene natuer worden voortgebrachr, 
zoo wy op de waere maetfchiklijkheyt beginnen te verlekkeren. 




Wat ern 
SchiUcr 



VIJFDE HOOFTDEEL. 

Van de ontleedïng j en eerft van 'tgeraemt, 

\er eerwy tot de byzondere meetingen eens menfchlijken li- 
chaems toetreen, zoo laet ons eerlt dit heerlijk beelt Gods 
eensontleeden. De maetfchiklijkheit zal veel lichter zijn om te 
begrijpen, alsmendebyzonderheden, waer toe menze gebrui- 
ken wil,eeift kent. Ik en v\il u , ó mijn Schilderjeugt , hier in geen doolhof 
brengen, of ure ver buiten oti leyden, gelijk tot noch toe gedaen is. De 
Ontleedingkunde laet ik de heehneelters en geneesheeren , maer mijn 
lefTen Ilrekken alleen tot de Schilderkonft. ik wil u alleen leeren'tgeenu. 
noodich om weeten is, dat licht geleert wort , en groot voordeel toebrengt. 
Ik zal u in 't kort eerft een menfchelijk geraemtbefchrijven, op datgy de 
fchets van allerley buigingen der deelen te beter moogt leeren begrijpen. bn 
wat ons verder onderwijs aengaet, ik zalu niet anders ais een onbloedige 
inaer'^'in de ontleeding voorftellen , enalleen diefpieren enmusculen aenwijzen, die 
konftdtr in'tbeweegen der leeden, of rekken of zwellen ; en blijven by de waer- 
ontlceJing, achtige fchilderachtige fpierkundc, zonder fnijden of villen. Mijn God- 
behoeft en vruchre vader T/;to<iöO)' plachte zeggen: Dat de Schilders in de kermifle der 
leweccn. nootzakelijke Hukken , die een Schilder verftandich maken, ingeenonwe- 
tentheit bleevendoor gebrek van boeken, of onderwijzers, maer alleen 
om dat zy afgefchrikt wierden door de wijtweydentheyt en lankheyt der zel- 
ve. Want wie heeft tijd ofluft om, aengaende de menfchlijke ontleeding, al 
Voorn.ime defchriften van Vez^aüus, Laurenttus.of Kabroltus^te deurkrulpen^Zóf van der 
Gr'4c/;rleyt meer weegs voorheclmeefters, als voor Schilders af. Daerora 
wil ik mijn Schilderjeugt van allen onnoodigen arbeytontflaen, haer een 
korten wech wij.en, en mijn Bijtjes hier een bloem volgereeden honich 
voordellen, die genoeg zal zijn om haer gratige honichraten op te vullen. 
Ik zal haer leeren welgevoede naekten met kennis doen roeren. Maer die, 
dooreen byzondere neyging tct dit deel derkonftte doorgronden, noch 
niet verzaet is , kan de bovengcroerde fchrijvers , en meer andere na- 
zoeken. 

Want ik wil nietdatmen, door al te naukeurichin deezewetenfchap te 
zijn, ineen wargaren vervalle , gelijk veelen gebeurt is, dieharebeeU 
den gemaekt hebben , als ofze harde en uitgedroogde llokviflen , pn gevil- 
de 



Anatoau 
ftcn 



Het tweede Boek. 53 

de Satyrs waren, ofwel 200 veel knobbels hadden , als ofze met ajuin waren Anatomie 
opgevalt jiiiaerdatmcn in een werkend beelt voornamcnrlijk dcbcweegin- "^'sbn-ikr, 
eender Spieren terecht waerneeme, en de vleezigc opzwellini^en en in- 
krimpingen op zijn behoorlijke places Helle. Het en is niet genoeg, dat .n "*■*"" 
eenigcn op haer oog vertrouwende , de natuer , 200 ?y waenen , 
vleezich en zacht navolgen, en dikwils misgeboorten en zoutzakken op't 
paneel brengen : de doorluchce geelten hebben meerder voorzichticheit 
gehad, en hare kennis der Muskulen blinkt, hoe bedekt, in hare werken ^3„ ^^j 
uit. Den woclenden IrfocooH, hoe gefpiert en gezenuwt , lieeft nochtans wacrt^eno. 
eenzoetvloeientheit, als waert't het zachte vel: en depoezele I/ttr, hoe '".^'^"sto- 
zeer met vet begroeit , vertoont ten miniten de plaetfen der Muskulen. m'c te Ro- 

C/wp» van Cleonia, eenStadtin Achajen, begon ondet de oude Griek- tikacn. 
fche Schilders aldereerft deleeden, fpieren , en aderen desmenfchelijken 
Jichaems, in zijne werken, tevertoonen. 

Maer Antonis Pollaivoli was den eerften , onder de nieuwe Italianen , die de 
muskulen met kennis onderfcheyde , hebbende zelfs veel doode hchaemen , 
om die te leeren kennen, gevilt. Roj[o ontgroef de doo ien, en maekre een zeer 
fchoone Anatomie, fchrijvende ook een boek daer af , maerhebbe 't zelve 
noit, datik weer, gezien. Buonarotti ook t met een hangenden Krijïus vzn 
hout bezich zijnde , begon veel doeden te villen , 't welk hem namaels zijn 
Teykening dapper verzekerde. En de eere van't land van Kleef, of den 
h:ita\i[chen Titiaen Jan van Kalker^ heeft den anatomifl Vez.aitus met zijn 
Tey keningen in't anatomifeeren dapper geholpen, 

Wy zullen dan voor eerft het menlchelijkgeraemtbefchrijven, gelijk 
vvy het in de Plaet A . in d'eerfle fi - uer hebben afgeteykent. 

Het Geraemte eens menfchen begrijpt vooreerft zes voornaeme deelen , 
als het Hoeft , het Li)fj twee Armen , en twee Beenen. 



Bet Hooft beeft 2. ftukl^Hi ab 

A. 't Bekkeneel, Cimmm, en 

B. Kinnebek, Uentunty 

Het Lijfoflichaem bit ft ^.deelen} als 

C. den Ruggraet , Spitia. 

D. de Ribben , Cojlx , en 



vijf korte, twaelf tezamen, waerby 
gevoegt wort 

K. de Kreeft of 't Bo:[[h€en, Sternum, 
L.deSleutelbecnen, ClavictiU, 
M. en de Schouderblaen , ScaptiU. 
De Heupen hebben 3 dei Ien, als eygentlijk. 



E. deHeup, litum. DcHeup J/;«w, het Ysbeen l/c/;«/w, 

Den'Ruggracdbegr^ptinzMh l enden manbaeren Stoel ?uhes-, doch 



F. de Nek, CervtXy 

G, den Rug, Dorfum, 

H. de Lendenen, Lumbi^ en 

I. 'tStaertbeen, osSacrum. 

De Ribben zijn zeven hechte , en 



deeze twee lactlf e zijn onzichtbaer. 

7 der Arm beeft 3 . deelen, te weten 
N. de bovenfte LI , Humerusy 
O. de onderltc El, Cubitus , en de 
Hand. Deondtrlle Llhceft 2.bee- 
G 3 ncïh 



M N I A. 

R. uitbuit, Trochaiiter Major , eyn 

(Ifgendeaen 

S. deKniefchijf; Rotula. 

T. Het Scheenbeen Tihia , met 

V. de Braeyfpeek zijn twee. 

W. de voet Tarfum heeft 12 beentjes, 

en de teenen veertien. 



54 P O L Y 

nerij zUd'ElCnbituS) en 
P. deHandfpeeck , Radius. 
De Hand heeft twaelf beentjes, de 
Vingers vijftien. 

ïder Been beift 3 . deelen , als het 
Q^Dgiebeen , Femur , 't welk onder 
de Heup 

Wieonderu, 6 leergierige Schilderjeugt, zal zich ontzien deezewey- 
nige naemen en deelen eens op te zeggen ? Wiens hooft is zoo kranck, dat 
hy geen driemael zeeve naemen overleezende, zoude onthouden. Zeeker 
gyzultzeftrax van buiten weeten , en al de beenderen kennen, zoogyde 
printmaer eens naeteykent, en de naemen van de b^üaen de letteren nae- 
zier. Een kleyn uur kan u hier inet een kennis vocrzien, dieualuwleeven 
lang zal byblijven, en grootelijks dienen. Iseenuur niet genoeg , hang'er 
een ganfchen dag aen. Maer ik zie alreets dat gy , v.in't Cranium af tot Tar- 
fumtoe, uwleskent, envanyderbeenbynae zijn Rooml(.heen Duitfche 
naemweet. Wel aen» laet nuuwoog ook eensgaenopde verdeeling. Ik 
heb dit geraemt nae 't leeven afgemeeten , het was vijt Rijnlandfche voeten 
lang, maer vademde wel een half voet meer , 't welk ik geloof, datby't 
ontdroogen der Zenuwen in den Ruggraet bykomt , en dat het daer door wel 
6 duimen gekrompen was. Ik heb het in vijftien deelen , of groote palmen 
verdeelt, en vindeenmaetfchik , die niet te verweroen is. Alseerftelijk, 
van boven den Scheydel tot 
I. Onder d'oogen. 5. 't EyndederRibben. 

6. In de Heup. 

7. OpdenTrochanter, 

8. Quartier Dgie. 

9. Halver Dgie. 

10. Boven de Knie. 



voorts 
2. 'teyndedesNeks,of 

op'tSchoudervleys. 
_;. Onder't Hartefchilt. 
4. Boven 't Maegen- 

fchildetje. 

Dewijl gy dit nu vaft hebt, zoo laet ons ook de Spieren enMuskulen, 
die 't gebeente bekleeden, leeren kennen. Gyzult haeft zoo geleert fchij- 
nen , als menig Chirurgijn. 



Ji. Onder deKnie- 

fchijf. 
12. Quartier Scheen, 
15. Middel been. 

14. Boven d'Enkels. 

15. Onder de Zooien, 



ZESDE HOOFT DEEL. 

Fan de Muskulen en Spieren , en haere werkingen , vertoont 
in de Figueren 2.3.4 ^^^^ ^rint A fw B. 
T\ zullende Spieren, die het Aengezichtbeweegen, voorbygaen,en 



w 



beginnen van Jen Hals. 



4. UA' 



Het tweede Boek. 5-^ 

A. Majioïdei, c!e F^)}ikkiys,ohepc\wijze Spieren, ? tickkcii't hooit op K voorover, 
b. Splevtj.d'oftre^k^crsi of Spalkfpieren , S verfchciclc manicicn l achterover. 

€. D.7/o//f^, den Drv/;o</;, of Schocrfpier, ^ opvvaerts. 

d. Pff?ur^/M, dcöorj///>/frofvi)fhoek, voorwaerts. 

e. hifraff'inatus, de Schoerbbt Mus kei , of ondcrgnctCpier, i>trektdeM<i ^'-"^crvvaerts. 

f. fJ,JLs , de Kpejer oi de Ronde , farm \ '"^f ^chterwaerts. 

g. Lan'Tirms , den Hcmtrock, of de breclap , J ['jedcrwaerts > als mc- 
*' -v' r Je t Schouderblat. 

T omhoog, 
h. Trape^itis , de Monnikskap, of tafcifpier tiekt het Schouderblat. > omlaeg. 

te rug. 
i. B^3us ■, de Matras t of RechteBuikmuskelj ") deezepciflcn de Rib- 

hccft drie of \i(.'r banden matras gewijs. > ben, en drijven den 

'). Sacrolumbtis , den ^>-«/;jl;_frof Heyligc Lcndcfpier , -^ aeiïèm uit. 

k. Serratm Major -, de ;^4fg of zaegwij ze Spier ,^ deeze zetten de 

?• Ribben uit, om den 

1. Obliquus i de Scheefdraet , of gordel fteun , ^ adem in te halen, 
m. Biceps-, de Muis , of tweehootdige , 7 deeze buigen 

n. Brachiaus, de MakKcr , of d'ArmIpier, f den Elleboog. 

p' Bn-^^d" "L- "''^ f of d' arm-tweelingen, deeze rechten, of ftrekken den Elleboog. 

q. B^tundus pronatoy, de Wender, of Koper } decze draegen d'El- ? met deknc^kels om hoog- 

r. Longior SupinatorAc Keerder oï verkoper 3 lespcek en de hand 3 '""^t het binnenü om hoog. 

f. Rechter van de drie middelüe vingeren, -s 

s. Extenfores, de I{echters ot uuflrckkers > van de werf of 't gewricht van de hand. 

t. F/fxo>'fj,de ÖM/^c'nofnihaelers. J 

u. Major, 't ZJttekufpti ot de Bii, ? deeze ftrekken de Dgie recht uit. 

V Mediusy d'opperbil ot heupmuskel , 5" '^^ buigers zi;n inwendig verborgen. 

\v. Triceps den drickpp trekt de Dgie binnevvaerts. 

X. Io«g»/,de«4fvrrof de lange l trekt het Scheenbeen i^'-i^ewaerts. 

y. Mcmbranofus, de fli-:{igc ot de Naevlter 5 ^ buitenwaerts. 

2. i{eBus, 't Juiferktiffen ~) deeze rechten het Scheenbeen , omvangen de Knie- 
X. VajiusExternus ' Mchiif, en binden met een breede en faemgegroeyde 

6. Vaf.us hiternus. ^ Koorde het Scheenbeen aen het Dgiebeen. 

1. Scm'mcmbranofus , de biiJncnljger , o{ hlliWiczige} ) 

2. Semineriofts;, de hal^et.uifde knieier , / Het ampt van deeze is deTybia te bui- 
^ . Gracilis , de knieier ot fmallefpier > T gen, of te doen nijgen. 

4. Externus , de buitenijger, J 

5. Tikiaus de Schtenfpier l deeze buigen 
o. Perone'is de braeifpier 5* ^^'^ voet. 

7. Gf/wi7// de tweelingen V deeze recliten, of ftrekken 

8. J'o/fM/ den Enkeling 5* den voet uit. 

Wijders K.'tzwaertachtigborftbeen. L. deSleutelbcenders^. R. dengrooten buk» 
üfdraejer, of Trochanter Major. En T. Tibia, 't Scheenbeen , tot acn den bin- 
ncnllen enkel zijn bloote plaetfcn van'tbeen, door geen Muskulen bedekt. 

Wat 



5<5 P O L Y M N I A. 

Wat dunkt u, mijn Schildeijeugt, zalu deezeles wel te zwaer zijnr* 
zeker neen. Maeromgewis tegaen, zoo raed ik u deze Tafel der muskulen 
uit te fchrijven > en ftel'er , 't zy gy de oude Latijnfche, of nieuwe Diiitfche 
1^ _ naemen neemt, hare werkingen by, Fluxaen't van buiten leeren, en ftrax 
de nuttichcit dacr op UW beelt van dry zijden , 't zy groot of klein , na eteykent , de mus- 
van d'Ana- kulen met letters gemerkt. Gy zult in korten tijd hare naemenenwcr- 
romykundc. j^jngen zoo vaft hebben , en haere gedaentens zoo zeeker weeten , als 
ofze onder uwe fpeelmakkers en fchoolgenooten verkeert hadden Zie 
daer.' ikziedeminfteonder u allen volleert inonze Anatomye. Verbeyt, 
dezen geringen arbeit zal u in 't toekomende doen zien, daer andere blint 
zitten. Waniieerge de heerlijke ftatuen der oude Grieken /^ult komen na te 
teykenen , of levende naekten in d' Academiën voor u ziet , zoo zult gy Itrax 
begrijpen, waerom dezemuskels gezwollen zijn , en andere vlak leggen. 
En of 't u gebeurde, dat gy van oiize deurluchrigrte zuflei K/;o beroepen 
wiert, om wordelende naekten, en allerlcy flich van bewecgende lich Je- 
men uit te beelden , gy zult het levenin'tnjlchilderen met kennis aenzien. 
Gy zult bevinden , dat het niet genoeg en is, een levend menfch , zoo als 
hy voor u rtaet , flechtelijk na te volgen ; want zoo haclt hy vermoeit begint 
te worden, en met moeite de zelve ftant moet houden, zoo doen de mus- 
kulen verkeerde werkingen , tot groote misltand , daer andere , die de ken- 
nis der muskulen en hare werkingen niet enverftaen, zich niet voor kun- 
nen hoeden. Maer gy, die de vereyfchte roeringen verltaet , zult de bewce- 
ging der muskulen op haer behoorlijke beurt waerneemen , en de verkeerde 
werkingen met oordeel fchuwen. Enmooglijk zultgy, door onze aenley- 
ding op deze kennis verlekkert, de bovengemelde fchrijvers nacuwer on- 
derzoeken, om yder muskels begin en eynde keurlijk te weeten. Want 
wy leeren alleen wat ten hoogften noodich is : die meer begeert, zal wel te 
recht raken. Maer voornamentlijk kan u Andreas Lauremius hier toe dienlf ig 
zijn. 

Het paft de groote Küo de lijdincen der zielen,en de doeningen der lichac- 
men te leeren , en ons die van de muskulen en fpieren op te zeggen. Wan- 

,, , , neerce beelden maekt, die «zewelt met het hooft doen, laetde Maftoidei 
vande b> . , ö , ■ .. . S i i • i t i -i i • 

rocrinc^en m t voorover , en de 5p/^«^ in t achterover buigen , beno rl jkopkrimpen. 

der Musku- Laet in vechtende naekten Deltóides den arm oprukken, Ve^oralis voorwaerts, 

^'"- Infraspinatus-, Rotünduscn I<ïfij?/w«; den elleboog te rug haelen; en de Tia- 

flf2L9 werkelijk opzwellen. Srort uwe beelden door de werkingen van Reétus 

en Sacrolumbusy o(Serratus Major en Ot//^M«/,een levenden adem in. Beeld 

gy een drinkenden Centaurus, die een zwaere kop aen dennnt zet, uit, 

laet Biceps en Brachi£Us opCpannen : en Longus en Brev'n in een drei enden 

arm zwellen. In een wringende hand motitn Rotundm PronatoTy Longior 

SU' 



Het tweede Boek. y- 

Supinator , en bey de Extenforcs , en Flcxores li?,er werk doen , daer py naektc 
Reuzen berg op berg doet fbpelen, om den hemel te beklimmen. In 't be- 
wegen der betnen rechten Major en Medius de dye -, macr Triceps voertze 
binnewacrts. Reóius en bey de F4/?/ zwellen, als defcheen rechtuit (teekt 
maer devier Po/?»t;, Externus , Grac'tlis , S emmer vofus cr\ Semnnemhrano^ 
fuSi als mendenvoetin denaershaelt: enLongusen Mef7ibranofusy na dat- 
men *t f cheenbeen na binnen, of na buiten trekt. In een beeld, dat op zijn tee- 
ncnltaet, moetende GfJWfÜJen 5o/fttikrachtelijkhaerwerkdoen: en Ttbuus 
en Peroneus in't optrekken van de teenen.Ziet dat gy deze dingen, ó Schilder- 
jeugt.' in de levende natuer vvaerneemt,en op een aerdige en als ongedwonge 
manier leert op't papier brengen, zoo zult gy het waere nut van deze kennis 
genieten . N u is 't tijt , dat vvy ook zoo veel van de maet eens menfchen ver- 
handelen. 




ZEVENDE HOOFTDEEL. 

Fan de meetinge eens menfchelijken lichaems. 

Emaetfchiklijkheitineenmenfchelijk lichaem, is een wonder- 
lijke overeenkoming derdeelen, zoo onderling als met het ge- 
heel. Zümmige willen, dat de Arke, die 'i^ouh uit het bevel 
Godtsmackte, eenigegemeenfchap zoude gehadt hebben met 
de maete eens menfchen, die uirgeftrekt op zijnen rug leyt, Wantzoo luid 
denText, driehonderteüenz.j' de lengte, vijftich ellen de irijtte, en dtrtkh ellen 
de hoogte: 't welk, nae de Helling van onze beelden in de letter C, zoude Noachs Ar- 
uitmaken een figuer of gedaente van vijftien palmen lengte , van twee palm ke nacde 
en twee duim breete , 't zy van vooren of van achteren , en van een palm en ™"^^ ^^°* 
twee duim diepte, te weten van ter zijden. Dat nu onze beelden hier niet "^"^'^^^"' 
mede overeenkomen, om datze op d' een plaets breeder en op d' andere 
fmalderzijn, iswaer: maer de Arke beftont in rechte linien, en als men 
in een menfc henbeelt zijn breetft e en fmalfle te zamen reekende , zoo zcude 
d' overeenkomft mooglijk gevonden zijn. Maer laet ons hier o een tijdt me- 
de verletten: want ik wilde wel dat ik de Schildcrjeugteen zoo korten be- 
richt kon geven , dat zy 'er deur waren, eer zy 't wiften. Ik zal dan een proef 
doen met dit vaersje , daer een beek van acht hoofden lang in wort afgetee- 
kent, en in gelijke deelen verdeelt 



Men meet, nae d' oude gang, 
Een beeldt acht hoofdm lang , 
£erft van de kruin ter ktn , 
Voort tu^ihen tepels m. 
Ten daJenin den navel. 



Ten vierden tot de fnavel, Kui<yb ' 

Ten vijfden halver dgie, wcrpd^r 

Ten z.ejien onder kzue , matten van 

Ten z.tvenjl' op defcheenen , ^' ['^"^ ^" ^ • 

Tenachtjien'te^ndderbeenen. c'" ^^'''" 

H Hier 



^8 P O L Y M N I A. 

Hier diende wel een vygebladt , maer wy ontleden de naekte waerheyt. 
Wyders zoo keuren wy den zin van de volgende vaersjes voor goede , al lui- 
denzewart vreeiDt : 
Een menf hen heelt hcquaem , J In ƒ den en op *tgemachti 

Zijn Middellengi men acht, \ Dan is U den navel jutjl. 

De vrouwen is het bovenlijf wat langer, nae proportie, als dat van de 
mannen. Maer dit zal nu vaersjes genoeg zijn, zooge deze volgende niet 
overflaet: 

- Aen hand of trenj deelt 
Men 't tiende van het heelt, 

Endezelaetrte; 

J.en z.ejie deel men moet 

Verfchaffen aen den voet, 

Zegnuvry, dit kunnen de kleyne kinderen wel by de vyerleerei;, zoo zal 

ik'erby voegen, dat groote meefters zich fomtijts zoo draegen, alsofzy 

zelfs dus veel niet en wiften. 

Befchrijving van de Beelden in deplaet C, 

MAer wy zullen de moeite neemen van een beelt van drie zijden eens wat 
keurhjkeraftemeeten. EnvooreerR vaneenman , die wy zevenen 
een half hooh lang zullen maeken. Ik zal zijn geheele lengte in vijhien half- 
hooftmaeten of groote halmen verdeylen, endebreette der gemelde pal- 
men ook ter zijden uitzetten. Ik bevind het getal van vijftienen zeer be- 
quaein, fchoon ik wel geleezen hebbe, dat de oude dat van eenentwinti- 
gen pleegen te gebruiken. Wat reeden zy daer toe gehadt hebben , laet ik 
anderen onderzoeken. Wy vinden, dat aenmerkelijk is, datons lichaem 
voor eerft in vijftien voornaeme deelen bellaet : als het hooft , de Borlt en 
den buik. Yderbeen in Hgie, fcheen en voet: en yderarm in boven- en 
onder Elleboog en Hand j 't welk vijttien famen is. De gewrichten der vin- 
geren in y der hand maeken ook vijftien uyt. Zoo heeft yder voet ook bynae 
dergelijk getal. Wy dan, alsgezeyt is, noemen yder vijftiende deel een 
Valm , die wy wederom in vier gelijke deelen deyien , die wy duimen zullen 
noemen; zijnde yder zoo veel als eenfelHchfte deel van desbeelts geheele 
lengte. Yder duim deelen wy wederom in tienen , en noemen die deeltjes 
greynen, zoo dat het geheele beelt dan zes hondertgreynen in lengte be- 
flaet. Maer dit komt aldermeeft in het meeren der diktenstepas, want be- 
Jan^jende de lengte , wy zullen daer niet anders ab geheele palmen toe ge- 
bruiken. Alsyandentopfcheydelaf 

Tot 



c, 



pcdox 
-f. 



areyt\cn 



M 



J2 



IJ f 



\jSkf 



t kuï- 



I2,« 



kui- 



bedt 5 



il.dui gr* 
17 



'26 



'2 

13 4 



al.dui.sr. 



2 
I 
1 



aervan 



:ht- 



c, 


— 1 




1 






^M 


f 






j 




1 




p'^ 


^^. 


pd 


^pn- 


pcdm 

iJUUl 




1 


1 


k 


w 




^ 


1 






Hi 


d!„m^ 




'^v 


^ 


■^ 


'^ ^ M 


^ 


F"> 


^ 


r 


11 


BK 


i 


^nynm 


/^H É") 


m 


"n^lgw, r 


llt>*. A ~~^ 


<% 






t 1.1 




u 


^^ 




i 


i ^i ''' 




r 






/^ 


ioD 




'i 


'fc'l i 


il 


^-.J 


\JI\1 


Iff— 'j 


1 




}/j 


P^P 




ï 




^'^1 




^■j 


i 


1 , j 




w^ 








^R^ 




1 




<'r 


i 




W 


N 






/ 




r 


m 


A 


S 


7Ü 






1 


% 


fjiïè 


'W 




/ 


n 
^ 


4 


w 


E ** 


il 






1 












»L 






ro! 




1 f ^ 




<M 




\ 


■1 










ii-\ 


P 






i 






! ' 1 / 

1— to ^ ''S 


( 


Al Ml 1 




J2 






1\ 


\ j 







H 


' M 


- 




i\ 


ff 




n 






f 1 


v 


f 


1 




II 


1,1 


lilt 




J4- 










\ 


1 


1 




il 




II 


' f 


yi 


jii 


_ 


Jr^ 








k 


_J 


L 


Lm 


h. . 


u 




A^ 


\^ 


s^^llü 1 



Het tweede Boek 

Tot in d'oogen een palm. 
Totindeftrotpijp de 2. 
Tot onder de ichouder- 
leen de 3 . 

Tot op de tepels de 4. 
Tot de korte ribben des. 
Tot den navel en heupe 6. 



Tot 't begin der billen 7, 
Tot onder de billen en 

fclucmte 
Totmiddcldgie 
Tot boven de knie 
Tot onder de knie 



8. 

9- 

10. 

II. 



i9 

Tot op 't dikfte der kut- 
ten iz* 

Op't dikft onder de kui- 
ten 15. 

Boven d'enkelen 14. 

Onder de Zooien 1 5 . 



Palm.Duim.Greio. 



Den Voet is lang 

Den arm uit het Schouderge- 

wricht tot d'EIIeboog 
Uit d'EIIeboog tot in't ge- 
wricht der hand 
Voort 't eynde der vingeren 
Belangende de breette , wy zeggen dat dit van achteren en van vooren (lacnde bedt 3 
en 4. in de plaet C . breet is 

paldui.gr. pal.r^ui.gr, 



Boven't Voorhooft i 2i 

Overd'Oogbraen 122 

Onder Neus en Ooren 112 
ï^en Hals onder de Kin 2 5- 
Over de Tepels , of tuf- ) j 
fchen d'achterfte Oxelé 2 3 !8 
InhetWeeke I2 1 

Over de Navel 225 

B> 't eynde des Buiks \i 3 1^ 
By 't eynde der Billen 



is elk been brect 
De Dgie in't midden 
Boven de Knie 
In de Knie 
Onder de Knie 
Midden de Kuiten 
Op'tdikft onderde 

Kuiten. 
Boven d'Enkelen 
Onder d'Enkelen 



1 


13 


1 


$ 




38 




35 




^io 




^.S 




3 




17 




2,1 



Den voet is breet 
Den arm in't dikft 

van den bovenften 

Elleboog. 
Achter d'EIIeboog 
Voor den Elleboog 
Bet na de Hand 
By't gewricht 
De open hand is breet 



pal.dui gr» 
37 



26 

\ 

2 
34 



i 



Refteert noch het beek van ter zijden 5. dat wy zeggen brect te zijn 



pal.dui.g 

131 

3j9 

126 

2 4 

12S 
1I32 



't Been is dik 
Onder de billen 
De Dgie in't midden 
De Dgie onder 
De knie dik 
Onder de knie 
Midden de kuiten 
Onder de kuiten 
Boven d'enkelen 



pal.dui.gr. 



116 

■35 
I 2 

31 

-4 



Van't begin deshairs 

tot achter de kruin 
Over de oogbraen 
Over de Neus 
denhals onder de kin 
De linie boven de 

borft 
Over de Tepels 
De linie daer onder 
Over den Navel 
By't eynde des buiks 

Dit beek de hand opheffende tot de hoogte des hoofts , beflact een kring , waer van 
de Navel het middelpunt is. 



Den arm in de Schou- 
der is dik 

By d' achterfte oxe- 
len 

In den Elleboog 

Bet nae de hand 

In't gewricht 

De hand is dik 



pal.dui.gr. 



2 
I 
1 



H 



ACHT- 



6o 



POLYMNIA. 



CHTSTE HOOFTDEE 

^efihrijvmg van de Beelden in de Trint T>. 



L. 




Ermen tot hetmeetenvan een vrouvvenbeelt komt, zoo is eerft de vraeg , wat 
maetfchiklijkheit men tufTchen de lengte van een man en een wijt houden zal r Den 
laeukcurigen Albirt Durer fpreekt'er dus van : wanneer een man en wijf van 
eender foorten famen geordinecrt worden 3 zoo zal de linie des wijfs , daer uvt zy 
gemeten wort j een achtiende deel korter genomen worden > als des mans linie. 

Anders zoude het wijf langer fchijncn, als den man, om dat haer lichaem molliger en poezel- 

icr,alsdes mangis. Dit is te verftaen , alsnienzebyeen ftelt j anders yder alleen zijnde, zoo 

aiaektmenze zoo groot, alsmen wil. 

W/ verdeden dit wijfsbeelt in 7 en een halve groote fpan , of, als den voorigen man , in 

15: palmen, duimen en greynen als voren. Zy zal 8 van hare hoofden lang zijn, of tien (^ tronien. 
pal.dui.gr. pal.dui.gr. paLdUtgr. 



Van dm fopfcheiiel meet ik 

mderivnerts de lengte 
Toe het VOO' hooft 
van daer tot de brawen 
voor: onder de neus 
voort onderde kin 
voort to: hetfchouder 

vlees 
voort in den halskuil 
voert onder de fchouder- 

leen op de darde maet 

linie 
voort op ds Tepels 
tot de korte Ribben 
in den navel 
achter aen't ftaertbeen 
tot onder de fchaemte 
tot 't einde der billen 
tot boven de knie 
m;dden in de knie 
op't dikft van de kuiten 



't Bcelt van ter xjliin is 
' ! brcet. 

1 ^Overdeoogbraea 

2 oden hals 

2 o over de fchouderleen 
2 o over de repelen 

I over de korte ribben 

I 5 in het weeke 
02 o over den navel 

by't einde der heupen 
by 't einde der fchaemte 

o' I o 't been onder de de billen 

i'oo is dik 

1 ooop de knie 
I poindeknie 
I pp midden in de kuiten 
I [o o onder in't dunft 
o lOden arm van ter zijden is 



de voorfteoxelen 
d'achterfte oxelen 

1 12 '4 d'eene tepel van d* ander 

054 onder de borften 

1 1|8 in het weeke 

i'^jS over den navel 

1 3,0 by't einde des buiks 
1 22 en hier onder ftaen de] 
i'j'z' beenledenvanmalkan- 

2 2p der 
2 0|2 op de fchaemte 

j 't been onde de billen 
130 een maet lager op de dye 
1 ojS leen maet lager op de knie 
I op in de knie 
1 4jmidden in de kuiten 
o 2J onder de kuiten 

i I :onderin'tdnnft 



2,09. 

308 



21 

?09 

IJ 

lop 
100 



1 1 9; dik in de fchouder 

3 I in de muis 

1 ooin den elleboog 



op't dikft onder de kuiten I 00 voor den elleboog 
tot 't du.ift van'tbef'n lip o m't gewricht 
en voort onder de zolen jip o de hand is dik 
den voet is lang fO,9i*^ 



den arrti uit het fchoudcr- 
littot in den elleboog. 

uit den elleboog tot in'c 
pe\vri;h: van de hand 

uit t gewricht tot'teyn- 
de der vingeren 



't Bedt van vooren en ach 
2 Of tennis brcet 

j i'Overd'oogbraen 

3;den hals onder de kin 
lover de fchouderleen 

1 8 de fchouderleen ftaenvan 
I malkander I 

(*) Di tronji een timieietl van degehede Itngttjïemt mtt Vitruvih, 



1 104 den voet is voor breet 
p 3 8 den arm in de muis 
p 2!6|achter den ellrboog 
p 2!7jVOor den elleboog 
01 5" bet na de hand 
018 in't gewricht 
1 de hand is breet 
de hiel van achteren is 
breet 



17 



pi'6 

1027 

'023 

©'29 

o 

o 

030 



li 



0i9 



Die 



D 



^rrynn» 



Dgtgeriifl 
ier> eent- 
leen grof 

:hvuldi!2C 

1 poëet de 

de groey 



machtige 
eaby Te- 



111 



J3\ 



. inSpal- 
n, in lo 
geefTchen 



Van 



Het tweede Boek. 



6i 



Ditzal hier mede genoeg zijn tot eenproef, die nu zijnen geeft verder poogt geruR: 
te ftcllen , dien raede ik, dat hy zelf , op deze voorgemelde en zeer lichte manier, eeni- 
ge beelden na't leven afmeet. Want dan zal hy 't onderfchey t , dat'er tuffchen een grof 
en tengerlichaem is, gewaer worden. 

Een maegdeken paü de Rankicheyt , om re beter bequaem te zijn de menichvuldige 
fieraden, daerze toe genegen zijn, aentedoen, zeyt eender, macr onzen poëet de 
heerüoefr, brengt 'er, 'mi\]nVel^^n , alseen yoorbeelt van Amlterdam, degroey 
in: 

'Een Eedle tnaecht , die 't» haerjeugdes btoejen treet , 
't Gez,icbt ontjomkl '• (n 't rijpen van 't vernuft cntkleet 
Het vlijtige gelaet , vanjlecbthejfd vlak_ tot f chroom en'. 
De ftéildeslichaems, bah en heup begint te vroement 
En }7iack^fel kjijgt hetgeen datz,' tn haer boez^em Jlu^t > 
Een braefhejt voeglijck^blinkt tenfcboonen aenfchijn uyt ; 
Danpaerlen, goudtenjleep. Zjf wort geviert van veelen, 
Verborge nijdt ontfaen haer mindere gefpeelen. 
Het welbchacgen der minnaers is, wegens de tengerige rankicheyt , oFvroomachtigc 
welgezetheyt eenesmaegdelijken licbaems, zeer ver fchillich , gelijck Cfcfr^rfby Te- 
rentiusze^t'. 

Defchouderslaegy deborjlgegorty en tlijf?eprangt. 
Zoo dtmgeltjkjen btesy dat rekentmen voorfchoon : 
En een deurvoede Pros , die noemtm' een Amaz^oon i 
of een Soldaetentros. Maer wat de mijn belangt , 
Z* ti nae de nieuwe fnofy tepoez^el ofbefneeden, 
Z ' heeft een oprecirte kleur , en vafigevoede Ie eden. 



NEGENDE HOOFTDEEL. 

Befchryving van de Kindertjes in de 'Print 
letter E, 




Erflelijk verdeefik dit bovenfte kint, van vier hoofden lang, inSpal- 
yder palm van vier duimen, en yder duim, als voorheen, in lo 



men 



greyntjes. Ik zal , wat de lengte aengaet, om niet teveel vergeefTchen 
arbeit te veroorzaken , maer kortelijk daer over loopcD. 



H 3 



Van 



62 

r.in den topfcbeUe! 

neAerfüaens 
Tot het oor en 

d'ooebraen 
tot den nalskuil 
tot de tepels 
tot den navel 
tot by defchacm- 

te 
tot boven de knie 
rot middelfcheen 

en kuiten 
tot de zooien 
den arm van het 

fchouderlit tot 

den elleboog 

van d' elleboog 

tot aen de hand 

de hand 

den voet is Ling 



P O L Y M N I A. 



palm duim grein 



I 





o 


1 


o 


o 


I 





o 


I 


o 


o 


I 


o 





I 


o 


o 


I 


o 


o 


I 





o 


I 


2 


o 


I 


O 


3 


o 


3 


4 


I 


o 


8 



't Kjnt van ter \\j- 
dc, is breet ofte di\: 
Over d'ooebraen 
den hals is dik 
halver borft 
over den tepel 
over de korte rib- 
ben 
over den navel 
bovédefchaemte 
't been onder de 

billen 
de knie 

't dikft der kuiten 
't dunft onder by 

de voet 
den arm van ter 
zijden is dik in 
deSchouder 
de muis 
in d'elleboog 
onder d'ellebooa 
by de hand 
de hand 



pjlmduimgrsin 



't Kjnt van vooren 

enachtcrëji breet: 
y Over doogbraen 
7 den hals 
2 hal ver borft en 
7 fchouder 

achter d'oxelen 
^ de tepels ftaen 
7 van malkander 
^ in'tweeke breet 

over d'.n navel 
^ bovédefchaemte 
7 't been onder de 
o fchacmte 

in de knie 
o de kuiten 

by de voet 

de voet van voren 
O den arm is breet 
6 in de muis 
o in den elleboog 
2 onder d'elleboog 
4 aen de hand 
^ de hand 

de hiel van achte- 
ren 



palm duim grcia 



I 


2 


o 

2 


o 


3 


5 


2 


I 


5 


1 


3 


4 


I 


o 


5 


I 


2 


? 


I 


3 


6 


2 


o 


5 


1 


o 


o 


O 


2 


6 


O 


2 


7 


O 


I 


5 


o 


2 


2 


o 


2 


I 


o 


2 


O 


ö 


2 


3 


o 


I 


5 


o 


2 


1 


o 


I 


5 



Dit jonge Kim van vier hoofden lang, moogt gy dan voort tot <^.6. j en meer 
hoofden lengte doen opwalfen, gelijk wy'er hier twee van vijf hoofden ]an<T, een van 
vooren, en een van achteren j by geltelt hebben, 't Is genoeg, dat gyhiermet Palm, 
DuimenGrcynentemeetengeleerthebt. Die zijn voornaemfte oetfeninginditdeel 
tier kond ftelt , zal door deezen bril ver genoeg zien , en 't zal hem wel de moeite 
ivaert zijn , levende of doode kinderen zelfs eens in haere voornaemlte deelen af te mee- 
tenj en te zien, hoedanich zyin't opgroeien verranken. De kinderen van drie jaren 
hebben, nae't zeggen van P//«i«i, haer halve lengte, maer den vollen wasdom komt 
ongelijk. 

VVy hebben bynadiergelijk een manier van meeten, als wy hier gebruikt hebben, 
in het tweede Coek van Albert Durers Proportie , behalven dat hyzijn palmmaet, of 
meetltaf, daerwydiein vieren verdcelen , in tienen neemt. Zijn Tal en deeltjes 
komen anders niet qualijk met de onze over een. Hy verdeelt oock het Deeltje noch in 
drien, en noemt het een Trimulurn , 't welk ik bekenne dat in 't naeukeurich mee- 
ten zeer nootzakelijk is. Deze manier van meeten overtreft ook zeer verre die 
van zijn eerftc Boek, daer hy zijn Scheider of deiier, beftaende in de geheele lengte 
des beelts , in half , drie- vier- vijf- zes quart , en zoo voorts ,, tot meeni- 

gerley 



Het tweede Boek. c^ 

gerley toe klieft ^ hoewel wy de geene , die Je^^en regel behaegt , niet wil- 
len afraeden die te volj^en. Die luft heeft kan ook de beelden van Durer in'c 
groot Itellen, en zijn veikecider , kiezer, en vervalfchers gebruiken: 
ook zijne buigint^en, in't vierde Boek nazien. Zeeker hy heefr betoont , ^a\ 



ner 



dat hen) het onderzoek der maetfchiklijkheit ernlt was. En hy antwoc^rtde propmu, 
geene, die zeggen, ot mtn dan zoo veel moeiten zal doen, en zoo veel 
tijdt aenwenden , om alle beelden dus af te meeten , daer men'er dikwils in 
kleynen tijdt veele moet nuekenr' Wy gebieden dit nier, maerditleere 
ik, zeythy, dat men door vlijt en naerlticheyteenigegiwisheyt, die op 
vafte reeden {f eunt, behoort te zoeken : want van zulk eenen, die die ge- 
wisheyt nevens een verzekerde hand verkregen heeft , zal niemant der 
lichaemen afmeetingen afvorderen. Want deoogen, doordekonlt bereyt 
zijnde, vangen aen een Regel te zijn, en de hand volgt de konft met een 
verzekert betrouwen , en fluit de dwalingen uit. Hier op volgt dan vaer- 
digheyt. Engy, van kenniiTe doordrenkt zijnde, zult niet twijffelen wat 
gy doen zult , nochlichtelijk een punt , of getrokken linie verzetten. Zoo- 
danige konüwerken verdienen lof, die geenftns angftich, maer lieflijk en 
vryzijn, en worden by yder een voor goet gekeurt. Deeze kunnen van 
geenonervaereneinde regels der konft voortkomen, alfchoonzedevry- 
hey t van de hand bekomen hebben. ) a zulk een vryhcyt is een geboeithey t te 
achten, dewijlzetot dwalinge uitfpat. Wat onsrengaet, wy en willen de 
Schilderjeugtookingeente wijden zijJweg leyden. Wy beveelen hen al- 
leen eenige weynige beelden, *tzy nae't leven, of na de befte Statuëa 
der ouden, op onze maniere verdeelt, in Palmen, duimen en greynen, 
op't papier te brengen: 'ten waere de noodt iet naeukeuriners , dat zel- 
den voorvalt, vereyfchte. Zoo zullen haere oogen door deeze weynige 
opening een regel vinden, die haer, by gebrek van die van Po/zi^frwi, ge- 
noeg zal onderfteunen , en becjuaem maken om de natuer met verlichte 
oogen aen te zien. Want die te veel wil meeten, mocht zich zelf verge- 
ten, tnEufranoTi die zelfs van de proportiekunde gefchreven heeft, wiert 
nochtans befchuldicht , dat hy zijne lichamen te rank , en zijn vin- 
gers en kneukels te groot maekte , waer inne hem onze cudtstijdtfche 
Hoogduitfchen , z\s lfraélvanMents, hupfe Marten, enandere, mooclijk 
noch overtroffen hebben ; want hnere naekten fchijnen , als ofze uirgehon- 
gert waren. Dus dan alles wel rijpelijk overweegende, zoobli;[iknoch 
in mijn cerfte gevoelen , darmen den pafTcr , door gewoonte van op- 
merïcen , in het oog mi^et zien te krijgen : en datmen in fchoone pro- 
portien te maken, veel hooger zal geraeken door doen, dandoorzeggen • 
en dat men het gezicht veel beeter tot een goed oordeel zal brengen , door 
de misflagen af te zien , dan altijt af te meeten. Want de maeten der deelen 

te 



Acadcmy- 
teykcncn. 



64 P O L Y M N I A. 

te kunnen noemen > is noodiger om onkundigen te overtuigen > dan om zich 
zelven te helpen. 

Welaennu, mijn Schilderjeugt, tree nu vry hooger in de fchool , om 
outstijdfche pronkbeelden , enleevendenaektennate teykcnen. Streef nu 
elkander voorby, om den roozekrans, en hoop in't toekomende op den 
gewenfchten laurier. 

Wanneer de herfft korte dagen en lange avonden maekt , en het u beuren 
mach naekten na't leeven te tey kenen, fla dan wel gade, wat zwier de geheele 
figuer heeft, fchets'er uit , wijlze onvermocit is, en vergelijk dedeelen 
wel tegen elkander. Neem op 't verkorten acht, leg de fchaduwenop'er 
rechte placts , en handel alles na den aert van het zachte vleifch. Hier mee- 
nen veele wonder in de kunft te vorderen, maergy zult'er tijdten arbeyt 
verquiflen , ten zy gy u verbindt de natiier in haer eygenichappen vlijtich 
na te volgen. Wantfchoon L'y jaerenlang teykende , indien uw opletting 
innaeukeuricheit niet aengroeyt ; en datgy zonder oordeel alleen maer de 
fleur volgt, gy zult wel veel tcykeningen toonen kunnen, maergeentey- 
kenaers geworden zijn. 



TIENDE HOOFTDEEL. 

Van de gebreeken en de leelijkheyt. 



Dcgebrce- 
kon te Ken- 



nen, 




N is dan niet genoeg , ó Schilderjeugd ! veel mans-en 
vroubeelden na't leeven te teykenen, penszakken te berd 
brengen, en dentijd te vcrquillen. Is'tdatgy u bequaem 
kent een beeld na't leven te teykenen, want anders is't be- 
ter dat gy u noch ontrent plailteren of fteenen oeffent , 200 
zocK een leven, dat nateykenens wacrdichis, op datgy in geen quade ge- 
woonte komt. Zietoe, of de Knien door den Koufeband niet bedorven 
zijn, ofde Dgie-muskulen , alsby d'oudenis waergenomen, haereygene 
gedaente hebben , of de Scheenen en Kuiten niet met kneepen , door 't 
binden , vervaKt zijn. 't Vrouwvolk is dit veel onderhavich ■ zie toe 
of buik en lendenen door 't parfTen der kleederen niet miswaflln zijn, 
en of de borften op haer rechte plaets ftacn. En zoo zalmen , in't 
vermijden der gebreeken, de fchoonheit vinden. De gebreeken zijn ge- 
meen, maerdefchoonheit israer , en laet zich van niemant kennen, als 
vandiezenavorfcht. De Heer de /4 5^rrf, door H. D«//4frr verduilt , ge- 
valt my wel, daerhy in zijn Onderhout der goede geelten aldus redevoert: 

Laet 



Het tweede Boek, ^^ 

Laet ons alleen van de wercken der natuer (preecken , zy heeft noyt maect, 
buiten de geene, die Godt als eerfte wieg, wacr in hy rullen vviidc, be- cecn vrouw-" 
genadigde, voortt^ebracht , daer niets op te zeggen viel. Daer uyt fproot b-dt dier 
dit, datdiegrootefchilder, die van voornemen was om defchoone Heieene ""^^°?^^ 
na zijn verbeelding uit te beelden, de fchoonfte dochteren uit de iUd ver- ^'"Sg^" ^*'^* 
koor: opdatzijnpenfeel, uit zoo groot een getal van f choone aengezich- 
ten, van elks ietontleenende, maer een eenige volmaektheyd zoude te 
famen brengen. Het welk ons d' onmacht van de natuer openbaert, ineen 
fchoonheyd zonder gebreck te vormen» Ik heb noch noit vrouwe zoo 
fchoon gezien , datzeaen al de werelt zouw behaegt hebben. Daer is altoos 
noch een kleynefmette, die het heldere glas van harefpiegels bewalmt, 
d' Een zal een rechtmaetigegeflalte hebben, en blank zijn, en echter van 
m .nd ten ooren toe gefpleeten. d* Aader zal een breet verheven voorhooft, 
een kleyne mond , en vriendelijke oogen hebben, maerdaerby een platte 
kootneus , gekloott als een waterhvjnd. Geene zal , recht uit gezeg t , aer- ^^orfjecl- 
dich van ommegang zijn : maer met geleende lokken , en gekochte tanden, "" 
Deze heeft alle trekken des aengezichts behaeglijk, maer is gebult op den 
krommen rug, en heeft een boezem als een volle naeszak. 'tValtmy ver- 
drietich U Serre, hoe acrdich hy oock is, geheel uitte volgen. Ook zoo 
en was ons voorneemen niet de lelijkheit te befchrij ven , maer op dat de ge- 
dachten der fchoonheden, boven geroert , te beter affteeken, zoo willen 
wy'er iets van reppen. Het gemeen zeggen is, dat de Schilders de gebre- DatdeSchil- 
ken, die zy zelfs in haren perfoon hebben , ookveeltijtsin haerwerk ver- "^^"^^ ^^^'"i^s 
toonen, 'tZydatzebijffermager, vet. Jam, of gebult zijn, of wel fcheel '^'^^ 72^". 
zien. De reden zouw zijn, dat onze innerhjke zinnen met onze uiterlijke hacr^werk '" 
gedaenten lichtelijk overeendragen. Maer wat zalmen dan zeggen? Dat laetenblij. 
alle fchoone menfchen in de fchoonheyd , alle lelijke daer en tegen , in de ^^°' 
lelijkheyd behagen fcheppen? Zeker neen. V\ant men bevind menichmael 
het tegendeel, Keyzer Augujluswas delangfle niet, nochtans had hy een 
afkeer van dwergen, eneenfchrik van verminkten. Wanthy hieltze, se- 
lijk 5«fro«i«i getuigt, als fpotfpeeltuigen der natuer, en vanquade bedui- 
dinge, verlulligende zich liever met te zienfpeelen, zoet klappende en 
welgefchapekindertjesvanSirien, en aerdige moortjes van Marokko. He- 
liogabalus daer en tegen , de fchoonffe jongeling zijnde , die van de zon ge- 
zien kon worden , en die d* oogen betoverde van al die hem aenzngen, liet 
noch wel in de badftoven tefamen roepen al de geene, die met kakhielen 
gequelt waren. Hy beval ook tot hem over maeltijdt te brengen, acht 
kaelkoppen, acht fcheelaerts , acht doove, acht die aen de jicht zaten , 
acht zwartachtige, -ichr dieuitffekend lang waren , acht onvermogende 
vette , en acht, die wel dappere groote neuzen hadden , na 't Grieks fpreek- 

I woort 



66 P O L Y M N I A. 

woort van elx acht ; Apant otlo, Hy behfte ook aen zommige dienaei's hem 
op te zoeken, voor een geftclde prijs, dui/.ent pont fpinnekoppen, en 
nienzeit, datmenhem'erticnduizent pont leverde, waerin hy zich ver- 
hovaerdichde , dat hyover zoo een Aadt, daerzoo veel fpinnekoppen in 
waren, heerfchte. Maer omby delelijkheyd tebhjven, zoo geetik den 
lezer deze volgende Ikeirjes. Homerus in /:ijn tweede boek derlliadcn be- 
fchrijft een van de Griekfche raden aldus : 
Eerfteftadt- iherftji de klapper ■, endenwijT^eniAetsverachter, 

jr. Zuchfcbeet, en wasgebult van voorenen van achter: 

Hy had een fp^Jfen kop » en naulijx bah daer op. 
Jeroon Benz.o[n zijn befchrijving van Well- Indien vertelt dat hy, tot 
Tw ede Kumana zijnde, een voorn lemlle heeren vrouwe tan dat land zach, die 
^•^^■J- aen den Spjcnfchen Gouverneur een gefchenk van fruiten bracht , welkers 

gelijken hy in veertien j-aren , die hy in de nieuwe wereld verfleet , noit ont» 
niuet heefc. Toen zy, zeyt hy , haer gefchenk al Itilzwygende gedaen 
hadde, zette zy zich op een bank neder, zoo tiir wy ons over haerfchoone 
leelijkheyd met gemak konden verwonderen. Zy was ganich naekt , uitge- 
nomen de rchaiiiellieit , want de gehuwde vrouwen dekken die met een kleet 
genaemt Pampanila , maer de dochters alleen met een band j zy was overal 
met zware befchildert , en met hangend hair tot den gordel , haere oorea 
waren zoo lan^ gerekt , datze tot op de fchouderen hingen , door 't gewicht 
der oorringen, daerze vol van ftaken , gemaekt van een zeer licht hout 
Kakomagenoemt, De nagelen hadzeuitermaten lang, de tanden zwart, 
een groote mond , en deneuslellen deurlteeken met een ring, dieze Kari- 
Dcrdeflael. koriheeten; zoo dat het beter een gedrocht , dan een menfchlijk fchepfel 
fcheen. Is u dit te barbarifch , zoo bezie dit aerdige Inlantfche , dat de E ; 
Raetsheer Heemskerk^, in zijn Bataeffche Arkalie , zijn Haipders en. Har- 
derinnen doet zien , alsfe rufl'chen den h ^offchen Haeg en het wijslievende 
Leiden hare paerden een weynich ververfchten. En terftont cjuam daervoor 
dendachfzeythy) een onhebbelijk wijf j haerhair, inpJaecsvan poeijer, 
was doorzneit met ontelbare menichte vanfchilferer». Haer oogen , die, 
alsofzehaer volle fl iep niet gehad hadde, meteen loffèloomicheyd heen 
en weer draeiden, flonkerden van roodicheir: En die roodicheit, bezet 
met een rand van reflremr was, maekte dar alle oogen, niet anders, dan 
van het hooft van Meduz^a , haer d.ier van afkeerden. Hacr ganfche bakhuis 
wasbeicyrmeteen puirtige purperverw : en haer onbefchofce neus fcheen 
haeruitfieckende km te dreigen van daer in re willen pikken. Waer boven 
delanggehairde winkbrauwen, dooronachtfaemheitineengewafTen, een 
dijk fcheenen te (trekken, te<^ens de golven van 't dicht berimpelde voor- 
fio )ft. Tuffchen de kloven van hire grove omgefligen lippen , lagen noch 
hier en daer de druppelen van't drabbich dikke bier> daerze, op'teerrte 

ont- 



Het tweede Boek. dj 

ontwaken, haernatgierig keelgat gulzichlijk inede gewent Wa» te heven: 
endathaerganfchelijf, en vooral haren vadzigen boezem, dooreen on- 
vermogen vetticheit , zoo hadde doen zwellen , dat het eene een dikgebuik- 
te bierton , en het ander een overladen koe-iiyer geleek. Deze aerdif^e Hof- 
meefterinne, met eenToebakpijp aende mondt, eneen kanindehand, 
trad al flingervoetende na den wagen , en begon met een fchorre ftem , en 
eenpinkendoog het zoete gefelfchap, op den wagen zittende , te nooden 
tot een pijpje fmooks , en een zoopje zoenwater , woorden die de eerbaer- 
heit der Harderinnen, en de befcheydentheitder Harderen zoo tergden, 
dat zy de voerman bevalen daedlijk een eynd van zijn drinken te maken , en 
zonder uititelvan dat hol deronnutticheden afte fcheyden. Zie daer een 
aerdigeleelijkheit, daerBrowir^r werks genoeg mede gehad zouw hebben, 
omhareongavebegacfthedent' overtreffen. Maerhoemooyzeookis, my 
walgt 'er van, en echter bevind ik datdegrootfte geeften fomtijts vermaek 
genoomen hebben in dergelijke leelijkheden. Gelijk de Ridder ?hili^ Sïdney 
in'tbefchrijven van Mopft: en Servantes 5<«rfdr4in'taffchilderenvan een VicrJc ftad. 
zekere Parleryna, die hy bynae met de volgende fieraden .if beelt : 

Ons Par Ier pt je lijkt een parelt jen op z^, DonQukhoP 

Want xJ heeft het flinker oeg ver boren deur de pokken, \ f n\ 

Haerpokkjputjes doch z.ijn valletjes i daer b^ ooj j uu. 

Graffleeden om 'tgebroet der minnaers in te lokksn» 

Haer aengename neusjïaet puer uit pumichejt 
Gekrult , om 't montje niet befnot ofvutl te maeken. 

Haer montjen , alsz.egaept , z.icb tot aen d'oorenfpreyt 
Volmaekt , tloo haer de helft der tanden niet ontbraeken. 

Haer lippen z.ijn vrj groot , viel daer een hutfpot ofy 
Al woegz^e vry wat z.watr , het konden lippen blijven : 

De kleur is blaeuiv en groen , l^kj^spes in het hof. 
Maer kon ikjt haerjial en lengte recht befchrijven, 

Gjf z.oud verwondert fiacn : doch da's inijn macJu te hoog : 
Z'tswatgekromt, gebult, de knien de mont genaeken , 

Maer waer bet mooghjk^dat men haer recht ujt verboog , 
Zoo Z.OUW haer hooft miffchïen wel aen de z.older racken. 

En dez.e fehocne paeri had lang haer rechter poot 
Aen mijnen Bak/tlaur gegeven om tepaerên , 

Maer laes z,' is lam en dor , haer nagelen ter noot , 
Die breet z.ijn , tuigen noch hoe aerdich datz.e waren. 
Maer my dunkt zeker, dat ik mijn werk met het afbeelden van deezc 
goelijcke Itaeltjes meer ontfierejdan opfchik. 't Is beft dat ik mijn eyj»e zin- 
lijkheit volgende voortllae , en waerdiger Schilderyen ten toon (lel. hn hier 
in zal ons niemant beter,dan de groote C/io, de hand bieden, 

I 2 CLIO 



68 C L I O. 

C L I O 

De Hiftory fchrijffter. 

Het derde Boek. 
Inhoudt. 

XJEtrotfe QXioport iet heer lij x aen tejtaen. 

Zy leert een rijke jloff^ waer in de geeft kanfpeelen , 

Wat was of oit gebeurde , op *t zinrijkft te verbeelen } 
En in wat de el en dat een konftftuk moet beft aen. 

Hoe dat > wanneer m een daedt op *t naeuwft heeft overwogen^ 
(JMen yder landaert elk Terfoon na zijn beflach 
Heeft uit te drukken : en , zoo veel de kunft vermagh ) 

E lx lijding , yders doen moet toonen als voor oogen. 
Zyftelt de beelden als op een Toneel ten toon., 
Enfteekt uit Glory zucht d* i^eloutheit nae de Kroon. 

Op de Print. 

TT/^r is d* Hiftoryhmde op 'swerelts top geklommen , 
**- -^ Zy voert het Heldenboek , en Famaes veldbazuin y 

IVaer door verflaen wordt , Hoe 't Gevalfomtijts in puin 
Begroef^ en doofde die voorheen als fakkels glommen, 

Gins ment ^rins Faëton den wagen van de Zon : 
T)aer is Jupijn te raedby d' oppermogent heden : 
Hier ivort te lande , gins te water fel geftreden : 

't Wort alles ^ 'tzy mcnftreed , of leed., of overwon ^ 
'Door ziele lijdingen en doeningen bedreven. 
CHet recht wort de es Heldm God <LMavors toegefchreven. 



IN' 




Het derde Boek. 6^ 

INLEIDING. 

'Y zult ons nu, 6 Moedtr van Jalemtu en Uj/men, vinders van 
reurgezangen en bruilofts liederen , den vvech tot eer en prijs 
)aenen, engereetflaen, omdegeene, die een hoogen trap 
kr konft beklimmen , met uwen Lauwerhoedt te befchenken. 
Leer ons nu, welk de heerlijkflc dingen in dekonlt zijn, en 
welke men, om van umet roem en glory uitgetrompet te worden, zal 
aerflaen. Sla ons het heldenboek van uwen (i) fchrijvcr , en de Godlijke^y ^*"'''^' 
vaerzenvanuwen(2,) Poëet open, en wijs ons aen, wat de voornacmfte /j^> ^j'^^^j. 
deelenineenHiftoriezijn. Engy, die dezielevandedwaelftar M<ïMzijt, ;.«ƒ, 
lees ons de lichaemlijke beweegingen , en de teekenen van de lydingen der 
ziele voor; en deel ons, om yder ding zijn behoorlijke grootsheit, door 
byvoegfelen en zinnebeelden , te geeven , de drift van uwen geeft meede! 

EERSTE HOOFTDEEL. 

Fan de Algemeenheydin de Schilder konfl. 

Vterpe heeft ons hequaeme^ee[\en tot de Schilderkonfl uitge- 
zocht, en haer aireede ter teykenfchoole ingevoert. En 
Voljmma heeft aen haer de menfchkunde geleert. Maer wy 
zullen de wakkere geeften aenraoedigen om algemeen te 
worden; dat is, zoo veel gedaentens der dingen nae te beel- 
den, aJs 'er zouden mogen voorkomen: dewijlze alle te zamen, en elk 
in'tbyzonder, door een zelve beleyt naegevolgt, enin het verfianteens 
Konftenaers begrepen worden, 't Is fchadelijk tedcnken, zeyt eender, 
datmen alles niet zoude kunnen bevatten ; Want wat is'er dat ons 
verftant verzadigen kan f zegt Philips Morna^ , brengt 'er zooveel we- 
tenfchap in , en vervult het met zoo veel kcnnifTender dingen, als gy ^" ^' ^'J'^^ 
kunt, het zal in begeerlijkheyt verwakkeren , en hoe 't meer houdt, '^'^ TTL, 
hoe 't meer zoekt, krijgende daer door noch hooftzeer noch cjuaedemaege. ' 
Onze kleerkaflen , zegt KaJ^todorHS^ kunnen eens vervult zijnde , niet meer 
bergen: dit trefoor wort noit overladen. Macr als het alrecdczeer veele 
heeft ingenomen, zoo gaept het gefladich nac meer, temeer, gelijk Ctcer»' 
zegt, dewijl dat alle vryekonflen eenen gemecncn band hebben, en als 
door maegfchap aen malkanderen verbonden zijn. En men moet niet twij- 

I ^. fekn- 




70 C L I O. 

Alle vrye felen,zegt G. röj?i«i,ofdeeene\vet:enfcli3p is tot onderlinge hulp voor d'an- 

konftcnhcb- ^gj.^ j^g zyzijn mank, ten zy ze met malkander een Rey vankunften uit- 

derlin^c °°' lï^aken. Hoe en zoude dan niet aen maWcandcren hangen deze onze algemee- 

niaeguhap, ne wetenfchap, van de naebootzing aller zienHjke dingen ? Dewijlze alle 

op eenderley wijzein'tverdandt begrepen worden, end'eene zoowel als 

hoc veel te d' andere in vormen verwcbefbet« Hier en geit de fpreuke der Italianen 

meer een cc- j^jg^ ^ ^j^t die te veelbeftact weynich bevat-, want de Schilderkonlt blijft 

''•^kn"^'^" enkel en ecnweezich, fchoonze de ganfchenatuerbefpiegelt. Laet u, 6 

Schilderjeugt, daeromgeenarbeitverveelen : want die een ding machtich 

is wel te doen, zal't niet zwaer vallen , eenander, daer dezelve deelen, 

alswelteykenenenkoloreeren, in zijn i waer te nemen, ookteneyndete 

brengen. Macr dit geit u alleen, die van Edelen geelt zijt, en zoodanige 

en moe I- ^j^^j^j E Ut er pe uitkoos, die met lull en vermaek na leerin" hacken, enden 

iinivcrfccl te vergetelvliet poogen tontzwemmen. Wat dunkt u<' Poljdamtude kamii^ 

•wocdea. vechter verfloeg in 7ijn jeugt een verwoede leeuw zonder wapenen ; zoud 

gy hem tegen geen Beer durven wagen.*' Hy kon eenfiier in het midden 

der kudde by een been zoovaft aengrijpen, dat de zelve hem nieten kon 

ontwortelen, zonder zijn klaeuw in de vuilt te laten, zoud gy hem Serto- 

rm paerdeflaert niet toevertrouwen uit te pluizen .^ Hy hield een loopenden 

tt'agen met eene ha nd vaft , zoo dat de paerden , hoe ofmenz' ook aendreef, 

gedwongen waren te blijven ftaen : dunkt uniet, dat hy een rocyfchuit 

machtich was op te houden ? Diehondert pont droeg, kan ook tachtich 

pont tillen, en ook negentich^ want 't vermogen van iets op te heften, 

llrekt zich tot onderfcheyde dingen uit. Zijtgy bequaemde maet en ge- 

daente van een beek te leeren , waerom niet van gcbcuw en lantfchap/ Ten 

zal u niet zwaerder vallen veel beelden wel te leeren ordineeren , als 't u ge- 

vallenis, debewegingen, die ineen beeltbehooren , m.ietfchikkelt|k te 

vertoonen. De omitandicheden zullen fpel fchijnenaen hem, dic2e,ern- 

ftich by de hand neemt, indien hy in hooftzaekenbedreevenis. Dekunft 

van koloreeren, 't verllant van fchaduwen , en'tbeleit van de houdinge, 

worden ook in de minfte verkiezingen vereyfcht. Het mach zijn dat de geen, 

die dekonft alleen als een Schoenmakers. ambacht oeffenen , niets buiten 

hun leeft verftaen : maer de geen die verftaen watze maken, zullen ook 

gewaer worden , dat alle andere dingen ook door dat zelve verftant verftaen 

worden. 

'lie't groot flc Hierop zegt T«/i/tt^. gelijk in d' andere konften, als dcmoejelijkfte din- 

bn navol- gen verhandelt zijn , 't overige niet veel arbeyts vereyfcht, als w€zendc 

Kt"muift°°'^ veel lichter om te begrijpen, ofte ookfomwijlen den vorigen gelijkvor- 

lietvcrlc- mich* zoo L;ebeurr het inede in de SchilJerkonft , dat die geene , <iie een 

jcnftacn. mcnfche wel kanuitdrukken , met eenen verftaen zal , hoe meneenige an- 

de- 



Men be- 



Het derde Boek. 71 

dere gedaente, fchoonmenze noit heeft vooroogengehadti ook zal kun- 
nen ahiiaelen. Zoo en behoeftmen ook niet te vreezen, dat hy, die een 
leeuw oHtierbequaintlijk kanuitichilderen, *t zelve ook geen andere vier- 
voetige dieren zoude kunnen doen; te weten, alsinenzc hem voorltelde. 
Wantdaeren isrniemant, gelijk J^i/jri/wwwbeveliicht , die in groote zaken 
dapperlijk uitmunt , of dedingen van minder wacrde zullen hem toevallen. 
Zegt hier op, Phidias heett nochtans Jupitersbceh beter, dan den anderen 
toeltel uitgewerkt, daer eenander hem mooglijk ver in zoude overtroffen 
hebben, 't s zoo : maer Pbidioó heeft dezen omilandt voor die tijdt veracht , 
en heeft zijn gtelf daerinne niet willen verraoeyen'; fchoon hy 't wel konde, 
alshy gewilthadde. Elders zegt den zelven Quintiltanui y dat een Schilder i 
die de rechte maniere van Imueeren , of re naevolgen , maer eens ^evai hec ft, 
al wat hem voorkomt, lichtelijk zal afbeelden: jae wat hem in de natucre 
zou kunnen voorkomen. En waeromniet ? Daer alle dingen, gelijk 5«r^ 
Ifihaerbefciirijft, hiere verwen, verdiepingen, verhoogingen, verdon- 
keringen, en verlichtingen hebben, en of hart of zacht , ruw of gladt, 
enoudtof nieuwlchijnen : die de Schilders dan daer in naevolgende, niet 
en milfen te treffen. 

Kcyzer Ai.i4.'<rf/?jtó, die ookdeSchilderkonfloeffende, zeydezeerwe! , ^^ 
dit allerley oeffening , hoe i^oet zy ook is , ons eyndelijk vermoeit en afkeer vcrfccl ofal- 
veroorzaekt, datzedaerom ongelukkichzijn , die zich maer op eenderley gemeen 
verttaen, Ln dat daeromme de ouden een eeuwigen roem waerdich zijn, "^"^^^^ 
die, de traegheit verdreven hebbende, zichind' algemeene wetenfchap- ^''"^ 
pen hebben 'neeffer gemaekt. Ons natucrlijk lichaem vernoegtzich met 
w-'ynich , maer het aendachrich vernuft paft li aeg nae meeren meer te hon- 
geren. De braevegeeften, in'tWer». lts gulden ouderdom, benaerflich- 
denzich niet alleen om iets temaekenof te weetcn tot onderhouding des 
levens, en verkrijging van roem, maer zweetten in alles te leeren datmen 
leerenmochte, en betrachtten om meer te kunnen, als'erte voren bekent 
wasgeweeft. 

Toen in de vijf en-tfeventicliffe Olympiade veel vol x op den top van den y Lj. u 
berg Olympus vergadert was , om de fpeelen te vieren , zoo verfcheen'er van een Phi- 
ook een Thcbaens Philofooph , die met zijn eygen handen gemaekt hadde, lofooph. 
al hetgeene hyom enaen hadde: als zijn hemde geweven, zijn paltrok 
genaeit, zijn fchocnen gemaekt, zijn boeken gcfchrevenen gebonden, 
en zoo vooif met al zijn toeltel : als nu 't volk zich van die vremdicheit ver- 
wonderde, enhem vraegde, waei hy zoo veel dingen geleert hadde f* Zoo 
antwoordt hy daer op aldus : De Ic uiheit van u lieden is oorzaek dat de kun- 
ften en amb.ichten onder u zoo verdeelt zijn , want het geene ey inet u allera 
verflaet, behoorde een alleenaltemael te kunnen, ik zal nu niet zeggen of 

het 



72 C L I O. 

Wat iciioc- het volk door die redenen hadtbehoorenbefchaemt te worden , dan of den 
mecnhcyf Philorooph volydcleopgeblazentheydin zijn kleederen (tak: maerik derf 
vcrhinJert j^g^ onze Schilderjeugt wel tot een voorbeclt ftellen, op datze trachten 
''°'^''*'^'^"^ mogen om meelter in alle deelen van onze kunftte worden. Deluiheit van 
veelen is oorzaek, dat deeze dit, engeene datleeren fchilderen-, want 
het geenezy met hun allen kunnen, kon bequaemelijkvan eenalleen be- 
grepen worden. Klaeg niet over de tijdt, datlekort, of over u vermogen, 
dat het zwak is ; maer wijt het d' onachtfaemheit : die met wilmoediger 
harten zijn krachten totoeffening inl'pant, en zijn verftandt te werkitelt, 
zal het geen hem te vooren buitenreiks icheen , lichtelijk toevallen : hy zal, 
het geen ver afwas, met'er tijdt naederen: het zwaere zal hem luchter en 
het donkere lichter worden. Tree maer moedichtoe, de Konitgodin w.1 
aengevochten, jae fomtijts verkracht zijn: daer wil ten minlten een 
(a) Erichthmus , of meer dan halve volmaektheit geteelt worden , die door 
jupiters gunftin de Karos gezet zijnde, wei voor een volkomen man zal 
deurgaen. 

Envoorwaer, dezen graedt der Algemeenheitindekonft te bereyken, 

V o beelden ^^ '^°° ^^^^ *^^ waerdiger datm'er naeftae, om datzede krooneder gloryen 

v.inrt!tfe- aen haerevcrwinners geeft , grooten loon nae zich fleept , envolvanver- 

nieeneMcc- maek is. Men behoort ook niet licht te wanhoopen, daermen zoo veelc 

fle"' voori^angeren haere hoogte heeft zien beklimmen, Raphaél , zegtmen , was 

in alle dingen univerfeel of gemeenzaem gracelijk , hy wift overal wech 

meede: 't welk in een algemeen Schilder, om goedt te heeten , vereyfcht 

wort. Francifcui Junituicht hun dennaem van Schilders onwaerdich, die 

niet vaerdich kunnen uitdrukken, wat haer hunnen verheven geert voor- 

draegt. Maer dit oordeel zal veelen te ürengfchijnen, hoewel hetby een 

«I 1. croot deel der oude Meefters in waerden gehouden is, alsbyP^wwv, Porde^ 
Men mach S ^ , , ^ ,• i , ^ '^ ■■ , ■,, 

wel hulp none, F.o(}o -, del Vaga, Caltary-, en veel andere, tot op onzen tijdt. Ik 

oecmcn. zal gaerne toeltaen , dat een meefter in groote werken hulp van anderen 

neeme, die in bywerk geoeffent zijn: maer die met recht dennaem van 

Meefter in Hiftoryen draegen wil , moet ook raet weten , als 't nood doet , 

tot 

•p -g^i^y, if, (^) De Poeren zeggen, dit f^ttl^anui , op M/nervevctlicfzzi]nde, haer poogde te ver- 
/ I krachten, matr dar, zy zich hier tcgenftellende, hem, nac veel ftoeiiens, zijnzact ont- 

I j fchoot, en dat ^r/(fccflw/«* daer uit voort quam : Wiens bovenlijf een volmackt (chepfel was, 

van menfchlijkegedarnte, zijnde de reft van 'conifcrlijf een gladden atl. Dczeis d'eerftege- 
we'-ft.diecen koerswagen gebruikt hreft . zooom dachynitt wel gaenkonde, als om dat hy 
zich wegens zijn mismacktheyd fchac mdc. 

Hier mede gaven zy te kennen: dat een konftenaer, die den Godt r«/-^<*«» afbeelt, de 
konftige natuer, Minerve, willende trotfeeren , fcfioon 'r hem ten vollen niet en gelukt , 
echter wel zoodanich ccn werk te weeg brengt , d 'ermi-t ten Karos, dat is gunft van op- 
dragers en rocmtrompetters , van noden is, om htm toid'achtiog van voimaektbeyt te 
brengen. 



Heiderde Boek. 72 

tot bywerk. Den ouden Schilder D;o«;'^«5wiertdei> naemvan Anthropo- 
gfaphus(ofMenfchfchilder) gegeven, om dat hy buiten zijn Menfchbeel- 
den niets maeken kon. Maerwat naem verdienen zy wel , die maer eenige 
byzondere geringe dingen , en altijts het zelve , voor den dach brengen ? 




TWEEDE HOOFTDEEL. 

Tot 'Voordeel van die maer tot eenige byzondere verkiezingen 

bequaem zijn. 

Och de geene , die 't algemeen onmachtich zijn , zalmen toelae- '^ Algemeen 
ten , en ten is niet te misprijzen , dat zy eenich deel verkiezen , °j-ndc'^c ^ 
daer toe zy zich zelven bequaemft vinden, 't Is beter datmen een nich d'ccl te 

ding uitnemende wel kan doen, dan veel dingen maer redelijk, verkiezen. 

Die j^eenluitflaeger kan worden, mach leeren pijpen, zegt C/ffro, en het 
ismetonzekonftenaers, gelijk met die van de letteren, Jf/wrr vertelt van 
dry fchoolizezcllen , waer van den eerften zeer gemakkelijk Latijn leerde , J- Huarfin 
maer de twee andere fcheen 't bynae onmogelijk •, doch in Dialedica geko- d'Onder:{of 
men zijnde , 200 was den tweeden , die de Grammatica niet en had kunnen ^'^^^ ^^^ 
bevatten, uitnemende voortvaerende en fcherpzinnichindiekunfl;, endef,"-^^"* 
twee andere koflen'erhaer leven lang niets van begrijpen. Maer wyder 
alle dry tot de leflen der Aftrologie komende , zoo was 't aenmerkens waer- 
dich, dat den derden , die noch goet Latijn, noch Dialeélica had konnen 
leeren, inweynich tijtsmeer wift, als zelfs zijn leermeefter, hoe onbe- 
quaem men hem ook in 't leeren van andere wetenfchappen bevonden hadde. 
Waer uit befpeurt wort , dat yder vernuft nae zijn byzondere, en als daer toe 
gefchikte konft verlangt, en dat het tot wetenfchappen, diehemvrcemt 
zijn, noit recht bequaem is. Zoo kan 't ook gebeuren , dateenige deelen 
der konft zelf aenbraeve geeftenwederftrevich, en dat andere deelen hen 
alstoelachendeeneygenzijn. En zelf zoo hebben onzeallergrootfte Mee- 
fters , die het univerfeel of algemeen der konft machtich waren , iets alder- 
liefftgefchildert. Enhoeovervloejenden geeft men vindt, hy zal doch tot 
deeze of geene dingen te verbeelden meerder geneygt zijn , dan tot andere; 
of de tijd en gelcgentheit zal hem tot het cenc meer, dan tot het andere noo- 
den. Italiën bemint naekten, Spanjen Santenen Santinnen, en Britanje -t- a ■■ 
bevallijke Jufferen. Eenbraefgecftftaetnadatdeel , dat in achting is, daer dcrs wakkê- 
by zich bevind , en word ook dikwils wakker door eenich tegenftrever in de ren den g«ft 
konft. 't Is ons onmogelijk ergens in uit te munten , zegt Chr^fojlomus , ten 

K zy 



74. C L I O. 

zy dat wy met d' alleriritmuntenfte om ftn jt daer nae trachten. En voorwaer 
het en kan twee loopers tot geenfchade gedijen, datzeuit Eery ver tegen 
elkander om ftri jd rennen. Dees Edele mjd zal braeve geeden ten top voe- 
ren. Zoo ftreed i?4/4i?/ tegen ^«^Wo-, en Angelo tegen Rafaél, en Pordenone 
inetden^rooten Titiaen. Maerdat niemand, hoe verdrietich het ook zy, 
het niette zeer ter harte neeme, van voor het tegenwoordige verwonnen 
teziin: gelijk Fr4W£M van Bolugnen, die, ziende d'ovcrbevaliijke C^f////* 
van Rafaél, zoo veel beeterals zijn eygen werk, zoo verbaesde , dat hy 
Dckonrt^ van fchrik te bedde viel, en van hartzeer Itorf. Dekonll iirektzichin zoo 
wnuuu.^' wijde velden uit, dat geen vernuftigh geeit verlegen zal ftaen, om een 
wech te vinden, daer hem niemantzai kunnen achterhaelen. d'Allcroutlle 
Schilders zijn ook al verfcheyde weegen ingeflagen , en de byzondere driften 
hjcrsgemoedszijnaltijtsinhare werken bekent geworden. Want Apollodo-- 
rM5 betrachte de fchoonheit, Volj/gnotui de gratiën , ZfttXM was goet Fruit- 
ElkScIiilJer fchilder, maermaekte zijn menTchen hoefden te groot. Eumarm deed 
hccffiasdat alles na't leven, P^H/ö«f verlelijkte, Apeüeshee^rscyde, en Dion^fuu volgde 
hem vigcii IS. j^ natuer, en kon met dan menfchenfchilderen. Protogenesu\ zijn jonk- 
heyt niets dan Scheepen , Paufioiwasbeiïin kinderen en bloemen, Parra- 
VoorbfcWcD /«^ ^^ 3s goed van omtrek , Demon vol geeft, Timantus diepzinnich , Pamjilus 
vand'ouden, geleert, Nicomachui '^aerdich, il;«tt//«5 fchoon van verwe , Ntcophanasnet, 
Mechopanusruvi. 5eMpio was fraey in 't groot, FyrfjKJ^Miin'tklein, Anitphtlus 
in beyde, Nicias in honden y en Lttd/tf/ in aerdige landfchappen. Maer 
Androcydes , by yder een bekent voor een lekkeren vis-eeter , wiert vennaert, 
om dat hy de vifichen , die hy rondom zij n Sc^lla gefchildert hadde , zoo le- 
vendich hadde verheelt. En men oordeelde , dat hem dien aengeboren vifch- 
luftin't fchilderen meervorderde, dan dekonit zelve. Daer is maer eene 
oietkonfti zegt Cicero t in welke Miroy Poljkjetus, en Ljfippusde kroon 
/panden. En hoewel deze Konllenaercn in hacre werken eikanderen zeer 
ongelijk bevonden wierden, zoo was daer evenwel geen reden, waerom 
men wenfchcn zoude , dat yder niet by zijn eyqen handelinge gebleven was. 
Zoo is *t dan , dat de Konflenacren el k als tot iets eygens gedreven worden , 
waer door men, als door een byzonder merk,hieie werken kent, gelijk 
men de zweemingen en 't krooft der ouderen in de kinderen gemeenlijk ge- 
waer«rort. En al hoewel deze byzonderheden eer afwijkingen, dan volko- 
mene vafticheden der konft kunnen genoemt worden, zoozijnze, als een 
bloembedde, dat verfcheydeverwigc tulpen en tijlendraegt, den liefheb- 
bers een bekoorlijke vermaeklijkheyt. En het geene dat in de konft, door 
een eenich vernuft , onmooglijk fchijnt uitgevoert te kunnen worden , wort 
door 't inflaen van veel verfchillende wegen, die elk nae zijn ingcbore lufc 
en zinlijkhey t verkieft , door de menichte der Edele geeften te weege ge- 
bracht. 



Het derde Boek. j^ 

bracht. Wxé ook der Italiaenfche of Nederlandfche groote Meeders is 'er 
oitgewreeft, die of in 't geheel der konft , of ineenich deel, nietietsby- 
zonders als eygengehad heeft ? Gelijk M/cfc/d i4w^f/ö in deurwrochte naek- van d'IuHa- 
ten, 'S.AJaél in bevallijke vroutjes, Corrr^io in poezele vleesachticheyt, nen, 
Mantegna in 't navolgen der oudrheyt, Frattdsko Parmeftfis in edele Teyke- 
ning, Titiaen in verheve ronding, Paulo Kalliar^ 'm geeftige kleedinge, 
CrfMr^^^ioin natuerlijkheyt, K^ir^rz: in kracht, JB<ijf/4« in nachten en vee, 
en Jinturet in alles aen te flaen. ten ander zal mooglijk lult hebben om dee- 
zebyzonderheden nader aen te wijzen, enookvanonze Duitfchen: maer ^f^^y^' 
van delaetfte tot een proef, zoo was Durer gezet op meed eenerley ftof 
van kleederen , Lukoi van Lejfden op zedkheit , JR«tf«ioprijklijkeordinan- 
tien, Amony van D^i^op bevallijkheit, Rembrand op de lijdingen des ge- 
moeds, en Gö/r/j«i op eenige groote MeeüershandeigentHjknate volgen. 
Hetzouwmy verveelendeeze by zonderheden verder aen te wijden, Maer 
den rijkdom der naruere geeft keur aen yder geeft, om iets te verkiezen 
*t geen met hem over een komt. Daerom willen wy de byzondere verkie- 
zingen in volgende trappen verdeden. 




DERDE HOOFTDEEL. 

Van de dry der ley graden der konft. 

)Yx eerfte gilde komt metli/ipwihervonde vond van grotiflen te 
|voorfchijn, of met zwierige feftons , vlecht bloemkranflen, en Ecrftctrap. 
(telt veelverwige ruikers in potten en vazen; en \Vijntroflèn en 
'fchoonePersen Abrikoos, of Meloen en Citroen, en een hel- 
deren Wijnroomer op een zwangerenDis^met witte en geverldePapeljoent- 
jes, Roomkhe Haegdis, en Kalabrifche Tarantel, ofMuyzijkboek en 
Vanitasinder eeuwicheit. Ofzy beltellen keukens met allerley kolt , van 
Vlees en Vifch , en bekoorlijk Wiltbraet, en al wat onder den naem van 
ftil leven begreepenis. Zoo draegteen boomgaert allerley vruchten, en 
zoo wort de konltin alledeelen rijp. Elke goede boomdraegt zoodanich 
fruit, alshemeygen, ofin hem geint is. En aller dingen eygenfchappen 
worden zoo bert doorfnuffelt. Maer deze Konftenaers moeten weten dat zy 
maer gemeene Soldaeten m het veltleger van de konft zijn. 

Pegeene die tot het uitbeelden van de edelfte verbinteniflen van een ge- Slechte vcr- 
heeleHiOorie zich onbequaem bevinden, zegtjf««i«i, vallen in 't gemeen '^^'"Ê^"» 
aen 't deuiknutfelen van denfchilc vaneenich vermaert Kapitein, op een 

K ^ bouw- 



76 C L I O. 

bouwvallich out Kafleel , op een zeltfame grotte met klimop , Geytenblat, 
Mirtel , en Wijngaertfcheuten oveifchaduwt 3 ofiets, daerzybell mou- 
wen aenweeten. 

Zeker dekunft is tot zulk een misfortuin gekomen, datmen in de be- 
roenifte kunÜkabinetten het meel'endeel Itukken vind, die niet anders, 
dan voor eenlull ofalsin fpel van een goet Meefter behoorden gemaekt te 
worden, als biereen Wijntros , een Pekelharing, of een Haegedis, of 
daer een Parrijs, een Weytas , of dat noch minder is. Welke dingen, 
fchoonze ook hare aerdicheden hebben , alleen maer als uitfpanningen van 
de kunft zijn. Daerom zeyde ZeuxiSy als hy hoorde hoe't^emeene volk 
van eenige flechte dingen veel werks maekte , en de voornaemfte over 
't hooft zach, dat zy uit onweetenheit niets anders, dandendroeffem van 
Dewiil': dekimftpreezen. En hier over was *t, dat hem Prero^f«« verftoorde, toen 
volk veel- hy vernam dat zijn gefchildert Patrijsken van de menichte meer , dan zijnen 



iijts op j4/;/«5 geacht wiert. Die den Olympifchen jfwpir^r, die zoo wonder kon 

enmecft ftich en fchoon is , ze^tLucianus, als bundeling over 't hooft ziet, zonde 

aclugccfc. die met roem te veiheerlijken , en alleen zich vergaept aen het aerdig 



werk van den fierlijk gefneeden voetftal, of aen de welgevormde pantoffel , 
en daer wijt en breetvanfnaetert, zult gy te recht met dien botterik gelij- 
ken, die by een Rozelaer gebracht zijnde, om de fchoone en geurige bloe- 
men te zien, meervermaek kheptinde fteekeldoorncn ontrent den wor- 
tel en elders te bekijken. 

Zeker 't is onvermakelijk te hoeren, als fomtijts onweetende , doch ver- 
waende liefhebbers , het befte deel in eenich ftuk willende aenwijzen , iets 
200 gemeens uitpikken , dat by den Meefter fchier als flapende , of ten min- 
ftenvan zijn voornaemen arbeyt ruRende , gemaekt is. Dceze dingen zijn 
by de ouden als ovennaet of toegift tot het voornaemfte werk geacht ge- 
weefl:, en wierden van hen P^r^r^^genoemtjen zijnbygrooteMeefters ge- 
meenlijk door de hand van jongers en aenkomelingen, of van de geene, 
die daer een handwerk van konden, gemaekt. En waerlijk de kunft wort by 
veelen als een handwerk gebruikt, die al haer leeven lang ontrent een zelve, 
of akijts dergelijk werk bezichzijn. Deeze hebbenden Schilder ook niet 
uit te lachen, die, op Ciprefleboomen te fchilderen afgerecht, toen hy 
van een Schipbreukigenmenfch verzocht wiert hetdroevich Zee-ongeval 
voor hem uit te beelden , hem vraegde , of hy niet een Cipreifeboom daer 
by gefchildert begeerde? Noch ook den Mechelaer, die op Sint Niklaes 
beeldekens gewent, als hem een lievevrouw bcelt wiert afgevordert, den 
aenbeff eeder overreede , dat hy liever een Sint Niklaes met dry kindekens in 
een tobbeke zoude doen maken. 
Dat niemant my nu iuer aenzie , als of ik de verkiezers » en Schilders van 

bo- 



Het derde Boek. yy 

bovengenoemde rariteyten verkleynde ; ik fpreek inaer me mijn gevoelen, 
en Ijeteeen ander by 't zijne. d'Oude Schilders dorllen van Ptertyktii\vt\ q ./^l ij- 
eenbchildervan kleyne beuzelingen maken, fchoon byheele winkels met gmgdis 
kraniery : hzeltjes met gras en kruit geladen, en tienduizent diergelijke Amhcurs, 
dingen meer zeer nettckensuit^ymelde, en daer veel geit voor krer-g. An- 
dreas MantegnaUkh ftaendedat de Schilderyen, die maer nae'tgemeene 
leven, en niet nae de fchoonheyt der antijke beelden aerden, weynichom 
't lijt hadden. MichielAgnolo CaravaggtOi daerentegen, hielt voor kinder- 
werk, en beu/elingen , al wat niet Itip nae 't leven gefchildert was, hoe- 
danich , of van wie het ook ware. hn Buonorotti maekte zelfs van al het fchil- 
deren met Oly vervve wy venwerk. Die dit alles had willen ten argfte duiden, 
20UVV niet veel uitgerecht hebben. En zoo meyn ik dat zy ook nier en zullen, 
die my zouden willen afbrengen van dat ik het fchilderen van gemelde (nor- 
repijpen enfnuyüeryen inde laegilerang üel. Maer om dit eenichzins te 
zalven , zoo zeggen wy met Plutarchus , dat wy de Schilderye van een Haeg- r^ ^^u ,„. 
difle, vaneenaep, van een alderleelijklten rfcf r^r^i tronie, jae'talderaf- 
fchuwelijklte en veracht fl:e, als'tmaernatuerlijkis, met fud en verwon- 
deringe aenzien, enzecigen, hoewel men het leelijke enmismaekte niet 
fchoon, noch hetflechte heerlijk kan maeken, dat leelijk nochtans mooy 
wort , door zijne natuerlijkheyt , en ten aenzien van de naevolginge,de zel- 
ve lof verdient die men aen't uirgelezenlte fchuldich is te geven. 

De tweede bende komt met duizenderley versieringen te voorfchijn, en 
fpeelt met KabinetRukken van allerley aert. Sommige brengen Satyrs, Tweede uap 
Bosgoden, en Thefl'alifche Harders in het luftige Tempe , of voeren 
d'Arkadifche Ti/;»' en Laura ten bofch uit, Iheelen 't oog met een luftich 
gezicht, laten de wandel weegen deurfchieten , of bouwen een weelich 
Paradijs , daer allerley aert van Dieren langs de heuvelen grazen in de Zon- 
nefchijn. Andere komen met nachten, en branden, vaftenavonden , en 
inommerien her voor : ofmetbambootferytjes, of kluchten van Jan hagel, 
of met Barbiers en Schoenmakers winkels, en verdienen den naem vaa 
(4) Rhjfparographi , zoo wel als d'oude Tyreyhcui voornoemt , alwaert maer (a)SchiUe)t 
met Goudzoekers, en Spookmakers. Nochtans houd ikaldeeze verkie- vankleyne 
zingen hoog genoeg , om de braeffte geeften te doen zweeten,cerzeden ^««\«""g<W'- 
trapvaneere, daerdeezeaerdichedenie vinden zijn, zullen beklouteren. 
Deeze woonen in de woefte Alpen, en doen het water vandebevroozc 
klippen ftuiven ; andere bouwen ft eeden en kaiteelen , of dryven de wollige 
kudde in de groene valeyen, of de melkkoe met volk uyerenbyboere ge- 
huchten, en het bolle Melkmeysje langs den dijk. Andere mengen zee en 
lucht onder elkander, en voeren de Schepen ten Hemel, of geplet aen de 
klippen ten afgrond , of met kleinegolven aen elkander datze vyer fpuwen , 

K 3 eo 



7S C L I O. 

en hebben luft in touw en takel ; of voeren Neptuin in een Zeefchulp i met 
Trytons verzelt , over 't gladde pekel. Andere weeten Paleyzen , en 
Kerken, en fchoone gebouwen inwendich te vertoonen, vloeren te leg-, 
Zeuxisfchil- S^" » en welffels tefpannen, en zijn de geduldichÜe onder alle. 
d.idrgarrnc Z^WAT» Schilderde ongarengemeene Hiftorien , 't zy van oorlogen > of 
ec «T rade de daden der helden of goden, maer zocht altijtseenigegeeftigeverzie- 
of kluchtige ringe , *t zy in *t uitbeelden van eenige driften en hartstochten , als in zijn 
vuzicr ug. p^„^/j,p^ jg |^^Jf^.}^g ggi-bggf l^eif j in zijn j?öj)iffrde Majefleit , inzijnw^or- 
ftelaers den y ver tot winnen , in zijn S lange worgenden Herktiles den fchrik 
van Alkjnena en Amjinioniin zijn Agrigentfche Juno , daer hy al de dochteren 
der Stadt om naekt zagh,de volkomenfte fchoonlieit ,in zijn Helene de Poë- 
tifche drift van Homerus, in zijn Centauren de wonderlijke vereenigingen 
van half menfch , half dier. Eneyndelijkinzijnoude Beiletnoerzijn won- 
derlijken aert , want hy lachte zich zelven te berfte. Ljfippus v^rmackte zich 
met, onder d* ander Olympifcheftatuen , ookeenbceit te maekenterge- 
dachtenilfe van Polj/damus Schetuffeus de grootde en fterkfte kamp vechter van 
zijnen tijdt. Maer ik zoude onderde Meefters van deezen tweeden trap, 
die ik alleen de eer van Kapiteynen en Hooftluiden in de konft te zijn meende 
toe tefchrijven, dus doende ook vjti Veltoverftens mengen , daer viy 
in 't volgende meenen van te fpreeken. 

Het is onmogelijk dat iemant een treffelijk en roemwaerdich werk zoude 
maeken, zonder eerftdaer toe een waerdige ftoffe verkooren te hebben. 
Hierom hielt Artjioteleshy Profo^^w^i geduerich aen met hem te vermaenen, 
de daeden des grooten Alexanders af te mzeleny om deeeuwich duerende 
faeme van deezen Vorft met zijne Tafereelen te vereenigen, 't Welk by 
l^fipptu ook is in 't werk gellelt , de zelve van zijn kintsheyt af beginnende. 
Als degroote Pompejus zijne (chouplaetsmet beelden verfierde , zoo ver- 
koos hy geen andere , als van befaemde mannen , wel wetende datze door 
de Konftenaers met meerder y ver waren uitgewrocht. Zoo zegt ook Plinius 
ergens, dat de Schilderyen niet alleen wegens de konft, maer ook wegens 
de gedachteniffe van doorluchtige perfoonen, welkers daeden zy verbeel- 
den, te achten zijn. 

Wy zullen nu onze leergierigeen eerzuchtige Schilderjeugt op den der- 
denen hoogftentrap geleyden. Den wijd beroemden N/a<« hielt ftaende. 
Heerlijke ^ zegt DemetriusVbalereus, dat een Schilder, die lof begeerde, zich een ge- 
*"ïi"Tk^^ noegfame floft'e behoorde voor te ftellen, zonder dezelve daer na te be- 
als zijnde ' fchroijen , en in kleyne ftukjes, als bloemen, vogelen en ander beuzel- 
denoppcr- werk, te verbryzelen. Hy hielt het voor geraden, dat een goed Meefter 
ftcn tupder ;,fch tot het afiiiaelei van geheeleland- en zeeflagen begaf, 
°° • Ineen vvaerachtich Konftenaer wort> na't gevoelen yAnDionjftusHali'' 

karnaps 



Het derde Boek. 7P 

karnajfus, een grootmoedige natuere vereyfchr, ofdathy zich ten minüen Grootmoc- 
met een ftantvaltich voornemen tot allerley hoogftaetelijkeen wonderbaer- f^'^hcyt vcr- 
Jijke bedenkingen gewenne. En hier op ze^ijunms zeer weJ,datmen liever de ^f ^' ^^" ^°^' 
weeldericheit des ongeremde ngeeits m eeniuflbaere en overvloedice vin- ^°^"* 
ding, zeUs tot vergrijpens toe,moet laten rpeelen,als datmen de wakkerheyt 
des voortvarenden |;emoeds in een al te beklemde ftofFe zoude laetcnvcr- 
flervcn : want daer is geen overeenkomlt tüflchen een verachte zaek en ccn 
gro'-tmoedigen geelt, tn zeker hoe zoud'et Charts Lyndus , den Dilcipei 
\:inLjfftppusy in den zin gefchoten hebben, zoo heerlijken Zonnebeek ce 
ordintercn, als hy voor de Rhodianen, tot een wonder in de wereit^e- 
matKt heeft? Ditgroote Colloflus was 70 ellen, of honderr zescntvvin- 
tich voet hoog , en zeer maetfchikhjk van proportie. Yder vinder zoo croot 
als een levendich menfch , en de duimen naeulijks te omvademen. Het was 
van koper gegoten, en, fchoon van binnen hol, en met zware üecncn 
gevult , zoo hadden'er negen hondcrt Kemelen genoeg aen te draden , toen 
men't Metaelvanditverbioken beek verkocht had, (choonmenyder Ka- »^„ 
meel gemeenlijk met achthondert ponden belaft. Men had'er ooktwalef -.ccoo, 
jaren aen gearbeyt , en dryhondert talenten aen gek aen vcrrpik, Het Itont ponr. 
aen de haven op twee Zcehoofden zoodanich Ichrydcnde, dat de ^roote 
Scheepen tulfchen zijn becnen konden invaeren, en uitloopen. Dergelijk 
een grootmoedicheyt maekte Staficrates loo^e^chtby Alexander de Groote j 
vermitsiiien in al zijn vindingen een byzondere grootsheydt , llouticheyt 
en heerHjkhey t bcfpeurde : wacr door hy oock in gedachten kreeg en voor- 
ft elde,den berg Athos in Tracien tot de gedaente van een man te formeeren, 
en daer van het vermaerke en ducrzaemfte beek, dat oy t in de werek was , te 
maeken : het welke in zijn Üinkerhand zoude houden een bewoonbaerc 
ü^dt, becjuaemvoor tienduizent menfchen, en met zijn Rechterhandc 
een groote Rivier in de zee doen.uitllorten ; en fchoon dit werk achterbleef, 
zoo heeft Staficrates r.ochtans een eeuwige geheugenifle door zijn groot- 
moedige bedenkingen verdient en verkregen. Zommige dan worden ook 
zoo totdenhoogÜencn voornaemRen trap inde Schilderkonk, die alles 
onder zich heeft , geport en gedreven , welke is het uitbeelden der gedenk- 
waerdichfte Hiftorien: Onderdezeis noch onderfcheyt , eenige zijn on- 
trent prachtige en hoogftaetlijke bezich, en doen haer werk van gouden 
parlen en edele fteenen blinken. Andere zoeken treurige en beklac"hjke, en 
bewegen het gemoed tot medehjden. Andere zwieren de Helden- 
daden der ouden , krijgen, en verdervende oorlogen in 't hooft. Andere 
vernoegen zich alleen met heeren en vrouwen gelijkeniflentefchildtrcnj 
en vinden het zelve 't profijtelijkft van ai. Circenrchc 

Gy nu , die van 200 hoogenget^t gedreven zijt, kunt zoo r,2euw niet ^"']" ,-. 

be-/,5. '^''''' 



8o C L I O. 

bepaeltzijn: lufthet u mogelijk OlympifcheofCircenfchefpeelen te bert 
te brengen, zoo luft het my iets daer af te melden, om uwen geeft aen te 
hitfen. Eer d'overdaed inbrak , om het Renperk met beelten uit verre 
landen te vullen , befteede men , in op den wagen en op 't bloote 
paert te rennen , naeulijks een uer : niaer de fpel voogden brachten 
onder andere Schouwfpeelen fomtijrs zeftich of meer gewapende jon- 
gelingen in. Dit geleek ten decle een krijgsbende , maer meer na 
een troep fchermers in't handelen der wapenen. Deze, na de gewoo- 
ne loopen gedaen te hebben , voegden zich in't vierkant , en hielden 
hun fchilden , die aen malkander raekten , boven hun hooft , ftaende de 
voorfte recht overeynd, de tweede een weinich lager, de derde en vierde 
noch laeger,en voorts neergeknielt met een dak van fchilden boven 't hooft , 
dat, gelijk het dak van een huis , allengs neerging. Twee gewapende 
Jongelingen namen , dit beftelt zijnde, een loop van ontrent vijftich tree- 
den verre, en malkander uitgeeifcht hebbende , (prongen op deze gevoeg- 
de Schilden van de laegte na de hoogte, en veinidennude kanten van dit 
^' 1^^' Schildendaktcbefchermen, en danin't midden daer op tegen milkander te 
kampen, alsop'tvaftelant. En op deze wijze van fpeelen leerde men na- 
derhand in ernftfteedenbeftormen. Virgiel zal u, die hierfmaekin hebt, met 
ftofs genoeg verzien j daer hy't jaergety van Ambtfes met land-en water fpee- 
len vereert. 
5^^ fiW Indien gy luft hebt tot Bacchanalen , zoo hoor toe , hoemen die van 
tot £jkdom °"^^ eenvoudich en vrolijk plach te vieren. Men droeg'er een beker Wijn , 
ca^.6. cneenWijngaertrank, en een korfje met drooge Vijgen, en eindelijk een 
Taüus, dat is een nagebootfte manlijkheit; en men leydeneen Bok om. 
Maer dat alles wiert naderhand door de goudeen zilvere vaten, prachtige 
kleederen , gerit van paerJea en wagens , en mommeryen , verduiitert en 
verwaerlooft. Offchept gy vermaek in de kromme fprongen van de Satyrs 
en Faunen, Vader Lybers gevolg «^ Vierden geeft vry den toom, ofbe- 
^"•/"^^"'haegt u Sileenj' V'ngielz^lü met een ftaeltje dienen dat vol vangeneugt 
Siltnus. is» En't luid aldus: 

Twee jonger s, Chromis en VTnafilus , op den dagh , 
Silenus , daer hy vaji in jlaep gevallen lagh , 
Zien leggen in een hol , met aderen gezjvollen 
Van klaren tpijn^ diehy^ een dagbvoorheene aen' t hollen 
Gepeepenhad-, gelijk^hy doorgaem opgevult 
In rol is -j b^zj)n hooft lagh kjans aen krans ^ gekrult 
Van Wijngaert , en men z^agheengroote iPtjnkan hangen 
Aen haergepeten oor. De knaepen uit verlangen 
( D€ipiji degryx.aert hen z.00 menichmael hedroogh 
Met x.^n beloften ) trcén naer hem , die nu ;^ijn oogh Ge- 



Het derde Boek. 8l 

CetookeHhadi en ronkt e, en knevelden met hAnden 

Van kranjfen hecht en vajï zJjn voeten , en z.ijn handen : 
En Egle quam opjlagh de bange maets te baet : 
tfj>mf Egle, d' aUerfcboonfte enferjle vangelaet 

Der Veltg9dtnnen. Toen de Godt nu quam t'ontu^aeken 

En £ oogen opjloeg , z.oo bemaeldez.e z.ijn kieken , 
De kin en 't voorhooft met een moerbay pacrs en root. 
h) loegh om dit bedrogh , en [prak in dez.en noot : 

M^nkinders, laetmelos, fi'aerommjfdusgeknevelt} 

Het ii genoeg datgj my , dus van 't nat benevelt , 

Betrapt z^tet. Etfcht nujlechts tpat liedgy hoor en tvilt : 
Uxjtitkjnet een lied , haer met tpat anders milt 

Te vreede (lellen. Toen tloo htej hji aen te ZAngen 

Vat al defater-rej en 't wiltfchitr op deéfpringen. 
Van Andreas Mantegna komen eenige aerdige bacchanalen in Print uit. Maer 
ik moetu, die vermaekin Schilderachtige en Poëtifche Hiftorien hebt, 'cVonnii 
ook dit volgende uit i4p«/f;t«meededeelen. Hy zach , noch Ezel zijnde, v^nPausfctr 
het vonnis van P4r/5 , als volgt , fpeelen. Den berg 2^4 was'er met groente ^-^1^ «-rach- 
befteeken, daer een zijpende bronne van boven af uitqueeide^ eenige rooiu. 
Geytjes khooren de kruiden, tenluftich jongeling vvas'er, als den Frygi- Ub, lo. 
aenfchtn Herder P4r»toegemaekt, met eengebreydenlijfrok, een Bar- 
bai il'ch kleet om de fchouder , en een gulden tulbant om 't hooft , zich vein- 
zende over 't vee te heerfchen, Daerby was noch een naekt jongeling, bc- 
haeglijk om zijn fchoon geel hair, dat met klaerblinkendegoude doppen 
deurvlochten en opgetoit was: een luchtichmanteltie bedekte zijn flinke 
fchouder, en zijn (laf en roede meldden hem voor Mfy)(:«(r te fpeelen. Hy 
quam alfpringende aengeloopen, en gaf een appel, metklatergout ver- 
guit, met de rechterhand aen hem , dieP^zr/ifcheen, en met wijzen knik- 
ken en handgebaer melde hem Jupiters gebod , en wederom keerende pakte 
hem voort wéér uit het gezicht. Daer op volgde een dochter, eerlijk van , 
weezen, als Junot een witte Koninginne kroon omdrukte haer 't hooft , '' 
enhaerhandwasmeteenftaf geladen. Daer drong noch een ander in, Mt- j.^ 
«frTf niet ongelijk, met een blinkenden helm op 't hooft, zy verhief haren 
fchilt, en zwikte de fpies, even gelijk zy ten itrijdegact. Eenderdever- 
fcheen'ernoch, begaeft met uitmuntende lieflijkheit en Goddelijke verwe, „ 
beduidende Venusy recht in zulker geftalre, als toenzy noch maegt was: 
betoonende een allervolmaekfle fchoonhcit, in een byna naekt 'ichaem. 
De verwen harer dunne kleederen waren tvveederley, als wit , bet ey kenende 
het deel dat van den Hemel quam, en zeegroen dat van de Zee; zywiert 
van maegden als Goddinnen yerzelt, Maer Juno van twee jongelingen, 

L de 



Sz C L I O. 

^unocn de hoofden met helmen bedekt, die met kopere punten, deftarren gelij- 
aergeftoct. jfgnde, befla^en Waren» en voorK^)?(7)' en P(?//«x- uitgingen, j^wno trat , ter- 
wijl de dertele Pijp verfcheidewijskens fpeelde, met een ongemaekte Ita- 
ticheit voort , beloofde met een eerlijk toeknikken, indien zy den prijs 
Minerva en j^rgeg , 't geheele rijk van Azië aen den Harder. De ftrijdbare Minerve wiert 
haerge o"- y^f, [y^TeeSchiltknapen, Schrik en Vreeze, die Op bloote zwaerden danften> 
opgepaft. Achter haer dreunde een Pijp , met oorlogs hor, hor, ver- 
mengende een fcherpgeklank onder een grof gebom , op de wijze van een 
Trompet, bequaem om dansluft te verwekken. Zy, meteen ongeruft 
hooft, verfchrikhjke oogen , enquiks gelaet, wees met vrolijke boot fen 
aenP<«m, dat, zoo hyhaer de verwinninge derfchoonheit gave, hyin de 
-. ftrijden verwinner, en wijs en vermaert zoude worden. Venusy metgroote 

haereeftocr. gunft derfchouplaets, bleef midden op 't toneel lieffelijk en zoet lachende 
itaen, omringt van poezel ronde en melkwitte klcyntjes, blijde kindert- 
jes, diemen waerlijk liefdekens , en uit den Hemelgedae'de, ofuitdezee 
opge vlogene Kupiden , zoude gelooft hebben te zijn : en even daer zoo wel 
te pas aengekomen ; want met vlerkskens , pijltjes , en alles quamen zy 
met de zelve overeen. Hare jonkvrouwen met ontfteeke fakkelen, alsofze 
een bruiloft bedienden , blonken voor haer. Hier waren de bekoorende be- 
vallijkheden , de fchoone ueren , die met tuiltjes en lofTe bloemen te ftroi- 
jen hare Godinne vereerden , en een geefligen dans maekten. Defchoon- 
hairige Venm , Godinne der welluft , terwijl men Ly difche liedekens onder 
veelgatigepijpenhoorde, die der toezienderen harten zoetelijk ftrookten 
en ftreelden , begon haer lieflfelijk te beweegen , en lankfaem , met een 
vertoevendentret, zachtelijk tegaen, door de golvende vlerkskens , en 
met het hooft allengskens op het zoet geluit des fpels wenkende , met hart- 
roovende bootfen en beweegingen hare flappen te planten. Somtijts zijde- 
lings lonkende , fomtijts ftraf dreigende , fprong en danfte maer alleen mee 
haer oogen. Zy dus voor den rechter verfchijnende, fcheen aen hem door 
Vcnuï kri)gt j^^^ buigen der armen te belooven , dat , indien zy voor d* andere Godinnen 
^" ' geftelt wiert', zyaen Paris ten huwelijk zoude geveneen alderuitnemenfte 
fchoonheit , ja eene haer zelve gelijk ; en toen gaf den Frigiaenfchen Har- 
der, met gewilliger harten, als een Item van overwinninge, den gouden 
appel aen dit meisken. Of deezen kamerfpeligen dans niet fchilderachtich 
vertoont is , geef ik den liefhebbers te oordeelen. Maer laet ons tot opwek- 
Kleinc ^'"S '^^'" g^eften de pracht der Roraeinfche Triomfen eens bezichtigen. De 
minfte van deze was Qvatium genoemt , en den Tryomfeerder droeg op zijn 
hooft een krans van myrten , te voet gaende met pantofFelen , op het peluit 
van pijpen en fchalmeijen, aldus trat hy binnen Rome, om een fcnaep, 
dat zy Ovii noemden > te ofteren. En zoodanich een blijde inkomft hadden 

de 



Het derde Boek. %> 

degeene, diehaerevyandencermet minlijkheit, als met macht overwon- 
nen hadden. 

Maer de groote Triomf was verfchrikli jker aen te zien , om de merktey- 
kenen van den verderflijken oorJoi,% En groote 

Toen Markui Marceütu der Gaulen Koning Brmnarus overwonnen , en 
met zijneygen handen verflaegen hadde, klomhy met deflelfs -wapenen , 
die als een bJixem glommen, en met goudten zilver, en fchoone werken 
verfiertwaeren, op zijnen Triomfwaegen : hebbende dezelve , aeneenen 
hoogen Eykelboom ordentelijk gehecht, zelfs op zijne fchouderen: rij- 
dende zoo met deze eerteykenen (want hy wasdederdeenleÜeder Room- 
fche krijgsoverltens , dieeen vyandich veltheer zelfs gevelt haddejdege- 
heele Itadt deur. Zijn heyrkracht volgde den wagen, zingendeden Goden 
en haeren veltheer ter eeren allerley gezangen, tot dat hy dezen rijken rouf 
in den Tempel van Jupitet Feretrim had op^eofFert. 

P4ft/«iEw//iwrrio'iifcerde dry dagenlang: in den eerden dach vertoonde XJetPlut. 
hy, op tweehondert vijhich wagens, niets dan beelden, tafereelen, en ^- £'"'^'"' 
Schilderyen. Op den tweeden dach 't gewonne krijgstuich op wagens : en't l^l ,, 
geit wiert van dryduizent menfchen gedragen, in zevenhondert vijftich Triomf, 
vaten, vier mannen aen een vat. Den derden dach met fchriklijk trompet- 
ten aengeheven vertoonde eerft hondert entwintichgladdeoflenmet ver- 
gulde hoornen en kranflen van bloemen gekroont , geleit van joni'elin^en , 
omgort met fchoone gewerkte voorfchooten, en nevens hen jonger knech- 
ten , die de oftlrvaten droegen. Dacrnae zach men 't goudt, en den Konink- 
lijken roof, en een ongelooflijke pracht. 

InLucullusinkomltwasFUmim vechtperk met de wapenen der vyanden, 
die groot van getal waeren, en het oorlogsgetuichengefchut van Mtthri- 
datesy rondfom behangen. Voorts vertoonden zich een deel geborduerde 
Ruiteren, heerlijk gewapent , tien zeyzenwagens , en daer op volgden 
feitich gevangen overllen , vrienden der twee grootlte Koningen van Azia. 
Daer nae quamen hondert en tien galei jen met koper gefpoorde voorftevens. 
En een beeltvan Mithridatesies voeten hoog, geheel van goudt, en een 
koftlijken fchilt , al bedekt met dierbaere gelteenten : twintich ronde bek- 
kens volheden met zilverwerk, entwee-en-dartich met bekers en harnaf- 
fen van louter goudt en gemunt goudt, wierden dooreenige mannen nae- 
gedraegen. Hier op volgden acht muilpaerden , die goude bedden droegen, 
en zes-en-vijftich andere met zilver, in gego-en plaetcn: 't welk beliep 
ter fomme van tweehondert tzeventich diiyzcnt kroonen ; ne^'ens andere 
omftandicheden te lang om hier t£ verhaelen. ^"'' ^' ^oek 

Maer de triomfelijkeinkoraft van Scipio wort van Appiantu Alexandwm i^i^'h 
met veel fchilderachtiger omzwaey vertelt ; die hmmhaiin Afrika verwon- oollmn- 

i nen 



84. C L I O. 

nen hebbende , aldus binnen Rome zijn intree deede : 

Eerftelijkquameneenige Soldaten met bloemhoedengekroont.de wagens 
geleidende, die met den roof der vyanden waren geladen , daereengroo- 
te nienichte Trompetters al fpeelende voorgingen. Daer nae wierden houtc 
torens gedraegen, gemaektnae deforme deringenome fteeden, aerdich 
belcliilderf : met fchrijftafels en beelden, die 't geen 'er gedaen was, te 
kennen gaven: nae deze wierthet goudten zilver, zoo in plaetenals in 
gemunt geit, gedraegen: ab ook dekroonen, die degehoorzaeme llee- 
den, bondgenooten, ofheyrlegers, aen de krijgshelden, om hunne dap- 
perheyten verdienften, vereert hadden. Hier op volgden witte oflen, en 
weltoegerufte tlefanten, en voorts de oorloogsgevangen Karthaginenzen 
en NumidifchePrincen: en eindelijk de Sergeanten, en dienaers van den 
Veldtheer, omhangen met purpere mantels; verzelfchapt met een me- 
nichte Trompetters en Speelluiden opallerley muzijkfpel. Al te zamen met 
prachtige en opgefchortetabbaerden, hebbende ydereen goude kroon op 
zijn hooft: gaendeal zingenden fpeelende op de Lydifche wijze: enin'c 
midden van deze ging een fchimper of fpotter , gekleet met een langen tab- 
baert , tot der aerde toe , die met goude plaeten geboort en gelaeden 
was, naebootfende met een gekkelijk gebaer de geiten en manieren der 
overwonnc volken, om de toezienders tot lachen te verwekken. Daernae 
quam de Veldtheer, op een gulden wagen zeer rijk en koftelijk gewrocht 9 
en van vier wirte paerden voortgetrokken , omheint van een menichte , die 
niets dan parfumecrfel , wierook, en andere welriekende droogen droe- 
gen. Hy zelfs droeg een koftelijke goude kroone op 't hooft, die vol gela- 
den was met dierbaere en Edele gefteenten: meteen purperen mantel om- 
hangen, gefchort nae de maniere der oude Romeinen, al bezaeit met gou- 
de ftarren. In zijneene hand droeg hy een y voren Scepter, en in d' andere 
een lauriertak , het teken van verwinninge. En met hem waren kleyne 
kinderkens en jonge dochters op den wagen, en eenige jongelingen van 
zijn maegfchap geleydden de paerden by den toom. Achter den wagen volg- 
den de geheimfchrijvers, Schiltknaepen, en andere dienaers , en eindelijk 
hetganfche krijgsheyr , in benden verdeelt, diealtezamen bloemhoeden 
pp hun hoofden en lauriertakken in hun handen droegen : nevens de ee- 
fchenken, die hun om hunne kloekheyt gegeven waren, laekende en prij- 
zende elkander, en zelfs de daden harer Kapiteynen, naehaer welgeval- 
len , vry en zonder vreeze ; en met dezen toeftel trok Scipio nae 't Kapi- 
tool, daer hy zijn Triomf kleetafley. Maer ditzaljvan de Triomfen ge- 
noeg zijn, en alleen de Schilderjeugt aenmoedigen, om, door *t uitbeel- 
den van zoo heerlijke en rijke vertooningen» nae den Triomf in deSchil- 
derkond te trachten. 

Men 



Het derde Boek. 85 

Men vind ook andere plechtlijkheden , die heerlijke floffe leveren. 
Als de Romeynen een oorloog ter zee zouden aenvangen, zoo zuiver- i.\x\stx'\v\<r 
dencnheylichdenzy eertt hunne vloot > en dit ging aldus toe; zy Itelden dcrZccvJoo- 
vooreerft eenigeoutaren op den zeeoever, dewelke zy dan, ten aenzien f^"- 
van aKtvolk, met zeewater befprengden > en voorts daer op offerhanden f/"^*!"/ 
deden. Daer nae traden de hooft Kapiteinen in kleyne Jachtfcheepjes, ^^' ' ■ 
varende rondom al de Scheepen, en dragende d'overblijffeien van 't ge- 
offerde in hunne handen, biddende de Goden, datzy op deze offerhanden 
wilden keeren al het ongeluk, dat hunne fchepen itond te overkomen, 
waer op zy dan deze overblijf felen in de zee wierpen , en verbranden het an- 
der deel , wel bewierookt op d' outaren ; ondertuffchen ftorten al de gee- 
ne, die hier tegenwoordich waren, hare gebeden tot de Goden , metaen- 
dachtenitilheit. V-Canarv 

Voorts zoo zijn de Hiftoryen zoo rijk voor die nae den hoogflen trap der q[j^ fwnifi- 
konft doelen , dat de keur veel duizenderley is. Maer wat hoeftmen verlee- ca Gloria , 
gen te zijn, daer ons het heylichboek des Bijbels zoo rijkelijk werk ver- cowccheper 
Ichaft? Op deezen hoogftverheven trap dan der Schilderkonft zit C/;o , (^ ƒ "^'X/» 
d'eerftevan haerezufteren, met duizent opgeflage boeken : zy zal u (tofs '" '7'^/" "'" 
genoeg verlchaften , en u voor de mmite , wel uitgebeelt zijnde , met roem i'f^i^o^o ^ 
en glory vereeren. Want die dezen trap, die de hoogfte is , waerdichlijk^,7,-o;)f><? 
beklimt, is indekonft niet alleen een opperfte Veltheer, maer zelfs etaalleScientie. 
gebiedende Prins. 



VIERDE HOOFTDEEL. 

Vervolg van de drie gr ne den in de Schilderkonfl, 

L hoewel de liefhebbers, door het leezen van dit voorgaende 
Hooftdeel, genoegzaem verftaen zullen, datdekonftf^ukken, 
hoe aerdigen natuerlijk uitgevoert, vanverfchillende waerde 
zijn: Endatmenze nae de rang, diezy inde ttx^t^ tweede, 
of derde trap hebben , behoort te achten : zoo zal 't ons echter niet verdrie- 
ten deezezaek noch eens van nieuws aenop teneemen- op datdekonft- 
kenners de ff ukken, die hen voorkomen, nae waerde moogen fchatten. 
De Philofophen , van de zielen handelende , zeggen datze of van driederley 
natueren zijn , of datmen 'er driederley graeden van werkingen af befpeurt : 
d* eerfte noemen zy de groeijende , en deeze zoude de oorzaeke van wasdom 
in alle kruiden, planten, bcojnen, mijnfloffen, en dergelijke toenee- 

L 3 men- 




85 C L I O. 

mende, doch ongevoelijke dingen zijn. De tweede noemen zy de gevoe- 
Dcvoor- lijke en beroerende, endeeze eygenen zy allerley flach van levendige die- 
weipcniode ren, villchen , voogelen en de nienfchen toe. De derde noemen zy de 
naturrzijn jje^jjenje^ Je Reedewikkende, of de Reedelijke, en met deeze zouden 
""radUte*^^ alle menfchenbegaeft zijn. Nu, dit in de natuer zoo zijnde, wantinernft 
Snd-rfch.v- van onzichtbaere dingen te handelen f paeren wy voor onze Onüchtbaere We- 
'^f"- ultt zoo zien wy, dat deeze driederley foorten van leevens , dedingen, 

die zy bezitten, of min of meerder verheerlijken. Wy zien de kruiden, 
bloemen , tdele gefteenten , en wat 'er meerder zonder beweegen groeyt , 
met groote verwondering aen j maerhoe veel wonderlijker is 't, het ge- 
voogelte, dat dooreen gelijke kragt van de groeijende ziele zoo fchoon 
met pluimen en veederen bekleet is , zich daer en boven te zien beweegen , 
end'aerde verlaetende, door de dunne lucht heen te vliegen. Het ooge 
van degeringftekat verdooft al 't gefchitter van de dierbjertte Diamant -if 
Karbonkel; enmeteen woortgezegt, zoo is 't gedierte, iiat zig beweegt 
en gevoelt, zooveel heerlijker, enuitmuntcnder dan eenig ongevoelijk 
fchepfel, als hetleeven uitmuntender en lofwaerdiger is, dan de doodt. 
Geen minder verfchil van waerdigheyt is 'er tullchen deeze fimpel leevende 
en gevoelende werking in de dieren, en de Reede wikkende uitvoering van 
den menfch. Want die de Hiltoryen der dieren befchrij ven zeggen , dat zy, 
yder naehaeren aert, dus of zoo doen; dat is, zy volgen haer natuey; 
min noch meer als een uurwerk, dat geen andere drift heeft, dan die de 
veeder aen'traederwerk meededeelt. Maer wie zouw al de veranderlijke 
werkingen, die van de menfchen , door 't zoo zeer verfchillende reede- 
wikken, bedreeven worden , kunnen optellen, of in zijn verftand begrij- 
pen? Wat vangt de wil niet al aen f En wat voert de Fortuin niet al uit <* 
En om hier ook met een woord af re komen , zoo zeg ik ; dat de doeningen 
der menfchen, diedoor'tRecdewikkcn en de wil bedreeven worden, zoo 
veel van de bedrij ven der andere dieren , die alleen met de roerende en be- 
weegende ziele bcgaeft zijn, verfchillen , als 'er verfchil is tuffchen een 
Arend, die vaneen hoogentooren, daer hyzich wat geruft heeft, daer 
heene vliedt, en een fteenken, dathy met zijn klaeuwen vanbooven af- 
iloot : want fchoon dit fteenken langs de daeken iteuitende , al eenigc krom- 
me fproni;enmaekt, het daelten volgt zijn gezette (Ireeken, terwijl den 
vogel, nae'tfchijnt, de vier oorden des werelts tot zijn wil en open heeft. 
Maer wacr toe, vracgt gy , dient deeze wijt weydenthey t f ik zal 't u zeggen. 
Alsgydanmetmy vcrliaet, dat'cr zoodanige gneden van waerdigheyt en 
Edelheyt inde voorwerpen der natuere zijn ^ en daer by, dat'erzoo veel 
meerder kennisen konft tot het uitbeelden vaneen leevendigdicr, als tot 
iet onberoeilijx vereyfcht wort ; dat de konft haer uiterftc kracht van noo- 

den 



Het derde Boek. %y 

den heeft in de bedrijven der menfchen, en dat de Schilderyen in U'acrde 
moeten gehouden worden nae de konft , die daer infteckt : Zoo zult gy mcc 
niy ook zeer Hchtelijk de Schilderyen kunnen fchiken , en zeggen , du üuk 
behoort tot de eerfte, *t ander tot de tweede, en dat rot de derde trap. Gy 
zult ook gewaer worden , hoe ver dat zy in dien i;,raed , dncr zy in zijn , mal- 
kander overtreffen , en zelfs, hoe fonitijtseenige van d'eerftc trap, ande- 
re van de tweedeen derde trap in wacrde te booven gaen. Want in ydcr 
gr:;ed ofte trap is noch menigerlcy rang, daernien de konRige werken nae 
haereverdieniteninftellenmoet. Echterftaet dit vaft, dat hoe overacrdig Zoo zijn 
eenige bloemen .vruchten, of andere ftillevens, gelijk wy 't noemen, i;e- ookdcSchi!- 
fchildert zijn,deeze Schilderyen evenwel niet hooger,als in den eerften graed '^"V^"" 
der konftwerken moogen gcftelt worden; al waerenze zelfs van <if Heemy 
Pater Zegers^ jae Zeuxuen Parrafius, tot bedriegenstoe uitgevoert. Tot 
den tweeden graed behooren alle kouderyen , bambootferytjes , Brouwers 
poetfen, hedendacgfe fpeeltjes , molenaers kroegjes , Ludtus landfchap- 
pen, en P^'r^'i^w Ezeltjes. Hoewel wy daerom niet toelben , dat alle klad- 
deryen, door 't verbeelden van gemelde voorwerpen, tot deeze graeden 
behooren. Want wy verwerpen al wat onkonftig is , en keuren af, al wat 
geen rang onder goede dingen kan houden;" Anders zoude denderden en 
hoogften graed der konft wel den alderverachtften zijnj want men ziet 
overal dozijn werk van doorluchtige Hiftoryen. De Schilderyen dan, die 
tot den derden en hoogften graed behooren, zijn die deedelfte beweegin- 
gen en willen der Reedewikkendefchepfelen den menfchen vertoonen. En 
dewijl dit onderwerpen zijn , die meer dan een dierlijke beweeging in heb- 
ben , zoo zijn de konflenaers , die hier toe een rechte bequacmheyt hebben, 
alderdunftgezaeyt. Maer, zegtgy, men vind Hiflory Schilders genoeg, 
die de Kerken, de ganfcheChriftenheyt door, wonderlijk opfieren, die de 
wanden en hooven der vormelijke paleyzen vervullen, en herdruk hebben 
met de fchoonfte jonkvrouwen in alle fteeden te konterieyten. Zeeker, 
zeg ik, deeze behooren noch niet alle tot denderden gr^ed van de konrt : 
ten zy datmen in haere werken de boovengemelde Reedewikkingen of men- 
fchelijke zielen gewaer word ; want een deel hoofden en lichaemen te verga- 
deren , een deel armen en becnenaen een te voegen, enzooeenflachvan 
tweevoetige gediertens famen te brengen , bereykt naulijx den tweeden 
graed. Jae de konterfeyters , die al reedelijke gelijkenilTen maeken, en 
oogen,neuzen,en monden al fraeiijes naevolgen, wil ik zelfs niet buiten , of 
booven den eerften graet Rellen , ten zyze haere tronyenmetde gemelde 
hoedanigheyt van de verftandelijke ziele overftorten. Wat wy hier vorders 
om kortheyt wille overflacn, zullen wy in de volgende Hooft deelen te 



overvloediger vinden. 



VIJF- 



88 



O. 



Dat het een 
goede Schil - 
derye wel 
voegt, iets 
leerzaeras te 
beduiden. 

Gcicertheit 
veriitrt de 
Schilders , 




Als de Poc- 
ccn. 



VYFDE HOOFT DEEL. 

Van hyvoegfeis door Zinnebeelden en Toetifihe 
uitvindingen. 

Alhoewel de konft van Schilderen in hacr zelve groot is, zegt 
Pltnms , zoo behouden nochtans de diepzinnige vonden en hey- 
melijke verltanden , die'er fomtijts in aen te merken zijn, ha- 
ren by zonderen lof: en zeker hier inne wort het diepzinnich 
verftand des ineelters byzonder gekent ; want fchoon ik de 
Schilders van hennetallers en gorcentelders niet en verwerpe, zoo is't noch- 
tans den Schilderyen een luilter , datze met den eerlijken naem van d 'een of 
d'ander leerfame beduidenis bekleet zijn. 

Maer dit zal den konftenaer zwaer vallen, ten zydathy, nevens zijn 
konfl:, ook de zeedevormende wijsheit verdaet : waer in hy hem nootza- 
kelijk behoort te oeffenen. En zoo zal het ook heerlijk zijn , en een kon- 
ftich Schilder gevveldich verfieren , in de kenniflen der geleertheden , in de 
Natuerkunde, Hiftorien, Poëcifche verdichtfelen, Meetkunde, en an- 
dere ervaren te zijn. Want fchoon al deeze wetenfchappen niet machtich 
zijn een Schilder te maken , zoo zullenze hem nochtans met een heimelijke 
bevallijkheit overfto-rten , en zijnen geeft met veel ichoone befpiegelingen 
verrijken. En ofwel veel brave schilders buiten de konfthaer hooft niet 
veel gebroken hebben , zoo heeft men doch in hare werken deze hare onwe- 
tenheit in een zeekere verachtlijke geringheit van hare gedachten befpeurt. 
Gelijk derhalve,na't zeggen van Theof/hiladmAt verluftigingen der fpeelen- 
de dichteren vol van wijsheit fteeken , zoo behooren ook onze (lukken daer 
af niet geheel berooft te zijn. Want het geen hier in de Poëten geprezen 
wort , zal ook den Schilders tot lof gedijen. 

Traege verftanden, ze^z Cicero ^ vernoegen zich met leekende water- 
beekjes, zonder nae de rechte fpringaders, die alles voortbrengen, eens 
om te zien. Een zinrijke en lofwaerdit^e vinding in d'ordenantie, kan niet 
dan uit een geleert en doorlettert verftant voortfpruiten. Geenerley weten- 
fchappen behooren een Schilder vremdt te zijn: hy behoort de ganfche 
oudtheyt te weeten , en'toneyndich gatal der Poëtifche en Hiftoryfche 
vertelHn^en op zijn duim te hebben. Hy behoort met den hoogen geeft der 
tr^urfpeldichtcrs vermaegfchapt te zijn, om alle beweegingen des men- 
fchelijken gemoeds niet alleen te kennen, maerook, als 't pas geeft , de 

zelve 



Het derde boek. gp 

zelve iC kunnen uitdrukken; dewijl men noiteenichbeeltbe'ioort onder- 
handen te nemen, zonder daer in zeekere beweeging of ten minftencene 
innerlijke neyging te vertoonen. Daer en is ook geene der vrye konden, 
die meerder 't behulp van een algemeene geleertheir, als weldeSchilder- 
konft, van noodcn heeft. Zoo'is E ufranofj nevens zijn fchildcien enbeelt- 
fnijden, in alle andere konden ervaren geweeft. Pamjilus ^pf"fi meeller voorbede 
was ook over alt' huis, en voornaementlijckindemeet en getalkond: ; en der Ouden, 
hielt ook (taendcdatmen, zonderden diend dezer konften , geen volko- 
men Schilder kon zijn. Michiel Agnolo was in alle kcnniflenuitgeleerr. Ra- 
fétël zoo ver , dat hy nae den Kardinaels hoedt dorit dingen. Albert Durer 
begreep alles wat in het menfchelijk verffant begrepen kon worden. Rubens 
wasderhooge Schooien Mcefter, en nam gewichtige Ambaifaetfchappen 
op zijn hals. Jck zwiJ!;e van ontellijkeandere , welkers werken vol geleert- 
heit Iteeken, en ons over het diep verilant haerer konftrtukken , doen 
verflelt flaen. Zoo dat de i^eheugenis des Meeiters fomtijts heerlijker wort, 
uit d'aenmerking van de vond , ais van de konft. 

En wie en zouw ook zoodanigen meeller niet met verwondering aenzicn, ^ r 
die een Tafereel , alsdat van Ctt^i, bedachthadr' Degcleertheit isby de Ccbcs. 
oude Griekfcheen Romeinfche Schilders deurgaens nagetracht , en zoo 
hebben ook haereminfte werken dennaem vancenige zinnefpreuk, of die 
i^an eenich Godtof Held, waer meedezy iet diepzinnichs te kennen cra- 
ven, gedragen. Onder alde geene, die my vreemd fcheenen, dacht my --j 
den lanterfant van Socratesy dien hy Ocms noemde , en als een zeel draejende , 
gefchilderthadde, daer een Ezel aen 't eind ftond en knaei^de, wel den on- 
bekentilcn, tot dat ik by 5fWfj[;4 nader befcheitvan hem vond, als dat hy 
voor een van de helfche plagen plach gcfchildert te worden , en het verwaer- 
loozen der voorhandene dingen en tegenwoordige goederen beteykende. 
Lichter zoudemen kunnen raeden debeteykening van het Zinnebeelt van 
Giotto. Want als Koning Robbert van Napels hem uit kortswijl belait had, 
dat hy he'n zija Koninkrijk zoude fchilderen , zoo mat ktc Giotto eenen geza- 
delden Ezel, dieaeneen nieuwe Ezel- zadel, die voor hem lag, met be- 
haegen fcheen te rieken : op elke zadel lag een Koninklijke kroon en Scep- 
ter. De Koning hem vraegende, wat dcezeSchilderye beduide r* Zoo ant- 
woordehy , Dus zijn uwe onderdaenen, endusdaniu uw Rijk : want zy 
trapten geduerig nae een nieuwen Heer. En als 't gebeurde, dat het voor- 
nemen van maer een eenich halfof geheel beeld te vertoonen , de zingeving 
quam te beletten, zoo wiftend* ouden nochtans, door 't toedoen van ee- 
nich weynichby werk, de toezienders haer beeldtedoen'kennen. Nu we- 
derom, fchoon het uitbeelden vaneen eenige figuer , en dezelve tot vol- 
komenheit te brengen > een rechtfchapen meelterüukis, zoo gebeurt het 

M noch- 



po C L I o. 

nochtans wel, dat de gelegenheit en plaetfc vfreifcht, dar een ecnzamr 
Hiftorie als door Zinnebeelden verrijkt wort. 

Eefi eenz.aemjiukjp ' t prijslijkji te ver fier en , 
Gefchtet op 't bejl , uit veelerlej mmiereri , 
Met bjwerkjlat bcdektl^l-Jets verklaert: 
Een Zinneheelt uit bet Iden dient vergaat , 
of Dieren , die de tochten en de driften 
Ontdekken , als bekende en Icesbrefchnften. 
d'E"yptenacrs, Chinezen, Japonders en Mexikanen, hebben hare boe- 
ZinbcelJen ^£" ^"^^ Zinnebeelden , in pkets van letteren , gefchreven; en deeze wijze 
veder vol- van uitbeelden is met de Schilderkonft ook tot ons gekomen, 
kenlectcren, De Stoifche Filofofen , willende andere wijsgeerenbefchimpen, die de 
deugden veel prezen , om datmcn daer door de Welluft verkreeg , ordineer- 
den een zinrijk Tafereel. Hier in zat de Welluft , als een tedre en gemakke- 
't Filofoofs lijke Koninginne , in een koninklijken ftoel , omringt van de deugden , 
die haer als dienitmaegden oppaften , en haere geboden en wenkingen waer- 
Taferecl namen. De voorzichticheytltont'er, en zach vlijtich toe, dat haere mee- 
oor d'Epi- ^j.g^£ nergens in gcftoort wiert. Degerechticheyt en weldadicheyt fche- 
nen 'er reedeen mild, om al de werelt te verplichten, enniemandttebelee- 
digen. Dematicheyt als haere HofmeeftrelTe bediende haer van pas met 
fpijze en drank, fchijnende haer te willen vermaenen, datze zich vanaj 
zulke dingen, welke haer te zeer behaegden, en te wel fmaekten , zoude 
fpaenen) op dat haere lichamentlijkc gezontheyt niet gekrenkt en wiert , 
en deze was verzelt met de tucht. De vroomicheyt was hier als een Hel- 
dinne bygevoegt, fchijnende te willen te kennen geven, dat, fchoon 
haer eenige lichaemelijke zwaericheytof pijnete beurt viel, zy echter de 
welluft haere Koninginne in 't harte zoude bevvaeren , om , door 't herden- 
ken van de vorige vermaeklijkheden , de fcherpe angels van de tegenwoor- 
dige pijnen en quaelen te verzachten. En met deze uitbeelding meenden de 
- , j Stoifche de Epicureen genoeg ten toon te ftellen, en in haer gevoelen te 
jjj _^.j. ^Q fmaeden. Maer den Oudtvader^«^tt/?/««5 meent, darmen ook zoo een Ta- 
SchriftLier- fereel behoorde te fchilderen , en de menfchelij ke eere op den troon te zet- 
iijkr Zinnc- ten, hoewel niet als een tedere, maer echter wel als een ganfch opgebla- 
bcdden. zenen hovaerdige vrouwe , gedient van de deugden, die hy verfoeit, dat 
alleen om der eeren wille in achting zijn. Wijders verhaclt denzelven Oud- 
vadcr, datzommigemet het geheel Paradijs, daerdeeerftemenfchen in 
.. geftelt waren, en hare vruchtdragende boomen, de deugden en zeden deï 

' ^^'_ levens willen beteykenen. By de vier Rivieren de vier hooftdeugden , 
voorzichtigheit , kloekheit , maeticheit,engerechticheit. En by de boo- 
men nutte onderwijzingen en leeringen. By de vruchten, deugden en goedt 

zeden 



Het derde Boek. pi 

zeden. Bydenboom des levens de wijsheir. By den boom der wetenfcliap 
bevindinge desovcrgetreden bevels. Of anders zoo wort by het Paradijs 
vcrftaen de Kerke , ofte de Gemcinte. Ky de vier Rivieren de vier Evange- 
liën j en by de vruchtdragende boomen , de Heyligen en hacre werken, ^y 
den boom der wetenfchap, de eygen inacht des wils. En by den boom des 
levens,C/;r//?«i.Zoo wort ook Chrijius door de Rotfe, daer Mojh het water uit 
dede vlieten , verheelt , en door ontallijke andere figueren des ouden Tcfta- 
ments. Ook zoo worden by AgarenSaraen hacrc twee Zoonen, ]fmaël 
enlz^aakj, detweeTeftamenten verihen. 

RoJJo willende een Maryenheelt verrijken, voegden'er Adam en Eva by aen bgit. *"^' 
den Boom der zonden gebonden,met den Appel der overtredinge» die hen 
de maegt uit den mond neemt. Eninde locht P/;ei?w en Dïane., te kennen 
gevende , dat / y met Zon en Macne bekleet was. 

Maei FrfpryiGerechtigheit was niet min rijk, hebbende een Struis in den 
arm met de > walef Tafelen en Scepter, en daer boven op een Ojevaer. Zy ^^''«cht.g- 
had op't hooft een helm van yzer en goud, met drie pluimen , overecnko- *^ 
mende met de driederlcy verwen van haerekleederen: haer bovenlijf was 
naekt, en aen haeren riem waren de zeven boosheden met gulde ketenen 
gebonden; als't bedroch, d'onwetenheit, vreeze,verraet, logen, wreet- 
heit, en achterklap, Zy kroonde met haer rechterhandde naektewaerheit, 
die haer de Tijd aenbracht, en haer met twee duiven tegemoettrat, met 
een krans van Eykenloof. 

Aplles(j\\s hy door den nijdigen Schilder Antiphilus byKonins Ptolomeus 
valfchelijk befchuldicht was, van dat hy Tjrus had willen verraden, en 
van den Koning eerllgefcholden, en voor een verrader was uitgemaekt, 
maer daer nae , als zij n onnoozelhcit bekent wiert , met hondert Talenten, jc},- 
en Anttphilus tot zijnen flaef befchonken was) heeft zich zelven niet dan met Schilderyen, 
hetfchilderen van een Zinnebeelt ter wrake kunnen vernoegen , waerin hy 
devalfchebefchuldiging, nijd, laeglegging, bedroch, by licht geloove, 
en den rechter Mydas uitbeelde ; gevolgt vandewaerheitenboete. Maer 
Guevarre fchildert zoo wel op het Toneel , als wy op 't Tafereel , beelden- 
de zeker Heer uit , met een verkeert boek in de hand , als een gemaekt Fi- 
lofoof ^met een uitfteekende tong, als een onbefchaemt klappert; met een 
befpottelijkeblickeMyter op't hooft, als een openbaerhoorendraeger; met 
barnnetels in de hand , als een leuy Minnaer; met een neerlegL;ende vaene, 
als een blohartich kapitein ; met een half af gefchoren baert , als een wyve- 
rich menfch ; en met een kleed om't hooft , als een veroordeelden dwaes. 

Maer laet ons hierop eenige Zinnebeeldende Figueren befchrij ven. de Ku-sbcir. 

Wilt gy de Kuisheit hiftorifch uitbeelden ? Soo ftelt de Vedaelfe Maegt 
TucUy met een zeef of teems vol water , uit denTybergefchept, diezy, 

M 2 zon- 



92 C L I o. 

zonder dat'er een drop onder uit loopr , vertoont tot een gewis wondertey- 
ken van haer ongekrenkte zuiverheit. 
DenijJt. De Wijsgeeren en Poëten hebben veel Zinnebeelden natuerlijk uitge- 

Metam:!. drukt. Hoor hoe geeftich Ovi<ii«iN4z,o de Nijdt vertoont : 
ook Kpjpt Hiermee vloogV a\hs op i terwijl de fnoodenijdt 

hi:{adigdt jiaei met een dwersgeucht vajl naz^acb , vol vanfpijt 

^oe ant. lo. Omhare traerdicheit t endeugd, zjijlondenmorde^ 

L. 3'.Senc- Mctpreevlen binnens monts , dat z.elf bet gras verdorde, 

kavande 5f;;fi^befchrijft deGramichap leelijk van aenfchijn, verfchriklijk van gé- 
gramfchap. Jaet , en van alle betaemlijkheit verlaten: zorgeloos, vvangeltaltich van 
kleederen, met rijzende hairen, en zwellende aderen ; meteen kloppende 
borfl , rookenden.adem , en door d'uitbarftende ftem met een dikken hals , 
fchuddende handen , fiddrende leeden , en een geheel trillend lichaem. 
•tGewcldr ^"zen voelterheer van de nederduitfche Dichtkunft, P.C, Hooft laet het 
Geweld in Velz^em Treurfpel zich zelven aldus affchilderen : 
Jw 'f oorlogh treed ikjiaeg aen Mars z-^'w vechter zjjf , 
En nergem houdt hj 't lijf ver z^ekert z,ondei my. 
'kjieb niet vergeefs gedoogt dat my de God der vonken 
In 't ruiveflael van hooft tot voeten beeft beklonken , 
En nagelvafl aen 't l^fdit knar [ende gezweet 
Metkraftgedtvongen-t dat van riem noch ge fpen weet 5 
Maer nademael ik , my t'ontwaepnen i" ge enen tijen 
Cex.wooren heb by d' Heyitcheên der raz^eryen , 

Dusgae, dusfiae-, dmwaekj» dttsjïaep ik^y nimmer uyt 
Het barffeflael , en bruikjiet harnas als m^n huyt. 
Dit zjpaert is m'in de vuiftgefmeet j naektarmde Keuzeen 
De Hel. Opaembeeldy z.ouden't met geen logge mookerskneuz.en. 

Homeer en Virgiel hebben de Poëtifche Hel geeftich ge( )pent , en Taffo en 
Ariofle befchrijven hare gedrochten fchilderachtich genoeg. Andere heb- 
ben de Hemelfche deugden fierlijk afgemaelt. Maer van bynaallerleybe- 
denklijke Zinnebeelden , heeft Cefar Ripa wijtloopichit gefchreven , tot by- 
Het Icvenft zonder vermaek en nut der Schilderjeugd , om den geelt te verrijken, en 
en liefli)kft den wech tot nieuwer vindingen te openen. 

te verkiezen. Nu 200 ftaet een yder toetezien , in'tgeen hy verkoren heeft , altijts 
het aerdichtftc) en'tgeen beziens waerdichft is, uit te zoeken: Wantin 
yder ding fteekt eenige bevallijkheit. En deeze zal een kunltoeffenaer 
lichtelijker uitvinden, wanneer hy weet , waer op hy te letten heeft : hoewel 
het gemeen oordeel , dat altijts naer het levenfte en lieflijkfte zal neygen , 
hem ook genoegzaem den wegh zal wijzen. En wy zullen, daer'ttepas 
zal komenjin ons vervolg ook nog brceder aenwijzingen doen. 

Maer 



Het derde Boek. p^ 

Maer het wort nu tijd , dat vjyy om zoo veel dingen als in de Teyken-en- 
Schildcrkonft zijn aen te merken, inordrete verhandelen, voor ecrü eens 
gaen onderfcheyden , vvat'cr in een gelchiedenis al is wacr te nemen. 




ZESTE HOOFTDEEL. 

f Pat ff ten in het uitbeelden van eenigegefchtedenis heeft 
"juaer te nemen ? JVaer uit niet alleen ge leert zat wor- 
den ^ wat tot een Htftorie i of bekende daedword 
vereifcht ; maer zelfs ook meefi al wat eenich 
by zonder deel der konfie betreft. 

In hft iiyt- 

En Schilderoeeltnuontwaekt, en tocnet begrip der Hiltoryen ^'^^^''^''". 
bequaem, wort zwanger van rijke gedachten, en bercyt zich dadmoecJc 
valt, om uit eygene vindingen eenige voorvallen, of opgcge- waerheicvafl 
vene Hiftoryen, haren eifch te geeven. Maer ik wil > eer hy uit- ^^"• 
fpat , htm noch met deze driebekenkingen intoomen , en aen mijne 
wetten binden. Ecrftelijk zoo moetmen zich vafl acn de waerheyt, of 
waerfchijnelijkheyt houden , en niets anders uitbeelden > als dat is , of ten 
miniten zijn kan. Om dat, gelijk '^mm fpelt , de konftige werken den 
aenfchouwers zoo wel tot onderwijs , als tot vermaek behoorden te dienen; 
en, gelijk Luciantts zegt , dat het voordeel alleen uit de waerheyt plach t' ont- 
ftaen. 

Maer gy zultmooglijk met P//»<rftó vragen, wat de waerheyt is ^ En te 
meer , dewijl de Schilderkonfl toeiaet allerley verdichtfelen en fabulen op 't 
Tafereel te vertoonen. Ikantwoorde, dat een Schilder beft zal doen , zich 
aen demeeftaengenome gevoelens der Hiftoryfchrij vers en Poëten te hou- 
den. Alsby voorbeelt : Dat men de Slang,- die £v4 verleyde, geen maeg- 
denhooft geve, gelijk haer JBfii4 heeft toegefchreven j want dit zou een Voorbeelden 
monfter zijn , meer Ovidius^ die C.ti»;/ü en H^rwy.vu in Serpenten deé ver- 
anderen, paffende, dandeHeyligeSchriftiicr. 

Gy zult ook de Joden en Oofterfche volken op r.cen ftoclen of binken 
acn Tafel zetten, maer op beddingen bequaem om op te leggen. Zoo was 
hetTafelbedde vanHf/?fr, toenH4/W4nzichvoorhaer verootmoedigde, en -t r l 
daer opvallende, om vergiffenis badt, daerhem Ariaxerxes ook oyet ^£-'iil;.Ant: u. 
fchrobde , als hy verftoort uit den Hof quam. cap. (J. 

Zoo lagen ook de Romeynenaen, op haer flinker elleboog , d^eerfte 
met de rug tegen een peuluwe > en vervolgens nae malkander 3 svant de 

M 3 tweede 



5>4 C L I O, 

tweede lach met zijn rug zoo tegens den eerden aen , dat hy met zijn hooft 

zijn boezen bereykte, en de derde lach wederom zoo tegen den tweeden. 

En aldus mach men verftaen , dat een der Difcipuien in den fchoot Jefa zat , 

en opzijnborft viel, toenhy, op 't wenken van P^rtw , die mogelijk de 

derde op 't zelve disbedde was, aen onzen Zalichmaker vraegde, wie de 

gene was , die hy wift dat hem zoude verraden ? Van zoodanige beddingen 

C4/;.i]..fi. fchijnt ook de Propheet Hefekiel te fpreken , als hy zegt: Ende gy za- 

tet op eenen heerhjken bedde , voor welke ftont eenen difch bereydet. &:c. 

Lucj-i^. Enop deeze w'ijy.e heek Maria Magdalenay ftaendeachterjff//« voeten, als 

hybyden Pharifeusat , dezelve met haere traenen kunnen nat maeken, 

en met heuren haire droogen , kuilen en zalven, 't Welk anders, zittende 

niet zeer fatfoenlijkgefchieden kon. 

Metbe- "^^^ tweedenzoo moetmen bcfcheidenheit en voorzichticheyt gebrui- 

fchciaenheic ken, ZOO ten aenzien van 'tgeenegy uitbeelt , als ten opzicht van de plaet- 

Injlit.lib. I . fe , daer uw werk zal geftelt worden. Kalvijn zegt , dat de Martelaeren niet 

ca^,n. betaemelijk van weezen gefchildert worden : En datmeninde Bordeelen 

en Hoerhuizen fchaemtelijker en matiglijker verfierde vrouwen , dan maeg- 

debeelden in de Kerken vint. Daerom laetfe toch, vervolgt hy, haere 

beelden een weynig fchaemtelijker maeken. 

Gy en moet in geen Schilderye brengen 't geenc niet behoorlijk is gezien 
Ex H rati '^ Worden;en veele zaken zult gy voor den oogen verbergen , die d' omftan- 
dicheden genoeg zullen te kennen geeven. Medea vermoorde haere kinders 
voor den volke niet i noch de fchendige i4rrf«j kookte het menfchelijk in- 
gewand niet in 't openbaer ; nochtePro^^ewerde in vogel, Kadmus in eene 
flang verandert. Alwatge my zoo vertoont , dathaetik, enbenfchuwdat 
te zien. Hy die wel eer de moedermoort van Orefies fchilderde , vertoonde 
een billike en recht vaerdigeSchildery, wanthymaekte Orejlen Piladesbe" 
zich met wraek te nemen over den overfpeligen Egijl : en liet Klitemneftra , 
als aireede afgemaekt, maer alleen als meteen zwenk zien. Hetgeene6n- 
ftichtlijk is , behoort men te verbergen , debefcheydenheit laet niettoe, 
de zonden ten voorbeelt te ftellen : want den voorgang der ouden ftelt den 
koers aen de jeugt. Een jongeling, zeytmen, wiert door 't zien van de 
Schilderyen , daer Ganimedes ontfchaekt wiert , van d' onbefchaemde Njtüt 
die H;/^ troetelde, van Apoüoen Hjacinty zoo ontroert, dat hy uitberfte ; 
Ten is geen doohng de Uoden te volgen. En Cberea by Teremitu, op 't zien 
van een Tafereel van Jupiter en Danaé , trooft zich aldus : Wat Godt is dit.** 
'Itlshy, die den hoogen Tempel des Hemels door den donder^ beweegt, 
P .^ en hoe zoud ik mensje dat niet nadoen r* d' Aeloude Romeinen-, zegt .Se-. 

r'J '91' „gf^a^ hielden uit de plechtlijkheden hunner offerhanden, daer de vrouwen 
meede omgingen, alle mansperfoonen : ja hielden ook de Schilderyen aller 

man- 



Het derde Boek. p ^ 

mannelijke dieren bedekt. ZooJanich een Romein vondmennoch ten tij- 
den van Micbel Agiwloy welke dreef, dat hy de fchaemtc in 't i;roore Oor- 
deel had tekort j^cdacn , en dat zoo veel onbedekte naekten^de gewyde 
Kapel, daerzcftonden, onteerden: niaerhy verworf niet anders, als dat 
hy fchaemteloos \v. de Hel wierr gefchildert. Kerken en openbare plaetfen 
moetmen met nutter Schilderyen voorzien. Die van Alabanda wierden van 
Lhintus berilpt , dat de Staturen , die in haere fpeclplaetfcn ftonden , 
Orateurenfcheenen te zijn ; en dat daerentegen , die op de cemec- 
ne martftonden, alsmetde werpfchijven fpeelden , kaetften, of liepen. 
Hoe veel te meer behoort dcbelcheydenheyc een doorluchtich Schilder 
't ontftichtlijke te doen vermijden , en 't ftichtiijke te betrachten.»' 

Ten derden zoo paft u't gemoed te verheffen, en den geeft met een Endcfti.»- 
doorluchtige hoogftaetlijkheit aen te doen. Schilder my geen Sauly die, hcyt. ° 
terwijl hy zijn voeten bedekt, een lap uit zijn kleet verlicft j ofictsdatte 
laegis. ?tereyktüy fchoon in 't begin van een hoogen geeft gedreeven, ver- 
viel tot beuzelmart, en fchilderde Barbiers-en Schoenmakers winkeltjes. 
Maerby Sint Krispijn dat is noch vrywat groots, in ons eeuw. Bamboors 
hoopte tot Weenen by Keyzer terdinand den derden zijn Fortuin te vin- 
den , en liet een proehluk van zijn hand door Luix aen zijn Majefteit vertoo- 
nen: Maer den Keyzer, alleen verftaen hebbende, dat'et bedelarvSchil- 
dery was,vvild'et naeulijx acnzien, en liet den armen Bamboots, oideLaer, 
in zijn armoe fteeken. Een verheven geeft deelt zijne vindingen een 
dcftfgen nadruk toe, welke zijne werken als een onvcrderftijk zout aitijts 
als verfch bewaert : Hy kan zich met geen flechteen gemeene gedachten 
bezich houden, die niet alleen deeze, maer ook de toekomende Eeuwen 
tot verwondering wil ftrekken. Maer tot opwekking van deeze defticheyt 
zijn geene betere middelen, dan de verkeeringen met wijze en wakkere 
mannen , en het leezen van hoogÜatelijke boeken , welke ook zelfde flaef- 
achtige gemoedcn machtich zijn te doen opfteygeren. 

Ik fteldcwel eer in onzeSchilderfchool aen FurneritUy die namaels in 
zijn lantfchappen zeer acrdichwas, deeze vraegvoor: Waer uitdatmen 
zoude weeten en kennen, ofeen Hiftoric wel was uitgcbeelt ? Hy ant- 
woorde : Uit kennis van de gcfchiedenis. Dit antwoort is kort en goet, maer 
onbequaem om tot een rechtfnoer te dienen. Want hier ftaet wederom te 
vragen: Wat de kennis eener gefchiedenis in zich begrijpt? Hieropant- 
woorde ik: Darmen voornamentlijkop drie dingen te letten heeft, v^^^ DriedinjrcB 
van heteerfte is,deper{bnaedjen, die ontrent de gefchiedenis beziet zijn, mccngc- 
te kennen*, want daer is groot verfchilin Sokjates, Senekuy en KatOt die Ichidcms 
met onontroerdegemoeden de dood tegemoet gingen j tegens ^(io«7<«, ^^"'^°"^'' 
oÏJüeïo, diehaerongacrneontfingcn. 

Ten 



95 C L I O. 

Ten tweeden moetmen dedaed derHidorie wel deurgronden, en aen 
wie het doen of lijden meelt belangt : want de moeders , in SalomonseetÜQ 
rechtsj^ewijs , wierden niec op eenerley wijze door zijn uitfpraek getrofteni 
en den iiicvoerder vau *t vonnis moR meer dreigen , dan toeflaen. Ten der- 
den moermen op tijd, plaets , en omftandicheyt acht geven i wintjud'ttb 
verfloeg Holofernesby nacht, en niet bydaeg» gelijk ik 't wel gefchildert 
ge/.ien heb. (Jok ons eerfle ouders wierden in geen koude Wocftijn,maer in 
het vermakelijk Paradijs van de (lange misleyt. Wy zullen van andere om- 
ftandicheden op zijn plaets fpreekcn , en hier eerft inet de perfoonen voort- 
vEeren. 



Landaerc. 



Oude Hol- 
landers. 



DuitfcbcQ, 




ZEVENDE HOOFTDEEL. 

P^an de Terfooneele kennis j of d" eer ft e waerneming 
in de daedt van eengejchiedenis. 

N de Perfoonen , die gy moet uitbeelden , is ten eerfl-en waer te 
nemen hunnen landaert: datis , van welkgeweft , derwereitzy 
zullen fchijnen te zijn: want boven het groot onderfcheyttuf- 
fchen Moorenenblanken,tuirchen Azianenen Amerikanen, zoo 
heeft men noch iets byzonders inydervolk, gelijk by de Poëten op veel 
plaetfen aerdich word uitgebeeld , wanneerze verfcheyde volken ten oorlog 
voeren : Als tot een Itaeltje , 't volgende vers uit la^ooi verloft Jeruzalem , 
daer hy de bende van Hollanders onder 't bevel van Robben aldus befchrijft : 
Na decTLe volgde een troep van brave Batavieren , 
Wiens overbUnke yerw enfchoonheit vangeftalt 
haer wapenhandelwg te wonder kon verfieren : 
Geboren daer de Maesen R^n int pekel valt. 
Van de Duitfchen zegt T;«c;rtti, dat het oneyndelijk getal dezer natie alle 
eenerley geltalte van lichaem hadden , te weten , groot en geweldich , met 
een wreet gezicht, Hemelblaeuwe oogen, en met geel en blinkend hair. 
Maer Verffegan ^eeft zijn Angel Saxons een bevallijker aenzien. 

Doch om met een fprong hier af te raken, zoo zal dit vaersje genoeg zijn: 
Gj moet m acrt en drift de volken ook^ doen fcheelen : 
De Pers is dartel , en d'Araber r\ej/gt totfttelen , 
d'Afriker is ontrouw , de Spanjaert bars en wreet , 
Dfn looz.en Italjaen met kunfi te veynz^en weet , 
DenDmfch, hoe kpel van acrt , k^nhaeien en beminnen. 
En eer z.ijh vyand , als ^.tjn ej/gen tocht verwinnen j De 



Het derde Boek, 97 

Df Fransman , licht van geeft , ontz.iet noch klmg nochf^its > 
Is trots en nedrich , en van bejts beleeft en bits ; 

Maer den vertpaenden Brit , hoe dem en onervaren^ 

Houd alle volken > van wat Landaertyvoor Barbaeren. 
I!r4fo zal ons yderlandaert voorts kenlijkeronderfcheyden, wanncerzc 
van klederen en wapenen handelt. Maer ofmen ons een Schildery vertoon- 
de, daer een rulHch jongeling een krijgsheyr van louter bedaegdc luiden ge- 
boot, waer zoumenzet'huis brengen? Ik zouw zeggen dat het Alexander 'y^*^'^^°' 
de Groot e met iï]ne Macedoniers was: Want toen hy eerft ever den Helle- "*^^ ^^^^' 
fpont in Ai'iz trok, was hy niet veel boven de twintich jaeren oudt , en alle 
zijne Vaendrichsbereykten de feftich ; zijn twee-en-dartichduizent voet- 
knechten en vijhhalfduizent Ruiters waeren alervaeren Soldaten, en de 
voorfte zijner troepen fcheenen oudRen of Raeden van een welgeftelde Ge- 
meente, bequaem genoeg tot vechten, maer niet om te vluchten. 

V erder moet gy , die de daeden der Poëtifche Gooden , der oude Hei- 
den, der deurluchtige mannen, of der waerachtige Heyligen voor hebt , 
der Perfoonen byzonderheden weeten, en van watgedaente, aerdenna- P^^oonedc 
tuere zy geweeft zijn , en in wat ftaet en ouderdom gy haer verbeelden ' 

moet. Maer om in dergelijke uitbeeldingen zeker te gaen, wort een ge- 
leerdelijke Perfooneele kennis vereyfchr. Gy zult Keyzers, Koningen, . 
Vorften, Veldoverften, Ridders, Raeden, Ruiters, Soldaeten, oie-'"^"""' 
naers en Slaeven nae haeren ftaet uitbeelden , en Pauzen , Hoogepriefters, 
Kardinaelen, BifTchoppen, Prelaeten, Priefters, Wichelaers, Vellalen, 
Nonnen, en Kraelen, aen haer gebaer en gelaet doen kennen. Maer om 
de geefteo t'ontwaeken , zoo luft het ons hier een deel af beeltfels voor den 
dag te haelen , wy zullen dan van de Heydenfche Goden, alsdeduifter- 
fte oudtheyt beginnen. Nergens zag ik oit zoo onbefuisden konftenaer, 
zegt Elianus , die de Muzen , Juptters dochters , vreemde en verval- 
fchte gedaentens gaf : of haer , die d* ongemoeide en zachte rufte be- 
minnen, in 't Harnas flelde. Maer by onzen lijdt zietmen fomtijts zoo 
naeuw niet , derhalven is 't van nooden , dat men d' overleveringen 
van d' oudhey t naezie. 

De Goon op aerdgedreeveny 

Entreennieti maerx.yz.iveeven. De Goden. 

Ze^tHomeruS) die de Goden dikwijls in zigtbaere gedaentens hervoor 
brengt. Vtrgiel en Ovidim leeren ons haer ook kennen, maer beknopter 
haer uitleggers. Cf/ür Al4//4rr;' van Padua heef t'er tot hondert toe afgebeelt; 
maer ik zalu in 't kort zeggen, hoemenze plag te fchilderen. d* Oudfte 
Grieken pleegen ze niet te onderfcheyden, noch in gedaentens, nochnae- 
men j maer zynoemdenze meteen gemeenennaein Theos, Doch nader- 

N hand 



98 C L I O. 

handzijnzein gedaentens, en naemen, enin verfchey^de natoeren vefan» 
derc. 

Want Sdturnus wiert kaelhoofdig , en met een zeyzcn in de hand gefchil* 
Saturnus. Jert, enalsof hy aeii een bewond^n ficenknaeude , omringt van vier kin- 
dertjes. 

Jupiter beeltmen halfnaekt uit , met een dikken baert , en een gekroonc 

Jupiter hairlokkich hooft, hebbende den blixem enden Arent. Phidias had, na 't 

oordeel van Emilius Vattlus , 't vvelk by alle kunRkenders aengenomen wiert , 

zijnen Jupiter van yvcir gemaekt, eeven gelijk hem Howffrin zijn gezang 

uitbeelde, 't welk aldus luid. Jupiter dede teyken met zijn zwarte winkbraeu- 

wen , en het Godlijk hair verüroide zich om zijn ceuwich Koninklijk hooft, 

't welk hy fchuddende , waggelde den ganfchen Hemd. 

Ncptuiiï. Maer Eufrarmkon die Majelteyt in zijnen Jupijn niet te weeg brengen,om 

dat hy Neptuin reets te heerlijk geftelt haddc.Jupiter Hainmon is by de ouden 

,. met horens gerchildert,ook met een kroon. Neptuiri word ook een kroon op 't 

V jjl'l^yf ' hooft ,en den drytant in de hand gegeven, als hy met Amfitrite z\]n gemaelinne 

fofco, &ha fchiernaektineenfchulpvan Zeepaerden getrokké over de diepte heen glijt. 

in capo vm De PhiIiftynfcheD4gö«moetmen half menfch half vis,ofalseenTrytonfchil- 

corona di deren. Plutoos kroon moet zwart geamaljeert zijn,hy voert den onderaertfche 

yjfgroMjewo g^gpjgj.^ of anders een tweetandige vork inde vuift. Menvoegthem zijn 

*rT^y ^a gcJ^oofde huisvrouwe Proferpina by , met den dryhoofdigenheJhont Cerbe- 

iiella ombro- ''«^« Of men ftelt hem op eenen wagen van paerden voortgetrokken. 

fanotto. 3^4««; wort met twee aengezichten uitgebeelt, 'teen jong, en 't ander 

Janus. oud, metftafen fleutcl; en een ronde flang byhem, die denftaert inde 

mond heeft. 

Febus of ^poÜomaektmen metfchoon geel hair. N^z-oiti't wedfpel tuf- 
Apouo, fchen hem en Pan zegt aldus: Apollo met lauren gekroont ftond op. Een 
Purperen kleet, metgoude franjen gezoomt, dat hem achter nafleepte, 
aenhebbende. Hy hielt zijn Harp, metyvoirenkoftlijke fleenen verfiert, 
in de flinker, enzijnboogjenindc rechterhand, en begon zeer lieflijk te 
fpeelen. De paerden, die voor zijn wagen liepen, waren Pirois, Eousy 
Ethon en Phlegon : 'tEeneroot, 't ander blinkende , en het derde als gloe- 
jende vanverwe zijnde, maer het vierde was geel en zwart- fchiinmel van 
koleur. Of anders Pirois wit met roede vlekken , £otti uitten geelen , Ethon 
al root , en Pblegon kaflanjebruin. Hy wiert by de Cheronezen onder de 
eeuwige goden gerekent; onaengezien de Beociers zijn geboorteplaets 
aenwezen. 
Mars ^^'^^^ *^^" Oorlogsgodt fchildertmen al in 't harnas , met fchilt , 

zwaert en piek, en eenbloedigen mantel. Menfpant voor zijnen wagen 
twee bloetgierige wolven ,of men laetze van Vrees en Schrik » twee hollen- 
de 



Het derde Boek. pp 

cepaerden, voortrokken. En men Jaet de faem voor uit vliegen. 

Mercarias wort zonder baert , en als een fchoon jongeling uitgebeelt : Merkuriuj. 
geheel naekt, behalvendat hemeen kleinen mantel van de fchouderen af- 
hangt. Men ftelthem eenen helm met vleugelen op 't hooft , als ook wie- 
ken aen de hielen. Zijnen ftaf wort met flangen om vlochten , en voor zij- 
nen wagen fpammen twee ojevaers , of haenen. Maervan outsis Mercuet 
by d'Atheners vry wat op zijn Pr/^pm uitgebeelt. 

Den manken fmit Mulciber ofvulhaen, laetmen in 't gemeen half naekt, en Vulkaen. 
in zijn fmis de wapenen der goden of helden fmeeden, geholpen van grove 
Reuzen of Ciklops. 

Wzder Liber, £4a/j«iof D/ow;^ wort met veil of wijnrank bekranft, en p 
men het twee kleine horentjes uit zijn voorhooft fpruiten ; Men geeft hem ^'^^ "*' 
fomtijts brooskensaen debeenen, en men verziet hem ook wel meteen 
knodze en Leeuwenhuit , waerover hem HerkuUsby Arijlopbanes uitlacht, 
zeggende: 

I» *f z.ien van Bacchus barfi ik,fchier van lachen uit , 
Als hy daer heene treet met broosjes aén de heenen : 

Daer hy de knodt£ voert , en rojfe Leeuwenhuidt , 
Op 't fierelijke kleet, iy z.eg , waer wïl dit heenen ^ 
Hoefafidtt teergefiel van Broosjes , al te [pots , 
By 't heerlijkLeeutrevel , en by den Helden kpods ? 
Maer meeftgeeftmenhemLuipaerts-of Lux vellen tot zijn kleedy. Men 
beelt hem gemeinelijk jong, vet, en welgedaen uit , en fomtijts wel out 
engrijnichjwanthy wortookdengebaerden Diew/jiw genoemt. Zijn gezel- 
len zijn 5;^/^^», de Saryrs, Faunen, enderazende bacchanten , verzien van 
fymbalen, ruispijpen, en met veil omvlochte lanfen. Zijn rypaertis den 
Ezel, de Tijgers trekken zijn kales; enzijnvogelisdefnappigeExter. 

KupidoenAnteros, want men telt'er tot dry toe, worden als gevleugelde ^"f^'^®* 
kinderen en met pijl en boog by haer moeder Ventu geftelt. De Ridder 
Wefterbaen fchildert hem aldus uit 

Men z,ach zjjn krttüebol , men z.ach zijn bolle wangen , 
Men z.ach om z.ijncn hals de Lwangrepijlbus hangen , 
En 't bleek.aen taeje boog , en aen bet fluim gewas , 
Dat uit zynfchoudersfproot , wat vogel dat bet was. 
Dengeytvoetigenhuppelaer Puwverfchilt van d' andere Satyrs niet: men pan. 
geeft hemde Ruispijp, en een Üok aen 't eyndehaekswyze gebogen. Met 
een Loffe-Luipaerts-of Tijgers vel om zijn lenden. Maer Af4?'0 geeft hem een 
fneewitte vacht , als toen hy de Macn vryde. Wat van Herkules en alle d'an- 
dere verdere halfgoden te zeggen valt, isby Vincenfo Cartarybreez genoeg 
te lezen. Laet ons nu ook de voornaemfte godinnen onderkennen. 

N 2 Bere- 



Berecintine iqq C L I O. 

Mofdcrjcr Berechitte {{ehi/trmly het hooft n et torens ^ekroont, enopharrnwa- 
Ops,CibcIc, gen door de Frigiaenfche iteeden omvarende, moedichopdegoden haei 
Rhca, Vefla. zoonen , en hondert neven , diealtefamenin den Hemel en hovende Star- 
en Tellus of j.gj^ woonen. Haren wagen wiert van Leeuwen voortgetrokken. Anders is 
XiHvan ^y ^^fi^ ^^ godinne des vuurs : Men geeft haer een gebloemden rok of man- 
haer S.Au-^^^3.en, men gaf haer ook een vafte zitftoel, beduidende de vafticheit, en 
gtijlijn inde een Trommel, beduidende de rondicheitvan d'aerde, en tot ftafïiers een 
Stads Gods. deel gewapende Koribanten, anders Candiotten , en haere Priefters waren 
Tem^'lo^k "zendegelubden. 

cAp'Ii ° 7'*'"^ Koninginne der goden, 2ult gy met kroon en fcepter vereeren, 
Juno. haer kleetmoet vanfchoon root purper zijn , en haer Azueren mantel zult 

gymet Paerlenen gefteenten bordueren. Haer gelaet moet trots en belg- 
zuchtich geftelt zijn , en twee Paeuwen zullen haren wagen trekken. 
Venus. Zoogy Ffwwkleedenwilt, omhang haer met dunne zijde, van de Gra- 

tiën geweven, daer men 't naekt fchier deur ziet , 't zy dan met vrolijk Groen, 
Paljas. Hemelblaeuw , of fchocn Geel ; haren gordel Cejiusmoet konitich gewrocht 
zijn. Maer Clio heeft ons Juno en Venusin 't oordeel van Paris reets afgebeelt, 
Bellone. en van gelijken Minervey die Homerus een verfcheyde verwichfijn Lywaeten 
kleet aendoet. Anders wilmen dat de Hemelverwige P4/i<t* haer kl cederen 
Ccres. driederley zullen zijn , als Wit, Blaeuw,en Purper. Haer gulden helm moet 

met olijf omkranft zijn: en den Uyl is haren vogel. De Poëten geven haer 
Diane. Katten- of Leeuwenoogen , in d'eene bandeen Lans, en aen d' ander een 
^^''"^y^j''''Kriftallen Schilt. 

delh"aualiè ^fWö«^ fchildertmenook in 't harnas, maer verwoeder, en met vuur en 
Etijroftna ftael dreigende. 

fopra l'alle- Ceres fteltmenop een wagen van Draken voortgetrokken, of met een 
gr«^^4 , ?y fakkel in 't zoeken van haer dochter. 

f°^lb fi Dwwf de Jachtgodin geeftmen een zilveren booge , een geladen pijlko- 
tio. ^Jplaja ^^^* ^" eenluchtich kleet. Aen Hf &e en Proferpine bloemen ^ hoewel die 
fopra la eygentlijkaen F/or4 behooren^aen Po;«(?«4 vruchten j aen Ir« den regenboog; 
maejia, & en aen onze Muzen yder haer merkteyken. Gelijk wy ter behoorlijker plaets 
■yf»K/?rt,r/- aenwijzen. Zelf de drie Gratiën zijn te onderfcheidenj wantmen kent de 
ene tl bene- heerlijke Aglajaukde vreetfame Thalia, en deze weer uit de vrolijke £«- 

ralia fopra f'oH' . ,^ , , ^ ^ . 

la tiacevo- iz.U i wiert vergezelfchapt met den Os .<4p«ot ^^Mpw, en Herpocrates f 
lex\a «««/e die den vinger op den mond leyt, Oimet Anuhisy den Hondskop, fchrij- 
ilbemficio. dende overeen Krokodil, meteen Hemelkloot, en daer op twee Starren 
^r\i in de handt, en by hem een Waterkmik. 

Meermin- ^^ Meerminnen Melpomenei dochters zult gy met geen visflaerten , maer 
ncn. halfmenfch en half vogel fchüderen. De dochters van 't Noodtlot» d' on- 

ver- 



Het derde Boek. loi HetNoot- 

vcrzetbare Parkaes of fchikgodinnenzijn drie, deeerfte isKlothOi die de nootfchik 
doozenmetfpillenbewaert, en het werkaenhecht, zy is de jongfte en be- GodioncD. 
teykent den voorleden tijdt. Hoewel andere haer over den tegenwoordigen 
fteJIen. Zy zitterrechterhandt, en nevens ha.cr LachefiSy ^ie het druk met (4) I» y^/;o- 
fpinnen heeft , en den deurgaenfen tijdt, of den toekomenden , beteykent: kp^okymojjs 
daer andere ook Ajrapos voor Itellen. Seneka (4) geeft haer een Lauwerkrans 
om haer behaeglijke vlechten , en voegt 'er Apol by , die met zang en fnare- cioto figni- 
fpel haer werk begunfticht. Atropos, die de nootfchikdraden affnijt , zit fica Euoca- 
ter (linkerhand, en heerftover den tegenwoordigen tijdt, Zy wort noch- *'°"'- ^^'^ 
tans als d' outfte üitgebeelt , om dat zy 't eynde aen alle dingen geeft. Haere ^ ^^ 
kicederen moeten wit zijn , en haere hoofden bekranft met witte narciflèn. '^jUrlpodi- 
Anders wordeu zy ook gekroont üitgebeelt, en fomtijtsmet vleugelen, notafin^a 
maer meeft nae 't werk , daer zy mede bezich zijn, Haerampt is, kance- o»*<''"f. Fk/- 
lierfters in der Poëten Hemel , daer zy de tafelen der wereltfche zaken op g*»^'»- 
Koper, enYzer, en Stotfen, zoo hart als Diamant gefchreven, bewae- 5-'fJ.^'"';*^'' 

'"^"' Canary. 

Dewraekgodmne Nemefisj oi Rbamnufuy wiert met vleugelen gefchil- Het Fa um 
dert, hebbende in de rechterhand een effenftaf of tak , en in de flinker een '^«■^Heydc- 
kruike met moorjaenen bebeelt. Zy droeg een kroone van harten , en beel- c^","°^'{|- 
dekens van verwinning , zy reed op eenvluchtich hart, of wiert ook wel eén dom ge* 
zittende op de Maene, daer zy al de zonden dermenfchen, alsineenfpie- dicbtfd.van 
gel, zien kon, afgebeelt. Haer ampt was de verwaende te vernederen , en ^^ ^^™^" g^" 
de opgeblazene te dempen. Ik zwijgevandeflanghairige razernyen, Ti^- bimïw 
fhonet Ale£lo, enMegeray die deurgaens quaet brouwen. En dit zal van de kingen der 
verdichte Goden en Godinnen genoeg zijn, bewegingen 

Nu moeten wy ook iets van d' oude Heldenen Heldinnen aen den dae ''^" '^^ ^'" 

L O melen en 

Zeuxh fchilderde HeUna , als of hyze in Ilium zelfs gezien hadde ; Ande- int begin 
re de Griekfche helden , zoo alsze Homertu aen Helene , en d' oude Trojaen- i'^n de Stad 
fchehecren, in de Schefche poort zittende, levendich vertoont j toen zy ^''^'• 
nae Agamemmn aldus vraegden : o^fl '^' / 

Noem ons dien braeven Grieks z.oofchoon en hr eed van horji , Dea chepu- 

'kjZach nott eerwaerder , noeh meer z.iveemend naer een' vorfi. nifce i mal- 

AgMiemnon^iiïeen Godlijke Majefteit , en een ontzachlijk gezicht. Men"^g'^<^^^ 
kent Ultps lichtelijk aen zijn zuer en wakker gelaet , zegt Filojlratus-j en Z"'^'"" ^'^"; 
llmeer ftelt hem aldus voor . nae den oppervorft : °"' ' conofa- 

«y • f j ' I f 1 1 1 ■' t i trtce dl tutte 

metshjf, dte t hoeft klewder ts , matr breed Ucoft.ürc. 

Vdnfchouderen , die als een weeder treed : V- Canari. 

\Gelijkhemhyeen'Rami eenruigeweedei^ Hclena. 

Die door defcbapen rinkelt op en neder, f ^n'^u'^V - 



AcbilJes 
en Ajjx. 



Mcnelaus. 
Dioraedcj. 
tJ'Aiaxcn. 



AmRaraus. 
H.cTror, en 
Pari?. 



A'fv-inder. 
lib.l cap.z 



J.afar. 



Pompfjiis. 



102 C L I o. 

Horatius, zoowel onzen als der Poëten leermeefter, geeft ons dit ftaehic 
van Thet^s zoon: 

Indienge Achiües wilt op 'f beerelijxt lootfeeren , 

Zoo laet hem wakker en verbolgenjiaen braveeren. 
Men zal hem als Ajax ook ongefchoeit uitbeelcien. Voorts zoo zingt Flai^s 
dit volgende van anderen: 

Medeajiel ten toon ali onverz.ethaer wreet , 

IXION mede als een , die van geen trouw en weet ^ 

Laet INO bang z^ijn , en beclt 10 als in 't z.wcrven 

In an9(l mt , ookP REST in' t Vaderland te derven. 
Menelaus vereifcht een vriendelijke zoetichcit in zijn tronie. En in'taf- 
beekfel van Diomedes zachmen een üoute vrymoedicheit. Dedulle Ajax 
Telamonü meltzich zelvcndoor een üuerfe giimmicheitdes ge^ichts, en 
meteen vervaerlijkgebaer. AJax ioawi in een fchijn van voort varentheit , 
fpruitende uit een verheven gemoed. De Pncfter A}njiarai{svoe2,teen Pro- 
phetifche defticheyt, end'onbefchaemtheitpafJ: aen denbultenaer Therft- 
tes. Heclor en Varis^ fchoon broeders, moeten eikanderen ongelijk zijn • 
aen deeze voegt een teedere wulpshey t , maer aen d'eerlle een trouwhartige 
fchijn van vroomicheyt. 

i^Kttmöifchrijftdat Alexander de Grootevo\w:iÜen zijnde ^ wel gevormt 
van leden was : fterk en wel gezet van lichaem , en niet hoog opgefchoten 
2ijnde,was hy eer fterk dan fchoon ; hy had geel hair,dat flaeuwelijk gekron- 
kelt afhing. Hy was blank vanhuit, behalvendat zijn wangen en boezem 
met een aengename roodicheit overfiort waren. Hy had een arents neus en 
verfchillende oogen : want men zegt dat het flinker oog blaeu w , en het an- 
der zeer bruin was ; hy had een vcrborge kracht, ja zoo, dat men hem niet 
zonder eerbiedicheyten vrees kon aenzien. Zijn fnelvoeticheyt en andere 
eygenfchappen zijn by den gemeldcn fchrijver verder te lezen j keiibaer ge- 
noeg om van andere t'onderfcheyden. Maer wat den zoeten reuk belangt, 
die van hem afging, en, zoomen zegt , zijne klcederen als perfumeerde. 
deze engaet onsPinfeel met aen, noch en behoort tot de zichtbare din- 
gen. 

Julius Cefar d' eerüe Roomfche Keyzer was lang van geflalte , maer 
fchracl, tamelijk blank, zwart en gaeuw van oogen, en zinn-lijk over 
zijn lijf, behalven dat hy zijn tabbaert los toegegort droeg , 't welk onbe- 
tainelijk onder de Rf nieinen gerekent vvierr. 

Zijn te^enltrever Powpcjus vertoonde in zijn aengezicht een aengenaeme 
zocticheir, vcrzelt mer een beleefde ftemmicheit, ufveeleereen eerwaer- 
diii^ hoogheitvan Koninklijke Mojefleit. Zijn hair was wat fteilachtich; 
de bcweginge der oogen minnelijk, en zijn geheele gedaente, zoo Plu- 

tarchus 



Het derde boek. i o 3 

I4yffc«^ getuigt, na de beelden van AkxmdcrdenGrooten^twt\è\c\iivjte,- 
mende. En eindelijk zoo bevallijk,dat de hoere Iloray oudt geworden zijnde, 
Vcimaek fchiep, in te herhaelen , dat zy zoozeer op hem veilieft was ge- 
weeft, datze, wanneerze byhem geflapenhadde, naulijx opftaen konde 
zonder henj te by ten. 

Auguftui zultgy metklaer glinfterendeoogen vol van Majefteit, en fa- Auguftur. 
inengevoegde winkbracuwen vertoonen , met blond geel liair , den neus bo- 
ven verheeven, en van onderen nederwaerts gaende, vanverwe tuU'chen 
graeuwen blank, en kort vanperfoon. Tiberim daerentegen moet kloek Tibcriur. 
en lang zijn, breed van fchouderen en borft, wit van verwe, fchoon van 
acngezicht, doch wat gepeukelt, met klaereen grooteoogen , waer me- 
de hy zelfs in de duifterheit des nachts kon zien, meteen ftokftijven hals-, 
en een ingehaelt flueis aengezicht, geneigt tot zwijgen. Deeze eygen- 
fchappen moet een Schilder, zoo veel als doenlijk is, nafpeurcn. hn aldus 
moetmen den welgekemden AntoninSi en den welgeftreelden Krajfiu, uit 
den fchrapelen Kapim en dorren Brutus ondcrfchcyden. 

De woedende Attila zult gy kort van Perfoon , breed van borft , en groot Af.i'j. 
van hooft niaeken j kleyn van oogen , met een kamuis neus , bruin van 
koleur, en meteengerazeerdenbaert. 

Maer'tistijdt dat wy, de verzierde gooden en halfgoden. Helden en 
heerlijke mannen verlaetende, ons tot den waerachtigen verlofTer keeren, 
zoodanigh immers als hem d'oudtheytaen ons heeft overgeicvert; en eerft »j • 
met zijn moeder. In zeker Maricbeeld , in een karton van da V'nifii zej^t 
Vermander , was te zien alles wat van fimpelheyten fchoonheytde Moeder 
Cfcr//?nnocht betaemen : bewijzende een geftadig en ootmoedig weezen in 
deeze vrolijke maegt, die het fchoon en aenminnig kindeken, op haeren 
fchootteederlijk zittende, aenziende, end' oogen ootmoedig nederflaen- 
de, daer meedeeenen5i«r jf^wfcheen te vergeeten, die vaftfpeelde met 
een Schacpje, eneene Sint Anna, die dit beziende zoetelijk fcheen te lac- 
hen. Maer ik zal unoch een beter Schildery of beeltenis, zooze anders op- 
recht en principael is , voorflellen. Toen de Soudaen van Hgypten't Hcylig 
landendeftadt Nazareth verwoefte, wiert het heylig huis , daerM^fMge- An. 1191. 
booren was, en deboodfchapontfangen hadde, van d* Engelen over veel 
landen en wateren tot in Dalmatien overge voert , en ontrent vier jaeren daer 
nae overd'Adriarifche Zee te Picenenin Jtalien gebracht, enineenbofch 
van Recineti, ontrent duizcnt fchreeden van de Zee, toebehoorcnde de 
Godvrugtige matrone Laureite, daer het noch den naemvan draeqt, ge- 
plaetft ; en wederom acht maendendaernae inde iugtgeheeven, en een en 
andermael verzet. Zoodatdi^huis jinnen detijdt van een jacr tot drymael 
toe verhuisde. Nu met dit huis is ook de beeltenis van Mjru inct haer kinde- 
ken 



Horai.Tur 
cclhi. Hijl. 
Launt, 



104. C L I O. 

ken herwaerts over gekomen , gelijk Alexander Birfchop van Terfacium , als 
hyziekentuflchenflaepenenwaekenlach, in een gezicht, van M;«r<4 zelfs 
verftont. Het beelt van cederen hout , zeydezy, ismijn gelijkenifTe, die 
den Heyligen Evangelift I«i^<«^, om de gemeynfchap , die hy met my ge- 
had hadde, metkoleuren zoowel afgemaelt heeft, als het voor een men- 
fche mogelijk was. Hoedanich nu dit beelt geweeftis, vertelt de Jezuyt 
Horatitti Turceimus, dat de bywoondersvan Terftclumen Flumeny als men 
dit huis eerftin Dalwatien ^ew^er wiert, hetzelve aldus bevonden. Daer 
was in dit huis ecnverheeven plaetsken, in 't rond met gebiesde Pylaeren 
bezet, enomhoogmet vijf boogenverfiert van het zelve werk, maenwijs 
gewrocht. Opdeezeplaetfezagmeneenftaendebeeld vande Heylige Ma- 
get Maria , het kindeken Jefus met de flinke hand in 't midden omhelzende , 
en met de rechter onderfteunende ; dit beeld was van cederen hout , bykans 
twee kubiten hoog : het aenfchijn was geftreeken met amber , hebbende de 
glans van zilver, dan was zwart geworden door den rook der kaerdenj maer 
deezeverbruining, een teykenvan ouderdom en Godvruchrigheyt, ver- 
meerderde zeer de Majedeytvan hetmaegdelijk weezen. Haer hooft was 
verfiert met een gepaerelde kroone ; het eften hair hing , nae de gewoon- 
te der Nazareen, over haeren blootes hals en fchouderen. Om het beeld 
hing een gulde ftoole met een breeden boort, nae de gewoonte van dien land- 
aert opgefchort, en op de voeten afhangende. Het had opdefchoude- 
ren, boven over de ftoole, eenen blaeuwen doek, alles uit den zei ven 
ftronk gefneeden , en met verwen afgezet. Het kindeken Jefus zat op den 
rechterarm van zijn moeder, veel heerlijker van weezen, als eenig fterffe- 
lijk menfch , met een Goddelijk aenfchijn zijnen goedertieren aerd vertoo- 
nende. Met de rechterhand hief het de voorfte vingeren op, als of het den 
zeegen uitdeelde , terwijl de flinlcerhand een gulden bol bevatte. Zijn hair 
was heel effen , enzijnroxken, dat op de wijze der Nazareen gegort was, 
hing tot de voeten toe. Zie daer, ofsint Lukéf karig is geweeft, in onze Lie- 
ve vrouw en haer Kindeken op te fchikken.Maer dat niemant dit vreemd dun- 
ke, want men vertelt van een beelt eenes gekruilten Cfcri^w;, dat met een 
kroone gekroont was , en van Nikpdefms zelf ^eCneeden zoude geweeft zijn, 
en dat, dooreen wonderlijk avontuer te Luna in Italien aengeland, tot 
An.10p5.7- Luka inde Kerk van Martin is opgeftelt. Voorts datmen het eerwaerdig 
beeld onzes Heeren in ouden tijden , genaegelt aen den boom des Kruifes in 
een Koninklijke cedaente pleeg te fchilderen, fchoon hy naekt geleeden 
heeft, meent Cefar Baronius dat ontwijfelbaer waeris, en dat dit een vond 
van dengemeldennachr Difcipel C/jri//^ Nii^Oifewwi geweeft zoude zijn, op 
dat degeene, die hoeren zouden dat hy gekruift was geweeft tuflchen 
twee Moordenaers, meteenen zouden zien, dat hy oprechtelijkwas ge- 
weeft 



En't kinde 
kea. 



Het derde Boek. 105 

weeft ücn Koning der Koningen. Want die nae d' ecibaerheyt alleen gezien 
hebben, vervolgt hy, hebben hem niet anders gefchildert of gcfneeden, 
noch ten is niet van nooden hem anders uit te beelden , dan alleenlijk in een 
hemde , of met een doek voor. Maer om met ernft Cbriftus gedaente te ver- 
beelden , 200 waer 't wel van nooden datmen zijn innerlijklte aendacht aen- 
prikkelde. Want zonder dat, zalnicmant eenigegelijkeniirevanhet wee- 
zen van onzen lieven Jefm hervoor brengen. Zeker 't geen 'er van den Jupi- 
ter van £«/M«or gezegt wort, gebeurde ook aen LeonarddaVinciy alshyin 
een Avondmael al zijn kragten in d' Apoftelen belteet hadde , zoo kon hy 
die overtreffende Hemeldeugd, die in den Chrtjlui vereyfcht wiert, niec 
treffen , fchoon hy na veel arbeits den Judas zeer wonderlijk ten einde 
bracht: maer den C/;r/^«i bleef, enis nochonvoldaen. En wiezoudzich 
durven vermeten dit allerwaerdichfte voorwerp genoeg te doen , endital- 
lerheylichüe beeld der Godheyt na waerde af te fchilderenr' Ik zie een 
fchoonheit devolmaektheitteboven, vsaerinzichdeernftigeltrengheyten 
lieftallicheit vermengen, en de heerlijkheytin een zuivere tederheyt, en 
de medogentheytin rechtvaerdicheit gefchakeert fchijnen. Hoeovereen- 
ftemmende zijn zijne beweegingen des lichaems, gemaetichtnae de drift 
zijns gemoeds 1 en het handgebaer zeedich met een Godlijken tret. 

Maer wy zullen ons houden aen het geene de outheit den Romein Lentultu 
toefchrijft, 't zy dan waer of verdicht, wegens de gedaente C/;ri/?;, 't welk 
aldus luit aen den Raed van Romen : 

Eerwaerdige Vaderen ! ons is bekent en noch levende een menfche van Chr:ftusgc- 
grootermogentheyt, met naeme jff/wi Chrijius, een Profeet der waerheyt^^"'^' 
genoemt onder de volken, maer zijne Difcipulen noemen hem den Zoone 
Godts, hy verwekt de dooden, en genecft de kranken. Van gedaente is hy 
edel, middelbaer, maer aenzienlijk ; zijn gelaet is zeer eerwaerdich, 
zoo dat zijn aenfchouwcrs hem moeten beminnen en ontzien j zijnhair is 
van rijpe hazelnoten verwe, boven, nagewoonteder Naz.areeny ^tkhcy- 
den , en tot de ooren toe effen , maer voort ncderwaerts rond krullende, 
geelachtich blinkende, en van zijne fchouderen afwacjende; hy is fchoon 
van voorhooft, zonderrimpelcf vlckkein 'taengezicht ; zijn wangen zijn 
verfiert metRoozeverwe, hebbende niets aen zijn lichaem dat te berispen 
is ; zijnbaertisnrootenovervloedich vanhair , niet lang, maer in 't mid- 
den verdeelt ; het opflach zijner oogen vertoont wel een fmpelht y t , maer 
verfiert metrypicheyt; zijn oogen zijnklaeren ontfachlijk, noyt bereyt 
tot lachen, maer tot weenengeneygt ; hy heeft rechte handen, en zijn 
armen zijn overbehaeglijk ; hyisfpaerzaemin'tfpreeken, en zeermanier- 
lijk in al zijnen ommegang j en eyndelijk de fchoonlte onder alle men- 
fchen. 

O Maer 



io6 C L I O. 

Maer wiltgy eenich geeft of Engel vertooircn .^ Tajfo befchrijft zijnen 
Cabricl. Engel G^tr/f/, in het eeritc gezang van 'r verloltejerufalem, aldus: 
Bj liet d' onuchtbAerheyt , m eene wolk , betrokken 
Met fier jiijkhep^wfcbijn , bejaert alstujjchen kint 
In jongeling , gekroont met ft arren om z.ijn lokj^n , 
En vol van Majeftep : dus brakj^y deur de wmt 
O^ ivïti e wieken ■> met aenUemd vergulde pennen 
Noit afgemat van rennen. 
Wiens hart gaet nier open , wanneer hy zoo heerlijke dingen, als Majefteit 
en fchoonheyt, in fchildery ziet ^ Deugden die waerlijk niet dan van groote 
meeftcrs getroffen worden, ^y zuilen ons niet ophouden, in deze Perfoo- 
d'Apoftclen. neeleaeninerkingen , met al de Apoltelen en navolgeren C/;ri/n hooft voor 
hooft te bef chrij ven, men zietze genoeg in printen uitgebeelt, alleen in 't 
gros zie ik geel gcroofteVifTchers, enTollenaers, enPrieders, enPhari- 
feen onder een dringen. Deze zien de wonderen met verwondering, geene 
metblyfchap, en andere met nijdige oogcn aen. Ik zie den kleinen Zache^ 
MS, maer groot in 'tgeloove, van den Vygeboomafdaelen. Ikziedengoed- 
aerdif^en jongeling , die op zijn 's Heeren borfl leunde , godlijk bewoogen , 
en den yveraer Petrus, die zich niet fchreumde , tegen een troep krijgsluy, 
*t geweer te trekken , zijn heete drift ten oogen uit ; dentwijfelaer Tofuas 
deWaerhey t navorfchen : en den zielverkooper JtidiU zich al van langer hand 
ftooren. 
Pctrur. Maer om de liefhebbers eenichzins te geryvcn , zoo zullen wyhaer vol- 

gende afbeeltfelen ten model gecven. NtcepJmui befchrijft Petrus y een 
weynich verheven van ftatuer, maer niet grof van lichaem : bleekachticli 
van aencezigt, met zeer wit en dikgekrolt hair, zoowel op zijn hooft, 
als in de^n baert, maer niet zeer lang: zwart van oogen, en de oogleen 
roodt van fchreijen ; want men zegt dat hy , federt hy den Heere verloochent 
hadde , dagelijx weende : hy had bynae geen winkbraewen f zijn neus 
was langwerpig , meer plat dan fcherp. 
Jakobus. d' A^o[\e\ Jakobus, ^ezegt Jujius , anders de broeder des Heeren, moet 

met ongefchooren hoofde afgebeelt worden, en met gebogen bcenea: 
want daer wort getuigt, dat hy hem zoo zeer in 't bidden oefFende, dat 
zijnknien, alsdievaneenkemel, vereelten verhart waren. Hy gebruikte 
geenderley wollen kleederen, maer alleenlijk van lywaed. Ditis hy, die 
men zegt dat met een volders ftok is doodgeflaegen , nae dat hy van de tinne 
des Tempels was afgeworpen. 

Dat Paulus d' Apoflel kort van perfoon is geweeft , fchijnt uit zijn eygen 
woorden te blijken, als hy tot den Korinters fchrijvende, bekent 't geene 
andere van hem zeyden } namentlijk, dat hy kj^yn vdfi U(haem was. Waerom 

hem 



Paulus. 



Het derde Boek. 107 

hem Chr^fojlomus zegt drie cubiten hoog gewecfl: te zijn. Dacr Nicephorus ook 
meede overeenkomtjals hy fchrijft dat Paulus klein en gedrongen van lichaem 
geweeft is,een weynig krom, wit van aengezicht,en ouder van vveezen,als hy 
van jaeren was ; dat hy een middelbaer hooft hadde, fchoone oogen en neder- 
hangendewinkbraewenj met een dikken langworpigenbaert, een fchoone 
hoogachtige en langachtige neus. Waerom men voorzeker houd,dat Trjphon 
by I«n4»«; onderwijzende Cntioieen leerling in'tgeloove, van niemant 
anders en fpreekt, dan van Prf«/M5 , als hy zegt, ah dien Galtleuihyniy is ge- 
komen , dienk^elkpy y dienbavixneust die door de locht tot den derden He- 
mel is gevloogen, en zoo voort. 

De Heyligenen Oudvadersmoetmen ook, zooveel doenlijk is, haer 
kenbaere gedaentens geven. 

Den Heyligen BafüiuSi fchrijftmen, was lang en recht van lichaem, 
droog, mager, donker van kolcur, en een weynig bleek van aengezigt, Balllius. 
verrukt in gepeynzen, welgemaekt van neus, met gekrolde winkbrauiven , 
weynig gerimpelt, langwerpig vankaeken, de Tempels vanden hoofde 
een weynig uitgehaelt , lang van baert en van middclbaere ^rijsheyt. 

Gregorius Naz.iatJZ,enuswdsyan een middelbare ftatuer, zoet van aenge- q 
zigt , maer wat bleekachtig , halfkael ; zijn baert vi'as dik , maer kortachtig ; Nazunzeen, 
zijn winkbraewen lang j hyhad eenlaegen neus, en het rechteroog een 
weynig ingetrokken , door 't gebrek van een litteyken. 

De Patriarchen en vorften des ouden Teftaments vereyfchen ook, dat- 
men 'er 't geen 'er van te vinden is , naezoekt. 

Mofes was een lang goutgeel man , draegende lang hair met een grooten Mofes. 
baert, van zeer eerwaerdigenaenzien; ze^t Alexander Poljhifior. Maer dat- 
men hem met horens fchildert , is belachelijk. Want als hyvan den berg 
daelde , is hy wel glinfterende van aengezicht , maer niet gehorent oeweefh 
Drfvi^wasbruinachtich, met fchoone oogen , en van goeder geftalte. Saul ry -, 
was de fc hoonde man, die men zien mocht, endaerby een hooft langer, Saul. 
dan al het volk. Maer alles overal uit te ziften , valt my langwylich ; dies laet 
ik de liefhebbers , nae dat ik hen den weg geweezen hebbe , voorts begaen. 
Echter , dewijl ook de groote Filofofen verdient hebben , datmen haere ^ . 
beelteniffen fomtijts te pas brengt, zoo laet ons ook zommige van hen op- fg^ pjato' 
zoeken. P/^fo was fchoon en rterk van lichaem, zoo dat men zegt, dat hy, cn andere.' 
van wegen zijne breedefchouderen, groot gezicht, en kloek lichaem, den 
naem van ?Uto verkregen heeft , daer hyte voren Arifloteles genoemt was. 
Maer zijn meefl^er Sokrates , zegtmen , dat een kaelen kop met een weynich 
blond hairhadde, en voorts een platten neus , bultige fchouderen, en 
kromme beenen : Zoo dat Zopjro uit de kroollkunde hem oordeelde een wel- 
luftich en verlooren menfch te zijn.5pf«/f/»ptti wiert gefchildert met een krom- 

O z men 



io8 C L I O. 

men halsj Aratus met een gebogen nekj Ar'tjloteles met een uitgeftrekten 
arm; Xenokrates zijn been eenweynich oplichtende; Heraklpusmct geflo- 
ten of fchreyende cogen- Demokritusul lachende. 

Zeno meteen gefronlt voorhooft j Epicurus meteen glad gefpannen huit; 
Diogenes met een ruigen dichten baerr. 

C/^ry^ppöi hielt zijn vingeren famengedrukt als tellende; Euclides fchijnt 
die te openen, als om dacr mede te meten; en de vingers van Kleantheswa- 
ren beknabbelt. 

Efchilus was kael , en glad van kop ; Efopus en Krates mismaekt en gebult. 
Maer ik zal ophouden, opdat ik , metalnaetekaekelen, wat andere voor- 
deezen gezegt en gefchreeven hebben , niet onweetende liege. 

Het kan ook voorvallen, datinen de gefchiedeniflen van ons Vaderland 
afbeelde. Maer dan dient het vooral, datmen eenige kennelijkheyt in de 
perfoonen brengt. De geeflel van Nederland den Hartoge van Alva was 
reyzig vanlichaem, zijn troni meer fchoon, dan aenvallig, mager, hol- 
oogd enftraf vangelaet. Prins Wïüem-, de grondlegger van onzen ftaet, 
was van meer dan middelbaere lengte, geeftrijk vanoogen, en dezelve, 
als ook het aenfchijn en den baert, bruin. Jn zijn ernftig gelaetftak een 
gunüige en joviale vrolijkheyt uit , gematigt nae zijnen ftaet , hy was eenich- 
/ïns mager , nochtans vroom en welfchaepen. Du s moetmen ook op de ge- 
daentens der andere beroemde Vorften, en der naebuerige Koningen let- 
ten, zoo alsze doordefchrijvers befchreeven zijn, of datmen verneeme, 
of men zelfs geen Schilderyen , of printen van haere beeltenifl'en kan vinden. 
Maer alles na te vorfchen , zou ons te moeylijk vallen, en dit Hooftdeelte 
lang maken , derhalve laeten wy de reft aen de onderzoekers der oudheyt. 



ACFITSTE HOOFTDEEL. 

Van de hartstochten en driften desgemoeds . ; Zijnde het 

eerfte tit in de tweede waerneminge -, te '■ju et en van de 

daed der Hiftorie, 

Lidus dan de Perfoonen , die gy voorneemt uit te beelden , u zel- 
ven voor oogen geftelt hebbende , zoo moogt gy u tot de tweede 
opmerking bereyden, welke verkeert ontrent de daeden en be- 

drijven in de Hiltoryen. Als daer zijn offerhanden, Feeften, 

Triomfen , Speelen , Reyen , Renloopen , Jachten , Strijden, Kampgevech- 
ten , Schipbreuken, Bruloften , Befnijdingen , Doopen, Sterven , Aenfpra- 

ken> 




Het derde b oek . i op 

ken, Raetplegingen, Moord' en Roveryen, Schakingen, Verloffingen, 
en al water onder demenfchen kan gefchieden. 'tZy dan welke gy ook 
voorneemt uit deze ot andere gebcurlijkheden op 't Tafereel te brengen ,zoo 
wordcn'er, ten aenzien van de beelden, nochdriederleye onderfcheydene 
aenmerkingen vercyfcht. Als eerftelijk, om dewaere en rechte driften der 
gemoederen, die de gefciiiedenis veroorzaken , inyder Perloon , nae 't be- 
lang , dat hy inde zaek heelt, te doen zien. Ten tweeden, ox\i de eygent- 
lijke bewegingen den lichaemen nae haere doeningen toe te paflen. En ten 
derden, datze zich op een manier vcrfoowfK, diedekonöeygen is. Gelijk 
wy dan van deze twee eerfte aenmerkingen vervolgens zullen handelen. Wat 
de derde belangt , zy is Kaüiope ten deel gevallen. 

Van de driften des gemoeds , lijdingen der ziele , ofte Hartstochten ftaet 
onsdaneerfttefpreeken. Leer nu, óSchilderjeugt , dezeallerkonftichfte 
rol fpeelen. Polus, als hy de perfonaedje van Eleclra op 'c Toneel t' Athenen 
yertoonen, enhaer gejammer over degewaende moortvan Orejies met de 
valfche doodbus uitbeelden zoude , zoo heeft hy de waerachtige doodsbecn- 
deren van zijn eygen lieflten Zoone opgegraven, en met de zelve de rol 
van de bedroefde Princes overwonderlijk uitgeboezemt. Zoo moogt gy ook, 
als ueenigen druk overkomen is , umet dekunfl trooften, en als u iets be- 
haeglJjx voorkomt , zoo is'ttijdt, dat gyaenmerkt wat innerlijke gevoe- 
licheden en uiterHjke bewegingen deeze hjdingen veroorzaken. 

Arifiides Thebanus w^s den eerften, die de hartstochten en beroeringen ^^ i^^qI^j^ ' 
des gemoeds in zijntronien vertoonde. Hy beelde een gewond leggende begon re va- 
vrouwe in een overrompelde ff adt uit, diehaer kruipend zuigkind van hare toontn. 
bebloede borftcn zoogt af te weeren, daerde flaeuwicheitin'tfterven,de 
moederlijke voorzorge, kommeren droef heit , een yders verwondering 
verwekte. Nicearchui fchilderde Hcreules ganfch bedroeft en bcfchaemt over 
zijn razerny. Cff/ï/<fj maekteneen doodbrakenden menfche , daerinmen 
zienkonde, hoeveel lecven 'er noch in was. Hy [chüdcvden ook '^upiter in f "^'^"'^ 

? • t I II 1 1 1 » « I -^ I b-ircnsnoor. 

arbeit gaendevan Bacchus, al kreunend en kermende. Matr deeze bewee- ds tochten 
gingen des gemoeds worden wel incell in het aengezicht bcfpeurt , na wel- worden 
kers trekkingen die van het lichaem zich ook voegen : zoo dat, wanneer- "'^''•'^i" ^^^ 
men die van het aengezicht machtich wort zich zelven in re beelden, "i^" k.f*^ ,,',/ 
die van het lichaem te lichter zal kunnen raemen. 

Wilmen au eerinleggen in dit alleredelfte deel der konfl, zoomoet- 
men zich zei ven geheel in een toneelfpeelef hervormen. Ten is niet genoeg, 
datmen flaeuwelijkeen Hiftorye kenbaermake, DfWo^/)f«ei was niet onge- 
leerder als anders , toen hem het volk walgelijk den rug toe keerde : maer fe- 
dert Satyrtu hem Euripidesen Sophokles \a.etzci\ met beeter tooncn en bevallij- 
ker bewegingen had voorgezeyt , en hy hem zelven met een half gcfchoorcii 

O 3 hüoic 



tit) C L I o. 

hooFt fomtijtsdriemaendenopgefloten, en geheel den komediant lecren 
nabootfenhadde, federt, zeg ik, hoordemcn hem als een orakel der wel- 
Hoemtn fprekentheit. Dezelve baet zahnen ook in 't uitbeelden van diens harts- 
zichhitrin tochten , diegy voorhebt , bevinden, voornaemlijk vooreen fpiegel, om 
moet oefFe- te gelijk vertooner en aenfchouwer te zijn. Maerhieriseen Poctifche geeft 
""' vannoode, omeeniedersamptzich wel voorteftellen. Die deeze niet en 

gevoelt, treevry terugge^ want hy en zal de zaek niet machtich zijn; ten 
'tGcIaetdcs y^^aer hem eemch Godt of Poëet de hulpige hand bood. Hetgelaetdes aen- 
aengc7.ichts. ^rezichts wort wel te recht den fpiegel van het hart genoemt ^ waerin gunft 
enwangunft, liefde en haet, vlijt en traegheit, vreugd en droef heit , en 
zoo veel hartstochten , als 'er in 't gemoed zich oy t beweegen kunnen , ge- 
zien en als geleezen worden. De goedaerdige fchaemte ontdekt zich in een 
vloed van deugdelijk bloed, endevreeze ineenebbe. Maer een kalm ge- 
moed ruft in een wel getemperde ver we. 
J'Oü.^en. Onder alle dcelen des gelaets fchijnt demeefte veranderinghindeoo- 

ocn , die dikwils door een onmerkbare beweeging nu een blygeeltich 
fchijnfel uitgeven, of dooreenige droefachtige wolken benevelt fchijnen. 
Blyifclijn. In wereltfche inenfchen bteltmen Latitia dat is blyfchap uit, maer in de 
"eenc die na Godt leven, gaudium , datis, verheuginge. Praxiteles maekte 
Lacchcn. van beeldflofeen zeer blijde lacchende tronie, en daer tegens een andere 
zeer natucrlijk fchreyende , beyde na de gelijkenifle van Phrjne ; betoonen- 
in twee gelijke tronien zoo verfchillende driften. Zoo had ookdenGiet- 
konftenaer Myron vermaek in een oudt geeftich dronken wijf met een byzon- 
dere aerdicheit uyt te beelden , waer door hy grooten roem behaelde. Maer 
zulk een vreugde bequam Zeuxii zoo wel niet : want terwijl hy met dicrge- 
lijk een drollige bes na 't leven te fchilderen bezich was , barfte hy zelfs zoo 
oeweldich in lacchcn uit, dat hy daer van verftikteen ftorf. EenSardonife 
lach is die niet over de lippen komt , en zoo loeg Tjgranes in't bedekken van 
S. Duplex zijn verbaefthcyt. Wat vorder de droef heit betreft, den vermaerden Ti- 
vir.olgvan mantims zijn Iphigetiia voor het Altaerenofferreedefchilderende, maekte 
van Livius. al den omlland droevich fchreyende , over 't fterven van d'onfchuldige 
x.boek. maeot, maer zoodanich, datmen yders treuricheyt van eens anders kon 
Iro5hcd«i onderfcheiden:wantdenwaerzeggerlC4/c/Miftont'er ganfch bedroeft, Vlif- 
/fizwaermoedich, ^j^xalsraezende regende goden, en AlfWf/4«i als haer 
Oom jammerlijk wecnende. Maer als hy quam tot Agamemnon , zoo maek- 
te hy hem het acnfchijn bedekt, meteen flip van fijn mantel, om dat hem 
den druk des benaeudcn en jammerenden Vaders, over'tnootlot van zijn 
lieve Dochter, onmogelijk dacht te kunnen uitdrukken. Hier en kan ik 
niet voorbyoaen , hoe wy Schilders gewoon zijn, in het bitter lijden Chrifti) 
de Moeder Maria , als den Zalichraakcr aldemaeft , met de grootfte bewee- 



Het derde Boek. i \ i 

ging ) die ons mogelijk is, uit te beelden : 't welk gemeenlijk is met haer te 
doen bezwijmen, en ind'armen van d'andere Marjen van haer zelve te 
doen vallen : groote Meellers hebben dit niet oneygen geacht , wy hebben Drocfhcyt 
henook hierinnagevolgt. Maer zeekeren Johannes y tans by de zijne ge- Maiie. 
noemt Billchop van Uitrecht , beweert in zeeker tratfiaet , dat deze wijffche 
teederhey t aen de grootmoedige en hoog verlichte Maegt niet en palt , die 
haer zoo ganfch overgegeven hadde, om alles wat haer van God over- 
quam, geduldich te lijden, 't Welk ook van Mfr4/)/;My?^i uit zeekere oude 
f chriften betuigt wordt , en dat zy haer wel betoonde als een Moeder , maer 
Moeder van den geenen , die aen de hartstochten maet ftelde. Johannes den 
Evangelifi; zegt , dat zy met d'andere Maiyen by den kruifl'e Üont , en aldaer 
het bevel ontfing , vanden Difcipel, dien de Heere lief hadde , tot Zoon 
aen re nemen, en van hem als Moeder aengenomen te worden. Ik, wat 
my aengaet, wil haer in 't toekomende liever, met Tmanthui ^ als Aga- 
memmn het aenfchijn bedekken , als my , met haer te veel weemoedichcyt , 
of anders te veel ftantvafticheyt toe te eygenen, te vergrypen. Dit dient 
echter by een vernufiich Schilder vaft te (taen , dat hy de beweegingen van 
droef heyt , zoo veel hem mogelijk is , nae den aerd en eygenfchap der Per- 
foonen, ofmeerderofminder doe blijken. De Stoiken riepen, dat deeze 
hartstocht een rechtfchaepen man noit en behoorde tebeweegen : maer de 
Schilders en Treurdichters geven aen haere Tafereelen en Toneelen , door 
het uitbeelden van verfcheyde droefheden en jammerklachten, het belle 
fieraet. 

J)fWO«van Athenen, om de konftin topte voeren, heeft wat vreemts 
beflaen; Want als hy een beek , als Gf«?aj van zijn geboorte ftadt, zoude ^^'^r'-' 
maeken, zoo nam hy voor,al de driften der Attifche fteedelingendaerinte eenbtrcit» 
vertoonen. Endeeseenige figuer zoude fchijnen te zijn dartel, ongefta- 
digh, korzel , onrechtvaerdich , en nochtans fpraekzaem , goedertieren, 
üout en ontfarmende , opgeblazen en ootmoedich , en eyndiijk ontzinnich 
en vervaert. Een vremde mengeling van hartstochten, die voorwaer niet 
wel zijn te vereenij^en. Maer de groote geeften hebben meer ter proeve ge- 
üelt, alsuitqevoerr. Ik houde veeleer, dat hy de twijfeling zal uitgebeeld ^*'i^^''"ft 
hebben, zijnde een gedaente des aengezichts, waer in verfcheyde beden- 
kingen onder duiRere winkbraeuwcn en onvafte oogen overhoop leggen. 

Hoewel het ook wel mach zijn dat hy , door by voegen van verlland uit- 
beeldende dingen , zijn voornemen uitgevoert heeft : als met de gedaentcn 
harerkleederen, handtuigen, gedierten, en dergelijke, dacr C^/ir Ripa 
byna al wat bedenkelijk is , meede uitbeelt. De Poëten doen hare perfonaed- 
jenookwel veelerley driften byna al teffens vertoonen, gelijk Ta^o van 

Armide zegt : 

Na 



112 C L I O. 

r.'ciff. üng, Ku hootjlz^e kuiffcbe fchaemt met ncergcpugen oogen , 

b.dcnkinge. p^^ z.iet::.e in 't ronde elkjien , en heeft' er al beweogen 

Als in een oogenbUk^door een bjz.ondre drift 
En dtaz,entderlejfflacb van hacr bedekt vergift, 
VcrwonJc- Ai7roM maekten een Satyr, die zich over zijn pijpen verwonderde. Theodortu 
""S* fchilderde Leontium de vriendinne van Epicurus als opgetogen ia een diepe be- 

denkinge. Zoo heeft Frotogenes PluUiktn ook als in een verruktheit uitge- 
beelt. Kir^if/ fchildert Lattnui dochter in droef heyt en fchaemte aldus uit: 
lavmie hoorde haer moeder kermen, en de traenen biggelden langs haere 
Schacnu:. blaekende wangen: z'ontftak van fchaemte zoo root als vier, en al haer 
aenfchijn gloeide: gelijk cfiemant Indiaenfchyvoir metbloetroct purper 
overllreek , of gelijk weerfchijn van roode roozen onder witte leliën fpeelt, 
zoo bloosde de maegt in haer aenfchijn. Zeeker het kolorceren valt den Poë- 
ten lichter, als ons Schilders. Ec/;io« fchilderde een nieuwgehuwde, die 
een 'iierklijke fchaemte hadde. Voorts wegens het uitbeelden van tochten > 
en voornaeinüjk van droef heit, heeft Broer Lippi van Florencen geen kleine 
eerebehaelt, want hyze zoo natuerlijk vertoonde, dat niemant zijn werk 
zonder deernis kon aenzien. Een verwoeden befchrijft ^fwfi^meteenbars 
Eenverwüc;- endreygend aengezicht, treurich voorhooft, fchriklijke gedaente, ver- 
haeftegang, trillende handen, veranderde verwe, en met barftende zuch- 
ten. Lnhierby gelijkt hy de vergramde, hun oogen branden en glinfleren, 
prTnidc" hun aengezicht is rood van 't bloed, dat uit hetdiepRe van hun ingewant 
opwelt j hun lippen bceven , en hun tanden klapperen, hunhairen ryzen 
te berge, hun adem isgeprangt en hijgt, hun vingeren kraken in 't wrin- 
gen, hun ftemis heefchen fchor, zyllaen in de handen, en flampen met 
voetan, hun geheel lichaem fidderten dreygtfchriklijk, hun gelaetis Ice- 
lijk gezwollen en verderft zich zelve. Zoo zegt Aio/f ;, dat K^iwi '^baerzich 
van toorn veranderde. Ttmomachui heeft den raezcnden A]ax atgcinaelt , en 
Korfelkop. hoe hy zich in dezeontzinnige dolheital aenltelde. 5//4;./ö« verbeelde den 
fcn. wrevelmoedigen konftenaer Apoüodoru', , en maektehem niet alleen gelij- 

kende, maerzou, datmen 'erzijnkorzelkoppige kriegelheitin befpcuren 
Domituen kon. Coiffeteau zegt van Domitiaeny datmen de gramfchap in zijn oogen 
grani,lioog- zach glinltercn , de hoogmoed zich op zijn voorhooft vertconen , end'on- 

'"l'^'I"; belchaemtheitop ziin aentrezichtuitbarften, diens bloozende verwe, van 
oiibeicbacmf , t \ ^ ,• i j r l-u i i 

de naruer tot een tcyken van zedicheyt daer op gelchudert , eer een dekman- 
tel van zijnonbefchaenuheit , dan eenteykenvan fchaemtewas. Wilt gy 
eenonverftandichmenfche, onleerzaem, en vanfchelmachtigenen verra- 
Eenon- derfen aert , onkuiscn lichtvaerdich, jae van alle ondeugden famengezet , 
deugend te bert brengen , zoo fchildert een groven dikkop, methair, als zwijne- 
nicnfch. borftels , met groote fcheeloogen , met hangende wangen , met een 

breed 



Het derde Boek. 112 

breed ingeboi^cn neus, met omgekrulde dikke lippen, met zwarte tan- 
den, voor en achter gebult, korte dikke kromme beenen , of ten minrten 
aiankgaende- enlaetdan vry een Phyfiognomus uw meening fpellen, ik 
wedde dat hy zeggen zal , dat gy 't rechte wit getroffen hebt. £n nochtans 
wort Sokï^es zoodanich befchrevenjdie door 't overwinnen van zijn weder- 
waerdigenatuer, eyndlijk zoo ver gekomen is, dat hy door Apoüos orakel , 
den wijften onder allemenfchen isgenoemt geworden. Dat dan Sokratesy 
Efopui, en dergelijke, uit dezen konftregel worden uitgezondert; en ons 
ten prikkel dienen , om onze aengebore gebreeken ook te wederüaen.Maer 
wy geraeken dus weederom in de Krooftkunde ^ waer van ons Pobmnia reets 
itaeltjes genoeg gegeeven heeft. 

Devreeze, die den wijzen nieten paft, enwelx ftedede voorzichtig- 
heyt behoort te bekleeden, verfiert een Schildery, als menze wel uit- 
drukt. 

De manier van een bevreesde natuerlijkuit te beelden, wiert Francisko Sta^Ivaneei: 
Monfignori van Gonz^aga Hartoge van Mantua geleert : Want als den Schilder l>S'reesdc. 
>ret alle vlijt eenen Sint Sebapaen naer 't leeven gefchildert hadde , zoo be- 
gon den Markgraef, als hy hem zach, Francükpte berispen, zCii^gende: 
Dar in dezen gefchilderden Heylich de fchreum en vreeze van gcfchoten te 
worden, die hy meende dat 'er in behoorde te weezen , ontbrak: en dat 'er 
noch behoorlijke fchrikin hetaengezicht, noch rekkingen trekking der 
zenuwen en (pieren te zien was : dat hy derhalven , als hy zijnen man , 'twelk 
een arbeyderwas, wederom geftelt en gebonden hadde, hem zoude roe- 
pen, hy zoude hem toonen, hoe 't behoorde te zijn. Motifigmri 's anderen 
daegs zijnen gaft gebonden hebbende, riep heymelijk den Markgraef, doch 
zonder te weeten wat hy voor hadde. Maer Iranciskp Gonz.aga , tot zijn voor- 
nemen berey t zijnde , quam als zeer verftoort , met een geladen en gefpan- 
nenkruisboog uit een andre kamer, roepende tegens den arbeider: Ha jou 
verrader! Nuzijtgydoodj hier was 't dat ik u begeerde. Den armen man 
in doodangft wrong en trok om de touwen te breeken, zijn aengczicht 
wiert doodverwich , de zenuwen fpanden geweldich , en vrees en fchrik 
fpeclden haernatuerlijke Rol. En aldus wiert door aenwijzingvan Mark- 
graef Framükui den geeft van den Schilder Franciskus zoo wakker, dat hy 
zijnen Sebafiiaen een geheel andere, maer ganfch verfchrikte gedaentc 

Hier nevens noch een ander ftael, maer niet zoo gevaerlijk. Mijn broe- Eenander, 
der Johan, als hyby my tot Weenen was, en nevens een befchuldigende 
dienitmaegt , een bedeesden Sïnt Vïeter wouw fchilderen , ging op den 
Graven, of de mart , ontrent de oude en gevryde bedelaers; hy vont'er 
eet} , dien hem dacht dat hem diende , dien hy verzocht hem te volgen. De 

P goe- 



114 C L I O. 

goede man, ophoop vaneen inilde aelmoes, quam met hem tot in ons 
huis, zonder te weeten wat hy doen zoade, alzoo hy mijn broeder, die 
geen goet Hoogduits fprak, nieten verftont j maerals hyhem tot in zijn 
kamer geleide, enhy die zoo vreemt , hierniet een dootshooft, en daer 
met een hoofdelooze leeman op zijn Schilders verzien zach , begon de goede 
man alsganfchontUelttebeevenenfidderen: deshy hcmtemmlijker toe- 
fprak, en te meerder vorderde om te gaen zitten, met goede beloften van 
koft en Joon. Maerden armen man bracht wederom alle verfchooning in, 
en zocht t'ontglippen , en rondom ziende kreeg de deur. Den Schilder 
geftoort zijnde, fcholthem voor een Icuijaertde aelmoellen onwaerdich. 
Hy wederom zeyde : Ach ik heb den heer niets misdaen , daerom laet my 
gaen, ik ben een oprecht man. Ik quam juiüt' alle geluk opditgefchil en 
qeruchtinhuis, en verftont uit hen beyde, wat 'ergaens was. tn voorna- 
mentlijkvandenbedelaet) dieom zijnleevenbad. Hetwaermy onmoog- 
lijk geweeft hem te paeijen , maer verfcheyde perfoonen toefchietende , on- 
derrechten hem zoo wel , dat hyeyndlijk overwonnen wien: maerhy znt 
met zulk een vrees enontfteltenis, alsof hy .<>iMtP/«fy zelfs geweeft was j 
zeer dienftichtothet voorgenomen onderwerp, en eens uit ons huis ko- 
mende liep hy, als waerhy uitgebroken, en wat beloften hem namaels ge- 
daen wierden , hy wilde noit meer wederom komen , ter plaetfe , daer hem 

Smekende, jjacht , dathybey Duivel en dood gezien hadde. Arifiidesbeelde een {mer- 
kenden uit> dat het hemzelf aen de ftemmeniet enfcheen te ontbreken. 
Maer laet ons tot vermaeklijker driften komen. Van de verliefde Arm'tde 
komt dit vaers : 

yj y r Met lachende oogenbeeftz.^ hem ter Jluikbevochtefti 

den. " -Ew voerde 'm y der lonkjcel duyz^entderley toe hten. 

Onzen Poëet Vermander zingt van verliefde gelieven op volgenden zin : 
Zoogy de tochten van verliefden wilt verbeelen , 
Zoo laet haere oogen vol van rmnnevonken fpeeleny 
Een mond vol vreugd , en een toeneygend aengez^tcht , 
Omhelzjng , ftrengeling , en wat de minneplicht 
Verliefden onderling oyt eerlijkjeerde pleegen , 
Neem waer , en mijd u van 't geen heter dient gexjueegen. 

Eerbaerheyd £)e penelope van Zeuxis , beelden een volmaekte eerbaerheic en zedicheit uit. 
Parrafius ichilderde twee jongetjes, daermen eenkintfche onbekommerc- 

Omioozel- {leitin zach: desgelijx maekte Cephifodorus vm Marber. Inde deugdfame 
liefde, enbegrafideheyhcheitin tronyen,enbevallijkgebaer, heek Bar o- 
z.io van Urbijn grooten lof verdient; maer niet minder zijn landgenoot 
Rafa'él) gelijktezienisindehooge Altaertafelin Araceli, daer in de M4rM 

Heylichcydc cen ootmocdich en zeedich weezen, de Moeder Cbrip betamende , zweeft. 

En 



Het derde Boek. 1 1 ƒ 

£n inden 3fofc<t««fifoberheit, oprechticheit , en gewlsheit des gemocds» 
Andere en meer Af/iriffc^f We» vind men noch van Rafaélt waerinhy zooda- 
nich een godlijke zeedicheit heeft uitgebeelt , datnier de onbefmette maeg- 
delijkheit in fchijnc te zien ; gelijk van een tot Piereneen gezegt wort , wel- 
kers oogen verzeltzijn met zeedicheyt, 't voorhooft met eere, de neuze 
met gratie, de mond met deugd, en het kleed met (Impelheyten eerbaer- 
heyt. Zoo wort ook van B«ö«4ror/i getuigt, dathyineenrondftukeen M4- 
ria fchilderde, metbey deknien geknielt, haer kindeken aen Jofe^h toe- 
reykende, in welkers om ziende aengezicht flarende op'tfchoone kint , 
men een zalich en volkomen genoegen fcheen te zien : En dit was het fluk y 
waer van Agnolo zijn eyfch tweemael verdubbelde. Wy moeten ook niet 
voorby gaen de CeciUavanRafa'ély die zoo godlijk ais opgetogen naer een 
Hemelfch koor Englen luiftert: of de Maria Magdalena in't zelve ftuk , in 
wiens verheugend weezen men 't vernoegen over haere bekeeringe zier. 
Mander prijlldit ftuk hemelhoog , enteykentditvacrsaen, dat'er in Latijn 
opgemaektis: 

Tingantfola alij referantque coloribm ora ; 
CaciUa os Rafaélt atque ammum explkuit. 

Een ander fcbildrejlechts 't uïtivendig wez.en na, 

Urbijn maelde ook,dengeeft in z,^n cecilia. 
Vaneen Marie Magdalene vzn Titiaenvjon aengeteykent, dat zyde oogen 
rood bekreeten ten Hemel flaende, hoewel fchoon zijnde , den aenfchou- 
wer eer tot gelijke tocht van boete als tot welluft verwekt. Dergelijk zach 
ik 'er een van den Ridder van Dijk^, geheel als met een Hemelfche gunft 
overgooten. 



NEGENSTE HOOFTDEEL. 

Van de doening i in de daed der Hijiorie ^ het 
tweede lid der tweede waer neeming. 

Imon Kleoneus heeft allereerft een tronie van ter zijden in zijn Wiedccerftc 
fchilderyen te pas gebracht» doende door dezen nieuwen vond ^ggo^^ylfjc 
niet alleen zijn beelden omzien , maer de zelve ook fomtijts , na beelden. 
. vereyfch der zaken, de oogen op en nederwaerts flaen. Én de- 
ze konftgreep noemdemen Catagrapha. Van die tijdaf begoftmende beel- 
den, als zich beweegende, of iets bedryvende, tevertoonen: tot dat 
Al;rom fchijfwerper , Discobolus ^enoemt ^ in een heftige beweeginge ftaen- 

P 2 de. 




ii6 C L I O. 

de, alle oogenvol verwondering tot zich trok. Het zy nu, datmen een 
enkel beelt, ofveele tezamen voor hebbe, men moet toezien, datmen al- 
leenlijk een oogenblikkige bevveeging , welke voornamentlijk dedaed der 
Hiltorie uitdrukt, vertoone; gelijk Hör4f/<tó zegt; 
Een enkele Brengyder werkjlukj :LOo't behoort, 

" °°o^"- Slecbs enhel en eenweeüch voort, 

uitte'feel-^^ Op dat het werkeenftemmich dentoeziender, als een anderen oinflander 
deti. verrukke, van een felle daed doe fchrikken, en door het zien van iets bly- 

geeftichs doe verheugen: of dathy door eenich aengedaen ongelijk met 
meedelijden bewoo^en worde ; en in een rechtvaerdige daed zich vernoegt 
Dat clks be- bevinde. Hier vereyfcht dan voor al , dat de doeningen of beweegingen des 
■wceging lichaems met de lydingen des gemoeds overeenkomen , al waert zelfinbyna 
met de drift f^jifjiaende vertooningen , gelijk Taj[o\m Armide zingt : 
ovef een°ko^ Z; hield vanfpreeken op , maer toonde in haergelaet 

me , Grootmoedicheit getergt van gratnfchap , fp^t enfmaet 

Met droef hep hetgezjcht ontftakj z.j [cheen te deinzeen 
Meteenen voet tt rug i en toverde door veinzen. 
Alwacrt't Poctifche Schilderyen zijnmy lichter, dan gefchüderde, hier te boekte 
inbynd flil- ftellen. Zie dan, doch met een bezadicht oog, de dartele Armide noch 
Ie beelden, ^^j^^ j^-j^^ Reinout : 

Jij lach op bloemen in defchoonjle maegden fchoot , 

Vah wcergt(looz.e z^eeden. 
Zy had haer blanken bals geheel ontdekt en bloot , 

Degoudkuifhing beneden. 
'/ Ontjïekev aenuiht glom een weynich als bex^weet , 

'Natucïelijkblanketz.el '. 
Haer z^mnen z.ijn verrukt ; het weclicb oog en weet , 

Den wellujigeen belet fel. 
Nochtans 't wantromvend hart om nieuwe mirin'te voen , 

Schept nieuwe en lieve lonken. 
^) kuji , hy kujï weerom. Mtjn penne niet te groen , 
Omgcenen brand t'ontvonken. 
Zekerde Poëten verluftigen zich inhaere Perfonaedjen , naevereyfch der 
zaeken, behoorlijk te doen beweegen: gelijk Howfrj«, die van d'Ithaker 
aldus zingt: 

Ultffes opjïaende om te [preeken , z.acbjlecht neer, 
hy hielt z.ijn Scepter Jiil , en z.onder veel te z^tpieren , 
Alsonbedreeveny fprakjnnoz^el : maerivanneer. 
Zijn ft em voort aenwies , z^elftot bulderen en tieren 
Gel^k^eenfricetiwolk^in de winter , uit de berfi. 
Dan was er niemant die hem oyt antwoorden dor(l. Wat 



Het derde boek. \\j 

Wat de bevveegingen der by zondere dingen aengaet, zy worden gezegt 7.Motusof 
2evenderley te zijn, gelijkmen met dit volgende vaersjeplachuit te druk- bcwcegin- 
ken : ^ g^"' 

't Was op, of neer y ' t quam tot ons , ofverz-wondi 
'r GingjUnx » of rechts , of draeydc zAch in 'r rouL 
Maer de buigingen derleeden ht{d\n)h Alben Dz/ra ze sderley, alsgeboo- 
gen of geknikt , gekromt , gewend of gekeert , gewonden , geftrekt of ge- 
krompen , en verfchoven. JLn deeze zes bewecgingen üelt hy als de gronc- 
veft tot zijn vierde boek , daer hy dan allerley beroeringen der menfchelijke 
Jeeden op bouwt. Maer wy zullen onzen voorgenomen trant volgen. 

Gelijk dan het hooft het voornaemite deel des lichaems is , zoo is het zel- 
ve ook het voornaemfte werktuig , waer meede men de beweegingen dts 
gemoeds met een uiterlijke beweeging te kennen geeft. Het hooft achter Van't hooft, 
over den nek gedrongen , geeft hoovaerdicheyt en trots, maer voor over frotshtyt. 
nederwaerts geflagen>nedericheit, en op zijde hangende flaeuwmoedicheit te pj^c^/^^i^Tir- 
kennen. Het hooft, d at zich met een onbeweeglijk flij ven hals opikekt , didifyc. 
beeld norffe fteegheit enbarbarifche hartnekkicheit uit : maer een ingetrol:- Stce^heyt, 
ken halscngefchortefchouderenkouvvof vreeze. Met het hooft ftemt men , "^ = ^<^^z^- 
toe,of Üaet af, door toeknikken of fchudding,waer meede men ook het mis- onzev"ei°^' 
noegen te kennen geeft. Jiipiter misnoegt, zegt Ovidiusy fchudde drie of toont mis- 
viermael zijn hooft, dat 'er Hemel , Aerd,en Zee van daverde. notgcn. 

Debyzonderedeelen desaengezichts zij,n , als boven gcroert , tot het ^o^ningder 
uitdrukken der lijdingen en driften des geraoets zeer bequaem. Wat de doe- ^ 
ningen aengaet , in de oogen heeftmen het fluiten en ontiluiten , in den ^, 
neuze de beweeging van het fnuffen of ruiken ; in den mond het blazen , ga- Mund, 
pen en bijten. Hier op valt my de vreemde wijze an Zegelen der oude Ba- 
tavieren onze voorouders in denzin; want eer het mijden van wapenen of 
merken, in metael of Reenen ,^ byhen in gebruik was, zoo beeten zy in 
het was , dat zy aen hare brieven hingen , met haer kiezen of wangtanden ,. 
gelijk dit out rijm verkbcrt : 

in wïtncffe oftbefothe , 

leb han buten tbU wax with my wang tofhe. 
Datis. 

Im wetenfi. hap van de z.ekeïbeit , 

Heb ik^ebeten , dit woi met mijn wangtanden , ofkjez^en. y^^ j^ ^^^^ 

Wat de handen belan^t , door dezelve worden voornamentJijk alle daden dnt , 
ofte doeningen uitgewerkt, ja der zclver beweegingen zijn byna by een algc- 
rneene fpraeke te vergelijken. Zy begeeren en belooven, zy vragen,zy wey- Biquaem tot 
geren, zybetoonen vreugde, droef heit, leetweezen , erkentenis» vreeze ""^'g<^^^«:- 
.-^n gruwel: ja zelfs ook getal j mate, tijdt, en wat noch meer bedacht "o^^k 

P ? kan vcüi^icr,. 



n8 C L I O. 

kan worden ; door de beweegingen der hanJen verlhen wy d' allervreemfle 
barbaren; zoo dataien met recht de fprake der handen vooreen algemeene 
fprake aller volkeren desaertbodc.ns te houden heeft. Hoewel 'er lomtijts 
gio ot ondcrfcheit onder de volkeren van verfcheiden landaert bcfpeurt wort« 
IIocwcl (Jelijk in *t tot zich roepen • wantalswy Di;itfcheniemant tot ons roepen 
S^iii ver- of wenken , zoo heffen wy de hand op , en flingeren de vingeren nae ons 
fchillcn, aengezicht , 't welk by den Italianen oneerlijk geacht wort ; maer zy de 
hand uittrekkende , flingeren die na beneen, bynae gelijk aiswyde hon- 
dekens tot ons roepen, maer van verre te zien, yanons weghwijzen, of 
Stad hier af. gebieden van vluchten, niet veel verfcheelende. Gelijk mijn Vader Theo- 
dooïi in zijneerftereyzcinltalien, zeer belachelijk wedervoer: want hy 
in zeker fteedeken in Lombardyen met zijn reysgezel komende, meende 
een Edelman van zijn kennis daer te vinden , en verftaende dat hy te lande- 
waert zich vertrokken hadde , vervolgde met leetweezen zijn reys ; maer 
een veldweegs buiten de ftad zijnde, hoorden zy hen wederom roepen , en 
omziende zagen van verre eenige perfoonen , die hen op de Italiaenfche 
wij ze met het nederdalen der handen wenkten, en met luider flemme toe- 
riepen. Waer overzy verbaeft, vreezende ergens in misdaen te hebben, 
en waenende datmen hen gebood te vluchten , 't hazepat koozen ^ tot datmen 
hen te paert vervolgende, van hunnen waen en vreeze verlofte , en , de 
Rechter- wederkomft van hunnen vriend bootrchappende,ook wederom voerde. 
hand. De rechterhandt verheven uitgcreykt , plachhet aenbieden van vïcede 

tebeteykenen: maer om laeg uitgefteeken , was een teyken van ootmoe- 
dige beede. De handt te laeten aengrijpen , was 't verleenen van genaede ; 
maer die te verbergen gafonverzoenbacrheit te kennen. 

Zeker Cartaegs gezant , aen Andromachm Prins van Tauromenion in Sici- 
lien gezonden , toonde aen hem , zeer geftoort , het binnenfte van zijn 
rechterhand, endieomkeerende hetbuitenfte, hem dreygende, dat zoo 
zijne ftad zouw omgekeert worden, ten ware hy de Korinters verdreef. 
M:ier Andromacbiis , daerom lachende, toonde hem ook eerft 'et binnenfte, 
en ftrax wederoin het buitenfte van zijn hand , zeggende : En zoo zal men 
uwegaleijeomkeeren, indienje nietterftont van hier vertrekt. Antwoor- 
dende hem aldus in de zelve taele. 

Ik kan hier ook niet voorbygaen'tgecne Theodoretus van den Heyligen 
man Militim vertelt : hoc hy , als hy door 't bevel van Keyzer Konjlamius zijn 
gevoelen van de Godtheyt zoude uitten, gelijkenilFer wijze drie vingeren 
opftak, en daernaede twee ingetrokken hebbende, en een alleen uitge- 
ftrekt houdende , deeze korte woorden uitfprak : Drie zijnder , die verftaen 
worden, maer wy handelen en fpreeken alleenlijk als vaneenen. Doch So- 
z^omemii verhaelt het aldus : dat de ovcrfte Diaken in zijner Kerken , als Mi- 

littM 



Het derde Boek. ^ j 

//riw^nochfprak, zijn hand uitilrekte, en zijnen mond toehieJt. Maer dat 
hydaerentegen met zijne hand, zijn meyninge klaerder, dan met woor- 
den, aenwecs: W ant drie vingeren d' een van d* ander uitfpreydende, en 
daer nae de hand wederom fluitende , gaf hy 't volk met deeze fit^uere te ver- 
ftaen, dat diedric een zijn. 't Welk hyals den Diaken afliet , met luider 
ftemmebeveftichde, roepende, datmenzichaendekerklijke befluitin^en 
van Nicene moft houden. Hoed' Oud vaders door 't oplecgen der handen 
pleegen te zeegenen , leert ons de H. Schriftuer. 't Zelve deeden de Opper- 
prieitcrs ook in 't inwijden der offerhanden. Ook leyden die 't gehoort had- 
den den lafteraer de handen op 't hooft , als zy hem overtuigden , en om gc- 
fteenigt te worden verweezen, j^^irw verzocht onzen Zaligmaekcr , dat hy 
by zijn Dochterken, dat in haeruiterfte lag, komen zoude, en haer de 
handen op leggen, opdat zy in den leeven mogt blijven. Gelijk de f-leere 
ookacndekinderkens, die tot hem gebracht wierden , geplecgt heeft. Dit 
hebben d* Apoftelen ook naegevolgt , wanneer zy iemanden tot'hec Leeraer- 
fchap afzonderden , ofhaerdegacvcdes HeyligenGeeftesmeede deylden. 
Enals'ereengeheele vergaderinge zoude gezeegcni worden: 't welk on- 
geleegen fcheenom aen hooft voorhooft te doen, zoo gekhiedezulx al- 
leenlij k met het opheffen der handen. 

't Welk de tegenwoordige Pauzen met uitgeftrekte vingeren wel deftig 
weeten naetebootfen. Maer deeze plechtlijkheyt is ook by de Heydenen 
in gebruik geweeft ; want wanneerze een Tempel zouden inwijden, zoo 
molt de Priefter zijn hand op d' een of d' ander Pilacr van 't gebouw leggen , 
terwijl hy beezig wis met de woorden van de toeheyliging uit te fpreeken, 
Metdeduimieiiiant te drukken beduide gunltengewogenheyt • maer die 
om te keeren , was een teyken van haet. 

Metdemiddclfte enJangfte vinger op iemand te wijzen , was 't merk- vingcK. 
teyken van fchimp en hoon. 

De vingers en handen tn malkander geflooten , voornamentlijk, als 
men de knien daer mede te famen hielt , wiert ontrent een vrouwe , die op't 
uyterfte zwanger is, voor een wangunftige Toveryegerekent. Maer hoe 
het bolle Meys je G.iHantis Lucina-t dicdit kunsjerpeeldc, bedroog, doet 
Ovidius Alcwena byna op dezen zin vertellen : 

ikj'an een Godt bevrucht , riepftACg Lucyne om haet , 
Z^ quam , maer omgekocht v^n J u no z.at op (iraet 
Voor onz.e deur , enjïoot met [aemgevlochte handen 
Haer kjitejen dicht hy een. lk.kreet , ti^fchreeuwde in handtn j 
JAaer al vergeeft , toi dat om B^oothairtjcGalzm , 
Die nukken merkende , h^er uilloeg : Wel ipatfchand 

Is't 



120 C L I O. 

Is't , uyu : ^Aigy hier dus z.it en uet z.00 ooiik^, 
Alcmene ii van een Zoon verlojl : kpm wees mee vrolikj 
Lucvn dit hoorende fproiJg op , en als vervaert , 
Liet bey baer banden los , enjirax heb ikgebaert. 
Wat de verdere becveegingen der handen aengaet, en hoe zy de fprakc 
te hulpe komen, en de verdere hartstochten gehoorzamen, zultgy, wan- 
neer cy 't vorige Ht deezes deels , daer vvy van de driften des gemoeds fpree- 
'cLic.ucm. j^gj^^ grondich verltaet, wel uitvinden. De beweegingcn des lichaems 
volgen die van 't hooft en handen. Mancerus maekte een ademtochtigen 
worllelaer. "En Demon, of zoo andere zeggen P^rru/ïwi , inaektetweeftuk- 
Ailtmhalers. j^^^^ ^ Hoplidides oenzemt , waer in deneenen zijn adem als ganfch vermoeit 
zijnde, bezwaerlijk fcheen te halen, terwijl hybezich w:^s methetont- 
f^efpen van fijn ruüing: En den anderen in't volle harnas zoo geweldich te 
Looper'!. foopen , dat hem het zweet ten aenfchijnuitberlte. De borft, of liever het 
^'^^"tli t°^^ hart, deeltaen't geheel lichaem zijn beweeging mede. Hoor vrat Virgiel 
wegens de wagenmennende jongelingen in denrenltrijt, hier van zegt : 
Gy z.iet in 't renperk^, als de raden , regelrecht 
Gefchooten uit de lijn , omjirijt ter baene in rennen , 
Hoe 't aengeprikkelt hart derjonkjjeit , onder 't mennen j 
Van angji en vreez.e beeft , en popelt in het lijf. 
En boez.e met de zjveep vajl klatrenfel enjitff-^ 
Hoe Z-; den teugel op dennekjerpaerden leggen ^ 
En hoe de beete rmi met kracht party ontz.eggen , 
En vliegen langs het perkt en hoe de Voerman vlucht, 
'Danz,it, dan over endt omhoog ^ door d'ope lucht. 
Voor wind in't ruime fcbijnt te ^.wieren , en te z^iveeven, 
Zy jagen immer voort, en tvorden aengedreven. 
Dat bun hetftofalfws om d'oorenftuift en vaert. 
Zy tvorden nat vanfcbutm en wae(fem van hetpaert. 
Zoo groot is ookde luft naer lof, ookj^elf met fmarte 
Den braven renner gaet de renprijs z.00 ter harte , 
Dat hy eer 't leven wenfcht te miffen , dan het merk. 
Van z.eege , en z.onder prijs te keer en uit dit perk- 
Hoe de beweegingen der leeden met her werk , dat het beeld doet , moe- 
ten overeenkomen , hebben wy onzes bedunkens nu genoeg geleert. Nu 
moetmen acht geven, ofdeeze bewegingen ook flap of geweldig zijn. An- 
ders voeren de vorften het zvi^aert, wanneer zy haere Ridders maken : en an- 
ders wort den Sabel in de hitte van 't Kampgevecht gebruikt . Wanneer den 
oorlog ftond aen te vangen > zoo namen de Roomfche Vorften de bloedige 

Speere, 



Het derde Boek. ï2i 

Speerc> è\chj Bellomei Tempel bewaert wiert, en keerden dezelve met 
de punt nae de geweften der vyanden, als door deeze plechtlijkheythen 
den oorhDg verklaerende. Dergelijke beweegingen worden zeediglijk uit- pkchtlijkc 
gevoert: gelijk ik gezien hebbe, toen Leopoldus , tansRoomfcliKeyzer, bcweegin- 
tot Koning van Hongaryengekroont was, en hy, nae d'oude gewoonte, den S^" moeten 
Sabel , op een hoogen heuvel gereeden zijnde, teegen de vier winden zwaey- m"erd"ft,> 
de. Die dit, of iet diergelijx khildert, moet weltoczien dat hy een plech- zijn. 
telijke, en geen vechtende beroering vertoone. Zoo ook ontrent aadere 
hoogftaetlijke oï kerklijke zaeken. Legt uwe hand onder mijn hcupe , zegt 
Abraham tegens zijnen knecht , en ik zalu bezweeren by den Heere. Dit 
moet aendachtiglijk , en niet als fchermender wijze toegaen. maer daer den 
Engel te Pniel, alshyjf^i^ot niet over en mocht, hemdeheupe verlemde, 
wiert meerder gewelt gebruikt. Nu ik van de heupe gcwach maeke, zoo moet 
ik dit noch van de beenen zeggen : dat haer werk is het lichaem te draegen, en 
dat zy in gaen, ftaen, loopen , tillen , reiken, jae zelf in zitten en leggen, zich 
nae't bovenlijf voegen, 't Was aerdig,dat Akamenei den manken Smit Vulkaen 
zoodanig had afgemaelt , datmen in hem een heymelijke , doch wel voegende 
lammigheytbefpeurdej fchoonhygekleetwas, enftokftil ftont. Hoewel 
dit aen andere , doch tegen haeren danck , genoeg toevalt, dat haere beelden 
lam fchijnen, fchoon zy geen Mulcibers voor hebben. In den zittenden vuigen 
arbeyder van delSarto flak de leuiheyt in al de leeden : en in den Ocnos van So- 
(rates een verfoeilijke floffigheyt. Pithagoras Liominus maekte zynen Hincke- 
poot zoodanig , dat d'aenfc houwers de fnierte zijns verzwooren beens 
meenden te gevoelen. Maer dit en kan niet konftichlijk in't werkgeftelt 
worden , ten zy men het derde lit dezer tweede waerneemingc meefter is , dat 
is, datmen weet, op wat wijze men deze aerdicheden in.'t werk ftellen, 
enop'tgevoeglijkft vertoonen moet, waer van ons X<j//i<?/)f belooft heeft te 
handelen, alsze van de fchoonhey t en graefTclijkheyt gewach maekt.De groo- 
te clio zal zich nu vernoegt houden met het geene wy tot aenmoediging , om 
algemeen in de konft te worden, gezegt hebben : En hoemen de konftftukken 
in driederley graeden verdeelen kan. Wy hebben , met haere hulpe, de din- 
gen, die in een Hiftorye zijn waer te neemen, aengeweezen : vandeperfoo- 
neelekennifTe gefprooken , van de tochten en lijdingen des gemoeds gehan- 
delt, en voorts betoont, hoe de lichaemen zich na de hartstochten beweegen. 
De jeugt aldus in deeze derde Schoole ingeley t zij nde , zal ftofïe genoeg vin- 
den, om den geeft voor eerft werk te geven. Erato zal ons dan wijders de derde 
waerneming op haer beurt leeren, en te kennen geven, hoemen tijdt, en 
plaets, en wat meer tot de omftandicheden behoort , na vereyfch der 
Yoorgenome gefchiedenis , moet onderfcheyden. 

Q. ERA- 



121 E R A T O. 

E R A T O. 

De Minnedichtfter. 

Het vierde Boek. 
Inhoudt. 

I 3E Liefde Zanggodin ont fluit het vierde School, 

Zy leert Hijioryen omflandich te beleyden , 

En wij ft den tijdt ^waer in iets beurde , f onderfcheyden , 
kAIs ook deplaets : Zy bouwt de kiinfl een Kapitool^ 

tj^let gaenderyen en ontelbre bouw -fier aden : 

Zy voert ons in een beemd ^ waer langs het Beekje daelt 
En melt wat roem men ook wel eert ij ts heeft behaelt 

x_/€en wildt en tam Gediert 5 aen aüerley Gewaden > 
Geweer tn Wapenen. Maer *t is te groot een fpijt , 
^at die me e ft omftaet , minfl metfchilderen b e dijt. 

Op de Print. 

ZTdie hier ongehult met Rooze-en Mirteblaeren 
Gekroont zit , en den Hoorn van overvloet omvat y 
Is E rat o, geftaeg onledich , om al wat 
Te famenftemmen kan , te voegen en te paeren. 

Zy deelt de vochtige aerd' de Zonneftraelen mee : 
Zoo worden berg en dal bezwangert vangew aften : 
V Gediert uit d' Ark te veldt gedreven : en deplaftfen 
Volviffchen aengefokt : Vrouw Venus , uit de Zee 
En 't Godlijk zaetgeteelt , zendt daerom , vol genoegen , 
Kupyd^ om zich altijts by dees Godin te voegen. 



I N, 



Het vierde Boek. 12 J 

INLEIDING. 

iratoX die aenuwen Tforfwir^^ d' eerfte minnedeunen voorzongt, 
tnSaffhowfjQ liefdevaerzen ingaeft, geley ons nu in luftige ge- 
bouwen, daer uwe ftaetjufferenu wachten. CSy die een Ff ««< on- 
der de Muzen zijt, en Roozen in Mirten ftrengelt, open ons de 
binnekamercn , daer de HofjufFeren zich ten dansbereyden , ofinhaerfier- 
lijke bedkameren van liefde zuchten , en geley ons van daer, ofin'tlom- 
nierich geboomt, of in de luchtige beemd ; daer de Vcldnimfjes , van u 
gevleugeltwich jen getroffen, het Bofchen'tGebergt niet dan van liefde- 
lietjes, doen wedergal men. Wijs ons de Tuinen en Boomgaerden, waer 
uit gy uwen over vloets hooren vol plukt , wanneer gy met lolfe tuiten en on- 
gekemt hair zoo vroeg in de weer zijt. En terwijl wy buiten zijn, zoo ver- 
toon ons de weydende kudden, en C//0 vervolgende, zoo zult gy met al wat 
in een Hiftorie waer te nemen is , befluiten. 




EERSTE HOOFTDEEL. 

^e derde voaerneming , 'm V uitbeelden van een Hifto- 
rie 5 is d'omftandigegelegentheit oprecht te ver- 
toonen. En voor eerft op wat tijdt 
de zaeke gejchiet is. 

Gclegent- 
E derde nootzakelijke aenmerking, in het uitbeelden van een nTflorye. 
Hiftorie, isd'omftandigegeleegentheit : welke wyverdeelen in 

►ijd, plaets, en nootfakelijke , oftenminftenbequamebyvoeg- Perftopwat 

iden, van flofïeeringen en Tamme of Wilde gediertens. tijdr, 

In de tijd komt ons vooreerft de lieflijke Lente te vooren, in welke men 
wil , dat God de werelt gefchapen heeft. Dan zult gy uwe beelden met geen In de Lente, 
overlaftich bont bekleeden, noch ook niet al te naekt uitfchudden ; ten 
waer uwe Hiftorie , ontrent den Zonneriem voorgevallen, voor geen Len- 
tebeuyente vreezen hadde. In deezetijtzijndelichaemenallergematichft, 
en de geheele natuer wort dan als vernieuwt en verquikr 
"E Atuer iit^kjAn wondere fier aeden j 
Wanneer de Lent , in haer fafiergewaeden, 

qIz Te 




Zomer. 



Kcrfft, 



ofWintcr. 



De vier tij- 
den dn jaers. 



124 E R A T O. 

Te voorfchyn komt. Hoe uwnder vers en fris 
Is Ugrauch veld l De blonde Ceres u 
Wel in haerfcbtkj, baer dochter f lukt weer bloemen y 
De üwangre beemd geeft kjuiden z.tpaer te noemen : 
En d' akker golft gelfjkjen groene jïroom. 
'f Is alles nieuw herfchapen j Zie den z,oom 
Vangeene beekj> geboort met net en lijfen > 
Vervrolijkt z^elfde dobberende viffen. 
d' Hinnidengaen ten rejje op 't groen tapijt , 
En *tpluimgedieYt dat quinkcleert om (Ir^dt « 
In welffclen van betikelen en Eykê^i > 
En Ceders , die tot in de wolken reyken. 
De Harder drift x.tjn kudde langs der Hej , 
En 't Vee ontluikt in kleverige Wey. 
Na de Lcnten volgt de Zomer ; of gy nu het dorftige Ifrael aen de Stecn- 
klip, door -Mo^-tci ftaf geborften , voor had te verbeelden, zoo zult gy niet 
alleen de klippige Woeftijn, en'tgebergt van Kruit en Lover ontbloot, 
vertoonen, maer ook de brandende Zomerlucht overal doen fpeelen. Dat 
uwe gloeijende tronyen van de Zon gerooft als na 't water fnakken , en de 
verzengde gronden door 'er weerfchijn den reyzigerfchijnente verltikken. 
Zoo niachmen ook Krajfui afwijk in het barre Armeniè'n fchilderen , dat den 
toeziendcr dorll krijge, en de warme lochtfchijne te gevoelen. Den af- 
gaenden Herffl: geeft ook zijn merkteykens, dan zit vader Ljber in zijn 
kracht , en Sileen is dronken van den nieuwen moft. 

Maer luft u de bevrooze Satyr te bert te brengen , en hem heet en kout uit 
eenen mond te doen blazen, fteek dan den houtkliever vryineen warmen 
dos , maer laet het Bofch bladerloos en met rijp en fneeuw beladen zijn , en 
debevrorebeek, fchoondezwaenindebijtzwcmmc, den huisman tot een 
brug ftrekken: Laetde locht dyzich zijn, en alle fchoorfteenen rooken , 
den fteelingvry de neus druipen, en zijn hairenbaertvolyskegels hangen, 
wanneer hy de fnippigenoordewindt te gemoet treet, Maer hoor, hoeon- 
zen Silvius de vier tijden des jaers afmaelt: 

Komfchilder ons de Lent' met roodt geverfde wangen , 
Metgeurge bloemen om en wederom behangen , 
De dieren op 'tgeboomt tefchetteren van vreagt. 
De beeflen in de Wej , en watgy meerder meugt, 
Befiuwt de Zomer tydt met rijpe koren-aeren , 
Den Landtman in de weer de vruchten te vergaeren j 
Den Herffl met druiven daer het rijpe fap uitfpat » 
De troffen indeporsy ca Bacchus 9p btt vat, 

Den 



Het vierde Boek. 12 ƒ 

T>tn oudengryz.aert , voor den winter halfbevroz.en , 
IVtem kieken door de kou , en niet door hette blooz.en j 
{Omhtlzjin d'beete vlam , als was s'han lief en waeit » 
£/; z.t;ne fcheenen te verz,engen aen den haert. 
W'y mochten hier ook van den morgen, niiddach, en avond reppen j 
mier Melpowene heeft dit op haer genomen. 

De tijd geeft ons ook vcrfcheyden weder , 't welk ook dikwils nootzaek- 
lijk is in Schildery t'onderfcheyden , en met goet beleyt op ftorm en onguere 
tijdt, als ook op den aert van fchoon weder acht te geven. AmbroüusLau- 
renz.etti was d'eerfte , die tempeeft , regen , en onweer , wederom heeft 
beginnen na te bootfen, Waer in ApeÜes by de ouden, door zijn Rukken, 
die Erontes , Ajirapes , en Cerannoboks genoemt wierden, zeer^eroemtis Storm pd 
geweeft. Naderhandt heeft den ouden jf^Ji^tP^/ww, in .S/wf M<ïri[;"tot Vene- ^^^^^r. 
tien, een heerlijke Schipftorm ineen gruwzaem Zee-onweder, met groo- 
ten aendacht uitgebeelt ; brengende in de beuyigc lucht de windgoden al bla- 
zende, dieden voortgang van't Schip, ddit Sint Markus \i]kvoen, endoor 
de fchuimende golven met kracht van riemen heenen fnuift , fchijnen te wil- 
len beletten. Hierfpeelt debehendicheyt des Schippers, *t buigen der rie- 
men door de kracht der roeyers , *t gewelt der winden , 't beweegen en bree- 
ken der bacren , 't blixemen uit den Hemel, en des Schilders hooge geeft, 
200 wonderlijk deur malkander, dat het geheele ftukin'taenzienfchijntte 
bewegen. Onzen j4erf van Leyden heeft ook in'tfchilderen van't Schipken 
Tetri zijn gedachtenis vereeuwicht: en de brave Ew&fm heeft het ook zijn 
arbeytwaerdich geacht, Zee-enLand-onwedervervaerlijk af te beelden 
Indpen 't u lufl eenjiormwindt te nrbeelen , 
Zoo buig 'tgeboomt , en laet de takken fpeelen > 
Laet regenen y laetvry denbüxemjlaen, 
"En majïeloos een Schip te gronde gaen : 
Bat ongelukjn z.al toch niemand fchaeden , 

Maer liever z.ach ik dartle Ninifjes baeden > Schoon wct- 

3y Zomer daghy ineenKriJiallebron: 
lenfchoon Faleis ftaen blikren in de Zsn : 
Het wit gewolkt intfcbeon Laz.uer verfpreyen % 
En aerdich volks-ich in een beemd vermejen. 
Want al wat in nattter het oog vernoeg}^ 
ilceft ookjtl 't^een een Schildery beji voegt. 



Q.^ HET 



116 E R A T O. 

TWEEDE HOOFTDEEL. 

Fan de Tlaets, 

ESS^S^ Encaendedeplaets, die tot uw vooreenomen oopwit vereyfcht 
\^^^^ word» die kan veelderley zijn. Als binnen of buitens huis ,'jn ftad t 
Watplae's. ^j^»^ ofop't landt ; en hier doet zich de gantfche wereld > ja Hemel en 
&^^mP Hel ter keure open. Aengaende de gebouwen , de Outvaders 
leefden in hutten en tenten, gelijk als noch de Tartars enArabiers. Of, 
gelijk onzen Naz.o zegt , in holen en holle fteenrotfen. Sedert is de Bouw- 
kunftbyde Babiloniers , en naderhand by d'tgiptenaers en Grieken, tot 
volkomene volmaecktheyt opgereezen : die naderhand , door den 
overloop der noortfche volkeren , weder fchier t'eenemael is te gronde 
pegaen. Maernadatde woefte Gotten, die alles in puin en aflche hadden 
Gebouwen vernielt, haer woettenaert een weynich bcgoften af te leggen, beftonden 
zy de bouwkunft , doch op een Barbarifche wijze, wederom in treynte 
brengen \ waer van de overblijffels noch wel te kennen zijn. Maer federt £«- 
ropf den adem herhaelt heeft, zoo zijn de vonden der Doorenen Joonen, 
nevens de fierlijke Korinter, en ftevige Tuskaner ordeningen van gcbou- 
d'Antijkfche ^^^ ^ weder als uit het graf gehaelt : welkers volkomentheden zoodanich 
zijn ^ ^ ^° " ^Xj^ ^ datze als uit Hemel fchijnen gedaelt , en van zoo volmaekten fchoon- 
heyt, datze, bynazoo weynich als een menfchen beeld, eenige hervor- 
ming konnen lijden. 

Maetfchikl^kheit en overeenkomjifpeelt 
In een gebouw , als in een menfchen beeld. 
't Geheel bejlaet in voeglijkheit der ftuk^n , 
Daer £ oorz^aekniet z.00 wel is uit te drukk:en , 
En niet om ^^^ ^^^^^ ^^^ veiwonArens waerdichfch^nt. 

tcverbetc- Steleenichgeefitewerkjy dat hjfz.icb pijnt 

ren. De deelen van een menfcbe te verfchik^n , 

Dit hleynder ofdatgrooter , gy iLultfchrik^ 
Zoo eenich deel verplaetjl is ; d' evenmaet 
Van onsgejlalte is in volkomen graet. 
ik.poogd' ookjvaekd' aeloude vier kolommen 
Dooreenenteuiveinfcboonhettt'overkpmmen; 
Maer na vergeef fchen arbeit viel op 't left 
^lita"'' Aen't mengen 3 en rondt (*)d' ongemengde hef. 



Het 'vierde boek. nj 

Dtesjloot ik^y dat met recht eenfchoonen Tempel 
GeUeken wort bj 'r Menfclnnbeelt , Godts (tempel, 
Louii de veertiende jKonink van Vrankrijk, fchoon met krijgsbereytfelen 1671. 
beezich, had echter zoo groot een verlangen nae een nieuwe Architeétnra, 
die hyde Franfoifche wilde noemen, dathy verkondigen dede, zijn kon- Eennieuuc 
terfeytfel , omzet met rijke Diamanten, te willen vereeren aen den ge- order zwaer 
nen , die den naeüen wegh dacr toe opende. Wat hier toe in de Academie ^^ *''"^^"- 
der bouwkun{t,tot Parijs nieulijx ingeltelt , door Blondcl of iemant anders zal 
ingebracht worden , moet den tijdt leeren. Ook al in de voorige Eeuw heeft 
JVljf/jif/ ^^«0/4, fchoon hydeurgaensd'antij ken en Vttruvm volgde, eenige Nochtans 
nieuwe kornifen, kapiteelen, bazen, tabernakelen, fepulturen , en an- '^^'^°"'^*^f" 
dere fieraden bedacht , openende zoo den wech voor de nakomelingen , om j^""' f"^*^^ 
haereygen vernuft ook in 't werk te üellen. Maerelkzietoe, dat hy door 't licradcn. 
opfpeurenvanzijdweegjesnietenverdwaele, voornamentlijk Schilders, die, 
fchoon de meefte vryheyt hebbende , werx genoeg vinden zullen , fchoon 
zy *t met den gedaenen arbeit der ouden in de bouwkunlt laten beruften. Bal- 
tazar Veruxjjo begon een boek van aenteykeningen over Vttruvm , doorzoe- 
kende en teykenende alle outheden tot Rome, waer van zich Sebaftiaen Ser- 
lio, die 't namaels verkreeg, wel heeft weeten te dienen. SerltoisvznPteter 
Koekjn duits vertaelt , en heeft door zijnen arbeyt de kennifle der bouwkunde 
eerft in deeze landen begin genomen. 

Indien u, ó Schilderjeugd ! de bouwkunfl: bekoort, qyzult overvloet Bouwkunft 
van onderwijs by byzondere fchrijvers vinden. En voorwaer dit deel der Afbcytrarm. 
konft is het arbeytzaemflie van allen, en verdient om zijn hoogftaetlijkheit 
milde liefde en belooning. Echter blijft de oude fpreuke waerachtich : 
Daty diemetfchildrenwilbedtjen, 
Veel bouwfier aden moet vermtjen. 
Nochtans hebbe ik het tegendeel in't.Florentijnfche hof befpeurt; en de 
fchoonheyt van een wel gefchildert gebouw heeft aldaer zijn vergelding ge- 
nooten. 

Ik kanmy naeulijx zonder lachen onthouden , als ik onze landslieden zie 
geheele bundels papier uit Italië meede brengen , waer in zy de gebroke mue- 
ren en uitgegeete fteenen van zoo veel Vorftlijke Paleyzen , als 'er te Rome 
zijn, hebben afgeteykent , zonder datze eens hebben na^efpeurt de or- ^^^M"^"- 
dinantie en gedaente der gebouwen, waer uitze iets bezienswaerdigs zouden 
geleert hebben , aen den dach te brengen. Ik en wil niet verhinderen , dat 
ergens iemant , op vervallen en gebroke fteenen verflingert , zijn werk daer 
af make : laet hem vry zijn oubolligen geeft volgen , en de Liefhebbers ver- 
maken. Maer die de waerc fchoonheyt bemint, zal de antijkfche vervallen 
methoogeraendacht befchouwen. Wie wort niet opgetogen ten Kapitool 

op- 



ii8 E R A T O. 

ScTiooncen opklimmende, alwaer den Tempel van jfwpiffr, dkd' ect({e Tarqtij/nhoM- 
koftcli)ke je^ geftaen heeft.'' Waer van hem de grondlegging alleen, te dien tijde. 
Tempel. veertichduyzentmarkzilverskofte. En van welke, als ze ten vierden maelc 
door Domittaen herboud vvas , de vergulding alleen beliep ter fomme van ze- 
ven milioenen, twe^hondertduizentkroonen. Depylerswaeren van Peti- 
lefeenfch marber , enzookonftich, dat P/tf f4rf fcw meynt , dat een weynich 
verflijpens en verfnijdens haer de volkome fchoonheyt , dieze noch t* Athene 
Ecrftc M.ir- zijnde hadden, vry verminderde. En nochtans wilde hydeezen Tempel in 
ber.enl)ouw- kortlijkheyt, nict ecns by de galcrycn , poortalen en badftoven van Domtti- 
prichtbui- ^g^ verqelijken. d'Oude Grieken openden haere huisdeuren nae buiten, 
"s.^DupUx maer andere volken, alswy, nae binnen. Doch P«6/i<:o/uwiertgegunt zijn 
i,}t vervolg deur oökbuitenwaerts open te doen. Lepidtuw^sd' ceriie, die d' ingang van 
i'4ni.rj/«/. zijn huis met Numidifch marber, ten tijde van 5;/i4, verfierde, enhyhad 
het prachtichfte huis dat t' zijnen tijde binnen Rome was , hoewel'er binnen 
vijf-en-dartichjaerendaernaewelhondert, en noch vijftich jaeren verder, 
wel tienduizent geboudt wierden , die fchoonder en heerlijker waren dan 
't zijne. 
PT I Maer de Aziatifche eebouvven zijn in d'oude tijden zeer koftelijk eeweeft. 

T)iancte Den Tempel van Diana t Ephezenwiert mtweehondert en twintig jaeren 
Ii^)hczcn. van geheel Azië op 't heerli jkft getimmert , was vierhondert en vijf en twin- 
tig voet lang, en tweehondert en twintig breet, hebbende honderten ze- 
ven- en-twintig kolommen , elk van een Koning gemaekt ^ zeftig voet hoog, 
en zes-en-dartig daer onder konftiglijk uirgefneeden. Ik zwijge van den 
Tempel Salomons , en hoe de zelve naemaels herbout is. 

Dit dient maer tot ontwaeking voor die de vervalle gebouwen komen te 
bezichtigen. 

Hierom, óSchilderjeugt! als gy na Romen trekt, omdeouthedennate 
fpeuren , vernoeg u niet alleen met de vervalle oveiblijffelen van hare groot- 
heytoptegaren, maer poog ook zelf d'oude Paley zen, zooalsze geweeft 
Nrrooshuis. 2ijnj t* onderzoeken. Nfro boude een huis, dat zich van 't gebergte E;^öi- 
^/«.5m«»o»: ^.^ ^ datrnuAf^TMM^jorftaet, tot aen 't Paleis toe ftrekte, 't welk men het 
gouden huis noemde, in des zelfs voorzaeleftond een groot koloflenbeelt na 
zijne gelijkeniffe, hondertentwintich voeren hoog. Hier waren dry dub- 
belde galerijen metoverwelffelen, duizent voeten lang, hierin zachmen 
een ftilftaende meir, als een ftadt rondom met huizen omringt. Het had 
ook Teellanden, Wijnbergen en BolTchen , daer allerley Veebeeften en 
wilde dieren onderhouden wierden. Dit huis was overal met gout verguit, 
befchildert, en metfchelpen, paerlen , en koftlijke gefteentens deur- 
Acrdiee wrocht. De welffelen der eetzalen hadden yvoire draeyberden, om, als't 
welficls. pas gaf, een zoeten hagel van bloemen neer te ftorten , en eenigc pijpkens , 

dooi 



Het vierde Boek. 1 29 

door welke men de koHlijekercukzal ven afliet. Maerdc voornaemfteeetzac- 
Iewasrondt, endraeidegefhdichnachtendach, alsecnwerelt, rondom;^ . 
voorts wierden zijn badtÜovenniet alleen uit de Tyberftroom, maer zelfs Ectzalco. 
uytdezeebewatert. 

Van UeneUmctiz^tl , fpreekt Telemachus by How^^raldus : od'lTa 

Bez^ie defchoonhej/t van dees wondere eetz.ael vry , /yy J 

Verfiertmetgloetjendgoudty enulvery fchïldery 
InBeeldwetk^y nae de k^njl gewrocht y z.y k'^n de i^aelen 
"Der Goon befchaemen , of ten minfien daer hy haelen, 
Maer dewijl ik reets van N^rooj badtftoven gewaegt hebbe , zoo moet ik u . ., 
ook andere tot een model geven. De groote Scipto, verloflervan Rome, ^^y^r, 
wiefchzich, nac de gewoonte zijns tijdts, in een klein badt, dat zijn licht 
ontfingdoor kleine fpleeten , in fleede van venfters, in de fteene muer 
gehouwen. Maer ten tijde van Nfro waren de gemeene badftoven koftelij- 
kerj want de wanden fpiegelden met ronde en koftelijke Reenen, hetAlex- 
andrijnfche marber was met Numidifch lijftwerk verdeelt j of de gladde 
muer was met befprikkelt lakwerk bekleet • of met den fleen Thafus , eer- 
tijts alleen tot verfieringe der Tempelen gebruikt , omringt. De welffels 
waren van glas, ofverglaeftj en het water liep uit zilvere kraenen. Maer 
de byzondere Badtftoven der vrygemaekten overtroffen deze zeer verre , zoo 
in overvloedt van Beelden, als in pylaren, niet datzede welffels onder- 
fteunden, maer alleen tot fieraet verftrekten. *t Water ftorten 'er met groot 
gedruis overmarbere trappen in, en de zon fcheen'erdoor groote glaeze 
venfters den ganfchen dach, en zy waren op zoodanige plaetfen gebout , dat 
debaeders aengename uitzichten , van zee-of Jandtverfchiet , tot tijdverdrijf 
genieten konden. 

Gy zult ook, luft hetu, theatren en fchouwtonelen Venm toegewijt, 
verbeelden, en de Amphitheatren ter eere van M4r5 gebouwt, op 't pa- 
neel brengen. Ik zal'erueen ftaelof twee van voorgeven : Wnnt het is 
mijn werk niet alles tebefchrijven. Ik zwijg dan van het Kolofleura van F«- 
paftaen. 

Het Theatmm van M. ScAnrus was met drie ftelladien , onderfchoort van ^^^^ 
driehondert feftich marbere pylaeren, daer tachtich duizent perfoonen in ncclvanM. 
zitten konden. Behangfels, Schilderyen, en bekleedingen waren niet Scaurw. 
min heerlijk, als 't gebouw. Het Toneel had vier deelen: alshet voorfte 
'twclkzoogemaektwas, dathet fchierlijkomdraeyde, en zoodanige Ta- 
ferelen vertoonde, als tot de handelingen vereyfcht wierden : het tweede 
wasdeplaets, daer de fpelen op gefpeelt wierden: en op het derde was de 
muzijk, en hetgezelfchap derzingers endanfersj daer ookdc Poëten en 
Redenaers haere vertoogen deden, 

R Maer 



ijo ^. R A T o. 

Envaa M^er degroote Theatren van Cwr/o waren van houtgetimmert, enhin- 

Curio. gen of ruften op twee hacken. Ende toezicnders zaten des vooriiiiddachs 
verdeelt rug aen rug, en zagen de fpelenaen, maerdesnaemiddachs deur 
een fchierlijk omdraeycn zagenze malkandcren vlak in 't gezicht : tnaer te- 
gen den avondt beyde de haekken aen een komende , zoo wiert daer uit een 
fchoon Amphitheatrum , zonder dat het volk van zijn plaets week , en nae't 
einden der anderefpeelen zoo ving dan eerfl; het vechten van fchenners met 
fcherp aen. En aldus droeg Curto de Romeynen tulfchen Hemel en Aer de. 



BouwftofFec- 
ring. 



a. Boeki 

Lantgedich- 

ten. 



Geen koftc- 
lijkheit te 
ontzien. 



Troon. 




DERDE HOOFTDEEL. 

ï'^an Bouxvftojfeering , Huisprael , en vryheit in 't verzieren 

en ver fier en. 

At der oude Romeynen huisprael aengaet, Vtigxel heeit'eral 
een wijl voor N^ro van gezongen, en voert ons aldus tertrotflè 
poort in : 

DAtt tjch de drang vergaept aenftijleni en aen wanden > 
Met Scbiltpadde tngelett ; aen kofielijke randen 

Van kleet by kleei, dat jiijf van gout en paerlenjiaet ; 
In aen Koimtfchen erts ; aen witte woU verz^aet 
Van dierbaer parper , dat d' Afirifche overbrengen ; 
Aen Kafta , daer z.ich olyven onder mengen. 
Wat rijker Hemel doet zich hier nu open ! voor die onkofteli jk met ver- 
veen bouwen, en zijn huizen verfieren wil. Schilder mydes werelts rijk- 
dommen in de Roomfche binnenhoven en de Lydifche fchatten op*t Ka- 
pitool. 

En of 't u voorviel den,Keyzer Konjiantyn op zijnen troon te fïellen , zoo 
moet gy hem in pracht onder een koper vergulden boom zetten, die zijn 
takken en gulde bladeren wijt uitfpreyt , daer allerley gevogelte door konft 
bereyt in fchijnt te huppelen-, wantzy fcheenen niet alleen te leven, maer 
yder zong zijn gezang: zoo dat het eer een tovery, dan een konftftuk 
gelijk was. 

BeeldgyPerfifchehovenuit f" Zoq dek de vloeren met geflikte Tapij- 
ten ; laet dePylers vry Agaet, Porfyr , of Jafpes j en voet, en kap, 
louter Gout zijn. Ontzie geen overdaet , Drfriwi Schatkift mach'er teegen ; 
en hier is uAlytirfi handt zoo gevaerlijk niet, als zijn oordeel. Schilder my 
de Byzantijnfche huisprael in Solimans Serailje : de Paryflfche Loe- 
vre : en is dit niet genoeg , zoo tover Paleyzen op uwe doeken koftclijker 

^1$ 



Het 'vierde boek. i ^ i 

als dat -an den Ridder der verfmaetheyt , daer Ariojley in zijn Roeland, Vierde g< 
held Rejfmut verdoolt inbrengt. Ten zal u niet koftelijkcr vallen, als aen K'^»i' 
den Poëet, fchoonhetzoodierbaervvas, dat de fchatten van twee vermo- 
gende Koningen niet genoegfaem geweeft zouden zijn, om de koften van 
zoo heerlijken Paleys uyt te voeren. Of bou een fchoonder , als dat van Pocctfcbc 
Armide, ofdaermen Rogier cphielt. Voeg het zilver by den fpikkeiigen Gebouwen 
Porfier , zet Marbere Pylaren op gulde voeten , en bewint de hoofden met 
gouden loofwerk. Gy behoett den veelverwigen Agaet , noch Jafpis, 
noch toets, noch Azuerfteen niet te fpaeren : maermaek, als 't pas geeft , 
zelf Pylafters van Bergkriltal. Befchilder de zolderingen met feftoenen en vloeren, 
beeldwerk, en laet uwe vloeren aerdich geplaveit , ofmetloofwerk, uit 
wortelen gezaegt, aerdich ingeleit zijn. Of bellroyzemetSafFraen , want 
zoodanigendertelheytisookuit Azietot binnen Romeover^ewaeit. Zijn 
u de zalen te naeuw ? treed in den binnenhof, verbeeld ons bebeelde voor- 
gevels, weerfchijnigevyvers, ofmael my van verre een ganfche Stad met ^'^J^^ 
Tempels en Torens , gelijk de ileeden van China , want daer zijn de Pa- liaa^^. ""^^ 
leyzen met een geele verglaezing bellreeken , zoo datze van verre als met 
goud gedekt blinken , en zoo is ook al het houtwerk met gouden Lakwerk, 
C/fgenoemt, o vertogen, 

Maer om uwen geeft noch verder op te wekken , zoo verzier nieuw flach 
van,Amphiteatren, Paleyzen, Raethuizen, Vechtperken, Renbaenen, 
Tempels, Badftoven, Gewelven, Trappen, Kolommen, Gefnedeftec- 
nen , Pedeftalen , Bazementen , Pyramiden , Sepulturen , Vazen, 
Schoupotten, Statuen, Fonteynen, Luftgaerden , Galerien, ofwatuNicuv 
lüft: of fchildermy het nieuw Jeruzalem naer onzen Trant: Jerufalen». 

VAti een z^eer hoogen Berg , z^ach ikjer heilgerfteeden 

Het groot Jeruz.alem afdalen naer beneden , 

In Gedes heerlijkheit ; het blonkgelijk Krijial , 

Ofdterbre Jafpis , licht en fchoon , haer hooge tval 

Had twalef poorten , daer zJch twalefEnglen fielden , 

Waer of men 't tipaleftal der Stammen Jakobs fpelden. 

Drie poorten z^achrti in't Oofl , en drie int Noorden flaen , 

Drie z.agen Zuitwaertuit , en drie ten PVeflen aen, 

'DeMuer derfleedefteunde op twalefgrondgebouwen , 

En in elkjiuk wai een ApofteU naem gehouwen. 

Maerhy, diemetmjffprakj beftonddegrooteStadt 

Met eenejteng van goud te meetcn , en hj mat 

Haer wijte en lengt gelijkj. ttpaef duiz^ent ftadjen hreette , 

En evenjuift z^ooboog, recht vierkant waer hft meete. 

Zoo mat hj ookje muei van Jafpis hel en ki^er , 

Ra Of 



J3Z E R A T O. 

op hondert ellen en noch vier en veertig , maer 

■Na maei eens menfchen , die een Engel wiert bevonden. 

De Stad was hlmkentgoud als glas. De muerenjionden 

Op Eedlejleenen , d'eerjl was Jafpis als de Zon > 

De tweede een hlaeuw Sa^er , de derde een Kalfedon , 

De vierde van Smaragd , voorts Sarden , Chriz.ophraz.en > 

Beril en Sardonix , Jacinten en Topaz.en : 

Een dierbren Amatift en waerden Krtz.olijt, 

Jiaer twalef poorten elk^ een Paerle , breet en wijt 

J.n z.uiver gepolijji , haergoudejlr aten glommen 

Gel^kjoorlucht Krtjial. Geen Tempel op kolommen 

Was in deganfche Stadt : d' almachtige Opperheer 

Is haren Tempel en bet Lam. Geen Zonnekeer 

Noch Maenlicbt hoeft de Stadt : Godts heerlijkheen engUnJfen 

Verlichten 't al , en 't Lam , een kaerjfe op hare tranffen. 

De z.aelgen z.ullen z.ich vermeven in dit licht : 

En d'eer der Vorften wort hier ingevoert met plicht : 

Eenftagen dach ver biet de poorten op tejlujuen : 

Alle eer en heerlijkheit der volkeren van buiten 

Wort in de Stad gebracht : doch geen onreinichein 

Vangruwellogenen en worden biergeleên ; 
Maer al tvie aengefchreeven 

Int boek des Leevens en des Lams is , z.al hier leeven. 
Doch hier toe zal u enverwe en vermogen te kort fchleten j want dit 
groote werk is alleen d'opperwerkmcefter aller dingen inachtich, Gyzult 
nochtans iet ongemeens voortbrenqen > indienge maer den Tempel in Va- 
tikaen , of de Kapel , die de Florentijnfche Vorften tot Flotenfen met 
eedle fteenen verrijkt hebben , of iet vreemts en koftelijks nader by de hand 
tot voorwerpt neemt. 




VIERDE HOOFTDKEL. 

Kolommen , ^iramyden en andere toeflei tot dé^ouW' 
kunji behoor ende als mede van vaertuig. 

Ot de bouwkunde behooren ook de byzondere Kolommen , Ge- 
denkpylaren , Pyramiden > Graven , Zeegeboogen > Beelden, en 
200 voorts, 

Men 



Het vierde Boek. i^^ 

Men gebruikte van outs niet alleen gladde fchachten, gegroefde en 
gekromde, gelijk die aen 't hoog altaer in St. Pieter in vatikaen , tot Becltpilaren, 
Kome , voor Pilaren : maer men ftelde ook beelden op bazementen , 
die de kappen of kapiteelen droegen: alsSatijrs> Nijmfen, of Centauren, 
gelijk Vttruvm van 't toneel te Tralies gewach maekt. Zoo heeft men ook 
vryheit om de fchachten met loofwerk te verderen > ja zelfs met laegverhee- 
ven beeltwerk daer op te fnijden. 

Tot Romen zijn de twee allervermaertfte kolommen van Antomnus en Gcdenck- 
Trajanus vol vanrondachtich beeldwerk. Maer tot Konftantinopolen is 'er '^°'°*"'"^°» 
eene, diedeezebeyde> zoo men zegt, ver overtreft , zoodanichverdeeltt 
dat de bovenfte en onderfte beelden eeven groot fchijnen. 

Tot Konftantinopolen ftaetook een Kopere Pilaer, van dry omkrinke- 
lende {langen , aen den top, in manieren alseendryhoek verfcheyden wee- 
gen kijkende j derdehalf vadem hoog , en negen fpannen dik. Ennochis'er 
de kolom van Keyzer Konftantyn , met noch een , die men't Kolofllis noemt, 
maer gants verdorven > doch voorheenen met Koper vergulde platen bedekt 
ge weeft. 

Voorden Tempel van Sofia tot Konftantinopolen ftaet een deftige hiero- Bedcïscljrif. 
gliphifche naelde , van Thebaenfch marber. Tot Alexandrien zietm'er twee ^'g'= oaeldea. 
van de zelve fteen, zoo hird byna als porfier, maer rooder van verwe» 
doch eeven zoo gefpikkelt, genoemt Pharos naelde r en bultende wallen 
ftaet *er noch een , zes en-tachtich handbreed hoog , en zes-ea-dartich dik, 
uiteenftuk fteens, gefteltop een vierkante boog, doch, dat te verwon- 
deren is , niet half zoo groot, als de voet des pylaers , die men Pompejus py- 
laer noemt. 

De EgyptifchePyramiden zijn meer monfterv^onders, dankunftaerdich: p, , • p 
de grootltevan drie is beneden vierkant, acht bunderen lands beflaende; ramidenin" 
yder zijde is dryhondert treeden : het vierkant op den top , fchoon maer van Egypten , 
driefteeuen, is groot genoeg voorzeftich perfoonen om op te ftaen. Zy ontrent 
heeft z 5 5 trappen , yder trap boven de drie voet hoog , en breed naer behoo- ^^'"fc- 
ren. Deeze pyraini de geeft nadeluchtftreek van Egypten bynae den gan- 
fchendach geenfchaduwe. d' Anderetwee zijn minderin groote: maerzoo 
bekend als d* ecrfte. En hier ontrent leyt het grootte Kolollus, ofSphinx, 
zeftich voet hoog , meeftuit een rots, 'en tendeele met groote fteenea 
geholpen, wonder vremd om aen te zien. 

Wanneer gyoutstijtfche fteedenfchildert, 200 ftelvry kopere Trjtom, Trytons 
in ftee van weerhaenen , opde ipitffender toorens; want dit was een out voor «eer» 
gebruik, en by^Mt/row/J^iC/rbf^W gevonden. naeaea. 

Nu wy van Koloflen rpreeken> mochten wy ookweltotdeftatuenkoo- 

R 3 meoj 



Medalicn. 



1^4 E R A T O. 

S:acuen. men, als zijnde den fchoonücn huisprael, endebeflekunflboeken,daerin 
de ouden haere kenniiïen met ftacl hebben ingedrukt, om ons de vruchten van 
haerenarbeitnatelaeten, Maerdeeze zijn binnen Roome zoo overvloedig 
geweeft, dat Capodoras mzent 3 datzein getalbynaemetdeleevendemen- 
fcben gelijk vvaeren: zoo van Marber, Koper, doch meefl van Zilver, 
Goudten Yvoir. Dowüiaenleet niet , datmen hem andere, als Goude beel- 
den maekte, endeezemoftcntenminften hondert pont weegen, Maerdie 
van Cow/worfttuvoegen al veel zwaerder. De Tempelen binne Roome blon- 
ken englinfterden van al't gouden beeldwerk: en het ftond yder een vry 
zijn eygen naem door een koltelijk beeld te vereeuwigen j tot dat *er Keyzer 
Claudius dooreen wet in voorzag, Maer deeze glory heeft de tijdt geheel 
verydelt, en dit aenlokkend metaelisvan denaekomers, en de roofgierig- 
heytverfmolten: 200 datmen tans, behalveneenige weynigevan Koper, 
geen andere dan van marber vind. Beetcr geluk hebbend' oude Zilvere, en 
Cjoude Medalien gehadt , die weegens haere beknoptheyt noch gefpaert en 
bewaert zijn. Ontrent Alexandria, zeyt Sandjs, worden noch fomtijts, 
voornamelijk byftortreegens , edele gelteentens enMedalyen gevonden, 
met gekonterfeyte Goden en Helden, 200 konftich gedaen , datdegeene, 
die nu gemaekt worden, maer als kreupele en doode daerbyte vergelijken 
zijn. Maer wy zullen de Liefhebbers by^f. 0«^<w« wijzen, diedeRoom- 
fche outheden zoo heerlijk uit zijne Medalien heeft opgegraven. 

Scheepen. De Scheepen behoorenook onder de gebouwen; e?nfchoone verkiezing 

voor die luft: tot touw en takel heeft, in hooge Kampanje en gulde Galioenen. 
Want van Guts pleeg men 't achterkafteel des Schips met d' een of d* ander 
befcherm Godt te verfieren,even gelijkmenze tans met Heyligen, of met an- 
dere eermerken uitmonteert. Beelt ons Spaenfche kraken en Adriaetfche 
Galeyen af, laet haermet riemen de zee veegen, dat'etfchuimt, of met 
gezwollezeylenalsZeemondersde golven klieven. Ofluftude Bataeffche 
machten, en Britaenfche zeegevaertenaen eentehitflen, laetze eikande- 
ren heelelaegen inde ribben ïtooten, en met kopere Cerbren elkander te 
keergaen. Hierzultgy 't water in vuer doen veranderen, en ginder de Zon 
en den Hemel met fmook en damp bedekken. Speelt u de outheyt in 't hooft, 
200 verheelt ons de Schipbreukvan Eneoi y uit Virgiel: of dievan Uliffesuit 
den bevaeren Homeer. OffchilderdeScheepflach van Atiguji , en de vlucht 
van Cleopatre ; ofhoezyeerft Antontus inde gedaente van Vems ontmoete. 
Maer raooglijkzoudgy ons Sardamnier jachten, boots, ofbylanders ver- 
toonen: Neen, laeruwengeeft zich ind'oudheyt oeffenen, en bouw ons 
platboomdecykevaertuygen, voor deBretaenfche Veneti: de roeibanken 
van voetdikke plaaken ,' en met duimdikke yzere nagels gehecht, met hooge 
Yoorflevcns; laet haere ankers aenyzre kettingen, in ftee van kabels , han- 
gen 



Het derde Boek. i ; f 

gen, en fpan de zeylen van flap leer of beeftevellen. Laec de Roomfche 
vloot hun want meryzere haken aenftuk rukken, of, gelijk in de (lach van 
Maflilien, yzere dreggensoverwerpen, onder een hagel van javelijnen en 
harpoenen. Of vertoon ons N4^(f/Mj in d' engte van Sicilië, met fcheepen 
van binnen geheel met koper beklcet. Wiltgy gebrek van vers water uit- 
beelden, laet de verdekken met vellen befpreit zijn, en matroos den dauw 
in de Morgenftont daer uit perffen, cf/^r rufte een vreemt flach van vaertuig 
toe, toen hy door de Afranianen benaeut was , de bodems en'tgeraemc 
timmerde hy van licht hout, en den buik wert met rijswerk gevlochten, en 
dan metleeder ovcrtoogen: toendeeze gemaekt waren, heeft hyze twee- 
en-twintich mijlen, op faemgevoegde wagens doen vervoeren, en in de 
Rivier zetten, daer mede zijn Soldaten over den ftroom geraekten, 

Ind'uiterfte Noortfche landen, zegt oUui de Groot, worden defche- jciiep'-n 
pen, van pijnboom, of denne planken, by gebrek van fpijkcrs , met 
dunne wortelen van boomen aen malkanderen gebonden : of met darmen 
en bereyde zenuwen van Rangifeeren famengenaeit , en met pek van pijn- 
boomcn befmeert.Deze Schepen buigen voor de weerkaecfingen der L olvc n> , 
als ledere zacken. Men gebruikt daer ankers van kromme wortels der fterk- 
fte boomen, die door de zwaerheit der fteenen vaft blijven : ênzeelenvan^ i 
Popelieren-of van Berkeboomen tot kabels gedraeit .De zeylen zijn wolle Ia- 
kenen , met ftronken van boomen , voornaemelijk in ftaende wateren. 
d'OudeFranfe inwoonders, van Yka enArika, zeylden met opgeblaze 
zeewolfs vellen. Van andere werktuigen zullen wy in een der volgende 
Hooftdeelen handelen. Maer laet u dit niet verveelen , wantdeezeken- 
niflen verrijken den geeft ^ en geevenftoftot vernuftige vonden. Diever- 
maert wil worden , moet wat deftigs ter hand flaen , d'aeloudheyt omroe- 
ren, om nieuwe vanden daer uit te trekken: want daer is niets indeeze 
laetfte eeuw dat geheelijk nieuw is. 



VIJFDE HOOFTDEEL. 

Fan Landfcha^pen. 

E Landfcbappen en uitzichten geeven aen de Hifloryen eea 
groote welftant , maer zy moeten eygen en natuerlijk zijn. 
Want het waer belachehjk, dat men hetheuvelig Britanjemet 

Zwitferfe klippen beftuwde, of dat men het bergachtig, enmet 

Spelonken uitgeholde Paleftine met Hollandfche weyden plaveyde. Dit 
zijn leugens in de konfti min noch meer als van detweeBabjIooifcheboe- 

vcn> 




1^6 E R A T O. 

ven , waer van den eenen zeyde , dat hy Suz^anna onder eenen Lindeboom, 
en den anderen, onder eenen Eykenboom in ontucht gezien had. De 
Boomen. byvoegfels moeten eygen zijn , of gy wort daedelijk als een valfche ge- 
tuige gedoemt. Leer ook de boomen wel onderfcheyden ; want eenderier 
Virg:Meli- flag van bladeren paftaen alle boomen niet. Mux.z.iaen hielt denKaftanje- 
h(us. boom voor den fchilderachtichften , andere mogen d'eik voor andre (lel- 

len. De Populier behaeg Hf ri^«/^/ , deWijnCtokBacchus, deMirtF^ww, 
de Laurier Febus , maer Fillis bemint den Hazelaer. Vorder moetmen 
Bcomcn zien , waermen de boomen te pas brengt : want d'Efleboom fpant de kroon 
wafffnvan jn het bofch , zegt Virgiel , de Pijnboom in den tuin , de Popelier aen 
rcofwortd. ^^" ftroom , en den Denneboom op hooge bergen. Het paft den 
ftekkcn. Lantfchapfchilder den eygen aert der boomen te kennen. Natuer 
teelt vooreerft, zegt Virgielt verfcheyde flach van boomen ; zommige 
waflen van zelf, zonder iemants hulp, op ruime velden , en langs boch- 
tige vlieten heene, gelijk zacht Geyl, taejeBrem , Populier, blauwe en 
witachtige Willigen : zommige worden gefteeken j gelijk de hooge^Kaftan- 
jelaer, enEekelaer, die de grootfte van alle boomen , ^fwp^w ter eere op- 
groeit; end'Eik, by de Grieken voor een Orakel gehouden : Zommige 
fpruiten dicht en loofrijk uit hunnen wortel ; gelijk de Kriekelaer, en Olmj 
Veelerhanac ^" ^^ lauwer Apollo toegewijt, waft op in de breede fchaduwe vaneenen 
aert ran gfooten Lauwerboom , zijn Moeder, 
boomco. Men kan,behalve dit , een ongeltjkheit raemen , 

In boom en plant genoemt met eender hande naemen , 
Den (lerken Olm f en Loot, en Wilgebo omen meet 
En Kandifchen Cipres , gevoert van overz.ee. 
Ook^ valt de vette Oltjf verfcbeiden van natuere , 
De ronde en lange , en ook^ de Olyfvrucht , die deguere , 
En bittre kernen draegt. Eet Alcinóifch ooft , 
En d'Appelaer ons veel verfcheydenheèn belooft. 
Eq Wijn- De Kruflum^nfche Feer en Siriaenfche z.ullen 

gacrdcD. VerfchilUn , eokj> die groot en dikje handen vullen. 

Geen eenderhande druif ons takken neder drukt , 
Het Eylant Lesbos ook,verfcheide trojfen plukt , 
En ranken , van dejladt Methjmne hiergez.enden. 
Het Ej/lant Thafus draegt , veel wijnen op z.ijn gronden , 
En Mariottssprtjft zJjn witte Muskadel, 
Maer wy zouden ons zelven in de lekkere Verzen van M4röTcbicrvcr- 
geeten. 

Landfchappen te verbeelden, heeft Ludiui, ten tijden Augufti, op 't 
nieuw als hervormt: want hy bracht een wijze voort van op de mueren te 

fchü. 



Het vierde Boek. i^y 

fchilderen Lanthuizen j Hoeven, Kruiden, Bloemen, Boflchen en WÜ- 
derniflen, Heuvelen, Beeken, Rivieren, Havens, Stranden, of wat men 
begeerde: en deeze zijne Lantfchappen ftoffeerde hy met wandelaers, 
Viflchertjes, en andere, diehunvermaek op 't water hadden: met Jagers 
en Vliegers, ofdieindenOeglt, of inde Wijnbergen bezich waren: met 
geladen Wagens of Ezeltjes. Hy beelde zeer natuerlijk broekachtige en 
llibberige weegen uit, daerecnigevroutjes, als om de gladdicheyt wille, 
fcheenen te vallen, en andere als op haer hoede gingen. De buidenftemue- 
r£n, die in deopene lucht flonden, verfierde hymer zeefteedencn luftige g ,,, j- 
gezichten. Naderhand heeft Po/;<foor van Caravaggto de landfchappen met nen, 
verftandige fieraden wederom vereert , en zoo veel aerdicheden , als 'er in 
Italien over 't hooft gezien wierden, van vervallen gebouwen, grotten, 
en deurzichten, zijn door hem aenmerkelijk gemaekt. Joachim Patemer t 
denmeeüer van'tkakkertie, cnHenyde Blesj die 't uiltie voerde (want dit j>^Tj.jgj.j^j,^ 
waren als de merken, diezy in hun ftukken, infteede van hun naem, er- jcrs, 
gens in een verborgen hoek plaetften) hebben het lanfchap fchilderen in dee- 
ze landen tot een hoogentrap gebracht. Hoewel Alben van OuwMer al te EnHaerlem- 
yooren, in het lanfchap Schilders voortbrengende Haerlem, dtn prijs be- mcrs; 
haelt heeft j Zoo dat zelfd'Italianenal voor Tang bekennen molten, dat de 
Isederlanders hen in landfchappen te boven gingen. Waerom zich ook lïti- 
4«Mn!et geichaemt heeft eenige der zelve by hem in huis te nemen, om hen 
die kunitaf tezien. 't Welk hem, nevens zijn groot oordeel in het navol- 
gen van 't leeven , tot den bellen Landfchapfchilder van de Werelc gemaekt -por groot 
heeft. Ik en wil my niet vermoei jen met de werken van Muz^zjaen , Glaude , licht ,ikx na- 
en andere, die, als op de fchouderen hunner voorgangeren geüeegen , ^^o^^ciiDgen. 
wonderen hebben uitgerecht : noch van onzelandluiden fpreeken, die als 
noch met Landfchappen bezich zijn: want ons oogwitis voornamentlijkde 
Schilderjeugt tot de natuer te wijzen, en maer fomtijts, als 't pas geeft, 
haer door voorbeelden aen te prikkelen. In 't landfchap moetmen voor eerft 
de gronden, vlaktens, velden en weyden, elk in haeren aert welondcr- 
fcheiden: en zich al vroeg gewennen de vlakte in'twech wijken waer te 
nemen. 

BemerkJ)oe vlakken JVcjde en Akk^r leyt , 

Verfchietet}d' naer het ucbtcjnd. Hoe plaveit Op'cvlak- 

Natuer het veld ! wmt fchoomn in berg en daelen '^gscn der 

Meer vrj/hej/ts heeft , dan 'tn gewelfde z,aelen , te kmn. 

In hoven , die in naemver ivettenftaen , 

Zoo heefimen doch in '/ Landfchap acht tejlaen 

Op vujie grond , wM onder 't oog verfchoven 

Zich uit fprett, oftpatafdaelt, als van boven, 

S Daer 



igS E R A T o. 

Daer na dat ook de Heuvelen, Bergen, Rotllen en Klippen, Duinen eft 
Dijken, vaft leggen. 
Gebergten, Mjflujlteüen eenftuk^van Lombaidyen, 

Zoo als (k 't x.agh van d" Alpev , qinder glyen 
Een klaere beekjol fp'itte ke^eri -, bier 
Het afgaen van 'tgebergt , ert ginder fchier 
En Valcyen. ^^^ Wereld van hevalïijke Landidouwen , 

En Heuvelen , en Daelen , en Gebouwen : 
De ffijnjlokom den Olm in 't akkerveld , 
Elkjf z.tjnpUets en na de kjinftgeftelt, 
Duizent ongemeene aerdicheden zien wy dagelijks in dit aengename 
deel der Natuer, maer men behoorde altijts na 't (choonfle uit te zien, en, 
indien 't aen mylach, ik zouwveel Landfchapfchilders van haere al te ge- 
meene en flechte verkiezingen afleiden. Ik wilde, datze my 't betoverde 
Verlojïje- Bofch, daer T<«j|fo zijn Rf^Mowin voert, eens uitbeelden: ofwel de beem- 
rufalem iS den en BofTchen der gelukzaligen ind'Elyzeefche velden, zoo als 'er de 
Ce:(ang. Poëeten van zingen. Of wel 't Theflalich]Tempe , of 't veerijk Arkadie. 
Hier moft de geile Sater in khaduwe der ruige takken zijn roof beloeren , 
f°"rlf^h'^ enfchoone j4w4r//, aend'overzy van debeek, zich in 't klare water fpie- 
pe^i" ^ '^' g^^^"* Het kriflalline vocht moft ten berg af nederzijpen. Ofluften'tons, 
men liet Kupidoos hof, dat Pf^che befloot , van verre zien : d' Albafte gaen- 
derijen tegen de Zon tintelen: men dekte de Tinnen met Koper, en boude 
de toorens na de Jonifche wijze. Tempe kon niet te luftich zijn , en daer den 
Poëet fpeelengaet, heeft ook den Schilder vryentoom. Wiens Schilder- 
geeft zouw niet tot wat ongemeens uitfpatten , die de Poëten zoo Schilder- 
achtich van lantfchap hoort zingen, gelijk de Ridder Hoofts Zeegemond in 
deeze verzen doet : 

Wat Marmer fleene vloer ookj^oud zjch konnen roemen 
Bj voettapfeet van kruidt , gefpikkelt met haer bloemen ? 
Wat wanden rijkyermaelt , of wat beeldhonwerjf : 
Wat ordre van gebouw is z.ulke , diiit.e by 
Eenfchaduwrtjke beemd in Majeftejt mag halen ? 
M deden Porfiri Jafpy enGoudt, des Hemels ftr alen y 
Met fpiegelgladde glans y affteuyten-, en de Zon 
Daer , met z,ijn bel gezwicht , geen oog op houden kon: 
Wat z.oud bet wez.en by de pijlers der Bophaedjen , 
Zoo reiz.ig , en gekapt met weelige plumaedjen 
Van aerdig vloejent lof\ byftammen nimmer los 
Van klim op , geborduert op groen fiuweelen mos i 

Met 



pen 



Het vierde Boek. i?p 

het kpftdijke koor z.al d' oogen hucft verveelen : 
Maer nimmermeer hetfrifch der fcheemrige prieelen : 
Wtlk, j aUgy dutz.endmael en duiz^endmael bet.iet > 
Van duiz^endmael aenfchout op eengeftalie niet. 
Want waergy] opkijkt ^ ofdaer isnieutp groengefprooten , 
Ofvogelfcbudt de blaen ; of wint verjcbiet de looten. 
Tre dan , ó Schilderjeucht ! ten bofchwaert in , of langs de heuvelen op, 
om verre verfchieten,of boomrijke gezichten af te maeleniof met pen en krijt Opwekkin* 
de rijke natuer in uw tekenboek op te gaeren. Val aen,en betracht met ftadich co onder. " 
opletten u te gewennen noit vergeefs op te zien; maer, zooved de tijdt, ^'js- 
of uw gereetfchap , toelaet, alles als op te fchrijven , en in uwe gedachten 
den aertder dingen te prenten, omdaer na uit de geeft, wanneer u'tna- 
tuerlijk voorbeelt ontbreekt , u met een voorraet , in uwe geheugnis opge- 
daen, tebehelpen. Zietoe, indien gy met een lofle zwier de fpartelachtige 
meijen derboomen nabootft, datgy elkinhaer eygenaert uitbeelt; want 
de beezemachtige Cipres, en den kronkelenden Lykeltak gelijken elkan- 
der niet. Linden en Willigen loofverfchilt teveel j zoo verfchiltde ftam 
des Kaftanjebooms van des Beukelaers. Onderfchey Rotflen, Grotten > 
Geboomten , Struiken , Stammen , BiesbofTen , Bloemen , Lovers en Tak- 
ken. Merk op de ruyme fchaduwe , waer de dichte takken elkander pran- 
gen, en wijszachtelijkaen, daer de heldere luchtindeboomtoppen fche- 
merr. Neem naukeurich acht op de klaere voorgront , met Doornen en 
Diftelen en breede blaren bewerkt , laetze klaer en groot , vry een hoek van 
uw werk vullen, en beek de verre gezichten met een zachte handt uit , die 
naer u toe komende , even zoo veel kenlijker dienen aengewezen , als zy te- 
gen de achterÜe vergrooten. Laet het kromme wagefpoor, of ter rechter 
offlinkerhandt, zachtelijk rijzen, hier week en flikkerich, en ginder ten 
heuvel op, of in mulle zanden , of barre heyden, vlak leggen. Dat de 
wijers,daer de Waerden en witte Zwaenen zwemmen, waterpas, en de beek- 
jes ten daleglijen , uw gebouwen vaft ftaen , en de boere gehuchten vry kod- 
dich enbouvallich opzy leunen. Merk op onderfcheyt van weeren wind, -ywa 
en opdetijt desjaers, gelijk wy booven vermaent hebben j de Mey geeft jacrs. 
dik enfportelijk geboomt : de Herfft fchut deblaren af; de Kruisdooren 
geeft vroegh loofwerk, de Wijnrtoklaed vruchten ^ maer de Lawrier en 
palm enfteyle pijnboom zijn'tgeheele jaer groen. Komt gy een wel ge- 
fchiktentuinmetfierperkenendeurzichten t* ontwerpen, plant vry Sitroen '^^^en. 
en Oranjeboomen, en Granaetappels aend'affchutfels, ley de Pers en 
Abrikoos regens de Noorderwal, beklee de Prieelen met Kornoeljen, en 
laet 'er Neglentieren Mirte deurflingeren. De plantafiën moeten ordente- 
lijk» maer de wilderniflen wild zijn. Plant op uwe gronden in'twout vry 

S 2 Difte- 



Beekeo en 

poelen. 

Rivieren. 



Zee. 



Gewolkr, 



Somtijts 

wooder 

vrccmt. 



140 E R A T O. 

Dillelen , Dokkeblaen , en allerley kruiden. Laet de klaere beeken met 
keven, en de mosachtige poelen en Mootvn met Endekrooft, Kanneblade- 
ren, en Biezen verfiert zijn. Laet hacr al krinkelende de dalen zoeken, en 
zicheyndelijkineen grooter plas verliezen. Maer begeert gy groote Rivie- 
ren, daer de baren hol gaen, in uw werk te pas te brengen f" Gy zoud fom- 
tijts dienendooreenichmerkteyken het zoet van het Zcewatettedoen ken- 
nen, gelijk N^^dfidede, in zijn ScheepsdrijttulTchend' Egyptersen Per- 
fen; want als hy 't water van de N ijl, dat hy voorhad, van geen Zee- water 
kononderfcheyden, 200 maektehy een drinkenden Ezel, op den oever, die 
van een Krokodil, bewoonervandenNijl, beloert wiert j 'twelkdeplaets 
genoech te kennen gaf. Maer lult u, zat van vermaeklijkheden , de woe- 
dende Zee , van een veyligen oever aen te zien , laet de golven vry hol gaen, 
en de donkere wolk de Schepen dreygen. Protogeen , zegtmen , was tot zijn 
vijftich jaertoeeen Zee-en Scheep Schilder; maer laet ons aen de wal blij- 
ven. Men moet ook zijn vlijt aenleggeninden geeftigen zwier der wolken 
wel waer te nemen , en hoe haere drift en gedaentein een zekere evenreden- 
heyt beftaet ; want het ooge des konftenaers moet de dingen ook zelfs uit hae- 
re oorzaken kennen , en van de zotte waen des gemeenen volx vry zijn ; daer 
dit vers van fpreekt: 

'/ Gebeurt ook. » als de wolken xjch verdikkim 

of [preien , dat £ omooz,elen verfchrikks» 

Van Beelden , die xy aen den Hemel zjen^ 

Als tej/ksnen , van 't geen noch z.algefchien. 

Veel wonders is gewis in 't z-werkje [peuren » 

*t Zy als hetfiormt , of als de wolken fcheuren 

Maer dat men dier cf Schip daer uit bootfeert i 

Is domme waen van 'tgraeuw , dat ongeleert 

In onx^e konft , door waenzjcht wort bedroegen ; 

I.en Schilder heeft hier toe vry beter oogen', 

Uy kent en kjeur en omtrekj^ nevens 't Itcht > 

En oordeelt met naeukeuriger gezjcht. 
Maer dit zal nu meer als genoeg zijn, voor zoo veel als de plaets be- 
treft. 



ZESTE 



Het vierde Boek. i^i 




ZESTE HOOFTDEEL. 

Van de Omflandicheit , ofte bywerk. 

Gy, die de zefte onder de Zanggodinnen zijt! vorder ons in 
deeze onze vierde Schilderwinkel, en leer onsomüandicheden [//«„«oC4r 
uitvinden , die aen ons voornemen paffen. *c Is uw werk , aer- tart Reggia- 
dicheden uit het hooft te verzinnen : toonze ons zoo overeen- «o- ^rato 
ftemmende tot ons hooftweflc > als de toonen van uw minlijk gezang met de ?'"'^ ^'.''^ 
klanken van uwe lier maet houden. mventione 

d'Omftandicheden van by werk , geven aen een hiftorie geen kleyne wel- u' 0°erch"co' 
ftant , en der zelver verfcheydenheyt verlufticht het aenzien. lutche impa- 

Verfcheidenbeji , in veel veranderingen ra, hefogna 

By eengevoegt , en bj werk^eeft dedingen '^^f ^'^^^' 

Een luifier : z.00 rn ook,eenich tam Gediert dtfcorfo dt 

Tepasbrengt, ofgeplumtgevogelt, 'tfiert cÓZlucofe 

Betwerkj z.00 vind het oog ook^e en vernoegen novefimili. 

Somttjti een Moor by maegdekens te voegen : 
Bj d' ouderdom een der tel fpeelend' kwd : 
Geivapenden by naekten : maer noch vind 
Hen ruimer ^of, in veelerley gewaeden j 
In dienjigetuig , fefleenen enfieraeden. 
De omftandicheden moeten de Hiftorie eygen zijn , niet gelijk als den 
Schilder, Sint Jan, met een jong Geitjen in zijn arm, eneenpapierrolaen OmftanJig- 
zijnftaf, met opfchriFt , Ziet het Lam Gods ^ had afgebeelt. Maer dit was *""" '"°.'^"* 
meer uit onnoozelheic , dan uit moedwil j want hy dit lieve beesje , dat zoo *^^^" *'^°' 
weleen Lam geleek, bygeval krijgende , heeft 'et gekonterfeit , zonder 
aen de lammerewol te denken. 

Geen Dier x.00 net een Lam gelijkt , 
Indien het tvaer met tpol verrijkt. 
Ik heb ook gezien een uitnemend ftukje van't fterven Marie^ komende uit het Exeropeu. 
hof vanMantua,daer de Apoftelé al metRoozekransjes of Vaderons-kettink- 
jes gefchildert ftonden, waer in den Ouden Breugel,die 't gemaekt hadde, wel 
betoonde een goet Katolijk te zijn.Maer hy fcheen niet gewceten te hebben, 
dat den infteller van de Roozekransjes,Sint Dominikus , zoo veel hondert jaer 
na d'Apoftelen geleeft heeft : En'tis hem te meer te vergeven, vermits men 
al lang voor hem gewoon was den Apoftel Jacobui de Mindere iulc een Pater- 

S 5 noüer 



Ten ware 

hetdeHifto- 

ricgfboor. 

Exempels. 



142 E RA T O. 

nofter in de hand te doenfchilderen. ]k zal niet zeggen van die zich vcr- 
greepen hebben in tot een krom zvvaert een rechte fcheede te maeken, of 
van hem, die van den Boer berifptw?iert, dat hy een Vogel, op een Ko- 
renayr Rellende , de zelve niet en hadde doen buigen, 't Gemeen oordeel , 
en Apelles Schoenmaker zal die gebreeken licht ontdekken. Men vind echter 
gefchiedeniflen, die, om U'oneygentlijkheit derPerfoonen, metdeom- 
llandicheden raer zijn , als of men de liftige Uliffes de Schelpftrant en het zan- 
dige duin zach ploegen ; of de groote Achiües , door dwang van zijn bekom- 
merde Moeder , om Jbemis orakel en 't nootlot van een verraderfche doodt 
t'ontw^ijken , zich onder de Hofjufferen van D^/^^wü in Scyros zach palee- 
ren; daer hy in vrouwe gewJiet van den fchalken Griek betrapt wiert 5 toen 
hy zijn lult tot den krijg in't aentalten der wapenen liet blijken. Zoodanige 
gefchiedeniflen zijn , wegens haere onvoeglijkheden , aenmerklijk, en 
worden, omhareoneygentheit, ten toon geitelt. Gelijk niet minderde 
doorluchteK^rd de vijfde, toen hy zijn Koninkrijken en Keyzerftaf, na't 
voorbeeltvan D/ol^eiMfw, had afgeleit, enby't graf van -S^rforiwiboomen 
fnoeide, bloemen queekte , zonnewijzers Helde, of, dat noch vreemder 
is, metdeMonikkcnin'tKlooftervan Sint jfoo/? zijn eygenlijkvaert hielt. 
Een zelve omftandicheit is niet altijts eeven voeg lijk. d'üude Romeynen, 
die van Harders en Boeren opquamen, paften't in vreedede ploeg te men- 
nen, en van d' Akkers tot oppergezaghebbers verkoren te worden, of met 
gebrade rapen, na de gewoonte van haere opvoeding, vernoegt te zijn. 
Rome behielp zich lang met laege gebouwen , maer in macht aengroejen- 
de, eroeiden ook de gevels. Alle natiën, ja alle perfoonen hebben iets, 
dathuneygenis. Aend'Oofterfche Koningen voegt prachtigen omftant ; 
Azia was van outs vol Badftoven, en Luftkameren : in Sparta niets dan 
nootzaeklijkhcit. 't Voegt wel, dat men Hanntbal in 't harnas fchildere: 
5,°" ora-^'^" dat men Krez^us by de fchatten , M;das in't gout , Kato in den Raet , Demo- 
ftaldicheyt fthenes al preekende , en Jakob by de Schapen afmaele. Epamimndas was ver- 
uit te bctl- lieft op armoe, en D/o^^wn verzot op ongerijf. De Profeeten voegt het 
droomen en vremde gezichten te zien, d'Apoftelen onder 't volk te zijn, 
;n i* Papen by d'Offerkift , Soldaten by't boereplagen , 



Yder natie 
jaydervoor 
nacm per 



den 



Schilders 
vryheyt. 



Monikkenby'tÜerven ^ , _ _ 

Joden by't fchacheren, en Jan hagel de mirakelen by te woonen. Maer ik 
wil ook niet, dat gy in uwe omftandicheden al te gebonden zijt , envoor- 
namentlijk aen meeningen , die niet al te zeker gaen. Want fchoon'er zijn, 
die willen dat het kruis Chrifii van vierderley houtwas: Tewcten, de voet 
van Ceder, de blok van Cypres , het bovenfte van Olyf boom , en de 
dwarsboom van Palmhout , zoo zult gy mogen beftaen met eendcrley hout, 
^^"^'l^ftaet ja a^ was 't maer met Eyken. Voor een Roomfch Keyzer zult gy een bran- 
ncnvan ae j^j^^^ yj^^p^j^^e doen draegen 5 en voor een Raetsheer een ftrafbijl, de 

Quiri- 



ncn 

of beroep. 



Het vierde Boek. i^^ 

Qiurinaelfche PrieRercn zalmen aen haerenhoet, alseenhuive, kennen. 
Een Scnateur aen een fchelp, als van een Schildpadde , indenerm; en 
een Rechter aen een fchrijftafel; een Ritmccikr moet een heirhamer voe- 
ren, en een Hopvinan te voet een VVimpelkenj d'Orateur een boek, de 
SchermerecnzwaerL, de Snijder een fchaer, de Smit een hamer, de Zil- 
verwerker een klein aembeelt j en voort kan yder iets tot een teyken van den 
dienfl: of het ambacht, daerhy mede omgaet, by zich draegen. Want dit 
was by de Romeynen niet alleen in'tgebruik, maer door deWettenbe- 
vefticht, en niemant vermocht, zonder zoodanich een kenteyken, ach- 
ter ftraet te gaen, j^ ^j l^l-p. 

Het kenteyken der Koningen plach in oude tijden een fpiefle te zijn, welke kenteyken.' 
de Grieken a-K'mcj^x geheeten hebben, want noch te voren hadden de ouders de Een Spicile. 
fpieflen voor goden geëert , tot welkers plichtige geheugenis , zy daer na 
de bselden der Goden fpieflen in de handt gaven. Maer namaels zijn de Ko- TromPom- 
ningen metkroonen verficrt geworden. DeHeylige Schrift maekt ook ge- /^t/o //i. 4.3. 
wach vande fpiefle, die Sauly d' ecrfte Koning van Ifrael , gevoert heeft. 
Maer oftuooknodich was de kenteykenender Roomfche Koningen te we- Roomfch 
ten, wel aen , de Fasces of bondelroeden , met bylen, moet gy voor uit ^°"''^'^'')^' 
doen draegen , voorts een goude kroone , met een y voiren ftoel , en zekere p7/"i"/)- 
Rokken van byzonder maekfel .- als de TraheA, de Pretexta, de PAlmatdt ^elj.z.ci. 
eenige Ringen, en andere ftaetlijkheden, Maer vooral zult gy de zeege-"^ 
koets daer op 'theerl ij xtby voegen. Wat tey kenen ook Scifio aen Mapnt(fti 
toen hy hem Koning noemde, vereerde, isbyiiv/ttinatezien. 

Wilt gy ook weten, waermede hetopgergezachvan Spartawiert uitge- De Staven 
beelt , als de Ephori iemant ter zee ofte veldt zonden .«' Ik zal 't u zeggen : zy Scijtaies. 
hadden twee gelijke ronde üokken, waervanzy 'ereenaendeZee-ofLand- Kl^y^"*' 
voogt meede gaven , en deeze wierden Scytdes genoeint. Als zy nu aen den '" ^ ■ " 
zelven iet gcwichtichs te gebieden hadden, zoo wonden zy een riem van 
parkement om den (tok, dien zy behouden hadden, in zulker voegen dat 
den ftok bedekt wicrt, en het parkement dicht aen malkander floot; en dan- 
fchrevenzydaerop'tgcenezy wilden. En dit parkement , ook .'^f^M/^ ge- 
noemt, ontwondcn zijnde, droeg wel letteren , maer men kon 'er geen zin 
uitraemen, totdatdenKapitcyn, daer het aen hielt, het zelve ook om zij- 
nen ftok, op voorige nette wijze, gewonden hadde^ want dan ontraoetert 
de letteren malkander wederom, gelijkze gefchreven waren. Het ontfan- 
gen van dusdanigen Scytale of brief, heeft zelfde grootfte krijgsheeren van 
Sparta in haer voornemen te ruch gezet. 



ZEVEN- 



144 



RATO. 




ZEVENDE HOOFTDEEL, 

Van V Hair. 

U dewijl Clio noch Volymn'ta ons niets van 't gebruik des hairs heb- 
ben gerept, zoozal't mooglijk onze EMfö te vergeven zijn > alsze 
dit op volgende wij ze verhandelt. 

Verfcht yde volken hebben meeft altijts het hair op een verfchil- 

lende wijze gedragen, d' Oude Egyptenaersbegollen de gewoonte van het 

hairtelaeten fcheerên, ten tijde dat -(4p«{Herf, dien zy als een Codeerden, 

niet alleen van 't hooft maer van 't geheele lichaem , als een zuiveringe , maer 

d' Avantes lieten het vöorllevan haer hooft befcheeren, en deeze manier 

Vl.inlhi- vviert Thezeide na Thefetu, die 't hen in een offer voor dede , genoemt, 

jcut. 't Welk P4«/m4 fchijnt aen te wijzen, als hy zegt : Dat 'et den mannen een 

fchand is, 't hairongefchorente dragen. Maer I^fwrgw geboot de Spartae- 

nen hun hair te laten waiïen. Zeggende dat het hair den fchoonen lieden 

nochfchooner, endenmismaekten oorlogsmannochverfchriklijker maek- 

te. De Tarters, Slavoenen en Hongaren, fcheerên den ganfchen kop, 

behalven eenvoorlok: tnaerde Tartersen Parthen pleegen, na Plutarchm 

getuigenis , hun hair te laeten wafl'en , zonder het zelve eenichzins te leggen 

of te kemmen : doch de Meeden droegen het (ïerlijk in een huive. DeDuit- 

fcheSueviftrceken haer hair zydeiings op, ofbonden 't in vlechten, en dit 

^ccrenwat was't dat hun als vrye luiden van deflaeven onderfcheyde. Het fcheerên des 

he: plachte hairs is by oiidcn tijde een teyken van droef heyt geweelt, of wel een ver- 

bcieykcnen. {"^^3 jj^g : want als de Sirakufers Nicias verwonnen hadden , verfierden zy 

hun eygen paerden, en fchooren die van hunne vyanden. Zoo ook deden 

deThebaenenenThefTaliershaerepaerden, tot teyken van rouw, alsook 

AlexatidcT lu't Merwenvzn Hf/)/;f/?/o«demaenender paerdenen muilen; en 

Drocfhcyt, j^ pcrfen fchooren ook hen zei ven uit droef heit:doch onzcnBatavier CUudm 

Y*^'""^ Civ;/» fchoor zich niet, voor hy zijn wil in 't oorlog had. By Drfvii, Ko- 
Sin.ict, en . TT "t • I I r l j •• 

gehoor- nmc van lirjcl , wiert het als een groote imaet geacht, datmenzijn gezan- 
Ticmheit.by ten gefchoren t' hiiis zont. Wanneer de Ephori binnen Sparta in hare over- 
dcLacede- Jieyt traden, deden zy omroepen, dat alle Spartaenen hare baerden zouden 
snonurs. Jaten befcheeren : 't welk van een iegelijk wiert nagekomen, tot een bewijs 
dat zybereyt waren, zelf in d'aldergeringfte dingen, zonder tegenftribbe- 
ling, hcM tf'i^ehoorzamen. 

Hethairfcheerenwas, na 't getuigenis van ^f«/^j rouw of vernedering, 

en 



Het 'Vierde boek. 1 4.5' 

en daer jm fnceden d' oude Grieken haere lokken af, over haere doeden : ge- 
lijk Eleiira by on zen Sofhocles zegt ; 

Enfnji veel Itever af de tippen van uw vlechten 

En 't z.achte bair van mjf. 
Macrdehedensdaegfche Ldelviouwen der Grieken verzeilen delijken vaa 
haer maegfchap met hangenden haire , en bloote borften y die gelegentheyt 
waernemende , om haere fchoonheyt , die deurgaens verborgen is, aen yder 
een te laten zien. De verdorventheyt des tijts heeft den Romeinen, na de . . 
klachte van Seneka , zoo verwijft gemaekt , dat zy hen alle daeg lieren fchee- v'^^iul'I * 
ren, krullen, en kemmen: en onze hovelingen hebben bynae den halven dtsltvms. 
tijd de kam in de Parruik. Echter was het een gebruik onder de Romeynen , 
deflaeven, als zy in vryheytgeftelt wierden , hun hoofden te laeten fchee- Ondcrfclicir 
ren en kleyne hoeden daer op te zetten. Men plach de volkeren bynae aen de "^ Landacrt, 
verfcheydenheyt van hun hairte kennen. Zommige Mooren hebben lang, 
zommige wolachtichhair, in eenige landfchappen trekt het ten bruinen , in 
andere ten zwarten, en in andere ten blonden, doch het rood en ongebon- 
den hairisgeen wonderby de Duitfchen. Maer wat verderdebefcheerinne mj , 

I T 11 I • 1 rN I 1 1 ^ trtairdcr 

aengaet ; de Longobarden, 200 als m de Schilderyen, die Theudelinda Longebar- 

hare Koningin hadde doen maken, te zien was, droegen het hair voor zoo den. 
laeg, als tot den mondt hangende, aen beyde zijden van het voorhooft ver- 
deilt, maer haren nek was gcfchrapt , en tot het achterhooft toe ontbloot. 
Voort was het by hen een ftraffe , alsze iemanc befchoren , gelijk van Rotha- 
r'ta vertelt wort. Koningin Semtramis was te Babel met hangend hair op d' een 
zijde uitgebeelt, om datmen, wanneer zy gekemt wiert, haer den afval 
der zelve Stadt hadde gcbootfchapt, waer op zy haer andere zijde niet en 
wilde laten optoojen, voor dat zyde Stadt wederom met gewelthad be- 
dwongen. By de monikken beduit de hairfcheeringe een verfmadinge van de 
overdadicheden der werelt , hoewel *t veele vergeten. 

Totbefluytmoetikdejeugt noch een weynich met poëtifche gcdachfn 
zien t'ontvonken ^ Van Eva boogt Apüion by Vondel aldus : 

Ik^fcheyde , doch met pijn , en z.agh wel drjfwerfom. 

Nu bltnktgeen Serafijn , in 'r Hemelfcb Heyltghdom , 

A Is dez^e , m't hangend hahy eengoude nis vanjlraelen , 

Die fchoon gewatert van den hoofde neder daelen , 

Envloejenomdenrugh. Zookonitz.ei als uit een licht j 

Te voorfchtjn , en verheugt den dagh met haer geucht. 

Laet per ie en perlemoer u z.uiverhej/t bclooven ; 

Haer blankheitgaet de perle en perlemoer te boven. 
Den Schilderachtigen Apulejtu zijn Fotis uitbeeldende, vertelt hoedanich 
haer genoegfaem dik hair , dat met een onachtfame zwier over de fchouderen 

T hing. 



i4<J E R A T O. 

Berallijkhcit hing, en vandaer wederom opgefchort, en op den kruin meteen knoop 
m cHair. ja^h, haere bevallijkheyt vermeerderde. Wat vermaek is het , zegt hy, 
wanneer de krollen wel gekamt en gcRreeltzijnr" Zy maken het aengezicht 
aenzienlijker en voller, en matigen de lengte van den rug. Men verfiere een 
fchoonhèyt vry met gulde kleederen , en verzieze met juweden ; zy zal 
nimmer behaeglijk zijn, tertzy menh.ierhet hair met behoorlijke teuijerir- 
gen bulleen opfchik. T4j[/o ook in 't verbeelden van zijn Armide begint ectii 
van 't Hair: 

Haer vlechten ujn vangoudtdraet , los van zjp'teren > 
Die 'r aenfcbtjn nu bedekken , dan ver fier en > 
En tergen 't oog van al 'r nieuwsgiericb >o/j^, 
Z9ofpeelt de Zon door eene luchte wolkj, 
of toom TLtch bloot j enfchijnt met heeterjiraelen. 
De ifefle tp'mt doet haere lokken praelen , 
Al kronkelende , als golven door de lucht. 
De Poëten geven aen de (joden ook verfcheyden hair , zy hangen Jupitef 
Goden hair. een lok over 't voorhooft , dathy'erfcheél afziet. Maer Virgiel hult ApoÜQ 
metditvaers: 

Apoll' z.ijn lok^n toyt , die langs z^ijnfchouders roeren , 
Èn vlecht ae met groen loof ^ gefinkt metgoudefnoeren. 
Dit zal genoeg ïijn voorde Schilderjeugt, om het onderf<Jheyt , dat'er 
in 't hair, ten aenzien van beteykening , en landaert, aen te merken is, 
waer te neemen. Het zelve nu uit te beelden , moeti als gezegt is » met een 
loffe zwier gefchieden , nochtans met de zelve waerneming , als allé andere 
dingen. Maer wy zullen deeze rtoffe met den aerdigh hairfchilderenden 
Baertvan Schilder * Hans met den baett, befluiten. Jun Vermej/en van Beverwijk, 
Vcrmeyen. Schilder van X<irf/^<f v/jf/i:^^, was een fchoon en lang perfoon , hebbende 
eenenfchoonenbreedenbaert, zoolang, dathy overeyndeflaende, daer- 
op kontreeden, welken hyook dagelijxmet grooten vlijt havende, Den 
Keyzer namfomtijts vermaek in hem aen groote perföonen te vertoonen; 
want den wind in zijnen baerd Waejende , floegze hen wel in 't aengezicht , 
fchoonze te paert zaten, 
j^. Yeyjie. d' Aeloude Engel Saxoiis vermochten haeren baert niet te fcheêren , voor 
gan. Iw t/;e datzyeendervyandengedoodt, of ten ftiinften gevangen , en van zijn wa- 
Englifch penen ontbloot hadden. 

Anttqumes, Maer dit had ik mijn Schilderjeugtbynae vergeten te waerfchuwen, dat 
zy in d'oude Romeynlche daeden te verbeelden, geen lange baerden te 
reerin^ ° voorfchijn brengen ; want Keyzer Adtiatitn wasd'eerfte, die, om zeker 
bruik ge- ütteyken , dat hyaende wanghadde, te dekken, zijnen baert liet waflcn, 
fcrachï. waer in hy , als 't hooft van al dé wérelt > voor een lange tijdt wiert naege- 

volgt. 



Het vierde Boek* 1^7 

volgt. jf«/w«i« de verlocHenaer droeg zij nbaert zoo lang, dat die van Anti* 
«ffcif»uitfpotzeyv,.j, daunenzcinoft affnyden, om 'er een zeel af «c dr ad- 
jen ; welke fpotredenen hy haer met het fchri jven van een boek > Mifipo^oM 
genoemt, vergok. 




ACHTSTE HOOFTDEEL. 

Fan bekleedingen. 

Eloozeflang, cerzenoch op den buik kroop, enaerdeat, ver- 
Icyde ons aller moeder ï.va tot de bekoorlijke vrucht , die aen haer 
enaen i4<i4f» de kennifle gaf, datzenaekt waren, zoodatze zich 
fchaemts halven met vygebladeren moften bedekken. Maer het Peltfcry. 
opperlte meededoogen bekleede hen met vachten. De peltfery was dan d'al- 
lereerfte bekleedinge, waer aen zich noch gehecle volkeren houden. Gy 
zult de Tartersalin Srhaepsvachten uitbeelden , en de Samojedenin aller- 
leybont. De Beemin paft een enge Pels, en de Beijerin een bonten hooft- 
fieraet. De Mof is nu een gemeen winterweer voor alle volken: maer bont 
te draegen plach men niemant hier te lande , als aen voornaeme ftamhuizen , 
toe te Itaen. En dat van de Armynen behoort als noch niet dan aen Vorftlijke 
perfoonen, Het bont en allerley peltfery natuerlijk uitte beelden, beftaet 
meeft in *t zelve natuerlijk en zacht te koloreeren : wy zullen ten aenzien van 
de Teykening meer zwiers in kreukelich lywaet vinden, d' Alderoudfte r 
Schilders pleegen haere kleederen zonder vouwen of kreuken te maeken , tot ^^*^^' 
dat eenen C'mon van Achajen van die ftij vigheyt afweek , en zijn kleederen een 
lofte zwier gaf. De kleederen der oude itatuen zijn meeft als nat lywaet , dat 
om het lijf kleevende met rechte piooijen neerhangt. 

Maer voor alle dingen komen ons hier de hoofrdekfels,teuijeringen en be- 
windfelste vooren, aerdichcdendaereen Schilderzijngeeftruimgenoegin^°° P*"*"^* 
kan doen wey den. Maer dit dient gevveetenjdatmen de Romeynen geen an- 
der dckfel , als een flip van haer kleet op het hooft» mag geeven : want zy 
droegen geen hoeden, alsby nacht, in'treyzen, inde fchoufpeelen, en 
in deSaturnaelefeeften. DeParfifche Koningen zult gymet den Tyaer of 
hoogenhoet zonder rant vereeren. Darius Sidaris, of Koninklijke hooft- 
pronk, was meteen Hemelblaeuw band, met wit afgefcheyden gegort, 
en alle Aziatifche Prinfen droegen den Koninklijken band, of ueui)er- 
kroon. 

d'Egyptifchevorften voerden Diademen, rondom verfiertuiet gelijke- 

T z niifen 



Diademen. 



Laurier- 
kroon. 



148 E R A T O. 

ni/Ienvan Aspisflangen. Diademen, zeg ik, welke ook, feden Konflan- 
tjnde Groot i vandekeyzeren , en naederhand van alle Huropifche Konin- 
gen gedraegenzijn. Want het keyzerlijk hoofccieraet was vanoutsden lau- 
rier , niet als een tak , die los om 't hooft ging , als in vroeger eeuwen , maer 
de laurierbl ;ederen van gout gemaektlaeL;en ordentelijk op zijde of zachte 
ftoffe, die het hooft niet en quetfle, gehecht: en vertoondenzich wel zoo 
fierlijkjals 't ooftcrfche Koninklijk fnoer,of den witten diadsein,van een duim 
breet ,bezet met dierbacr gefteente,die te vooren met den Koninklijken naem 
by de Romeynen was verworpen geweed \ doch zoo wiert den laurier in den 
nek ook met een gouden gefpwerk, in maniere van een lint,ramengeftrikt. Se- 
dert is de Keyzerlijken Diadeem met een kruis en een kam vergroot, gelijk 
die tot Neurenburg bewaert wort , zijnde van een Barbarifch maekfel , met 
ongeflepe Robijnen, Turkoyzen , Smaragden en Paerlen omzet, en 
plomp genoeg gegra veert, draegendeden naem van Conradm (looxk gifle, 
die voor Frederikui Barbaroffb geregeert heeft) en weegt veertien ponden, 
Maer de ftamkroonen van't huis Ooltenrijk zijn tot een heimet boven toege- 
groeit. Jk zal der andere Koningen kroonenvoorbygaen, en zelfs den Pau- 
zelijken Mijter, fchoon met dryhooge ftraelkroonen omringt. Ook des 
Grooten Sultans hoogen tulband,van gedaente , hoewel drymael zoo groot, 
als een Pompoen. 

Maer wat de outheyt belangt, den Roomfchcn Apexy het priefterlijk 
hooftdekfel, was van witte wolle gemaekt, en wiert metpurpere banden 
onder de kin vaft geknoopt ; hetfpits, dat pijnappelsgewijs boven toeliep, 
droeg een takje van eenichheylzaem gewas. Anders droegen zy ook over 't 
hooft een ruim lywaet,dat tot op d'aerde hing , over den Gabijnfchen gegor- 
denRók, die mede van lywaet, en zoolang was, dat hygeQeept zou heb- 
ben, ten waerehy wasopgefchort, Daeromzietmen in de penningen, fta- 
tuenen halfronden , dat het Prierterlijk kleet Camifiumy of opperhemdt 
met fchóoten of ploojen over den gordel hangt. 

De Joodfche en andere Priefterlijke Hooftprael, en Vorftelijke verfier- 
fels loop ik willens voorby, als bekende dingen. My luft wat ongemeens. 
Nergens is oit meerder vlijt in aengewent als in vrouwen hulfels , verandert 
door teuieringen van topfleuyers , voorhooft-fierfels, hairgeftrik, enpaer- 
n V legequik , op duizcndcrley wijze. Vanvrouwehulfelenen teuijeringenwas 
wen huifden ^"drtes Verochiod'eetüe onder de ïtzlhnen y dieze geeflich uitvond. Rafael 
Urbijn gaffe een zeedige bevallijkheit , maer Rojfo en Salviati hebben'er meer 
vremdicheits toegevoegt. Doch onzen Lul^s van Leyden week voor nie- 
mand. Maer die luft heeft tot vreemde optoifels,die verfiere de gekrolde hair- 
lokkender Athenienfen met goude Sprinkhanen. Sandijs befchrijft die der 
Jodinnen, zoohyzeinPaleftinazach, aldus; d'Oddemuftelenhaer hooft 

in 



Tulbint. 

d'Apex en de 

Cjbynfche 

gording. 



Het 'Vierde Boek. j^p 

in Lywaet , met knoopen achter af hangende , andere draegen hoogc muts- 
fen van dun blik j ik hcb'erookvan geflagen goud gezien. Zy dragen borft- 
rokken met broeken onder aen, des fomers van lyvvaet, en 's winters van En'klcede- 
laken, cndaeroverlone purpere vliegers. Maer de wijzen vangcmaekte rco 
kleederenzijnoneyndich. My^twzhVeimst zoo alsfe£wf'4i ontmoete: De 
handige boog, (zegt K;r^if/,> wapperde op harefchouders , gelijk een ja^e- 
rin, het hair vloog om't hooft in den windt, het lange kleet hing omhaer 
lijf opgeknoopt tot boven de bloote knien. £n ge/ijk zy zelve zegt : De Ty- 
rifchemaegden zijn gewent pijlkokers te draegen, en purpere laerzen op de 
fcheenenteftrikken. En niet min zoo alsfc i4p«/f;«i , noch Ezel zijnde, in 
vertooning zach. Een deurfchijnich zijden kleed met franjen was al wat zy 
aen had, 'twelk van den wint, die 'er dartel in fpeelde , fomtijts verblazen 
wiert, en Ikelswijs liet zien^ 't geen zy wilde bedekken , of de leeden 
drukkende der zelver gedaente zoowel, als of zy naekt was , vertoonde, 
gelijk gy uit K//e reets verftaen hebt. Maer dit in fpel vertoont , wort nu by 
deTurkfche Jufferen zoo wel nagevolgt, dat de geene, die hacr te zien 
komt, door haer dunne kleederenhaer ook als naekt ziet. Dochditinzync 
waerdc laetende,zoo zijn echter de kleederen, die de gedaentens des lichaems 
nieten verhinderen , aller prijswaerdichlt in Schiidery. Vermander }^x'\]{i 
zeer eenige beelden van Pierj^n del Vaga, welke aerdich en vrolijk toege- 
maekt zijnde, en met dunne zijdekens omvangen, nochtans het naekt na- 
tuerlijk vertoonden. Maer inditvertoonen des lichaems moetmen grootc 
befcheydenheyt gebruiken , dat de kleederen ook als kleederen haere natuer 
met een zeekere ruime grootsheit behouden. Daerentegen is alle overtol- 
licheit misprijfTelijk, 

Het is befpottelijk en haetelijk een klein lichaem met een onmaetich flod- ^^" ^'^'^' 
derend* kleet te omhanoen. Dat gewaet is aller gevoegliikff,dat seen flof en ,'"?^' "^ '■■ 
verwekt, noch onder de voeten Ihngerende vertreeden wort , zegt Simacbus. 
't Sicraet behoort zich na zijn eygengelegentheittefchikken. Ftr^if/ brengt 
Dido, noch te veel bezwaert noch te fchaers behangen , voor den dach: . 

Zjf kpmt op 't Uetjl met een Sidoonfchen Jachtrokjtit , 

Met liften geborduert , eengoude Piilbusjluit 

Den rugh , het hair is net met gout draet opgemaekt , 

In 'tpurpren kjeet met eenjijngoudegefp gehaekt. 
DeRoomfcheJufferfchapzultgy inet oor-en vinger-ringen, cnarm-cn 
halsbanden vertieren ; geef haer ook parelhulfels , borifjuweelen, en rie- ^°^'"^*^'"^ 
men en ketenen , 'en behang de kleederen onder met bellekens. Want deze J''"'^'^- 
maniervandrachtwaslangby hen gemeen. Maer de Vertaler Nonnen zult . , 

gy een wit kleet met een purperen lijft geboort, toevoegen, en zettenze een '^ '*'^''' 
witte wollen huif op het hooft. 

T 5 De 



T50 E R A T o. 

H'.Iiogaba- De vciWitewKcyzcr Hetiogabslui droc^ ccn prachtige Vrongkroon ^ met 
'"'' paerlen en koflelijkegefteenten bedekt, na de wijze der PeiTiaenfcheVor- 

Iten. ZijnkJcedercn waren van purper, engoudlaken, en blonken van de 
koftelijkfte gefteenten van Ooftcn. Hy droeg aen fijn Sleuyers Diamanten, 
En Darms Efmerauden en Robijnen , heel konftich gefneden. Zoo droeg eertijtsjD4rwi 
''" '"S* delactfte Koning der Perfen, een overkomelijke purpere rok, met witte 
ftreepeningeweeven. Zijn korte rok met gout ingewerkt, was met Roof- 
vogels, die met hun bekken gelijk tegen malkander pikten, fierlijk opge- 
maekt. Hy droeg aen zijn goude gordel, die hy flappelijk en vrouwelijk 
toegorde, een Sabel, daerafdefcheede van gefteenten gemaekt was. Maer 
dit alles komt niet te pas by de pracht, die naderhand verzonnen is. Koning 
Attaluiy nae P//«9 zeggen , isd'eerüegeweeft, die de gewoonte van't gout 
in de kleederen te weeven , heeft opgebracht. Waer van ook alle koftelijke 
gewaeden , en zelfs Tapytferyen , den naem van Attalifche kleederen ver- 
kree^en •, ja men noemde zelfs al wat koftelijk was Attalifchen huisraet. 
Sierli|ke Sierlijke kleederen vermeerderen de fchoonheit; maer de leelijkheitbe- 

klcederen fpot zich zelven dikwils , ineenopgepronktgewaet. Ptclomem Phifco , kort, 
ontiiercn ^^ gn groot van buik , en wanfchapen van aengezicht , fcheeneereenmonfter, 
Uit Trogo ' ^^^ ^^" menfch te zijn , om dat hy met blinkende en deurfchijnende kleede- 
Pombejo. ren zich waende te verfieren ^ want men zach daer door niet alleen zijn mis- 
lib.ii- maektheit, maer zelfs het geene een eerbaer man met alle vlijt gewoon is te 
verbergen. 

Sebafiiaen del Piombo wiert in zijn kleederen , fluweelen en lakenen zeer ge- 
prezen. 
Kleeding Luft u eenen menshaeter, I<im/«f vertoont den CynifchenFilofoof M^w^- 

tcns Cyni- demus in eenen bruin donkeren rok , met een vlammigen gordel opgefchort. 
ichen Filo- j)g t walef beginfelen der Nature waren door de weef konfte in zijnen Arka- 
■ difchen hoed afgebcelt : hy ging op tragifche bortekynen : zijnen langen 

„. , ,, baert hing over zijn riem : en in de hand zwierde hy een effchenftok. 
Kinder klec- „• , ^ i i- j l • l ^ . i 

^ Kinderen zult gykinderachtich toetakelen. 

De Roomfche kinderen van onder de acht jaeren moogt gy met konflich 

En die der fpeldewerk de halsjes verfieren , met de naemen van hare ouderendeurftrikt. 

Romcynen. De knechtjes tot onderde veertien jaer zullen korte rokjes, jEltcuUs^e- 

naemt, aen hebben. 

Maer nae de veertien jaer moet m*€r eenander kleet, gcnaemt Pre/f A;f4 , 

boven aen de rechterfchouder met een litfe vaftgemaekt , maer aen de flinker 

toe, en onder met purper geboort, by voegen j zoo 't kint andeis ■van vrye 

luiden geboren is ; want dit klectvanfieraet was den flaeven verboden. Daer 

boven over moogtqy't een beeltenis, J5«Z/4 genaemt , van goudt of zilver, 

van gedaente als een waterbobbel als't begint te regenen , of gelijk «en Hert, 

aen 



Het vierde Boek. i ^ i 

aen denhals hangen. Want dit verlïerfcl was den eedelen kinderen door 
de wetten toegevoegt j daer die van de vrygemackte zich alleen van 
een leedere bagge mochten dienen. En deze gewoonte , doch onder 
een anderen dekn-.amel , is by den Roineynen en Romeynsgezindcn als 
ftOÊhin't gebruik, en zelfs, nae datzy het kinderlijke klcet "hebben afgc- 
leyt. Y>cx\ mannelijken tabbaeat moet zonder purper zijn , en tot de voeten 
toeafhangen. Deze kleeding , To^4r4 genaemr, was allen Romeinenin 
tijd van vreede genieyn, en wiert den jongelingen met plichrlijkheden, 
inverfcheydenheyt van ouderdom, als een teyken van mondicheit, aen- 
gedaen. 

Belangende de verwe,de Romcynen gingen alle zonder onderfcheytjen tot 
de fchoenen toe in't wit,dat is,in ongeverwde wolle, ofly waet : 't welk by de 
voomaemfte zeer fchoon en zuiver, maer by't gemeene volk befmeurt en 
vuil der uit zag. Maerden witten tabbaert der Heeren Vaederen, Togalati 
claviy wasmetkleynefpikkels gevlekt. Doch ten tijden il«^«/?/leydende 
meeftehaerewitteTö^4;af, en liepen flech$ in T«w/ci5, of onderrokken, die 
zy toen ook begoften zwart te doen verwen. En ly floegen den krijgsman- 
tel, LacernAy om de fc hou deren: die 't gemeene volk zwart, maer de rijke 
van Scharlaeken, Purper , of van een andere koftelijke verwe droegen. 

De kléederen der cude Duitfchen plegen zeer fober te zijn ; wantzy Kleed rfn 
droegen maer eèn kort kleetjen , en dé reft'van't lichaem was ganfch naekt ^ '^" ^'^"" 
jae de rijkfte zelf hadden haere kleedéfen zoo eng , dat dezelve merkelijk alle '^ ''"* 
deelen des lichaems uitdrukten , beftaende veeltijts in vellen van zee-en wa- 
terbeeften, met allerley vlekken verfiert; maer Cex^dr geeft haer vachten 
van geytert en fchapen. Der vrouwen kleederen verfchilden weynich van die ^*"'"" J*^"' 
van de mannen, alleen v^arenze van Lywaét, en in't gemeen met purper ^"^f'^,J„ 
deurwrocht. Hetbovenftevandeborft wa$ bloot, en de armen naekt zon- DuitsUnt. 
der mouwen; doch zoo was hare naektheit met eerbaerheitbekleet. Maer 
Lucanus maekt hunne kleederen tuimêr, doch ikhoudej dathy Moskovi- 
ters of Polen voor Duitfchen heeft aengczien. 

JR.VerJligan, fchrijvende van de Sax Ëngelfen, zegt: dat zy geboorde 
rokken droegen, jae dat derijkftè die met pfieflen verfierden ; mannen en ^"f ?• 
vrouwen geeft hy mantels, met gepikkeerde fchoenen , die met fchcrpc 
punten voor öm hoog boogen. 

De Longobarden droegen wijde» en door de bank lywaete kleederen , J^'^^*^"^" 
gelijk naderhand ook de Angle fajtottS, als boven, verfiert metbreedeen ^^^i°a.^°' 
verfcheyden verwige boorden. 

De Schoenen det- Longobarden waren tot het oppcrfte van den sproeten 
tcéngeopent, en wiefdenvand'een zijde nad'anderopgebonden. Nadet- 
hand bègoftén ty hoöEcii tê gebruiken , een dikker en fterker foorte van 

kou- 



1^2 E K A T O. 

koiifciuiaer over trekkende, als zy te paert gingen ; inaer dit hadden ry van 
de Romeinen geleert. De Edele Romeynen kendemen aen zekere halve- 
maent jes , die zy aen haere fchoenen droegen. 

De klederen der Riiflen zijn gemeenlijk onkoftelijk: delantluyden gaen 
Ruiknklee- j^ Jy^yaet, hare fchoenen, gelijk die van deonduitfclve Lijtlanders, zijn 
UhOlea- van breede haften , die yder een voor zich zelve kan maken. Zy draegen lan- 
rius. ge rokken met enge mouwen, dietotopde voeten hangen, overhoozenen 

Der Bo:rcn, onderrokken. De bovenrokken der burgers zijn in 't gemeen fiool donker 
Butgas, bruin, of rtaelgroen, voor en onder aen defplitfl'en met huflen en lange 
quaften, en op den rug met een breede kraeg verzien. Haer onderrokken 
zijn van wollen, of wel van zijde (tof, daer achter in de nek een vierkante 
fa'iMnette kraeg op ftaet, Haer modeis by groot enkleeii meeft gelijk, en 
Hccren wort zelden verandert, zy zijnruimin'tgewaet. Dehemdenderrijken Ite- 
ken om hals en handen een duimbreet uit, gedikt met zijde , gout, ofpaer- 
len : daer aen d' einden der halskragen dan twee paerlen, of goude of zilverc 
knoopen, van afhangen. Zy draegen alle grpote mutlfen, ja deKnezen en 
Bojaren byna een elle hoog , van voffen of fablen ; andre van fammet met lit- 
fen van gout en paerlen geftikt , en met zwarte voflen gevoedert. Der wij- 
En vrou- ven kleederen zijn die van de mans niet ongelijk , veel van Perfifch katoen , 
ook met litfen,knopen en qualtenj Maer haere hemtsmouwen zijn by de zes, 
en fomtijrs wel over de tien ellen langj in 't aentrekken met kleine vouwen 
oefchoven. Haer breede mutfen zijn na ydersftaet, 'tzy van goude laken, 
atlas , of damaft , geboort met palfement , of geftikt met gout en paerlen , 
en met bevers gezoomt. Haer volwaffe dochters laten 't hair in een tuit ge- 
vlochten onder uit haer voffemuts , met een zijden qualt op den rug hangen, 
maer kinderen onder de tien jaer zijn 't hooft gefchoren, behalvcn twee 
lokken,die nevens d* ooren hangen : daer de meiskens groote ringen in drae- 
een , daermenze aen kennen mach.'t Vrouwetimmer blanket zich bijfter , en 
fchildert zich zelven roode kaken en zwarte winkbraewen. 

Nu opdatgy weten moogt, van wat belang ditftuk, van aller volken 
kledy te kennen, voor een Schilder is, zoo hoor w^t'cr Agrippa, in zijn 
Onzeekerheyt der konften van zegt , als hy de ontzachbaerheyt en 't geloof, 
dat de Schilderyen hebben, aenwijft. De Auguftiner en Regulier monnik- 
ken , zegt hy , tvviftten over de kledy van den Heyllgen Auguftjti , voor den 
Roomfchen Paus , te vveten,of hy een zwarte palsrok op een witten tabbaert, 
of een witte opeen zwarte gedraegen hadde, maer beyde niet zekers by- 
brengende , zoo verbleven de Roomfche Rechters dit ftuk aen de Schilders , 
om uit de OU Je Schilderyen de waerheytop te zoeken, en daer uit het vonnis 
te wijzen. Wat dunkt u, ofmen dan niet wel mach toezien, wat kleederen 
men uitbeelt / Maer dat den zelven AgrippA vertelt j dat hy door dit eyge mid- 
del 



wen. 



Het vierde Boek. if^ 

6,t\ heeft uitgevonden f dat de Duivel den eerlten vinder van de Monnixkap 
is, ruikt dapper nae de mutfert. Hydeurzocht, zegthy, aldegefchilder- 
de Hidorien van het oude en nieuwe Teftament ; hy bezach al de Profeten , 
Priefters, Apoftelen, Parizeen en Schriftgeleerden; hy 'bekeek £//<« , Sa- 
chariai, Johannes,enzd[Annasy Cayfoiy rUattu en Herodes, maerzach ner- 
gens een kap, en vs'eerom op 't nieuw alles naerftichdeurzoekende, vindhy 
eyndelijk eengekaptcn Duivel, die Chrijituin de woeftijne verzocht. Bly 
was hy, zegthy, dat hy in de Schilderyen gevonden hadde, 't geen hy in 
geen boekken had kunnen lezen. Datmen dan de Duivel meteen Monnixkap pyi^^jj 
fchildert, is een oude traditie, die wy hem ook niet en willen onttrekken jkkcdy. 
want mogehjkheet inde gedaente van een Engel des lichts te verfchijnen, 
met een Monnixkap bedekt te zijn. 



NEGENDE HOOFTDEEL. 

Fan ÏVapenen , en Krijgsgeweer, 

Reng ons nu, olLxAtOt uw gewapende benden te voorfchijn, 
en vertoonze ons met een fchilderachtige aenzienlijkheit. 

Welaen, hetluftmytans een deel van :^eix.ei Heyrlegerte „ i 
monfteren, en met zoodanige wapenen , als toenze over den /„p^^",-^^ 
Hellefpont met zeventienmael hondert duyzent mannen in Europa vielen. Wapenen, e» 
De Perfiaenen droegen ondoorhouwbaere tulbanden, gefchubde wapenen, Soldaten. 
fcheenplaeten, en rondaflèn, korte fpeeren, maer groote bogen; den ^'"'^"1^*"'' 
pijlkoker hing onder, endepoo!(ookaeneendraegbandopderechterdye, " " ^"' 
- De Parthen, de Meden , Baktrianen en Hirkanen waren op de zelve „ , 
wijze uitgeruft, van gelijken de CifEaenen,behalvendatzeMyters, infteê ^"' 
van Tulbanden , op't hooft hadden, en d'A/Iiriers kopere Stormhoeden. ^^j.- 

De Saken of Scy ten droegen gekamde helmen , boven recht fpits toeloo- Scyten, ' 
pende, en hadden fcheenkouflens aen , voerden boogen , pooken en heyr- 
bijlen. 

d'Indiaenen hadden kleederen van hout gemaekt, riette bogen enfchich- indiacnen 
ten» voor met yzerbeflagen. De Sarangen waren met veelverwich gekleur- 
de kleederen uitgeftreken , en hadden broekken aen , d' Arabiers gegorde Arabier», 
rokken, en deze droegen kromme, maer handige boogen. 

De Mooren waren met vellen van Luiperts en Leeuwen gekleet, haere Moorco, 
dadelboomenhoute boogen waren bynae een vadem lang, haer lange riet- 
fchichten, in fteede van yzer, met een fcherpen ftcen verzien , en haer 

V fpec- 




if4 E R A T O. 

/"peeren met boxhoornen. Zy droegen ook knodzen met yzerbeflaegen, en, 
wie zou't verzinnen f* d'ecne hcltt haeres lichaemsvvasmetkalk, end'ander 
helft met vermiljoen befchildeir. Maerd'Oofterfe Mooren, die aen Indien 
grenzen, en vand'eerfte, die uit Afrika quamen, alleen in het hair en de 
Item verfchilden (want deze hadden af hangent , en d'ander ganfch gekruid 
hairj droegen bynae de zelve wapenen , als d'Jndiaenen, en hadden op'c 
hooft een Ihik van een Merryenhuit, ftaende de Paertsooren op hun hoof- 
den fteylovereynd, zoo dat de maenen haer tot pluimaedjen verltrekten; 
en in fteede van fchilden hieldenze vellen van kraenen vooruit. De Lybiaenen 
waren in't leer , en droegen gebrande werppijlen. De Pamflagonen waren ge- 
fchoeytjcn met geflage heimetten behoet,hadden korte fpeerenjwerpfchich- 
ten en pookenj en met de zelve toerufting waren ook de Syriers, Frygiae- 
nen , en Armeniers gewapent. De Tragen droegen üormhoeden van Voffe- 
vellen, lijfvvapenrokken, menigerlcy kleurige klcedercn ; enkouflenvan 
vellen: en tot geweer werppijlen, rondafl'en en pookjes ; Maerdiein Azia 
woonden droegen kopere helmen met ofTenhoornen , en ooren van het zel- 
ve metael met plumaedjen verfiert , en een yder had twee Lycifche Zwijn- 
fprieten , en een korte Rondas van ongetouwt leer , maer de beenen waren 
En andere Piet Fmicifch laken bewonden. De Milyaenen hadden opgegefptekleede- 
Yolken. ren , ftormhoeden van beeltevelien , fpeeren , en Licifche boogen. Maer 
de Kolchers waren met houte, en de Maren met gevlochte helmen gedekt. 
Ruitcry. En dit was de toe.ruRing van't meefte voetvolk. Wat deRuitery aengaet , zy 
verfchilden in kleeding en wapenen vvcynich van de voetgangers, uitge- 
zondert de Sagaritaenen, die , behalven pooken , geen koper noch yzer ge- 
weer voerden, maer alleen touwen en ftrikken van tienen gemaekt, dieze 
in't vechten haere vyanden of de paerden om den hals wierpen, en dan tot 
zich trokken, en de gevangene, half vcrfHkt zijnde, voort vermoorden. 
Zoo vol van veranderlijkheyt wnsden toeftel van dit fchriklijk heyr. En 
hieruit kan de Schildergeeftgewaer worden, dat hy in't uitbeelden van ge- 
wapende volken , eenwijtuitgeürekte vryheyt heeft ; en niet kaerich noch 
naeuw gezet in eyge vonden behoeft te zijn. Maer eerik't vergeet , zoo 
moet ik u ook berichten, hoe gyde ver(naerdc Amazonen ten oorlog zult 
A;na2oncn, toeruften. T/;4/f/?rnhaer Koninginne, die de landen tuflchen den vloet Fa- 
fis, en't gebergte Kaukafus beheerfchte , en aen de Riviere Thermodoon , 
in't lantfch.ipThemifcyra hof hielt, trok buiten de grenzen van haer Rijk > 
om Alcxander t' ontmoeten. Zy, verlof gekreegen hebbende om hem te be- 
groeten, trok tot hem met drichondert van haere vrouwen : Zoohaeftzy 
den Koning zag, fprong zy , twee fpeeren in de rechterhand draegende, 
vanhner paert, en mackte de kennis, die namaels zoo berucht wiert. Belan- 
gende haer gevolg, d'Amazonen houden haere flinker zijde, en deborll, 

daer 



Het vierde Boek. 1^5: 

daer zy haere kinderen van vrouwelijk geflacht aen zoogen » onbedekt , maer 
de rechter borft , die afgezengt is , om den boog gemakkelijk te fpannen , en 
de fchichten te werpen, is als de reft van't lichaem bedekt; doch de zoom van 
liunkleet, dat zy met een knoop toe knoopen , ftrekt echter niet tot boven 
deknien. 

Het voetvolk van ^wfiof/jMi, toenhytegens PfjM/wrïw, denParth, ten 
oorloogtrok, had zelfs kouflen met goudt en zilver verfiert, jaeal'tvaet- 
werk in de keukens was van enkel zilver , en dit mctael, daer de volken om f °^^''''^i. 
vechten, was 'er om deveelheit fchier ongeacht ; en de Parthen gebruik- ""^0^*'° 
ten 't nergens toe , dan aen haere wapenen , want haere ringpantfieren , die 
man en paert bedekten, waren fomtijtsvan louter goudt. Anders droegen 
zy deurlchijnendeen vloejendeklcederen, op de maniere der Meden; en 
haer geweer was op het Scytifche fatfoen. 

De Romeinen Ikchreede trokken haer befte krijgsrokken over haere Har- Ronifinrchc 
nafl'en aen, en droegen haere ftormhoeden en fchilden, die zyin gemeene ^P^°^"- 
tochten met lederen overtrekfels bedekten; bluot op het hooft en aen den 
arm. D^Velttes, als de voortocht of verloren hoop , in jongelingen tuflchen ^^^'^"' 
de zeventienen vijf-en-twintich jaeren beftaende, droegen een fchilt van 
anderhalf voet groot: een zwaert, en een worppijl twee ellebogen lang, 
en een vinger dik, met een fcherpe drietakkige punt , negen oneen zwaer, 
die in d' eerfte worp brak of omboog , op dat hem de vyand niet weerom 
zouw kunnen werpen ; deze waren ook op flingersafgerecht. H ft t' 

De tweede orden , van vijf-en-twintich tot dertich jaeren , Haftati of pijl- 
draegers genoemt , bedekten zich met een grooten ovalen fchilt van vier 
voeten lang, en derdehalf voet breet , jafomtijtsgrooter, van twee berden 
aen malkander gelijmt , met leer overtrokken , en rondom met een koperen 
bandt verzorgt, van binnen hol en van buiten, daer haere naemen , en tot 
wat bende zy behoorden, opteleezenftonden, uitgebuit. Zy droegen ko- 
pere borft wapenen , dgie-en fcheenharnas , en een ftormhoet, met drie 
overeindftaende donkerroode of zwarte pluimen ; maer de rijkfte hadden, in 
fteede van't borftharnas , een gemalijt lijfrokjen aen. Hun befchadigend 
geweer was een fcherpfnedich zwaert , en een fchicht van dry ellebogen 
lang, meteenfcherpyzeraendefchachtomgekromt; om te vafter te hech- 
ten ; nevens noch twee andere fchichten van onbepaclde maet. 

Die van de derde orden, Pri«£;^/ of voornaemfte genoemt, en van der- Principien 
tich tot veertich jaeren oudt, warende Ff /«f i in wapenen gelijk, en fchee- Tmry% 
nen alleen wegens haere ervarentheyt achter of buiten de tweede orden "e- 
ftelt te worden: want de gene, dienae henquamen, en Triar^, of derde 
orden, van outs genoemt wierden, en uit bedaegde lieden, van veertich 
tot zeven en vijftich jaeren, beftonden, verfchilden zelfs alleen maer hier 

V z inne, 



156 E R A T O. 

inne, van de H4^4fi, en Trincipiy datzy, van werpgeweer ontbloot , zich 
alleen met fpies en zwaert (laendevoets behielpen j want zoo lang de voorloo- 
pers , pijldragers > en voornaemften vochten , zaten zy met d' eene knie 
op d* aerde , achter hun groote Schilden te ruften , om in den uiterlten noot 
ofte verwinnen ofte fterven. Vegetim geeft hun, en de twee andere, elk 
noch vijf loode kogels , die aenhunfchilden hingen, om mede te werpen. 
Maer onzen Schildergeeft zal 'er mooglijk noch wel andere krijgstuigen toe- 
doen. 
Wapenen d' Oude Duitfchen , en Batavieren , zoo te voet als te paert , zult gy een 

der Duit- gcfchilderden fchildt aen den arm geven, en in d' andere hand een halve 
fchcn. piek, meeft zonder helm of pantfier, maernaekt, of met een kort kasjaks- 

Icen, aenhetlichaemmeteengefp, ofby gebrek van dien, meteen doorn 
vaft gemaekt ; maer de Saxons , die Engeland innamen , gebruikten Helle- 
baerden, enPieken, ook Bijlen, en Kruisboogen ; en haere zwaerden wae- 
ren als zeyzens gekromt. 
Achajcrj. Zoodanich een doch kleiner fchilt met een vederfpies, plegen ook d'A- 

chajers te gebruiken, tot dat Philoptimen hen met een grooter Schildt , Storm- 
hoet, Ringkraeg, dgie-en fchee.iplaeten , en met de lange fpiefle ver- 
zach. 
Kriiajtev- ^^^^ SY °°^ ^^ ftammen van ifr/él aen haere banieren onderkennen «* Zoo 
kcas%t zult gy het legioen van jfwdrf een leggende leeuwin zijn wapenen geven. En 
Ifraclijten. daer en boven zult gy de ftammen Juda , Ijfachar , en Zabulon , die daer on- 
der te velde trokken , noch met driederley verwen, als die van Chalcedon, 
Saphir, enSardonix, onderfcheyden. 

Het tweede legioen van Ruben had ook Simeoft en Gad , en de koleuren van 
Sardijn , Topaes , en Amatift : in de wapenen ftont een menfch , of, zoo an- 
dere willen , een Hert. 

Het derde legioen onder f/r^imj voerde een Os, en ook de verwen van 
drye Edele ft eenen. 

Maer het laetfte onder D4«moogtgy een Arendt, of anders een flang ge- 
ven i want hierin is verfchil : en de verwen van de refteerende bekende ge- 
fteenten; De Romeynen voerden Arenden, Rechterhanden, Wolven, 
ncn. °™'^' Pacrden , Zwijnen, Minotauren, Stieren, en de beelteniffen der Keyze- 
ren onder hunne legioenen: 't zy van zilver, gout, ofvergult op een halve 
fteng , aen 't ander eynde met fcherp beflagen : daer fomtijts een kleyn 
vaenken , daer des veltheers of des volx fpreuke S. P. Q^R. ingefchreven 
ftondt, aenhing. Hoeweid' arenden allang tevoren byde Perfen in 't ge- 
bruik waren, daer de Romeynen hen mooglijk van ontleent hebben, gelijk 
zy vandeScyten, zoomen zegt, naederhand onder Tr<ï;4«t« de Draken, 
het vreemfte krijgsteykcn , datmer. zien mocht, geborgt hebben. Want 

zoo 



Het vierde Boek. i ey 

zoo veel ik vernemen kan , 200 waren deze monfters van geweve ftoffen ce- Drackcn. 
naeyt, en van binnen hoJ, dat 'er de windt in fpeelen kon, waer doorze, 
opgoudeftengen, diemetgeüeenten verfiert waeren, in de locht opgehe- 
ven zijnde, fomtijtsfcheenen te leven, den ftaert te flingeren , enuithae- 
ren verfchriklijken en wijtgapenden bek eenich geluit te geven. Maer een 
anderegeeft dit acnd' Indiaenen: d'Indiaenfche Ruitery, zegt hy, plach 
goudeenziivere hoofden van wijtgapende Draken op lanfiën te voeren, en 
wimpels van get wernde zijde , flangswijze genaey t en gefneeden , daer aen te 
hangen, welke met opgefperde kaeken in 't rijden den windt ontfangende, 
den zijden balg en ftaert ook opvulden, en op een verfchriklijke wijze be- 
wcegden. Wijders zegtmen dat d'oude Trojaenen in hacrc baenieren 
een verken gevoert hebben ; dat de Beotiers een S^hinx tot haer krijgs- 
teyken gebruikten ; dat de Trafiers den Afgodt Man in haere ftandaer- 
den voordroegen ; dat d' oude Gothen met een Bevrrinne pronkten • p''g"^y- 
dat d Alani , toen zy Hispanien overweldigden , een kat tothaerwae- dcre volken. 
pen hadden : dat de Gaulcn , en van gelijken de Saffen , oi Zaxen , 
onze voorouders ,' een Leeuw voerden j hoewel deeze laetfte wel fom- 
tijts een ftrijdbaer paerc tot veltteyken gebruikten : en dat de Cimbren 
een wilden Os in haere vendelen Ichilderden. Ik zwijge van de byzon- 
dere teykenen , die de verwinnende vorften gevoert hebben , als de 
Leeuw met een z waert by Pompejus , den Arend met een overweldigde Draek 
by Antiochus'j en duizent andere, zoo fchrikdieren als merken, die federt 
bydenDuitfchen Adel verzonnen zijn; endietans, totbelachens toe, in 
ons Vaderland, enzelf by 't gemeene volk gebruikt worden ^ jaehy mach 
fchier niet mee, die geen met gout verfiert_wapen heeft. De Heimetten en p|pij„^„j.„ 
Stormhoeden der ouden zijn van wonderlijke ftoffen en gedaentens ge weeft : lUas lib. \ 'u 
Howjffr befchrijftdievan AgAmemnon mttdnt hoofden in 't rond gt beogen, 
met vier ringen verfiert, enaeneenenhalsvaft. DievanDo/o«den Trojaen- 
fen befpieder maekthy van wezels vellen, en die Thrafmedes aen Diomedes 
vereerde, van een ftiershuir. Maer die Mmo«« aen l///j^« fchonk,beelt hy 
uit met leedere reepen, en van buiten bedekt met de tanden vaneen wilt 
Zwijn. 

Indien gy Pjrrhui de Moloffer in't heirfpits vertoonen wilt , 200 ftel hem 
een heimet, verfiert met Boxhoornen, en een grooten vederbos op 't hooft. 
Of voert gy Alexander ten oorlog in Azië , gy zult hem een heimet van klaer jj^/"^ ^°^' 
blinkend yzer, als fijn zilver geven, 200 ah't Tbeojilm fmeede, met een 
kam en een grooten bos witte pluimen, daer een paerdeftaert van afhangt. 
Men plach de kopere heimetten wel met Corinthys werk in te leggen , en de 
ftormhoeden te graveeren. De helmen der Romans in 't fteekfpel moogt gy "'^™^"' 
met vederbofTen > een halve vaem hoog oppronken. En deRoomfche hel- 

V 5 den 



T58 E R A T O. 

den zultgy fomtilts met een burgerkroon, fteedekroon , of fcheepskroon 
Zcgekroonc: vereeren. Aen geene zijde , zmgt Maro, iïaetdetiotffcAgrippey wiens hair 

met een kroon van galjoenen, een trots oorlogsmerk, glinUert. 

Ringkragcn Alexander s yzcrentt^kraegwas mct koftelijkegefteenten bedekt. Onzen 

cnBorftplae- Soldaet plach die te draegen met gout deurftreept, of met vergulde nagels 

^^"" beflagen. De Goden en outfte Helden fchilJertinen met een kopere plaet op 

de borft , daer het flanghairige Hooft van Meduz^a op gedreeven ftaet. 't Borft- 

harnas van Agamemnonw'ien met tien banden van donker paers metael, en 

zooveel van goudt, entwintich vantinvaftgemaekr. Men zach drie paer- 

fe Draeken nae den hals opftijgen, die van weerzijdenden Regenboog ge- 

. leeken. 

i"s- j^gj. panfier , drt Alexander over een toegegorden Siciliaenfchen rok droeg» 

was veel reyzen dobbel van gepikkeert laeken , maer zijn wapenrok was wel 
koflelijker, en het handwerk van den ouden HfZ/j^ü», hem vandeftadt Pho- 
dis gefchonken,zijnyzere halskraegwas met flikkerende gefleenten bezet. 
Maer ten is mijn voornemen niet, eenruftingkamer vanallerley flach van 
Harnaden, Hamaflentoete (lellen , 'tisgenoeg, datikuaenduizent verzieringen van 
Wapenrok- ygitfokken en fchubbige kolders doe gedenken. Want allerley flach van Boo- 
gen, Pijlkokers, Trompetten, Bazuinen, Keteltrommen , Trommen, ook 
Standaerden, Banieren, Veltteikens, Plumaedjen, Paertftaerten , Hooft- 
banden. Gordels, Broozen, Voetzooien, Rijgfchoenen, Kroonen , Kete- 
nen, Oorringen, zouw ons te lang vallen te befchrij ven. Ditftaeltje van 
Bneas geheele rufting zal genoeg zijn , om d'aendacht te wakkeren, zoo 
alsze dien Trooifchen Heldt by Maro overziet : 
Eneas wa- jjj, fpg^ ^^^ Qggen vafi in ftukyoorjiukbjz.otjder , 

pcnru ting. Keertom en wederom elkjjemelsiperken wonder, 

Den helm , die vier braekt , en afgrtjslijkji van k^^n , 
Het doodelijke z-waert , degloende vlam by rlam 
Van 't kopren Harrenoi , een wolkgel^kj» dte blik^rt , 
Waer in de z.on van verr* metgloetvanJiraelenflikk:ert. 
Hier na befpiegelt hy de laerz.en , met jijn gout 
En x^ilver oveikleet , de [peer vanglimmem hout , 
Denbeuklaer, x.oo vol kunjl deurvlochten ^ aWtkanlyen^ 
d' Aenflaende Roomfche macht ontdekt door wichlaryen. 
OpRondaflenen Schilden plachmenzeer zinnelijk te zijn. De blaeuw- 
oogdeMm^rpp, zc^t Homeer, y otxêie "^upitersichiiU, waer op vrees en ver- 
JuptKts fchrikken , twift: , tweedracht , gekijf, gramfchap , dreiging en geroep , 
Schilt. p„ in 't midden 't hooft van de Gorgorme zeer grouwelijk gefchildert waren; 

zy was ondoorboorli jk , en van hondert goude plaeten yder aen hondert ftrik- 
ken hangende, enwelineengevoegt, faemgezet. 

Op 



Het vierde boek. i ^p 

Opdenfchilt van j4c/;iüfihad F«/)^fM, ter liefde van T/jff;j, duyzentder- Aciiil.'cs 
ley dingen uitgebeck: daer was den Hemel, de Aerde met de Zee, den ^*^'''''' 
loop van Zon, M.ien, en Starren, den Hemelriem , dePlejadenenHya- 
den: ook twee lleeden, en ind'eene, daer men brutofte , de bruit met 
tortfen geleyde , danfte, en de vrouwen op de drempels zittende toekeeken. 
Elders pley temen voor 't recht, omeenen dootflach, waerin alle doenin- 
gen des lichacms en lijdingen der tochten wonderlijk waren uitgebeelt. d'An- 
derftadt was belegert, daer men raet hiel , uitviel, en lagen leyde, onder't 
gezach van Man en Miiierve , op de kant van een beek , daer 't vee quam drin- 
ken. Hier fpeelden twee boerfe ruyspijpers zonder achterdocht over de "ee- 
ne, die reets het vee wechvoerden, en hen metdedoot dreygden. Ginder 
zachmen ontzet uit het leger komen, moortengevecht.Verderiacheen ak- 
ker,die driemael geploegt fcheen , en ongemeen vet van gront : hier ploeg- 
den de boeren met gejokte OHen, terwijl ginder eender hen met een kanne 
wijn quam laeven,en dat waerdich om zien was, men merkte duidelijkhoe veel 
bruinder de verfch geroerde aerde was,als die men voorheene geploegt hadde. 
Elders fneeden de maejers 't gewas op den vruchtbaeren akker , andere maek- 
ten fchooven op 't wenken van hun lantheer , andere bereyden de maeltijt en 
den offer onder geeykeldeeyken. De dienftmeydenbrochtende werklieden 
fpijzen , en broot met fijn wit meel overftroit. Gins zachmen een wijngaerc 
met rijpe druiven, zwart van blaeuwicheic, omtuintj hier droegmen de 
vrucht in mlïe korf kens uit. Hier fpeelde een boerman een boertich liedeken , 
terwijl andere in de handen klappende danften; gins quam'er een kudde Of- 
fen, bewaert van negen doggen, met vier harders van ftal, na de vliet, 
terwijl twee Leeuwen een Stier uit den brullenden hoop rukten, vergeefs 
van de honden beblaft. Noch warender ftallen , keeten , en eyndelin^ eenen 
fchoonen dans van knechten en maegden , der knapen kleedinge was van fijn 
geweef, en blonk als met oly befmeert, de maegden hadden langplojice 
keurfen, en op haer hoofden verf bloemige kranfen, zy fprongen duizenderley 
kattefprongen ; zoodataldie't aenzagen zich fchenen tevewonderen. Dit 
ivoet by Mulciber , wel een proefltuk van denmanken Smit geweeft zijn, dat- 
hem Qöwy» M£|J)j , zelfmet Kalthofs hu\p , zwaerlijkzouw hebben kunnen 
naemaeken. Maer wat zeg ik van proeffluk f" Kir^/f/befchrijft den Schilt van 
Eneas, vandenzelven Meefter, al veel heerlijker, die 't luft machhemin Enjas Schilt, 
Ai^ro nazien , 't zouw ons verveelen alles uit cefchrijven. Hier volgt alleen 
't geen hy zingt van den fchilt van Minerve , in't Eylant Vulkaen; 

Drie 'Reuz.en van Vulkaen z.ich [goeden met hun knaepen , Pallas Schilt, 

Bruineerden elkom ftrijt i verbolgeVaUzs wapen , 
De dreggende Rondas ^ gez^oomt en rijk^gebcort 
Met S lange fchubbe i engouiymaddnn, dol y ah moor t^ 

Gerloch- 



Agamcin- 
nons fcbilt. 



fchilt. 

AlcibiaJes 

fchilt. 

Scipioos 

fchilt, 

Stcekgc- 
weer. 

Gevcften. 

Scheeenwa- 
prnen. 
Slingerge- 
weer. 



Booten. 



Stormtuig. 



BaliAa. 



Strijtwa- 
gens. 



]6o E R A T O, 

Gevlochten onder een, Meduze z.elfhier inne 
Verdraeit noch, op de borfi derjlrjfdende Godinne , 
Uaer afgefneden hals , en d'oogen dat ment lAet. 

vï^4WfWMomkoItlijken fchilt > die zijn geheel lichaem bedekte, was met 
tien kopere ringen omringt, met twintichplaetenvan tin, en in*t midden 
ftont een fchriklijk Meduz.a€S hooft , op een donker paerfen gront uitgefchil- 
dert, met fchrik en vreeze , daereen zilvere banduitquam,indewelkeen 
Hemeiverwige draek bewonden was. In Ultjfes fchilt ftont een Dolfijn. 

In die wan Alctbiades een Kufidoy die den blixem omhelft, en was van 
gouten yvoir. 

Scipio Afrikanus droeg de beelden van zijn Vader en Oom op zijnbeuke- 
laer ; maer Alexander de (Jroot gebraikte een klein blinkent fchild. Voorts 
van fiach- en fteekgeweer heeftmen degens, zwaerden, houwers, fabels, 
kreitfen, ponjaerts, fpieflen, lanfien , fpeeren, heliebaerden, ftrijtha- 
hamers, heyrbijlen, pinknodzen; en wat de wreetheytoyt kon verzinnen. 

Agamemnom zwaert, met goude plaeten verfiert, ftak in een zil vere fcheede. 

De gevelzen der oude Soldaten wierden konftich met zilver en yvoir inge- 
leit. In den hecht van P4«^<t* degen was een wagen met vier paerden gegra- 
veert. Men plach ook fcheenwapenen met zilvere gefpen te draegen, 

Gy zult de flingeraers fomtijts meteen Ceftrofphendonas doen werpen. 
Dit was een fcherpyzer van twee fpannen lang, aen een kleine fchacht van 
een halveel, en een vinger dik, gehecht, daer aen drie veeren gelijk aen een 
pijlftaken, om het recht te doen gaen. De flinger had in 't midden twee on- 
gelijke lijnen, en'tyzer vloog, als de flingeraer wierp, zoo fnel als een 
kogel uit. 

Pandarui boogewas van de hoornen van een wilde geyt, zeftien fpannen 
lang uit het hooft gewaflen gemaekt , en aen d* eynden met gout beflaegen. 

De (tormtuigen der ouden, als muerbreekers , ramskoppen , wipgalgen, 
vuerpotten ; endergelijke, zijn ook veellerleygeweeft. 

Indien gy belegerde fteeden vertoonen wilt (ik en fpreeke niet van dezes 
tijts , dewijl ervarener, als ik , dat ftuk genoeg verhandelen) onderzoek met 
wat fchutgeweer zy elkander befchadigde. DeBaliJla of werpflinger,fchoot ge- 
fpitfte balken van twalef voeten uit, die door vier heyningcn hordens der wijt 
afgeleegenebefchanfingen heendreeven. Ikzwijge van Blyden, enwat'er 
van dien aert meer was. Men had ook menigerley zeyfen wagens, die aen 
y der zijde van 't juk drie Zwaerden hadden. De Diffels voerden fpeeren met 
yzer beflaegen, en voortuflchens deraders was een hegge van pieken. Zy 
gebruikten ook ftrijtkarren, en andere, daer de Helden, met een wagen- 
menner verzelt , op Honden of zaten, en de werpfchicht van uitfchooten. 
De Griekfche karren wierden met zilver ingeleit > endeoorlogs rolwagens 

der 



Het vierde Boek. i6i 

der oudt. Britten waren gegraveert , maer die van de Perfifche Koningen wa- 
ren met gout beflagen ; en met de beelden van oorlog en vreede yerfiert - 
daer een gouden Arend met gefpreyde vleugelen tulTchen in ftont. 

Wilt gy de plechtlijkheden tot den Godsdienftbehoorende verbeelden, 
AAron ten offer voeren, of zijn naevolgers voor 't altaer ftellen? Motfestvx OfFcrhan-' 
Jozeftu zullen u de gereetfchappen , en wat tot den Tabernakel behoort, ^^°' 
breet genoeg leeraeren. Maer wilt gy de Athener boden de Dclienfersdoen 
bezoeken, zoo vlecht kranfen om haereftaeven, niet op haer hoofden, en 
bouween Altaer (Ceratongenoemt) van hoornen. Dieal t'famenaendeflin- Alcacr. 
ker zijde zoo wel in malkanderen gehecht zijn, datze zonder binding een 
Altaer maken. 

Den Phocifchen drievoet, daer de maegt P;f/;i4den geeft van Apeüo in 
waerneemt, en daerze, gekleet als Diana, veylich voor 't befmetten van DenDelfi- 
zijneaenblaezingeninzit, zult gy op drie pijlers doen ruften, bynae in ge- ^chendne- 
daentc van onze kopere potten met drie voeten. Maer op dat ons de damp ^°^^' 
van *t hol der vraegbaeke niet befmette , gelijk 't de geene, die'taldereerft 
uitvonden, uitzinnig maekte, zoolaet ons liever ind'oope locht blijven. 
Eowtt/w wichelftok , Lttuus genoemt, was een roede aen'teynde omge- Wichcirtok. 
kromt, waervanmooglijkde Biflchopftaven derChriftenenhaeregedaen- 
te ontleent hebben. 

Ik vermijde van offerhanden, flachtmeffen, bijlen, bekkens, dekklee- Verd^ 
den, en feftoenen te fpreeken , en rep alleen van 't geen my behaegt , ennu^^"'"'S' 
en dan in den zin fchiet. 



TIENDE HOOFTDEEL. 

Fan aller ley Huisraet. 

N den Huisraet moetmen de Schilderyen niet vergeetcn , die wy Huijract. 
echter met allerley kabinetten , pronktafels , fpiegels .ruftbedden, 
legerftee'den , fchabellen, banken, ftoelen, kuflens, troonen, 
voorhanefels , tapijten, fpreijen, gulde leeren, beeftevellen, 

franjen, quaften, koelbakken, en wat de weelde oytbedocht heeft, over- 

flaen. 

Men plachgroote waterpotten metCorinthys werk in te leggen, en in 

Lesbos maekte men gegraveerde vaten. De Atheners hadden kopere vaten , vaten vas 

die zy Profupoutta noemden , ontrent den mond met Leeuwen of OfTen- koper. 

hoofden veifiert: endekonftenaers, die de zelve raaekten, wierden Pro- 

X fo- 




Aerde , 
£n Glas. 



Broot. 
Spijze. 



De Lalconi- 
firbcD beker. 



Neftors ta- 
fel. 



Somcr - en 
winter- 
drank. 



Tafelcuich. 



Branthour. 



162 E R A T O. 

fopopoioi, datistronymakersgenoeI•n^. Het gemeen aerdewerk by de Ro- 
meinen plachinen grof, maer d' allerfijnlle zinnelijk en nae de kunft te boot- 
feeren. Haereglaeze koppen en' bekers waren > zoo wel als d' onze , met 
wijngaertranken gedriltof gefneeden. Haere kruyken, kannen, lampen, 
kandelaers, wierookvaten, enallerley tuig , is van aerdich maekfel geweeft. 
Ja zelfs het broot , als uit P/i«;/« te merken is, dat anders kruiskant was, en 
lichtelijk vaneen brak, omdat het met fneedekens aen een hing , was met 
verfcheiden foorten van graveerlel verfiert. Wilt gy overdaet uitbeelden > 
zet vryeen geheel verken met klein gebeent opgevult, op een Roomfche 
tafel. Dit opdifl'en is eerft van eenen .S^rvvrita bedacht geweeft, en van an- 
dere nagevol^t. De Lakoners v?aren vernuftich in 't maken van onkoftlijken 
en gemaklijkenhuisraet, haren beker Kotbonis beroemt geweeft, byzon- 
derlijk by 't krijgsvolk, om dathy alzoo gemaekt was, dat men door de 
verwe het water niet en konde kennen, datfomtijts zeer troebel zijnde, in 
de legers gedronken wiert, en inJienby geval eenichflijkin de grond was, 
het zelve bleefin den buik, endoor dekeelquam nietals hetzuiverfte voor 
de geene , die dronk. Menalk^i beuke bekers , by Virgi^l , waren door Alci- 
medom konft , met een taejen wijngaert , daer bleek veyl en beezien van eyk- 
loof zich met een luchtigen zwier omkrulden , verfiert j daer twee beelden 
Konon, en den vinder vandengraedboog, in 't midden gefneeden ftonden. 
Maer in die van D4Wfr<« was OrfetUy dieboflchen nazichlleepte, in'tmid- 
den van zacht beereklaeuw uitgebeeld. Zet de oude Helden gebradeOfTe- 
tongen voor. Maer wilt gy de maeltijt , die Hekamede voor Neftor en pAtrokles 
bereyde verbeelden , zooftel een heerlijke tafel met metale voeten, en zet 
daer een kopere fchotel met ajuin op , verfchen honich , broot en geheylicht 
meel, en laetde maegthet meel met verfcheyde wijnen mengen, in een 
heerlijke kroes, metgoudenai^elsbeflagen, en met vier handvatfels , twee 
onder en twee boven , en aen yderhandvatfel twee goude duiven, daer ge- 
noeg aen te tillen fchijnt. Maer toen d'overdaedt Romaverheert hadde, 
en de dartelheit meefter wiert, toen vond men uit, des Somers den drank 
in Ys en Sneeuw te verkoelen : en 't was armoe , zoo men des Winters geen 
roozen by de wijn hadt. 

Anders hadden de Romeynen ook tafels , die van Dolfynen onderfchraegt 
waren, endrinkvatenvan'tzelvemaekfcl. Ook wierden haere zoutvaten 
nae de gedaente van eenich Godt gemaekt. 

Maer oftu voorviel in de Oofterfe en zelfs Roomfche pracht door hand- 
faeme flaeven branthout aen den haertre doen brengen, laet het vry Cede- 
ren, en koftehjk hout zijn. Jaefomtijts geheel over verguit ^ want zooda- 
nigen overdaet is 'er al gepleegt geweefl . 

Po/i- 



Het 'vierde boek. 163 

Polidoor en Roffo hebben de keuken- en tafel -gercetfchappen der ouden als 
vernieuwt > en de volheyt daer van aen onze Eeuw naegelaeten. 

Wyders zoo waren de voeten der oude Icdekanten veeltijts methetbeelt Ldcbntcn. 
van Merkurius befneeden > als een bezorger van flaepen en droomen . 

De wiechjesder jonge kinderen plachmcnmet allerley foorten van ver- Wiegen, 
fcheydenverwich bout konftich gefneeden in te leggen. 

Den wagen van Koning Dar iush^d zen beyde zijden veel goudc en zilvere Wagens, 
beelden der Gooden: het jok was met Edele gefteemen bezet, uit het wel- 
ke tweegoude beelden, elk een elle lang, uitftaeken, 'tecne zijnde dac 
van N<««/,en 't ander van Belus, entuflchen beyde Hond een Arend met ge- 
fpreyde vleugelen. 

Indienge voor hebt hollende wagens, of karren, die in d' Olympfche 
fpeelen om prijs loopen , neem acht op uw voorneemen , want Ariftides i^i^i^„ 
maekte de wagenwielen , als ofze omdraeiden , en onzen Douw heeft dit 
zelve in een fnel om loopend fpinwiel ook te weeg gebracht. 

Die van Sparta hadden zekere draegfetels : van gedaente als Gryphoenen, Draegzetels: 
Harten, of van Bokken, daermen de jonge dochters op voerde, in de ge- ^'«''^''f^:"» 
wijde ommegangen, die niendoor de ftadt deede. Maerzoodanich maekt- ^Z^fi^^*"- 
men tans onze fleeden , daer de jeugt des winters mede over het Ys, of langs 
de befneeuwde wegen vaert. 

Wilt gy Moskovifche heeren , in ftee van Karos , ter fledewaert voeren ? ^^^^^ ^^^ 
Gy zult de fleeden met roodenDamaft of Atlas voederen, witte beerenhui- QUarius. 
den daer over fpreiden , en noch daer over fchoone Turkfche dekens leggen. 
Schilder dan de trekpaerden met vergulde maenen , en behang haer met vof- 
feftaerten. 



ELFDE HOOFTDEEL. 

Van Gedierten. 

E Aeloude meeflers hebben niet alleen in menfchcn , maer ook in 
de Dieren de fchoonheyt waergenomen. Doch voor al moetmen 
inbeeflen de natuerlijkheit betrachten, ominhaere gedaente en tennatuer-" 
aerd niet te mifTen ; op datmen niet en vaere , gelijk den ongeluk- lijk zijn. 
kigen Haene Schilder , daer Plutarchus van zegt : dat hy geen levende haenen 
ontrent zijn Haene Schildery wilde dulden, om datze aemnieten zouden 
befchaemen, derhalven (lelde hy een jongen met een kluppel, om die af te 
keer en, 

X 2 Maer 




1^4 E R A T O. 

Maervoorz.ichtiger ivas mcejier Nikolaes : 
Dez.en haddegejihtldert een Hond met een Haes » 
En hoewel dat den hond den haeze geleekj» 
Zoo veranderde hy niet eeneftreekj 
Maer om te blijven meejlcr en baes 
Zoofchreefbj>'er bjy dtts een Hond, enditseenHaes. 
Gy moogtuveel liever vermijden in uw werk eenich gedierte te pas te 
brengen, zoo gygeen raeden weet om 't zelve natuerlijk uit te beelden, 
voornamentlijk degeene, die byyder bekent zijn, als Paerden, O/Ten, 
Honden, Katten, Schapen, Geyten, of dergelijke. In Griffioenen, of 
In de Poeti- Eenhorens , Bazilisken of Draken, hebtgy vryheyt genoeg om uw zin te 
fche heeft volgen j als ook in de halfflachtige Centauren, Satyrs , Trytons, Meermin- 
mcn vry tir. ^gj^ ^ Zeepaerden, HarpyenofSphynxen. < 

Voorwaer nae den menfch vind men geen dier , waer in meerder fchoon- 
A^^Yi^^^" heyt, alsineenPaert, gevonden worr. Veel groote meefters hebben zich 
PP^ "■ bevlyticht paerden om prijs te fchilderen, onder anderen j4pf/i«, tegen eeni- 
ge Schilders, die tegen hem wedden, wie den anderen hier in zouw over- 
treffen: maerhy, vreezendedat degunftehngen zijner weder ftrevers hem 
zijnen verdienden prijs mochten ontwij zen , en die aen een ander toeleggen, 
verkoos liever het oordeel der beelf en , als der menfchen : want hy liet voor- 
eerft degefchilderde paerden der andere in 't gezicht van leevende paerden 
ttellen, diedaerganfchgeen werk van mackten , maer zoo dra hy het zijne 
hervoorbracht, enopdeplaets ftelde, zoo begoftcn delf -"nde paerden te 
brieilchen j 't welk hem de verwinning gaf, en een eeuwigen naem maekte. 
Noch zeytmen dat C/z/^wm in 't afbeelden der Paerden niemant zijns gelijk 
hadr. Rubens en van D/)iyiebben eenPacrt wel te maken niet minder als ee- 
nich beek geacht. De Poëcen hebben ook haervermaek gehad in die fierlijk 
uit te beelden. Deze befchrijft een bruinhairich paert, ujet zwart ge- 
kruifde maenen , doch zoo zacht als zijde ^ met een klein mager, doch 
voladerich hooft, verzien met een kleine witte kol , even als een flar: 
kort en fcherp van ooren , met geyten oogen , en wijde neusgaeten, zoo veel 
als een trotfe long tot uitdamping van nooden heeft. Een wijde fpitfe muil , 
P ^ vol dikfchuim, wegens 't geduerich knaeuwen op'tgebit; een korten, 

Pamsec- verheven, en aen de fchouderen gekromden hals ; breedt van borft, en 
ftalcc. voorts van vooren tot achteren kort in een gedrongen , met een fchoon kruis, 

dun en dor van beenen, en hoog van voeten. Maer befl dat wyu eenige 
ftaeltjes uit haere gezangen voorlezen. Hoor dan hoe Virgiel van Didoospaen 
zingt: 

Haer kjeppet briejl , met rij k^Scbar laken taig behangen , 
Enjiampt enfchmmt vM moed , oft bit met goude fangen, 

Maer 



Het vierde Boek. i6f 

Maer breeder het zich onzen Poëet hooren , in't befchrijven van een 
goet paert ; 

Hetedeljlveeis'tpaert, daty hoe^ van moed ^ 
't Gewapent heyr des vjandts trots ontmoet : 
Dat niet alleen z.ijn meejiet z.al bekennen > 
Maer x,ich ter doodt gehoorz^aemt op zJjn mennen. 
Stel ons een paert naer eengewenjle maet > 
De hoornen aen x.ijn voeten als Agaet , 
Metfchoone knien en ranke voorfie beenen t 
met aderen en welgeplaetfie z.eenen» 
len breede borft en fchoer , de billen vet > 
len korten buikjn lenken net gezoet , 
Een breeden halsgeplooj/t , enfpits van ooren , 
Eengroote tnont enoogen , 't hooft van vooren 
Wat mager , en elkjieusgat als een kolkj 
Die vuer en vlam uitademt in een wolkj; 
Gj z.ult denjlaertgeftrickt of lang verfieren j 
En laet de maen ter rechter z^ijde z^wieren. 
En JVIrfro zingt aldus : 

Wiltge uwen^al met puikjan hengften rijk fiojfeeren , Virgiftus , 

Een veulen, trots van aeit, x.al andere braveeren » *h\r ' 

Steekt d'ocren in de lucht, isivakker, fneltebeen, Lantge- 

Bet loopt en draeft met luft ontrent de moeder heen , dichten» 

En durft de voorfie z^ich in eenen lantjiroom doopen, Paertveulea. 

Bet rent de brugh op , daer 't non over heeft geloopen. 

Bet is uttfchichtig , en het heeft een fcherpen nek^ 

Een' kleinen kpp i het lijf, dat vrji is van gebrek y 

Valt kprt , defchoft heel plat , de borft iveet z.ich t'ontvoutPtn 

Tenbreetfte, en't is heelglad, en tvonder tpel gehouwen. 

En verder: 
Een recht gefchapen heng ft , die wapens en trompetten Hcngft, 

Van verr' hoort , trapt enftampt , en weet z.ichfchrap te zoetten ; 
Steekt d' ooren fchichtigh op , leeft over al zjjn l^f. 
By brieft , blaeft vier en vlam ten neuz.e uit fel enft^f, 
Enfchut ter rechter ty z.ijn mane dtkjn vlugge. 
Bet ruggebeen loopt recht en dubbel langs ien rugge. 
By krabt het z.ant , enfchrapt den grond op met de hoef. 
Zoo ruftich dat het klinkt. Zoofchrabde, tot eenproef 
Vanz,ijne moedicheyt , Cyllaer in d'oude tijden , 
Toen Kaftor het betemde , en d'eerfie dor ft berijden 

X s 2a 



166 E R A T O. 

In Lakon^e ; ool^tjiergefpan van Vader Mars , 
Waer van de Gr/fi^Homeer z.00 heerlijkj^ong en batt ; 
Ook.' f paerty dat eertijts trok^hchilles oorlogstvagen. 
Zoo liet Saturnus x.elfy verkeert , uit angft voor lagen , 
Jnpaertgeftaltenis , z^ijnmane om d'oorenheen 
Enfchoften waeyen , en , terwijl hy aen quant treen y 
En rennen i briefchte luidt , dat holen en fpelonken, 
V>engant[chen Felion , vol bofjcheni over klonken^ 

En wijders : 
lenhengjl, die out ii, fpringt noch arbeid dan niet meer 9 
En als hy kampen z.al , ter eer e van z-ijn* Heer , 
Dan raeft hy al vergeefs , gelijkjejloppelvieren , 
Die krachteloos de lucht vervullen met hun tieren : 
Dies let wel op z.ijne oude en moedigheit > daer nae 
Op andere deughden en z.ijne afkomjl niet tefpae , 
Ookjjoe hy d' oor en en het hooft terftont laet hangen , 
Wanneer hy onder leght j hoe hy , van trots bevangen. 
Het hooft om hooghfteekt > als hyprijs en eer bevecht. 
Maer dewijl my de Dichtkunft tans prikkelt, zoo moet ik hier de achtien 
deuf^den, die de Liefhebbers van zes bekende dieren ontleenen , endieze 
begeeren datineengoet paertzijn zullen, in rijmftellen: te meer om dat 
het bewerp daer van uit de Schoole van den ^lié^ï AntonyvanDijkMomx, 
Let'erdanwelop: 

Een moedig deugdig Paert y van onbepaelde waerde , 
Moet om volmaekt tez^ijn nae driepaer dieren aerde : 

Eerfl toont het, als een vrouw, eenfchooneborftenkfopy 
*t Is rond van billen , en neemt niet onwillig op. 
Ten andren heeft het , als een Vos , een uitverkooren 
Beknopte en kleyne kop : en katten hals en oor en. 
Het is een fVolfgel^kj> inU draeven z,agt enfiaeg , 
ingoetheyt vangezigt , in^t eeten wonder graeg. 
Het loopt gel^kjen Haes , het weet in alle kringen 
Te keer en, waermenwil, enw^dtenvertefpringen. 
Voorts heeft het met de Faeuw een trots' en boogen moedt^ 
Een luide ft em , z.ijn kleur isfchoon en hel vangtoedt. 
Van d'Ez,el moet het ookjen fterken rugge ontleenen y 
Gez.onde hoornen aen de voeten , dunne beenen. 
Zyzijn ook onderfcheyden wegens haer Landaert , derhalven ontfang 
dit volgende vaers tot een toegift; 

Hatr 



Het vierde Boek. i^j 

Haer lAndnert moetm' ookjterdig onder fcheydtn > 

'tZ)7S overd'Eems, ofd'Ifters vette wedden, 
Ofaen de Teems , of Taeg , ofaen de Poo , 
Z^n opgequeeki. 't Is verder niet van noo 

Dat tkj;efibrijf haer fprongen loopen keer en ; 

Men z.al die beft bj haer berijders leer en. 
Als P4«/ö« had aengenoomen een tuimelend paert vooriemanttefchildc- 2ijne bewc 
ren , zegt Plutarchus ,^zoo hadde hy't rennende offpringende gemaekt , waer gingen. 
over zich den aenbefteeder verftoorde, waenendedat hem P^k/o/j hadde te ^" '"''"^- 
leur geftelt; Maer den Schilder hetftuk 'tonderfte boven keerende, be- ''"'^' P*'"* 
wees dat zijn paert zoowel eentuimelaer als een viervoeter was; wanthy 
hadde met voordacht geen grond onder de voeten gefchildert. Nifias rzedc 
den groote meefters het uitbeelden van ruitergevechten by de hand te nemen, 
daer niet alleen fchietende, flaende, en doodelijk gewonde Ruiters, maer 
ook allerley geftalteniflen van loopende , fteygerende , en nedervallende Bataijcn. 
paerden , worden te pas gebracht. 

Philoftrates achte 't geen kleine zwaerichey t , vier paerden in zulker voe- ^^ficng;- 
genfamente gareelen en in tefpannen, dat niet zoo veele, als een van de '^^"" 
paerdebeenen door een onfchikhjke verwarring qualijk geftelt zy , zoo ook, 
dat deeze dappere heeften, in 't midden van haere moedige hitte, naden 
toomfchijnenteluilteren. Heteene ftaetftille, alhoewel legen zijn dank, 
het ander begint te fteygeren ^ het derde laet zich vaerdichlijk gebieden. 
Het vierde verluft zich in de fchoonheit van PelopSy en ftelt zich door het 
openen zijner neusgaten tot neyen. Hy verwondert hem ook, datdekonft 
zoo veel te weeg brengt, dat men uit haere rond gefronfte neusgaten, uit 
haere nedergedrukte ooren , en famen gedrongen ledematen een gereede be- 
geerte befpeurt om't aen't loopen te ftellen, fchoon men weet datzeonba- 
weeglijk zijn. Maer eer wy verder gaen , zoo moet ik de konftlievers 
waerfchuwen , datze toch wel op de natuerlijkeeygenfchap van yder dier 
letten: Want fchoon Nicon t'Athenen, in de gaelderye Pekile, een uit- 
nemend fchoon paert gefchildert hadde, daer men een zonderlinge kracht 
der konft in befpeurde , zoo wierthy echter van een iegelijk befpot, omdat 
hydeonderfteoogfcheelen hairich gemaekt hadde, 't welk tegen de natue- 
re der Paerden is. En voornaementlijk moetmen de fchoonheyt in haere 
maetfchiklijkheyt waerneemen. Andreas Verochie heeft de maete , en pro- Gdi km«- 
portie in paerden nagefpeurt, en ook een maniere aengeweezen om dit te tigheu , en 
bevorderen. Maer in de ontleedinge der zelve, en de fpieren en muskeien ondt.dmg 
te onderzoeken, heeft zich Micbiel Agnolo zeerbevlijticht, doch Leonardo 'i'rp^"''*"' 
daVtnci heeft'er uit zijn eygen vermaek een ganfch boek van gcfchrceven, 
't welk tot groote fchade verloorcn is. 

Maer 



158 E R A T O. 

Maer gelijk veele Jer ouden na de ichoonheyt in paerden getracht hebben, 

Lecli)kc zoo zjndaercn teegen veel andere, van onzes tijtslantslieden, meerder op 

deleelijkheit, magerheit, en ongezienheit der zelver verflingertgeweeft : 

niet dat ik zulx^eheelijk verachte, want de ilofFe , die men verkieft > noot- 

Eubcflo- Taekt onsdikwils tot onaerdicheden , die door haer wel te pas gebracht te 

vcne. hebben aerdich worden. Gelijk in de paerden van Amfaraui gepreezen wiert, 

datze niet alleen bezweet, maer geheel vuil van 't ftof waren , 't welk, of 

het hen wel iets van defchoonheit benam, nochtans een te grooter fchijn 

van waerheit gaf. Laet de vorftlijke paerden rijkelijk behangen zijn, enbe- 

fla Neroos Muilpaerden met zilvere hoeven: die van Pöppf^ waren zelf met 

K rf" goudt gefchoeit. Wy zullen vanden Os, den metgezel van des Schilders 

^^ "'' Heylich, niet veel zeggen; de liefhebbers mogen onderzoeken welke de 

grootlte horens hebben. Dit dier is nochtans by offerhanden , en zommige 

andere hiftorien ncodich» Maro fchildert een Koe in zijn Landgedichten aldus 

- , , , uit : 

In t derde ^^^ ^^^^^^ ^^ ^^^.^^ jr^^ -^ ^^^ ^^^ ^» aUerbefte , 

Die groot van hooft is, langvannek^j endtez^ichmeftef 
Zoo dat de kpjjem vaa de kin hange op defch^en , 
Wiens lenden bijfter lang üch uitftrekt , lang van leen , 
'En voeten , en die 't oor ruig offteekt by den horen, 
len diegegremelt is , z.al mijne keur nietftooren , 
OfdieonwiUich'tjukji^ildraegen, en, vol vier y 
Somwijl met hoornen [toot , gelijkjen norjfeftter , 
In , hoog en groot van leeft , met z^onderling genoegen 
Denftaert langs d' aerdeftrijkl , en najleept onder 'r ploegen. 
Het plach ons geen .klein vermaek te zijn, in onzebloeijende jonkheit, 
de koetjes in 't veld , zoo als zy lagen en erkauden , na 't leeven te teykenen, 
en hare manieren van leggen, gaen, ftaen, van ter zijden of in 't verkor- 
ten, aen te wijzen: maer mijn lult dng over, toen ik de volgende klucht 
las: 

Als zeker Schilder in zijn werk eenen Os, beter dan al de refl van zijn werk 

gemaekt hadde , en Michel Agnolo gevraegt wiert , hoe dit by mocht komen ? 

Zoo antwoorde hy ; dat alle Schilders haereygen zelfs beeltenis beft konden 

maken. Clie heeft ons de heerlijkfte werken der natoer nae te bootfen aenge- 

IntConvi- prezen, maer onzen C^J Ey4fWJ*5 doet zijnen E«/f6/w^ zeggen, dat die dieren 

viumBjli' alleen waerdich zijn uitgebeelt te worden, diemen zelden ziet, of boven an- 

gioff-n. ^gj.g ^litmunten: want, vervolgt hy , waerom wilmen Ganzen, Hennen 

en Eyndvogelenfchilderen? Zijn landtsluiden niettemin (cheppen noch 't 

meeltevermaekingefchilderde Kalveren, Verkens,en Ezels. Maerlaetons 

al voort gaen. Want hoekleynmen deeze verkiezingen acht, JC//* heeft 'er 

ia 



Het 'vierde BoeL i^p 

in den tweeden graet derkonft geftelt, en 't is heerlijker, in den tweeden 
grae: , d' eerfte in rang te zijn , dan in den derden gract ver achter af vcrfcho- 
ven tezijfi. GeHjk Cdfar zeyde , dathy lieverin eenkleyne fladtd'eerfte 
was , dan dat hy binnen Roome voor andere zouw moeten wijken. Paufias de 
Sicioner wift zijn beroemde Koe zoo net van voorente ftellen, darmen ech- 
ter haerganfche lengteen dikte becjuamclijk kon zien. Maer Joanda Udine 
fchilderde een Koe op ly waet , om daer meede uit jagen te gaen , en daer ach- 
ter fchuilende , het wild te verfchalken. Deezen Schilder was een recht lief- 
hebber van gedierten: want noch een jongen, endikwilsmetzijn vader uit 
jagen zijnde, zoo teykendehyaltijts Honden, Geyten, Haezen, enaller- 
ley dieren en vogelen, die hemmacr voorquamen, en zoo geeftich, dat 
elk een zich verwonderde : 't welk ook oorzaek was , dat hy by Gïorgione om 
de kond te leeren beflelt wiert. En zeker, het gebeurt dikwils, dat de be- 
quaemheden des vernufts door de uitwerkingen der fpeelende natuere bekent pe bequaem- 
worden. Gelijk gebiceken is aen '^oan Verz^elli, dievermaek nam in allcrley heden der 
gedierten, Papegajen, Apen, en alle vremt gedrocht in huis te hebben. "^^"^'' ^°''- 
Hy hield ook een Rave, die zijn fpraekenatuerlijknabootfte, endegeene, jje"t°°kcns 
die hen quaemen bezoeken, antwoort gaf. En als eenich Edelman, of ie- op-nbaer. 
mant in huis quam, begorten al zijn dieren, daer toe gewent zijnde, zulk 
een gezang enfpel aen te rechten, darmen zou gedacht hebben, in Noachs 
Arke te zijn , hoewel vry zotter, 't welk hem , die deeze dieren wel fchilder- ^ , 
de, in te meerder aenzien bracht. MaerJ.Franfisko Rujlici, gaf hem hierin ^"n "^ïeljj. 
niet toe; want een groot beminder van beeften zijnde, hadteen Egel, of de dieren, 
yzere verken zoo tam gcmaekt, dat het onder de tafel, als een huishond 
liep, zonder iemant te horten ; en hy had ook een Rave, die gelijk een 
menfchfprak. Hy hield een Arend, en veelerley aert van Slangen , ineen 
daer toe gemetfeldenbak, daer hy wonder vermaekin nam, voornament- 
lijkdes Somers, hare vreemde grimatfen en felle woelingen te zien. Maer 
zeker onzeq OtboUarfetu {aitoi Snuffelaer) heeft zijn bequaemheit in de konft, 
en tot wat deel hy neygde , genoeg laten blijken; want als ik in 't jaer 1651 
by hem te Romen was, verwonderde ik my over zoo veel gedrochten, als 
hy onderhielt en voede : welkers natuere hy ook zoo wonderlijk deurgronde, 
als hy hare gedaentens Ic vendich heeft uitgebeelt. Zoodanige liefhebbers van 
geeftige becfterye zouden mooglijkvermaek hebben in Hondenen Geyten 
{ge\ï]kSa}]d)fs verhaelt in Egypten gezien te hebben) met hare vier voeten op 
de vlakte van een palm, en op de toppen van daer toe gedraeide pijlaert- 
jes,zich gezwind als een tol te zien omdraeijen , na 't believen haers meefters; 
ofwel in den dans van zwaerlijvige Kameelen , die, op 't fpel van eenich 
fnaertuig, zich naer den trant beweegen; 't welk ook van grauhairige Ezels 

Y in 



170 E R A T O. 

Hoe dit aen in d' Ooflerfe landen wort nagevolgt ; of wel in Olyfanten op de koorde te 
deze dieren ^iendanflen, gelijkmen ons wijs maekt,dat in ouden tijden vertoont is. Wy 
^ht^SMdls ^^^^^" c^" weynich hier vooren van het oordeel der paerden over Apeües Schil- 
w Cairo. ' derye gefproken , en eeven nu iets van de geyten geroert , maer ik zal , om 
mijn algemeene als ook byzondere plicht te voldoen , hier een geytenoordeel 
EcnGcyt over Schildery inftellen. Het gebeurde dan, dat inijn vader Theodeor in een 
bedrogen, Bacchanaliaeen geyte na't leeven fchilderde , welke ik, noch zeer jong zijn- 
de, voor hem vaft hield, met behulpvan touwen en koorden, omhaerin 
bequaeme ftand te onderhouden , 't welk il: met grooten arbey t ten eynde toe 
uithielt: maer degefchilderde geytenu bynagedaen zijnde, en mijn vader 
hetftuk, dat al reedelijk groot was, wat uit de hand zettende, om het zel- 
ve eens van verre te zien, zoogevielt, dat degeyte bygevalde gefchilder- 
deookgewaerwiert, waeroverzy» als in gramfchap uitberftende , uitfpat- 
te, breekende de touwen , en my ter aerde werpende , vloogfe met zulk een 
gewelttegens de hoornen van haergefchilderde zufteraen, dat zy den doek 
door fcheurde, en de Schildery verdorf; tot verdriet van hem, die zijn 
vlijt daerinzooloflijk had betoont. Maer zeker deze Schildery zouw om dit 
voorval waerdich geweeft zijn te bcwacren, ja was alleen genoeg geweeft 
om denmeefter in onfterflijke gedachtenis te brengen, had hem de roem- 
zuchtzoowel, als de ftille deugt, ter herten gegaen. Want waerom zoude 
men dit geytbedriegen minder achten, dan het patrijsbedriegenvan ProtO' 
Parijzen genei f wiens gefchilderde Patrijs de levende, diemen daer by bracht , dede 
bedrogen, fchetteren. Maer dit in zijn waerdelaetende, zullen wy noch iets van dee- 
zen aert hier by voegen. F. Monfignori hadde te Veronen, ten huizevan Graef 
Lodeivijkda Seffo, een kindeken gefchildert , dat zijne moeder meteen uit- 
Iteekende handfcheen te willen troetelen: als 'trui eens gebeurde, dat de 
Gravinne ditftukby kaerslichtaeneenige heeren vertoonde, zoo wiert zy 
Een vogel- ook van hacr zoontjengevolgt , diceen vogelken, dat zyaldaerT^rr<t«/i noe- 
men, op de hand hadde; want men gewentzc als valken op de hand te zit- 
tenjmaer terwijl zy bezich waren met de deugden van dit ftuk hooglijk te prij- 
zen, zoo wiert dit vogelken deeze alsuitftcekcnde handgewaer, daer het 
na toe vliegende poogde op te gaen zitten , maer tegen de Schildery aenftoo- 
tende viel ter aerde, proevende nochtans een en andermaePt zelve weder- 
om , 't welk deeze Schildery als ook den meefter zeer beroemt maekte. Maer 
Eeji Hond geen minder lof heeft deezen zei ven Franfukg Uonjignoit met zijnen Turkfchen 
hondbehaelt, deezen hadde hy gefchildert op een mucr; fl-aendeopeenge- 
fchilderden (teen. Dezen hond was zoo wel gedaen , dat een anderen hond, 
des natuerlijkcn Turkfen honts vyand, daerby geleyt zijnde, losbrak, of 
zich ontlafte van de geene, die hem leyde , en meenende zijn levenden 

vyand 



ken Tcrran- 
fi bedrogen. 



bedrogen. 



Het vierde boek. 171 

vyand voor te hebben vloog tegen de Schildery, enmet het hooft tegen de 
mueraen, dat hy den kop aenltukken brak. Wy hebben ook van de hand, 
die ons niet en pad te roemen, diergelijk bedroch, doch niet zoo dood- 
lijk, meer dan eens gezien. Maer laet ons onzen tret wat verhaeften. 

Indien u,ó Schilderjeugd, den toetenden jachthorenbehaegt, en ^yMelea- 
ger, of den verliefden j4</oö« wilt af beelden , gy zult geen kleyne eer inleg- 
gen met den ranken windhond enfieren brak arte maelen. Snyders heeft hier 
in wonderen gedaen,ende wilde dieren uitnement natuerlijk afgebeelt. Bajfan 
en Benedetty KaftUjon drijven 't vee met ganfche kudden in hare (lukken. Aen- 
gaénded' uitbeeldingen van zwemmende Enden, of Hennen me: kiekens, 
*t kan voorwaer^behoudens Erasmi waerde, niet onvermaeklijk zijn , de din- 
gen, diemen tot vermaek houdt , in Schildery te zien ; envoornamentlijk 
alsze geeilich en op 't levendichft zijn uitgebeelt. 

Het zoude, by Stmfony een groote ondankbaerheit zijn , dat wy den V'andea 
Ezel, wiens naemdraeger ons zoo trouwlijckverzelfchapt, vergaten, daer ^^'''• 
hem Kornelis Agrippa , die op ver na zoo veel niet in hem gehouden is , in 
zijn Onzeekerheit der wetenfchappen , zoo loflijk gedenkt , dat hy hem by 
by nae tot een Sant in den Hemel verheft. En voorwaer , men en kan niet 
volmaekt in hiftoricn , zoo heylige als onheylige , zijn , ren zy men 
hem ook fomtijts konterfeyte. Wy mogen de Sinezen verwijten, datzy 
misgeboortigemenfchbceldeninhare kerken hebben: maer onzen Ezel is 
tot in de binnenfte kapellen , en hoogfte altaertafels der Europers ingedron- 
gen: hy wort gefchildert als opwachter in dealderheylichfte geboorte, hy 
draegtmeer dan Krijioffel in d'Êgyptifche vlucht, en voert al triumfeerende 
's wereltsHeyland over palmen engefpreyde kleederen, hy fpreekt £i/i*i;« 
aen in zijn eygen tael,en is't gewoone rypaert der Patriarchen. In de onheili- 
ge hiftorien, op dat ik duizent andere overfla , vind ik geene zoo vermaeklijk, 
als de ontmoeting van den fluerfen Marius en den lachenden Ezel ; want als 
dien grooten Krijgsheld voor zijn vyanden vluchte , en ganfch beflikt te 
Minturnas, by de gehoonde Fdnnia ter Herberge geleytwiert, ontmoete 
hem een Ezel , die hem wel blijde en met een vrolijk gelaet , ecrft ftilftaen- 
de, aenkeek, en flrax daer na zeer luide runnikkende en open nederfprin- 
gende, na 't water liep om te drinken, op zijn manier te kennen gevende, 
dat dezen Romein eer te water dan te lande behoorde te vluchten, welke 
HiftorieM^miook liet uitfchilderen,en in de Minturnifche kerk hangen. Die 
in dit fchoone voorwerp zich noch niet vernoegen kan, mach het ganfche 
leven van ^p«/fjtti, zoo lang hy Ezel was, uitbeelden. Maer veel van onze 
Schilders zijn ook wel zoo Ezelliefdich , dat zy een vervalle muertje met een 
Italiaenfch Ezeltje vooreen waerdich onderwerp keuren. Zoodatikwey- 

Y 2 nich 



172 E R A T O. 

nich Liefhebbers hier te lande weet , die tans geen Ezels in haer kabinet heb- 
ben. Zijn gedaente is den verltandigen zoo wel bekent j dat zy hem voor 
geen aller haezen Moeder met den Slezinger zullen aenzien. Zijn eere worc 
by zommigen hoog verheven. Zijn figuurlijke uitbeelding , is lijdzaemheit. 
Zijn ooren beteykenen onverftand en verkeerd oordeel, en paffen inden 
Tulband van Uyinu Van Vlx^ei borllelige gezellen zal ik niet reppen , ik la- 
te hen daer mede begaen , die van C\iui roede geraekt zijn, 
y, , Noch zi jnder omltandicheden , die door plichtplegingen de volken doen 

plichtlijkhe- kennen: want indien't u lulte de Macedonifche heiren onder Filippus ,ofandere 
den der Ma- Koningen te doen monfteren>zo zult gy haer tufTchen het hooft van een Teef^ 
ccdoniers. midden deurgefneden > doen deurgaen : Waer van d'eene helft met het 
^ n^T"^ voorftedeelenhetingewant, ter rechter zij de van de wech, enhetachter- 
fte met d'ander helft , ter flinker zijde geftelt is. De krijgslieden zullen in 
de voortocht de wapenen en vaendels van al de voorgaende Koningen voe- 
ren, gevolgt van de tegenwoordige Vorft in't midden van zijn lijfwacht. 
Maer mijn werk zouw te groot worden in zoo wijt buiten 't fpoor te weyden, 
en dit wordt begrepen in't onderzoeken der outheyt. 

Nu refteert'er noch een Muze , om zoodanich een Hiftorie , als men 
vcrkieft, met een bevallijke overeenftemming te vereeren, of een gezel- 
linne van Venusy om de beelden in goede ordre grafelijk by een te voegen j 
maer dit zal ons niemant beter, als de geeftige Tbaliat te weeg brengen. 



THA- 



173 

T H A L I A. 

De Kluchtfpeelfter. 

Het vijfde Boek. 
Inhoudt. 

J[ Haleie als Hofmeeflres der E e die konfl 5 gewoon 
In kamerfpel en klucht met vreugde te ver keer en , 
Leert hier degragejeugt de zwier vant Ordineer en : 
^e min- en-maetfchap , engevoeghlijkheit van toon : 
^ejprong en troeping en voort aVtfchikkunftigJchoon. 
Zj raedt in ^rint , als* t paft , tot oeffning uit te geven 
T^e vrucht van lange vlijt. Vermits m*ook in dit leeven 

Niet altijts eevenjiaeg kan zingen eenen toon -, 
Zoo geeft ze ook onderwijl , om droef heit te verbannen 5 
T)egeeften vryheit om eens eerlijk uit te fpannen. 

Op de Print. 

Hier raekt de Konftgodes bezwangert eens aenH baeren > 
^e noot en zijngeftelt , zy zingt een vreugdezang: 
Haer Speelkint paft de Mask : zy kan ons het belang 
n^erfchikktinji , Griekfch en Roomfch , ontbinden en verklaeren, 
Eenfchilderbendeling aenfchout hier met bedaeren 
*I)e vremde vonden van haer geeftige bewint , 
Ew ziet zich aen denfchik vant toonfpelftom en blintr 
^aerzoo veelaerdicheên op't wonderlijkft vergaeren. 
Een veilkrans dekt haer Kruin , als Liber toegedaen : 
Zj treet in broosjes , en verandert als de Maen. 



Y :? ÏN^ 



174 



T H A L I A. 




INLEIDING. 

Meen ordinantiegccftidi enaengenaem tefchikken, moet ons 
nu de meeftrefle van komedyen en kluchtfpeelen , Thaliat de 
Kuipende hand bién. En zydie met boertige fokken ten toneele 
treet, en haer voorhooft en gehoornde grijns met klimop over- 
fchaduwt, zal onze zinnen in 't fchikken der dingen wakker houden. Want 
in 't ordineeren moetmen zich vooral van zwaermoedicheit wachten. Begun- 
ftichonsdan, ó Godin.' die altijts groen en bloejendezijt, met den geeft 
van Virgiel , uw gezwooren Poëet : en leer ons een vrolijk vergaderen > en't 
by eenfchikken opeen bevalliJKewijs. ó Meeftrefle van de nacht, die de 
blinkende Mane, tuflchenhaer fpeelnoots de Starren, zoo ordentlijk ten 
reije voert ! vvnjs ons aeri , watmenvoornamentlijk, en watmen maer hal- 
velings vertoonen moet. Ik zal, eer ik van dit boek fcheyde , u ter eere 
Tioch den boog ontfpannen , en van uitfpanningen en vermacklijkheden ver- 
tellen , die met uwen aert over een komen. Men eygende u van outs de bevat- 
faemheyt oft het begrijpen toe : en zeker dit is in de konft van 't wei ordinee- 
ren ten hoogften van noode. Want zonder 't begrip der zaken zouinen te 
vergeefs de Schikkunft beginnen. 




Thalia fi» 
gnifica capa- 
citat ejfendo 
iifogno a 
eolui che vol 
imparare , 
tjfer capacty 

isf inxd'tgtn- 

iedjqudlo ,^^^ 
che leggc. V- 
C art ar o . in 
Imagini de 
i Dei, &c. 
Vroeg te 
Iceren ordi- 
neeren, en 
uit den geeft 
IC tevkencB, 



EERSTE HOOFTDEEL. 

Van V ordineeren 'm *t gemeen. 



K zoude dejcugt ai vroeg aen 't ordineeren ftellen, op dat zy, 
haer gebrek in de kennis der dingen gewaer wordende , te meer 
y veren mochten , om allerley zaken en gedaentens der dingen in 
haer begrijp op te gaeren , en door 't vlijtich opmerken , en 't veel 
ftofFen te bekomen. 

Door veel te doengeraekt degeejt aen *tfpeelen « 

En TLwanger , om van z.elfiet uit te beden. 
Hoejledjthetisi vaer voort, enpijnujterk^ 
Metz.inengeeflj z.ei al aof klacht te wfrk^ 

Jierfcbets defchets van 't geen gj hebt begreepen ; 

't Verjiant wort door een misjlach beft gejleepen. 

Het 



Het vtjfde Boek. \-j^ 

Het geen gj dus uit eigen houtje ftiijt , 

Ontdekt , hoe vergy knaep ofmeejler zijt. Wacrom. 

Een noodighftukjun uwen geeft te noopen , 
Om fneerderftofdoor arbeit op te koopen : 
Om d' aendacht engeheuchenis , in 't zjen 
Van konftftukjf natuertverki tegebiên , 
Al d' aerdicheên als fcbatten te vergaeren. 
Zoo gaert een bie den honich uit veel blaeren. 
Maer gelijk 'er byde Pocten verfcheyde beqiuemheden zijn, en deze, 
door den Geeft van onze T/74/Montfteeken, niet danaerdicheden hervoor 
brengt; daer eenandere, vzn Melpomene bezeten, een hooffer tael , inkra-r. j c, 

«II I • I 1111 n Dedrmcn 

kende broozen , ten toneeleuitbromt: en een darde door de gunuvan C/<o Katuerder 

met grootfer heldevaerzen her voor komti zoo fchoeitdeSchildergeeft, op gce^en ver 
dergelijke leeften. i<=lult. 

Het is ons geraetfaemft (zegt Tuüitis) de leydingen onzer eygene natuere te 
volgen , en onze betrachtingen daer nae te richten : want te vergeefs zoude- 
men de zelve tegenftreeven in het bejaegen van 't geene wy onmachtich zijn : 
gelijk 'er gezegt wort, dat het onmogelijk is de bevallijkheyt in de konft, 
ten fpijt van Minerve , te treffen. Zeker de Schilders ftaen hier wederom met 
de Poëten, gelijk die van Horattus decze vermaening hebben : 

Indien gyfchr^ven ivilt , zjoo dient eenftofgezjuht , 
Die met uw macht gelijkt t om niet te bleven [te eken. 

Denkjvatgy draegen kfint , watgy wel overmogt , 
Zoo z.al u klaereftijl noch ordening ontbreeken. 
Alleverkiezingen zijneeven nae, maer, gelijk men zegt, nietaleeven 
nut. Hierom moet yder een zich zelven onderzoeken, om 't gcene hem ey- 
genis voornamentlijkin'twerkte ftellen; want 't geene andere gelukt, zal 
ons juyft niet toevallen , maer 't geene ons eygen is , zal ons licht afvloei jen. 
De kamerfpeelers verkiezen niet altijts de befte, maerdebeo|uaemfte faba- 
len, die haereperfonaedjen gelijk zijn. Die ftout van ftem waren , pleegen 
tpigonosenM-edeateiT^eelen, Die beweeglijk van gebaer waren , hadden be- 
haegen in Menalippeen Clitemneftratevenoonen. Rupiliui vetbeelde Antiope, 
maeryE/öpMjnamnoitderol van>5;rfx. Zoo hebben de voornaemfte Schilders 
ook altijt iets, dat hun beft meevalt. Dezen zal 't luften,wat ftof hy ook voor- 
heeftjde zelve deur aerdige declen wonder bchaeglijk te doen fchijnen , als of 
hy meer vermaeks had in 't vertoonen van een foorte der medewerkende 
dingen, als in 't gros van de zaek j 'tzy in geeftige bewegingen , tro- 
nien , toetakelingen of teujeringen. Een andere zal dezelve deelen door een 
^edwongener ordre, door fchikfchaduwe en beeldefprong wonderlijk ver- 
groot- 



17Ó T H A L I A. 

gvootfen. Maer de lierde acht alleen een bloote en onbcdvvonge vertooning 
cnbraltquanfuysop 'tware groots, volgt de Roomfche zwier van Rafaéltn 
Angelo , en houJ Ihende , dat der dingen defticheit door 't uitbeelden der ge- 
ringe lijdingen gekreukt wort ; datdeSchilderkonft intopis, daerze alleen 
op heidachtige deugden acht geeft: dat het bedwang der lichten en fchadu- 
vven een brofle kruk is : en onrecht datmen, om het eene te verfchoonen, het 
andere verduiftere. Wat ons aengaet , wygeeven deze, en, 200 'er noch 
meer verfchillendegeeften zijn, yderde vryheythaer behaegen te volgen; 
Mierwy ^n verwerpen geen tulp om dat het geen roos, noch geen roos om dat het 
I.iitenclk geenlelyis. Wy zullen de konftdeelen verhandelen , een yderverkieze daer 
zijn keur ^jj^'j. g^^j^ ^^^^ 't waerdïchft dunkt. Al wat de konlt ftuk voor ftuk vertoont , 
^'^^' is een nabootfing van natuerlijkc dingen , maer het by een fchikken en ordi- 

neeren komt uit den geeft des konüenaers hervoor , die de deelen , die voor- 
gegeven zijn, eerfl in zijne inbeelding verwardelijk bevat, totdathyze tot 
ten ceheel vornit , en zoo tezamen fchikt, datze als een beelt maken : en 
dikwils een menkhte beelden eender Hiftorie zoodanich fchikt , dat 'er geen 
dcminftete veel noch teweynichin fchijntte zijn. En dit noemtmen met 
recht een waerneming der Sitmnetrie, Analogie, en Harjnonie. Ten is niet 
genoeg, dat een Schilder zijn beelden opryen nevens malkander ftelt, ge- 
ijjk men hierin Hollant op de Schuttersdoelen al teveel zien kan. Derechte 
meefters brengen te weeg, dat haer geheele werkeenwezichis, gelijk Clio 
uit Horhüm [een: 

Brengyder werhftuk , ^00 't belmrt , 
Slechts enkel en eenweez,ich voort, 
H-ewbrant heeft dit in zijn ftuk op den Doele tot Amfterdam zeer wel , maer 
na veeier gevoelen al te veel , waergenomen , maekende meer werks van het 
grootc beelt zijner verkiezing, als van de byzondere afbeeltfels, die hem 
waren aenbefteet. Echter zal dat zelve werk, hoeberifpelijk, na mijn ge- 
voelen al zijn meedeftrevers verdueren, zijnde zoo fchilderachtich van ge- 
dachten, zoo zwierich van'fprong, en zoo krachtich,dat,naezommiger ge- 
voelen , ai d' andere (tukken daer als kaerteblaren nevens ftaen. Schoon ik 
vvelgewilt hadde, dat hy 'er meer lichts in ontlteeken had. 
Wjc de kunft Deze kunft van ordineeren zullen wy met Duitfche woorden noemen , een 
van wel or- wiflè treffing dcr mcdevoetzlijkheyt , overeendracht, enmaetfchiklijkheytj 
dinecren is. zonder wclke alles verwart en vol ftrijt is. Hoe noodich het nu is , dat de geefl 
tot dezen Regel der vindingen in 't werkte ftellen becjuaem zy , is licht te 
Enhoenoo- [jggjjjpgj,^ Want fchoon gy alle de byzonderheden , die toteenHiftoriebe- 
Voorbcdt. ^^oo''^"» kent, en machrich zijt , zoo kunnen deeze geen goede ordinantie 
■ uitmaken. Eeyen gelijk alle de byzondere gedeeltens van een gegoote fi- 
guur, 



Het vijfde Boek. 177 

guur , in een gietwinkel overhoop leggende , niet machtich zijn een beeltop 
te maken,tenzyyder litin zijneygen gewricht geplaetft worde. Want hec 
2al een af keerlijk monfterdier uitmaken,indien men de deelen mis neemt , en 
een oorinplaets van de neus voegt, ofdatmeneen been, infteedcvan een 
arm aenzet. Ik heb nochtans van een Hoogduits Beeltkonftenaer gezien , 
dathy, in 't vernieuwen van een ouden houten Engel, den rechterarm aen Vaawanflal, 
den flinker fchouder, en den flinker onder den rechter vleugel had vaft ge- 
hecht. Maer dit mach 't verzuim van zijn leerjongen geweeft zijn. Op net 
wanfchiklijk ordineeren pafl; ook dit vers van Hotattm Flal^ktts : j„ j^ Dicht' 

Zoo eetiich Schilder ons een menfchen hooft verbeelde j^unji. 

Met eenenpaerishals, en met veedrengefchakeerty 
"En arm i en been, enbuik^, in't wilt door een verdeelde: 

of had een vrouwen beelt op U fchoonfte gebootfeert , 
Wiens onderlijf wel een mismaekten vis z^ouw lijken s 
Wie X.OUW niet lachen z^ulkjen wanflal te bek,^ken i 
De dingen,die buiten goede ordrc zijn , kunnen niet beftaen, maer vallen 
overhoop. 

Geregeltheen en ordentl^kf z^eeden. 
Zijn fieunfelen van Jïaeten, huizeen , fleeden , 
in rijken. Want daer wet noch regel is 
Staet alles los, en draeitop't ongewis» 
Al 'tfchepfel is vol order. Zelfde dieren 
Als nutte byen , en arbeytfame mieren. 

Wilt doch uw werkj o Schilder jeugt,gefchikt 
Beleggen. Kom bevlpich u, en mikt j 
Om deez^en prijs, z.00 dierbaer , te gewinnen: 
Maer order eerji door regels uwe zwinnen, 

Gelijkjen beeld in veele leen beflaet , Een gefchie. 

Zoo beeld u in, dateengefchiededaed, deniswott 

Diegyverkiefl, omuwekunfitetoonen, byccn beeld 

Ookjeeden heeft 'y want van een troep per foonen^ rergce en. 

Isdeez.e'thooft, die'tlichaem, die de hand, 
Verbeeldend ffaem het unnebeelds verflant. 



TWEE- 



1/8 



T H A L I A. 




Verkiczin 
yry. 



TWEEDE HOOFTDEEL. 

Hoemen 't ordineer en moet aenvangen. 

Oognunaed'eere> die Amphion beroemt maekte, want Apelles 
(lelde dezen boven zich zelven in'tordineeren. Wel aen, laet 
ons nu het vorftelijk Toneel openen , en gedenkwaerdige daeden 
vertoonen: uit ons zelven vaeren> of, om beter te zeggen, in 
ons zelven de gordijn opfchuiven, en in ons gemoed de gefchiededaet eerft 
affchilderen , en daer toe al onze krachten te werk ftellen. Want, gelijk 
Seneka leert , ten zoude niet voeglijk zijn , darmen menfchen bloet dede ver- 
gieten ) als 't een Schilder ie pas quam eenich gevecht uit te beelden. Maer't 
zalonsvryftaen, met den vermaerden Schilder Tfcfö« , een trompet te lae- 
tenblaezen, om den geeft wakker te maeken. Want dezen rfcf o« vernoegde 
zich niet , zijnen ftrijtvaerdigen Soldaet vol moed en dapperheyt afgebeek te 
hebben, niaer hyliet ook onverhoets een trompet fteeken, als hyde gor- 
dijn van dit ftuk voor de liefhebbers liet opfchuiven , om de gemoederen tot 
hetziendeezesoorlogsmans tebequaemen, Wanneer de zaek, diegy voor- 
hebt, in uw verftant wel begrepen is, zoo neem, naeuwkeur, eenoogen- 
bliklijke daedt, want de verkiezing eens Schilders is vryer, als die van een 
Hiftory fchrijver , zijnde deze verbonden de dingen van den grond op te ver- 
handelen , daer een konftenaerplotfelijk of in het begin, in het midden, of 
wel in het eynde der Hiftorie valt , nae zijn luft en goetdunken, Hy verheelt 
of het voorgaene, het tegenwoordige,of het toekomende, en is niet verder 
verbonden , als met 't geene in een opllach der oogen tevens gezien kan wor- 
den,uit het eeuwich vervolg der zaeken te vertoonen. tn dat op't aller gevoeg- 
lijkfte , fchiklijkfte , vermaeklijkfte, levendichfte , bevallijkfte, en op't onbe- 
krompenfte aen den dachte brengen. Dezevindinge nu vaft ftaende, zoo 
moetmendie, alsgezegtis, onophoudelijk overleggen. 
Eergjf begtnt iet Wtterdichs af te beelen , 
Zoo laet de daed door uwe zwinnen fpeelen 
Met indrukj jae totge in den geeft kunt uen 
De dingen z^elfsalsin der daedt gefchien. 
En zich in te Zijn gedachten zoodanich gewennende, datzemet der tijdt de zaeken, 
betijen, alsofze tegenwoordich waren, in denkbeelden gefchildert zien. Maer op 
datmendit op'tallerbeft aenvange , zoo waer'twel van nooden, datmen 
rich Kitoos vermaeningen drinnerde , om de zaeken , door te grootenfchroom, 

niet 



Die wel 
t'orerleggen 



Het vijfde boek. i jp 

niet te armhartig voort te brengen. En wederom datmen de vcrwaende in bcquamc 
grootsheyt in tegendeel vermijde. Nicophanes wiert gepreezen, om dat 'er §'^°°"'*^ï^' 
in zijne werlcendeurgaens een zonderlinge deftichey ten Tragifche pannan- 
ticheyt gefpeurt wiert. Welke deugt een beklijvende achtbaetheyt toege- 
fchreeven wort. Dat is waerlijk groots, ze^tyunim uk Longinus , 't welk ons 
t'elkens wederom als verfch voord'oogen verfchijnt; 't welk ons zwaer, 
of liever onmogelijk is uit den zin te ftellenj welkers gedachtenifie gedue- 
rich, en als onuitwiflelijk, in onze herten fchijnt ingedrukt j 't geen alle 
menfchen te gelijk behaegt. Want hetovereenftemmende oordeelvan zoo 
veele verfchey den gezintheden moet d' aenzienlijkheyt van de waere groots- 
heyt nootzakelijk bekrachtigen. Elders wil hy , dat d' inventie niet ver- 
waent , maer behoorlijk groots bevonden worde ; niet af breukich^lteyl, 
maer zachtelijk verheven ; niet rokkeloos en onbezint , maer volko- 
mentlijk krachtich ; niet pijnelijk droevich , maer rijpmoedich ftraf; ^'^- J* 
niet traechelijk lankzaem , maer ftemmich bedaert j niet aelwaerdich 
dartel , maer heugelijk vreugdich , en zoo voort j waer meede hy te 
kennen geeft , datmen den middelwech voor den beften en zekerften 
moet houden. Doch dat niemant te lang in deeze overleggingen blijve 
fteeken, maerftoutelijk voortvaere. Zeuxis, door de deure , die hem ilpo/Zo- 
dortii geopent hadde, ingetreeden zijnde, is ftoutelijk voortgeftapt; dit 
heeft hetpenfeel, dat nu alles beftaen dorft, meerder eer en aenzienlijk- 
heyt aengebracht. Gy ook, diedezaeknuwel begreepenhebt, tree ftou- 
telijk toe. Des C^rffi fchreef zich zelven deezen zetregel voor: dat hy 't gee- 
nehy naezijn vermogen eens voor goet gekeurt hadde, ftoutelijk moft uit- 
voeren, als oft het befte waere, ter tijd toe, dat hy door kragtiger reedenen 
geheel overtuigt wiert ^ en hy meent dat deeze ftantvaftigheyt veel nutter is , In :(ijn he- 
dan datmen door veel twijfelens blijft waggelen. Framüko Ruftici zeyde , dat- ^"^- 3 ^«^ 
men zich eerftwel moft bedenken, waer uit dan gemakkelijk een ruw be- 
werp konde gemaekt worden : datmen dat bewerp nae lang herfchctfen eyn- 
dclijkin Teykeningen tot meerder volkomentheyt moft zoeken te brengen. 
Want door 't befchouwen van al de by zonderheden terzaeken vereyfchende, 
zoo zal den nimmer ftillen geeft yder ding in zijn eygenplaetfezeer bequaem 
en ordentelijk fchikken, en de gedeeltens, daertoenoodich, zoobehen- 
dich enonuitvindelijk famenknoopen , datze nu niet meer gedeeltens , maer 
gezamentlijk eengeheel en volkomen lichaem zullen fchijnentezijn. Vor- 
der wil Ruftici, boven gemelt, datmen deze Teykeningen danweeken en SchnfTen, 
maenden ongezien laete leggen, om met verfche gedachten dan de befte re ^"'^'^^''^g 
kiezen, en in 't werk te ftellen ; hier inne deleere van Horatim eenichfins ^^ 
volgende,diezegt: Houw uwe fchriften negen jaeren by ut' huis, wat niet 
uitgegeven is kan men telkens weder uitfchrabben. Maer ikvinde hier inne 

Z 2 ook 



i8o T H A L I A. 

ook deeze zwaerichey t,dat de geeft door het uit de weeg leggen der aengevan- 
ge ordinantien gemeenelijk verllapt , en in zi]n hitte verkoelt j jae dat de reets 
opgegaderdeaerdichedenwech vluchten en verdwijnen, zoomenze niet tij- 
delijk wacrneemt, enin'twerkftelt; ook is al, te groote fchreumherticheyt 
eenhinderpaelindekonft. Daeroin raedik, dat men liever al zijn krachten 
te werk itelle , om het eens met y ver aengevangen onderwerp , zoo veel 
Om dacr nac mogelijk is , tot volmaektheyt te brengen , en 't zal u over negen jaeren daer 
teverbetc ^^^ eeven vry ftaen, diteerfte dooreen ander te verbeteren. Aen een be- 
quaeme vinding in 't ordineeren hangt het geluk of ongeluk van het ganfche 
werk: want wat zoudtuluftenveelarbeyts indebyzonderedeelente beltee- 
den, wanneer u 't geheelebeftekmishaegt? Integendeel, wanneer u 't ge- 
heel vernoegt , zoo zal u geen deel voorkomen , hoe zwaer het ook zy , of 
de luft zal'er u door redden. De Schilders, Beekfnyders , jae de Poëten 
zelve, zee,t Tuü'm i wenfchen, dat de liefhebbers haere werken op 't alder- 
naeukeurichft deurfnuffelen : ten eynde dat zy , al 't geene met reeden berifpt 
wort, verbeteren mochten. Dit zal u dan niet t' onpas komen, als gyverze- 
Hoenoo- kert zijt, datuwalgemeeneftellingenordinantiegoedt is. Dan zal 't u niet 
dich d'ordi- hinderen, of gy ual, als Apeüest in een fchoenriem vergreepen hadt; of 
nantie^oet als Pfc;^/;« ergens een neus wat te dik ofte lang had gemaekt. Dan zultgyniet 
moet zijn. bgfcj^aemtzijn, datmenu eenigegebreekenaenwijft, maer alles zal u tot nut 
en voordeel gedyen. Gymoogt ook, om in 't oordeel over uw wel beleydc 
ordinantie verzekert te zijn, een getrouw vrient in de konft dezelve toonen, 
en zijn berispingen gaede flaen : want zoo diende zich Apelles van het gevoe- 
len van Ljfippm , en deeze wederom van het oordeel van Apelles : en Praxiteles 
hielt dit voor zijn bede werken, die hy met raedt en daedt vunNiciat gedaen 
hadde. Verzin derhalven voor 't begin, of ten zal u niet beter gaen als P««- 
tormOf die fomtijts van 's morgens totfavonts voor zijn werk zat, om zich 
te bedenken , en fcheyde doch zonder iets te verrichten ofte verbeteren : om 
dat hy mooglijk zach dat het te laet was , het geene dat qualijk begonnen was 
te recht te brengen. 

Zietg_^ tefpaede uw nüsverjland , z,oo moogtgy *t hooft wel klouwen: 
JfAtineei defteen is uyt de hand , z.00 baetgeen naeberouwen : 
Dog , is men op een quaede weg , jlrax keer en kan veel winnen ; 
Maer befl is 't , metgoet overleg z,ijn x.Aeken te beginnen* 



DER- 



Het vijfde Boek. i g i 




DERDE HOOFTDEEL. 

Van de mimaeme harmonie^ ofgevoegltju-heyt en maetfihik- 
lijkhett m hoegroot heit. 

\ Y hadden,toen ik noch Difcipel was, dit vraegftuk : Welk daer was 
; de grondles en regel van v^tl te ordineeren: Fabritius ant woorde, De 
'edelfte natuerlijkheden te verkiezen, en by een te fchikken. Maer nfngcndic 
i hier op wierr gevraegt , welkedie edelfte natuerlijkheden waren? ^^'^^"'^"•'''^" 
Waer op hy vervolgende antwoorde , Dat de dingen zich edd inde natuer ^„""eTcluL 
vertoonden , wanneerze nevens andere dingen , die als een maegfchappy ken. 
met hen hadden , ^vervoegt wierden. Zeker dit moetmen toeftaen , datter 
veel dingen, wel voor zich zelve goet zijnde, nietby eenvoegen, en dat 
daer en tegen veele dingen , fchoon flecht en fimpel , by iets anders gevoegt 
eengroot fieraet inbrengen. Maer hoe kander grooter maetfchappy bedacht 
worden , mocht iemant zeggen , als datmen veel dingen van eenderiey ge- 
daente bymalkandere voege? Jk antwoorde, dat de Hennen geen tier heb- Niet te ved 
ben, zonder een Hacn, en dat te veel van eenderiey, walgingebaert. Zeker van eender- 
Schilder, mijn lantsgenoot , hadlaetft zijn vlijt dapper betoont : want hy '^yS^'^*^"^* 
had eengroote en wel opgehoopte fchootel met fchoone Perfikken uitter- 
maeten fappichen netuitgefchildert, en zich in ftuk voor ftuk dapper ge- 
queeten. Ik verwonderde my, die ziende, over zijn vlijt en gedult: maer 
ik kreeg een walging van d' onnoozele verkiezing , en den overvloet van zoo 
veel eenderiey koftj en achte, dat hy zijn tijdt onnutteh'jk befteet hadt: 
want met dien zelven arbeythadhy bynae alle foorten van vruchten in deeze 
fchootel kunnen opfchaffen, en het oog met keur van lekkernyen veriufti- 
gen: gelijk d' oude Schilders wel geweeten hebben, als zy haere tafereel- 
kens, die zy Xenia noemden, toeftelden ; gelijk gy van Tbdeye'm Caüiope 
hoorenzult. Die eengaftmael aengenaem maeken wil, moetnae verande- 
ring vanfpijzen omzien: want wie zal zeggen wel getrakteert te zijn, die 
men nictanders dan enkel patrijzen, of anders fazanten, heeft voorgezet ? 
Hopman de Rijkj in de burgerlijke oorloogen van de voorleede eeuw , wiert » 
aende Spaenfche zijde gevangen zijnde, op'tblokhuisvan Gent in een dui- 
fter holgefteeken , doch zoo wiert hem eens vooral t' zijner keore geftelt, 
met watfpijze en drank hygedient wilde weezen: hy daer op verkoos kalfs- 
vlecfch en deele wi j n , en kon federt geen andere verwerven. Maer deeze goe- 
de fpijze en drank wiert hy in zeeven maenden zoo zat , datze hem al zijn lee- 

Z 5 ven 



,82 T H A L I A. 

ven lang ter keel uit walgde. Verandering vanfpijs maekt nieuwen eetluft , 
zoo vermaekt zich het ooge in veel verfchillendezaeken. Ziemaerroe, dat 
die verfchillentheyt geen Itrydicheyt invoert , maerdat'cr de minzaeme Har- 
monie h\\]ve. Ten paft geen tengre meysjes Serpenten te troetelen, of 
hongerige Leeuwen naeeen Hardersliet te luifteren. Orfemiiem en lier had 
alleen vermoogen haere wreetheyt te temmen , en die gemeenzaemheyt met 
ondieren is, fedcrt vader Adams goude dagen, verdweencn. De kuyfche 
Dirff» en lijdt geen Satyrsindemaegdenrey, noch Fcwwj vermaekt zich recht 
met grijze hzy ren. Stlentn rolt onder zorgelooze Bacchanten , en drukt het fap 
uyt de zwangere tros , dat langs zijn vette borft afdruipt. En vader Ljber 
kan vader ^i/^^wnietmiffen. Powon^ en f/or<ï vereeren elkander, enP/«roden 
Helgodt acht geen broeder voor 2Vl<in. Zoo dat de dingen niet alleen in groot 
tegen klein, maerookingevoeglijkheyt, vrientfchap, en afkeer tegen el- 
kander vergeleken worden: en even zoo groot een misflach, als hy beging, 
diehetpaertgrooter, dan de ftal vertoonde, begaethy, die de Leeuwenen 
Zwijnen aeneen zelventroch willtellen, Omphale zet Herkules wel aen de 
fpinrok, maer niets paft hem beter, danknodzeenLeeuwenhuit. 
Voeelijkhei • ^^ ^^il hier niet waerfchuwen van datmen, gelijk 't wel gebeurt, geeo 
dwergenfchouders aen Reuzenhoofden pafle , en kinderarmen aen volwaflen 
tronien voege. Dit behoort tot de gelijkmaticheyt eens menfchelijken li- 
chaems, byPo/;'W«M verhandelt, en is zoobelachlijk,als'tgeene vanP/4/^^ 
hier vooren ontleent is. Noch ook luft het my, hen overtehaelen, die aen 
een fchoone vrouwetrony een mismaekteborft en buik fchilderen : want dit 
behoort tot de fchoonheyten waerdige verkiezinge. Maer hierftaet alleen 
aen te merken, wat dingen wel ofqualijk by een voegen. Wy zeggen dan 
met Horatius: 
Des Scliü- De Schildersvrjbeit moet hepaelt z.ijn na den aert : 

ders vryheyt jtf f « pooge 'f harde van het z^achte t' onder [cheyden : 

'""^ "'f' De Slangen dienen met geen vogelen gepaert. 

^Qi-den. -^^^ moet geen T^gers by de Lammeren doen weyden. 

Men moet ook de Heylige zaeken met geen afgoderye vermengen , gelijk 
Sedrenui verhacit , dat zeeker Schilder ten tijden des Keyzers Leo tot KonÜan- 
tinopelen voor hadt , te weeten, Chr'tftus te gaen fchilderen met den blixem in 
de hand, enindegedaente van jfwpira: het welk hem zoo qualijkbequam, 
dat zijn hand op een bot verdroogde,en zoodanich bleef, tot dat hy zijn fchult 
bekennende, vanden Biflchop Gf«w4^/tt/ geholpen wiert. Maer men moet 
al't gecne men voor heeft , inzijneygen Element plaetfen, en zich van alle 
ftrijdigheden wachten. Wat niet eygen totdezaekis, isongerij-nt, en, 
gelijk Fiakkiis aenwijft , berifpelijk : 

Als 



Het vijfde Boek. 183 

Ah of een Schilder wouip een z^ee met z.wtjnen heelden y 
of toonde een landfcbap daer de Dolle jijns tnfpeelden. 
De vernuhichlte der Dichters, zegt Seneka^ hadt de Zundv]oet> naedc 
grooishey t van de zaek , aerdichlijk uitgebeelt , toen hy aldus zong : 
De z,ee verzjvolg de landen , 
En kende geenejiranden. 
Hy fprak van groote dingen, en verbeelde die groote verwarring in deze 
yaerzen uit ; 

De vloeden, uit hun bedt geborjlen, overflroomen 
*t Ganfch Aerdtrtfk. Bergen , booirun , 
En hooge toorens z.ijn gedoken in een x.ee. 
Dit zouw heerlijk zijn, zegthy, indien hy'er niet hy voegde: 
De Wollefzjvemt by 't Schaep , de Leeuw drijft op degêlven. 
* Kanmen zwemmen in zulk een overvloeying en üorting van water? Of 
is niet alle vee met de zelfde drift, daer mede het wechgeruktwiert, ver- 
dronken? Of<S^wei^OWdJ«j hier met recht berifpt laet ik ervarener oordee- 
len: maerditzaldeSchilderjeugt hoedfamermaeken , en tot waerfchuwin- 
ge dienen , om geen heerlijke ordinantien door beuzelmart te onteeren. 
*t Gedenkt my dat ik, in zeker aerdich geordineert Itukje van Rembrant, 
verbeeldende een jfo/;4w«« Predicatie , een wonderlijke acndacht in de toe- 
hoorderen van allerleye ftaeten gezien hebbe : dit was ten hoogden prijflijk , 
maer men zach'er ook een hondt , die op een onltichtlijke wijze een teef be- 
fprong. Zeg vry, dat dit gebeurlijk en natuerlijk is, ik zegge dat het een 
verfoeilijke onvoeglijkheyt tot deze Hiflorieisj en datmenuitditbyvoeg- 
zel veel eer zou zeggen, dat dit ftukje een Predicatie van den Hondfchen 
Diogenesj als vanden Heyligen Johannes vertoonde. Zoodanige uitbeeldin- 
gen maeken het onnoozel verftant des meefters bekent ; en zijn te befpotlij- 
ker, alsze in geringer opmerkingen dwaelen. Zeker Schilder tot Amfter- 
dam had laetft een luftigcn wijnroomer op een tafel wonderlijk bekoorlijk af- 
gemaelt: Wat meer r* hyhad'er ook een heerlijk fluweelenkleet onder ge- 
fchildert: dit mocht noch pafTeeren: maer op dit zindelijk Tafelkleet had 
hy eenige flymerige Schelvis gefchilderr. Waer uit men befluy ten moft , dat 
dezen Schilder een flordich huishouder molt zijn : want wie had oyt zoo vui- 
lenflet in zijn keuken, die demorfllge vis op fulp of fluweel zouw neerleg- 
gen f Enditwasby de domme liefhebbers noch wonder goetgekeurt. Het 
is ook onvoeglijk, datmen de heymelijke zonden in Schilderyen ten toon 
ftelt,ofonvlaetigeen felle daeden, die ergens ter fluik verhandelt zijn, tot 
onftichting openbaer maekt , gelijk Horattuslcen : 
Veel z.aeken aultge voor het oog verbergen , 
U Eenpajlgeden 1 ent ander pafl gehoon ; 

t'On- 



176 T H A L 1 A. 

*t Onvlatichz.ou't gez.icht met aenfioot tergen. 
Medea deé voor 't volk^geen kjnder-moort , 
Noch Atreus kookte ook^geen vervloekte fpijz^en 

Van Hoerekroojl , uitipraekj voor j/ der soogh. 
*/ Verandren ookjan Kadmus , vol afgrijz^en , 
Zacbniemant, «oc/j r<i« Progne , toenz.e vloog. 
Wacht u dan, ó Edele geeften, van de fchandelijke onkuisheden van 
Tïberius in't Eylant Kapreen in uwe Tafereelen te vertoonen. Laet ook d'Out- 
C. ^(ton. vader Noè" niet fchaemteloos naekt leggen , daer Sent en Japhet haer aenzich- 
' ^'^"''' ten van af keerden. Want die tot zulke fchandlijkhedengeneygt zijn, ver- 
dienen den vloek zoo wel als Ham en Kanaan. En dewijl ik van Tiberius reppe, 
zoo volg ook ParrafiusTiiet nae , van wi4n men zoo fchandelijken Tafereel van 
Atalanta en Meleager tot Romen zach, dat ik my (chaeme 't zelve te befchry- 
ven : echter was het aen deezen dwingelant zoo lief , dat hy tienmael 
Seftertien, die hy in de plaets van't zelve hadde mogen ontfangen, daer 
voor ontzeyde. 
Onvoeglijke Maer dewijl wy in't voorfte Hooftdcel vanwanftal derleeden, uit Höm- 
enwanftal- tiusy hebben gerept , zoo zeg ik met jf«»itt^ , dat het een konftenaer niet wel 
nge Mon- ^^^ voegen, grillige wanfchepfels, die de natuer niet en kent, aen ;en te 
klampen. Gelijk Vitruvius ze2,t', dat deverdorve gewoonte het daertoe ge- 
bracht hadde , datmen in de grotiflen veel eer gedrochten en monfters , dan 
eenige waerachtige dingen vertoonde: tegen de gewoonte der ouden, die 
haer kamers, gaenderyenen eetzaelen, metkonltige naebootfingcn van't 
geene natuerlijk was , oppronkten. Hy wil dat een fchip een fchip, een 
beelteenmenfch, ofeen beeft, ofeenoekent, ofimmersnatuerHjk gedier- 
te zal gelijken. En hy ist'onvreeden, datmen uit dingen, die tegens de 
vvaerfchijnelijkheyt ftrijden, vermaek fchept. Daer zijn eenige te Romen, 
zegt PlutarchuSi die goede Schilderyen en Statuen verfmaeden , en op de mon- 
ftermart haerentijdt hefteden, met luiden zonder armen ofbeenen, of die 
drieoogen, een ftruizen kop , of noch iets afzichtichlijker hebben , te be- 
kijken j die zy nochtans niet lafi^^e, zonder daer van te gruwen , kunnen zien. 
Zeker my walgt hier van, en zelfs van de fchriklijke monfters, die Lucianus 
in zijn alderonwaerfchijnlijkfte waerachtige Hiftorieuitbeelt, en in de lucht 
doet fchermutfen. En zelfs kan ik my niet vernoegen in't bezien der Helfche 
gedrochten van den Hf //cfcfw Brf«^f^ Jeronimus Bos , ofzachtleven, hoegee- 
ftichze ook mogen geacht worde. Dewijlze door haere al te onordentelijke ge- 
drochtlijkheyt de natuer fc hij nen gewelt aen te doen. Zeker de Hel der Poëten 
wort met bezadichder en ftichtelijker waerfchijnhjkheid geopent ; en fchoon- 
zeverziertis, zoodraegtze dernerkteykenen vangebeurlijkheyt ; gelijkte 
zien is by Virgilius , als hy dus opheft; 

I«'/ 



Het vijfde Boek. 1 8 f 

In'tportaelvafiHeUeborg , Eneaf6 

D€n ffiond des afgronds , woont bedrukte routp , enx,orgt ^°'K- 

Die 't hart verteert en knaegt. 
Daer op hy dan zeer aerdig de verdere Helfche quaelen vervolgens befchrijft : 
gelijk Oi7/(iiwdieook zeer zeedig en natuurlijk ten toon (telt, alshy dus firn- MeMw.4 
pelijkaenvangt: *<"^' 

Den duiftren afgang nae de Hel is doodlijk. koud , 
Vergiftigd Jiwkendy en vol doornen menigvoud, 

Daer langs de uelen , firax ttae't lichaemltjk ombindea > 

Gaendoolen, tot dat z.jr de (^) duiz,cntpoortflad vinden. (*) Stigia 

Ten tweeden is 'er waerte neemen, hoede dingen in maètfchiklijkheyt ^ ^«^ooj 
tegen malkander te vergelijken zijn : men heeft dan wel aen te merken , hoe- ''*ƒ«*"''"'• 
danich heteene lichaem zich tesen het ander vertoont. Plinius ftelt, op*t 
vvaernemen van hoegrootheit , den flaependen Reuze van Timantbes ten voor- y" ^^Z" 
beelt; want hy had 'er, zegt hy, eenige Satyrs by gefchildert, die zijnen pdeken. 
duim met wilde klimop afmaten , om de grootte van een Reus , in zoo klei- 
nen fluk werks (want het was maer een tafereelken) te beter te verflaen te ge- 
ven. En hierby voegt hy dezen lof: Datmenaltijts een dieper zin in zijne 
werken vond, alsmen in 't cerfte aenzien wel zoude vermoed hebben. Zoo dat , 
fchoon zijn konft groot was , zijn verftant die noch verr overtrof. 

Vorder wat dwaesheyt waer het , eenOliphantmeteen Muis in eenderley 
gareelen te flaen f* En een vlieg van geen kameel in hoogte t' onderfcheydenj* 
Men flae dan acht op de natuer , die de groote dingen een Reusachtige groots- M^etfchik- 
heyt, endekleyneeenonnacfpeurlijkenetticheytmededeelende, dezelve op lijkbcyt 
een behaeglijke wijze regen elkander vergelijkt. Zoo ook een konftenaer 
moet het een deel van zijn werk door het andere niet verderven. Hierop ple- 
gen de beelthouwers zehs in 't maken van (tokbeelden achtte flaen , wanneer- 
ze dezelve opeen voet o^ Pedefial ftelden, dat 'er een maetfchikhjkheyt en 
overeendracht tuflchen den voei en het beelt was. Ten tijden van Keyzer^<iri- 
anui wierden de ftokbeelden van Merkurius en Phileftus beftraft , van te kleyn te 
zijn voor den Trapezuntifchen Tempel. P/ttr4rc/jttiberifptde geene, die, 
door 't maeken van al te groote Pedejlaleny haere beelden verkleynen. Want 
voornamentlijk moet een beelt, om hoog geftelt , met het geene, daer het op 
ftaet, eenige geregeltheyt hebben, DenTempel van jfüp/r^r, indeGriek- 
fche ftadt Ol^mfta , wiert voor een van des Werelts zeven wonderengerekent, 
maer nochtans wiert in dezelve , door de kunllverftandige , een onver- 
fchoonlijke wajnftal aengewezen : namentlijk, dat den zittenden Afgodt , die 
Pii/irfigemaekthadde, zoo groot was, dat, indien hy geftaen hadde, het dak 
te laegzouw geweeft hebben om hem te befluiten. Want even gelijk, nae 
d-r Bouwmeeïkren zetregel , alle dedeelen van een geheel gebouw, door ^^q.l 

A a een ^' ° ^^^' 



iB6 T H A L I A. 

een maetfchiklijke fchikking elkandercn moeten beantwooorden j zoo moe- 
ten ook de beelden , 't zy gehouwen of gefchildert, noch te groot, noch te 
kleyn zijn. Men zie toe, datinengeen poort of deure kleynderdande men- 
fchen maeke, ten zymen Itlemons wooninge, om bukkende in te komen, 
voorhebbe: op datmende berifpinge des grooten bouwmcefters ApUodorui 
niet onderworpen worde ; want als den Keyzer en Schilder Adridnus een 
model of ontwerp van f^tf»«i Tempel gemiekt haddé, en mogelijk de misftal 
van de beelthouwers des boven genoemden Trapezuntfchen bouw, heeft 
willlen vermijden, zoo viel hy in de gebreklijkheyt van die van gemelden 
Olytnp; want il^>o/iö<ior«i wees hem aen, dat de Godinnen, dierinne onder 't 
welffel zittende, niet en zouden kunnen opftaen om daeruittegaen, ver- 
mitszijn Tempel te laegwas, om bequamelijk den toeftelder fchouwfpe- 
len , die men 'er 's nachts in vergaderde , 's morgens onvoorziens ten tonee- 
le te voeren j en de beelden, die'erin geordineertwaren, teonbefchoft en 
te groot voor zoo eng een plaets: voegende daerby, doch met al te grooten 
vryheyt, dat hy, namentlijk de Keyzer, liever kouwoerden zoude gaen 
fchildcren, als een zake, die hy beter verttont , eningeoeffentwas: welke 
berisping en verwijtinge dien vermogenden Schilder zoodanich troffen,, dat 
hy Jpoüodorusdededooden ; meerder fmcrt gevoelende van zijn misflach, in 
de vergelijking van zijn gebouw met zijn beelden, aengewezente zien, als 
hem het leven van zulk een man waerdichwas, die wathy vooreen mcefter 
geweefJ is , genoeg heeft doen blijken , in 't maeken van Trajanus kolom , 
die zijn naemfchierzoo berucht, als die van zijn al te ftrengen tuchtheer, 
gemaekt heeft. 



VIERDE HOOFTDEEL. 

Gematte htheyt in *( ordineer en. 

Egens demaeticheyt zoo zal iku vooreerft raden, dat gy uw 
werk niet te zeer met onnodige dingen overlaft : want Nif/ feo^ r^f/_, 
't Werk niet wÈ^YTj^ »wcr hot eely fchreefde Heem. Een menichtc van beelden, die 
Cc overladen; g^ji^gj^P geen werk doen , is walchelijk. 

Als Varro vreugde z.oiht , j^oo nood' hj weynkhgajlen. 
Zoo priffi men ookjoor 't befi een werkniet t' overUJlen. 
's Treurdichters oude irijsftaet noch , van niet te veel 
Terfoonen nae 't belang te brengen op 't Toneel. 

Die 




Het vijfde boek. 187 

Die d' oude wtjigeen op voorheen met oordeel noorden , 

Die freezjn meejl de reen , vervat in wejinuh woorden. 
Dus 'tgeenge voorbebt breng met matelijkJ^eJUch , 
Enkenneltjkenklaeri aendachtichaendendagh. 
Een hiftorieeygentlijk uit te beelden is prijslijk; raaerikenkanzooveel on- 
cygenbywerk> a.\s Mander uit Sannaz^arius in een Vonnis van P4rK aenteykent, 
niet voor goet keuren. 

Men moet ook een Hiftorie niette fober voor den dach brengen, en de 
Koe als achter den Dijklaeten • noch hem teveel volgen, die een Vorfte- 
lijkPaleys zonder eenich levende beeld gefchildert hebbende, en daer over Noch ook 
berifpt zijnde, ineen derportaeleneenlluk vaneen hellebaert maekte, als te fober vcr- 
ofze een lijfwacht, dieintrat,opdefchouderhad: laetende ontrent den dor- '°°"^"* 
pel als vaneen ingaendevoet nochdefpoore zien. Noch ook als eenen Bee- 
ringSi die Noachs Ark , in eenregenendelochten water, zonder eenich beeld 
van menfch of beeft of geboomt fchilderde: en als men hem vraegde , wat 
het was s' antwoorde hy,de Zundvloed : en wederom , waer dan de menfchen 
waren? vervolgde hy, zy zijn alle verdronken, en men zoudeze zien, als het 
water gevallen was. Hier op pa(l het oordeel van Aufonius zeer wel : Het ver- 
maek van een gefchilderde nevel, zegt hy, verdwijnt met het gezicht. En 
zeker, de geene die zich bevlytigen iets uit te beelden , daer niet waerdichs 
in te zien is, befteeden haren vlijt qualijk. Wyen berifpenhierin hetbyzon- 
der geen milt of nevel (omtijts te pas te brengen : maer prijzen , met den zel- 
V en Aufonius, deeze verkiezing, als'tdezaek vereyfcht. Gelijkhy van een 
ftukzegt, daerdebleekefchimmen, Hero, Sappho, P4/ip/;*jf, D/<io, en an- 
dere oude en rampfpoedige heldinnen, den minnegodttekcergaendein het 
onderaertfcherijk, dat met een dikke mift meerendeels bedekt fcheen , wel 
heerlijk in gefchildert waren, maer wy verfmaden met recht de traegegeeften, 
die hiere üukken vol fmeeren , zonder iet beziens waerdichs daer in te vertoo- 
nen : en wy houden 't met Sokraies : Alhoewel een gefchilderde wapenruftin- ^^^ l'^^^' 
ge genoegfame vermakelijkheyt in zich heeft, zegt hy, zoo isze nochtans ^' 
nergens toe nut. Maer , o Herkules ! wat zal men dan met den meeften hoop 
der fnorrepijpen , van veele onzer lantsluiden, uitrechten f Hier met een 
Sitroen, en daer met een Queepeer, diebyde waerdicheit vaneen wapen- 
rufting niet te pas komen. Het minde datmenter handt flaet, behoort een 
volkomen zin te hebben; gelijkby degrootemeefters, zoooude als nieuwe, ^.'1^"^^^" 
altijtsis waergenomen. Zy hebben zich, 't is waer, dikwilsbevlytichtmaer 
een cenige figuur met eenich by werk eygentlijk uit te voeren : maer wachten 
zich echter van iets uit de hand te laten gaen , datdenaem van een werk on- 
waerdich was , en hunnen naem tot verkleyning mocht flrekken. 

Aa 2 Om 



zin: 



Een werk- 
ftuk ver- 
eifchc tco 
minftcQ drie 
Icdea. 



Plutarchus 
in Paulus 
JEmilius. 



Gfvier, 



i88 T H A L I A. 

Om nu eeniger maten een regel in *t ordineeren te ftellen , 200 willen wy > 
dat ten minften yder werkftuk in drie leden befta , na 't gemeen fpreekwoort : 
Dat alle goe dAtn 

In drien beftaen. Drie vullen uw Toneel ) zegt den meefter van de 
Dichtkunft. Het getal van drien is de Gratiën eygen ; daerom wil Aulut Gellius > 
datmcn in gafterijen noit min dan drie , of meer dan negen gaften noodige : an- 
dere hebben het getal van zeven bequaemft geacht , houdende dat van drien 
te fober, en van negen te weeft. Maer Plinius zegt, datter van outs niet 
meer dan vijf op een banket verfcheenen , nochtans hebben andere 't getal tot 
twalef toe uitgerekt ; voegende de Gratiën by de Muzen. Nu mocht iemant 
wellacchen, dat ik van 't fchilderachtich ordineeren fpreeken willende, van 
gaften engafteryen beginne. Maer deze mogen ^miliué P4ö/whooren, die 
de geenc antwoorde , die verwondert waren , dat hy , die Perfeus verflagen , 
en het rijk der Macedoniers vernieticht hadde, zich zoo bezichen zorgvul- 
dich bemoeide in 't aenftellen van zijn gafterijen , en in zijn gaften metonder- 
fcheyt na haerewaerde te tr akteeren. Daerwort, zeydehy, een gelijke voor- 
zichticheytvereyfcht in een banket wel te beftellen, als in een flachordente 
maken: 'teene omby den vyanden verfchriklijker , en 't ander om by zijn 
vrienden aengenaemer te zijn. Te kennen gevende, dat 'er een zelve voor- 
zienicheit in 't ordineeren der zaken vereyfcht wort , hoe veel zy ook van den 
anderen verfchillen. De Heer Pov^, een overgroot lieftiebber tot Londen, 
enfchatmeeftervandenHartog van Jorlijt was by yder een vermaert om zijn 
wonder wel geordineert enkouliich verfierthuis, en noch meer om zij rt be- 
haeglijken ommegang: maer ik bemerkte eens, hoe becjuaem hy in 't ordi- 
neeren was; want my de eeraengedaen hebbende van, nevens vier of vijf 
heetenvan de Rojal Sociëteit i te galt te nooden, zoowiert'ertot vijfmael toe 
aengerechr. Alsnueen van'tgezelfchapzeydc, dat hy geloofde dat dit nu 't 
JaetJtewas; Zoo gaf hy met een aerdich woort te kennen: datwyeeven ter 
halver baen waren. Alzoo wiert'ertot tienmael afgenomen en opgezet, en 
alles zoo fierlijk, veranderlijk, enordentlijk, dat het te verwonderen was j 
cok niet overkoftlijk , en nochtans liet hy ons van vier-en- twintigderley foor- 
ten van uitheemfe wijnen proeven. 

Hoegeringenzake, óSchilderjeugt, gy ook moogt voorhebben, wilt- 
ze ten minften met eenich bywerk verrijken. Schilder geen enkelen wijnroo- 
mer op een lecdige tafel. Bacchtu vereyfcht Ceresei\ Ventu: de kluchtfpelen 
beftaen noit min dan in drie deelen. Indien gy na eer en glory tracht ; zoo deel 
uw werk ten minften in drie of vier groepen , of benden. De Roomfche legi- 
oenen beftondeneertijts in Velitesoilicht gewapende; in H4/?/«//of pijldrae- 
gers, Prwfipi ofvoornaemfte, en in Tr/dr;' of bedacgden, waer in de meefte 
Kracht beftont. Vergelijk uwvoornaemfte werk byde Triarjr: het tweede, 

dat 



Het vijfde Boek, i gp 

dat wcinich min van weerde moet zijn, by de Prwi^i: het derde, 'tzy ver- 
fchietende ot halfgezien by de Haftati: enhetminfteby derf//f«. Maer een 
volkomen werkftuk, dataengenaem zal zijn om dikwils gezien te worden, 
moet min noch meer dan vijf leden hebben, gelijk Horattus de fpelen ver- 
deelt : 

£enjj>el dat z.al beklijven Vijf, 

Zyjmjï yan vijf bedreven. 
Vijf handelingen behooren tot een wel gefcbikt fpel. Die L. vdn den Bos aldus 
verdeelt : 

Den eerftenjielle ons voor den ün diegy bejluit. 
Door middel van uw volkjn dicht te voeren uit : 
Den tweeden fieüe in 't werk^de z.aekyoorhetngefproken : 
Den derden roert , en komt de twift noch hoeger [token : 
Den vierden toont van veer den uitkomft van de z.aekj 
Den vijfden Jluit het werkjnet drukjofmet vermaek» 
Maer dewijl een fpelhierinne tegen een Schildery verfcheelt, dat het in 
yder handeling een byzondere tijdt , plaets , of daedt begrijpt ; daer de Schil- 
dery maer een oogenbliklijke daedt of zaek vertoont, zoolaeten wy't liever 
blijven by het geene wy van de Roomfche flachordeninge gezegt hebben. Dat 
is, datdehooftperfonaedjenzichalderbequaemft voordoen, die van minder 
belang, en echter tot de zaek behoorende, gezien en gekent worden; en de 
toegevoegde minft in de weeg zijn. Of anders, dat den voornaemften groep 
de Hidorie uitbeelt : den tweeden daernae de nootzaekelijkfle meedewerkin- 
gen : en dat den derden tot vergrootfing of tot verficring van 't geheele werk 
diene. ^^ 

Doch gelijkmen in hoog tijdige feeften 't getal der gaften ziet aengroejen. * 

en de flachordens deur hulptroepen meerder benden maekten: en fomtijts 
ook de treurfpelen verdubbelt, of deur'taenklampen van eenblyfpel ver- 
1 engt worden : Zoo weyt den Schildergeeft fomtijts breeder in groote werken 
uit, en deelt dezelve in tien of twalef hooftgroepen, waerin wederom yder 
zijn Jriarjit Trincipi, en P^W/r^i behoorde te hebben. Gelijk wel waergeno- 
men is by M. Agnolo'm zijn groot Oordeel , en by meer andere,my te verdrietich Na 't pas 
om al t'famen aen te wijzen. En deze regels moeten niet alleen wacrgenomen ^ ' 
worden in beelden of ftillevens , maer ook in gebouwen en landfchappen. 

Wat nu de plaets in'tordineeren betreft, men moet waernemen, gelijk 
wy^reets begoft hebben te zeggen, datmen de hooftzaek , waer van 't werk den 
naem zal draegen , onbelet vertoone : en dat men die in de befte plaets van 't q l r 
werk fchikke. K. Vermander zingt bynae op dezen zin : aack 

Dehooftz^aek^y die gjr voortebt , fteim'tbeft 
Van 'tftukji enfpeel voort aerdich met de re ft. 

A a 5 De 



Iii'tvoor- 
nacmfte van 
't werk. 
Dcurzicbt 
aengcnacm. 



Ongemaek- 
, te onacht- 
fa me orde- 



190 T H A L I A 

De bvektn moogtgy weder z.fjds tpel floppen , 

Maer 't b'mnenjïe niet al te z.waev beproppen. 
Een demxkbt geeft weljlanduheit en aertj 
Waer in het oog verlufl enfpeelen vaert. 

Zie toe y dat' t geen gy xoorheht , niethedtpongeny 

of in de lijftgeprangtfiaetyof gewrongen. 
Veel gehaspel van armen en beenen , als ook van lichten en fchaduwen , moet 
vermijd worden. Maer van fclioone lichten en grootfe fchaduwen wel op haere 
plaets te fchikken wort op een ander aengewezen. Het geeft fomtijts een- 
fchijn van gevoegli jkheit , als eenige dingen in een rijk en wel geflofFeert huis 
als verzuimelijk ver ftroit leggen , en gelijk lekkere fpij ze fomtijts door *t toe- 
doen van eenige zerpicheit inde faufefmakelijker gemaektwort , zoo helpt 
het tot debevallijkheit in 't ordineeren , als men 'er een fchijn van lofle on- 
achtfactnheit in kan brengen^ daereen te gemaekte ordening die gevoeglijk- 
heit mift. Maer deze onachtfaemheit moet door een kunftgreep verbonden 
zijn , of men zouw geheel buiten 't fpoor geraken. 



VIERDE HOOFTDEEL. 

Samenhewegingi fprongentroeping^ of de Muza 
der Teykenkonft. 



Samenbc- 
weging. 

Sprong. 




Troeping.en 

Verdceling 
versroor. 



Aet uwe figuuren met malkanderen een welftandige beweging 
hebben: niet als de domme toneelfpeelers , die de reedenen, 
dieze elkander behoorden toe te duwen, voor op 't toneel aen de 
toehoorders komen uitbraken. Neem een aerdige fprong waer, 
dat is een welkunltige, maer in fchijn ongemaekte plaetfinguwer beelden; 
op dat men ze niet, by wijze van fpreeken, altegelijk(alsinfommige Doel- 
ftukken) de hoofden kanafflaen. Gyzultuin dit punt oeffenende, rijke ftof 
vinden , en beroemde werken met oordeel leeren aenzien. 

Laet uw werk in aerdige groepen of troepen verdeelt zijn • wantom een 
grooteordinantie recht groot te doen fchijnen, zoois't wel vannooden, die 
in troepen te verdeelen. Een rijk man fchijnt rijker te zijn , wanneer zijn goe- 
deren in verfcheyderley zaken beftaen , als dat alles onder eenen naem fchuilr. 
De bloemen op verfcheyde bedden in ordregroeijende, zullen meerder aen- 
zien hebben, alsdatze alle verwart opeen bedde ftonden. Een lange reden 
behoorlijk verdeelt zijnde, zal meerder uitwerken, alsontallijke zinfpreu- 
ken. Hymaektzijn toehoordcren verdnetich, die onbepaelt fpreekt , en 

veel 



Het vijfde Boek. 191 

veel te 2 .ggcn heeft : en hy verblindt de aenfchouwers , die te veel tefFens 
vertoonenwil. 

Geboomty gebouw, en beelden loet vry troepen y 
En deel luv werk^njiereltjcke groepen. 

't Geen hier en daer gez^aeit is, fcheon ell^deet 
Weigoed is , geeft geen weljiand oen 't geheel. 
Niet dat uwe beelden als op eikanderen gepakt fchijnen , maergy moetze 
een vrye zwier laten. Byna op volgende wijze fpreekter onzen dichter 
van ; 

Laet overhoop en paert en ruiter ftorten > 
of tuimelen of leggen in 't verkorten. 

Stel een op 'tfchoonft , in 'r harnas , ofhalfnaekl j 
Wat achter dees verfcbuilt is reets gemaekt. 
De beelden dus beknopt by een te paeren , 

Moet z,ijngelijkjjet klinken veeier fnaeren , Is als een 

Naer ejfcb der kurtft , nuhoogdanUeggeratkt. nuctzang. 

Verfcheydenheit van veele toonen maekt 
£en maetgez^ang , tot luft van al die 't hoor en j 
Zoo moet men ookjlx oog door kunft hekooren. 
Dit hooftdeel heeft Leonardoda Vmct'm zijn beroemden Carton van de 
Bataelje verftandichlijk waergenomen. Timeret en Paul van Verone waren hier 
meefterin: endenbegrafiden R4/4é7 verwonderlijk. Rembrantheek deeze 
deugd dikmaels wel begrepen , en debelleftukken van E«t^m, enzijnna- 
volger Jordaens, hebben een by zonder welftandige fprong en troeping. Dee- 
ze konit, vanbehaeglijkeordreen konftigefchikking, dunktmy te recht 
tezijn een muzyk of maetzang, die, eeven gelijk de vois van een welge- 
iTjaekt liedeken, de woorden verfiert, dedingen ookgrootelijx vordert > 
en met welüant vereert. 

Den wegh, om zeker en gewis in het ordineeren te worden, is, datmen 
zich gewenne veel Schetsfen te maken, en veel Hiftoryenop't papier te 
teykenen; want de wetenfchap zal uweynich dienen, zoo gyze door geen 
oeffening vaft krijgt. Het zal een leciling zeer vorderlijk zijn, als hy ver- ^^<^'"''«^'- 
moeit is van't penleel , des avonts zich tot het teykenen van Hiftorien uyt ^cn'o°eft"tc 
de geeft te begeven, daer in fomtijts te paffe brengende 't geene hy nae't tcyctc 
leven heeft opgegaert. Maer ik raede hem , dat hy*t geene hy des avonts 
ontworpen heeft, des moi^ens wederom overzie , en verbetercj want 
een verfch oog in de morgeftond overtreft fomtijts eens meefters onderwijs. 
Ik wil ook, dathy opmake al wat hy begonnen heeft, op dat hy tot geen 
wifpeltuerigheydt uitfpatte, en dat hy'cr alle weeke ten minften een, zoo 
goet als hem mogelijk is, ten eyndc breng. Zeker, men zal door deze ge- 
woon te 



(cncn. 



192 T H A L I A. 

woonte ongelooflijk vorderen , en door't veel niiflen , de bovengeroerde 
regels ieeren kennen. Maer wat fchreumt gy ? Gy zegt dat u veel dingen 
ontbreeken: Laet daerom niet af: ten zal u geen fchandezijngemiltte 
hebben.Schets en herfchets,en fpeel de hiftoryen, en yder perfonadie eerft in 
uw gedachten^uw papier kan veel iiy tftaenjen laet niet af voor gy een aerdige 
ordening hebt uitgevonden. Doch zoo 't u gebeuren mach twee of drie uwer 
gezellen tot hulp te hebben , laet hun eens een proef doen, ofze de voor- 
naemfte groep van de daedt,die gy wilt uitbeelden , eens te zamen vertoonen 
kunnen. Zoodanich een kamerfpel hebben veel groote meefters te hulp ge- 
nomen. Maerditisnootzacklijkertotdeleflen van C/io, om de doeningen 
en lijdingen te zien j onze T/w/i4 leert alleen de fchikking. Ik hebbe wel 

Voorbede ^^^ j„ jgp Haege gezien eenen Samuel Smits jCen ervaren fchilder: dezen had- 
de de gewoonte,dat hy ,'t geene hy ordinceren wilde, eerft van Was int kleyn 
bootfeerde: ikzach opzijn Schilderkamerverfcheyde Berden metkleyne 
lofle beeldekens , ruwafgeduwt: hier zzt Tjfreftas , diedentwift, dicj^a- 
«omethaergemaelhad, vonnifte: daerzachmen P4«en ^pö/ombeftfpee- 
len, en ginder fpiegelde zich Narfijfus in de kriftallijne beek, toen hy op 
zijn eygefchaduwe verheft was: dekleetjes waren van vvitengeverft eerft 
nat gemaekt papier, groots enaerdich geplooyt, 'tgeboomt vaneykeen 
andere taxkens , de gronden en grotten geeftich van mos, en 't water van 
fpiegelglas. Dit ftaet u al vry nae te volgen , maer zie toe , dat gy , door te 
veelhulpneemen,u zelfs niet verlieft. Demeeftersraedik, als ze de Tey- 
keningen haerer difcipelen overzien , datze de zelve , met fchetflen op 'tzel- 

veelte ve voorwerp te maeken, verbeeteren. Dit oeffent ongemeen, en heeft 

fchetfT n.j' veelen geweldich in de fchikkunft geholpen. 



ZESTE HOOFTDEEL. 

Hoemen zich van eens anders werk dienen zal. 

Oog met al -uw kracht , ó yverige Schilderjeugt, u tebequa- 
men tot eygen vindingen. ><pf//^i en Protogmes weeken van de we- 
gen van Micon , Dmesy en Arjftnnas haere voorgangers af. Zoo 
deden Paulo Kalliarji en T/wronv , en floegen nieuwe wegen in. 
Wie weet of de konft noch hooger te brengen is. Taft ftoutelijk toe,en 
waeg'er uw papier aen , mooglijk zal u d'ocffening overvloejende rijk van 
ordinantie maeken. Niettemin zal't u geoorloft zijn, wanneer u eens an- 
ders wel geordent ftuk te voorcn komt » de vois of wijze der toonen , dat is , 

de 




Het vijfde Boek. 1 9^ 

de zwier van koppeling en fprong daer uit t' ontleenen. Even 200 wel als ee- £^„5 anJm 
rïich dichter,die een nieuw liedeken op een oude ftemme maekt. Ten is geen goede orde- 
fchande op een bekende vois,die reets al de werelc behaegt,eenige vacrzen te "'"g "«vol- 
dichteu. Maer hier in moetmen toezien, datmen een andere ftofFe verhan- S"' 
dele: en aldus heeftmen dien Schilder prijswaerdich geacht y die dezelve 
kracht der konft it; zijn Schilderye van Acbiües te weeg oracht , die men wel- 
eer inden Alexander van A^eÜes befpeurt hadde. Zoo wort Kir^i/iwalseen 
Vorft der Latijnfche Poëten geëert, omdat hy in zijnen dodenden Eneofy 
den doolenden Ulijfes van How^rw volgende, zijn voorganger nergens en 
wijkt. En fchoonmen zeggen kan, dat hy hem fomtijtsnaebootlt, zoo 
kan men niet zeggen , dat hy hem ergens iet ontfteelt. Maerhyfchijnt van 
den zei ven geeft ontfteeken in de loopbaen der ceren om prijs te rennen. Dat 
denSchildergeeftookvrydeeze baeneinflae, jae ten zal geenkleyne eere 
zijn, op deze wijze met P. €4/^4^ te kampen j fchoon men zelfs wat ach- 
ter leyt. Zommige ontleenen ook wel ftukken uit eens anders werk ; maer 
dit dient niette veel, en met voorzichticheit gedaen te zijn: op dat de 
fchimpfpreuk van Michiel Agnolo niet verdient worde : want deezen grooten 
konftenaereeneSchildery ziende, die al uit anderen geraeptwas, en ge- 
vraegt zijnde , wat 'er hem van dacht? Antwoorde: zyiswel. Maer ik en 
weet niet, als alle lichaementen oordeelehun eygenfceden zullen weder 
neemen , hoe 't met dit ftuk zal gaen , want'er met allen niets zal blijven. 

Wel gekookte Raepen is goede pottafie , zegtmen : m4er die altijts nae- u*^^^°'j 
loopt>zal nimmer voor uit komen. Indienge by geval iets uit de outheit neemt, prijsi^k. 
zoo dient de reft van uw werk het geleende gelijk te zijn , of liever in deugt 
te overtreffen. R«&^m wiert vaneenige zijner tegenftribbelaers gehekelt 
dat hygeheelebeelden uitd'ltaliaenen ontleende: en dat hy, om dit te* 
lichter te doen, teykenaers op zijne koften in ItaUenonderhiel; die hem Rubens 
alle fraeyicheden naeteykenden en overzonden : maerdeezegroote geeft ^^°^^^' 
dit vernemende , gaf tot antwoort : zy mochten'themvryelijknaedoen, 
indien zy 'er voordeel inzagen. Hiermeedete kennen gevende, dat yder 
een niet bequaem en was zich van dat voordeel te dienen. En zeker de wer- 
ken onzer voorgangers zijn ons even zoo vry, alsaende geleerden de boe- 
ken der ouden. Maer ons altijts met die te behelpen, en die te kopyeeren , 
verdient geen meerder lof, als het uitfchrijven en aen een laffenvan ver- 
fcheyde gedichten. 

Dewijl ook de Poëzy met de Schilderkonftin veel dingen gelijk loopt, 
200 zal't onze Schilderjeugtgeoorloft zijn, met het ftomme penfeel , de Poèten nac- 
fpreekende penne der dichters te volgen. Pbidioi fchaemde zich niette volgen, 
belijden , dat hy het weezen en de grootzicheyt van zijnen Eleaenfchen Ju- 
piter van Homerui ontleent hadde. Zooheck ook ApeÜes zijne Diane nae des 

B b zei- 



iP4 T H A L I A. 

zei ven Poëets voorfchrift gefchildert. Timanthmbr^cht ook zijnew Agamem- 
non-, met een fleuijer bedekt in zijn Tafereel, gelijk hem Euripides, by 't of- 
fer van Iphigenidi had op 't toneel gcvoert. Zoo volgde Praxiteles denzel- 
ven Euripides in zijnen Bacchus. En voorrs alle andere Schilders en beehhou- 
wers denzelven in 't uitbeelden van Medea. 

Indien de dingen, die gyvoorhebt, niet vooriianden, maer alleen in 
anders werken te vinden zijn, zoo ftaetu 'traepen en navolgen geheel vry. 
Zoo behielp zich Rafaély en zijnen Julius met de Roomfche outheit, de 
kolommen van Trajanusen Aritoninus weezenhun de gedaenten der Room- 
fche arenden, vendelen, veltteikens ; llormbokken, en allerley wapen- 
ruftingen. Zoo moogt gy ook , in hoe verfchoven hoek , uit Vitruviui en 
andere, de gebouwen der Jonen, en oude Korinters weder optimmeren ; 
ofdegedaente vaneenich vreemc dier van eenich landbefchrijver ontlee- 
nen. Ik kon my naeulijx van meedelijden fpaenen , als ik te Roomen eeni- 
ge van onze, zoo zy meenden , vlytichfte jonkheit zoobeezich zach, in 
allerley (lach van Schilderyen en Antijken zonder onderfcheyt na te teyke- 
nen, waenendedatzyeenfchatvergaerden , en datzein haer vertrek van 
Rome al de konftin een boek wechdroegen. Zeker dits een goede wech, 
maer op ver nae denaeüe niet. Hoor wat Vermander vun Elsheimer aentey- 
kent: Daer is noch tot Romen, zegt hy, een uitnemend Hoogduitfch 
Andere mee- Schilder ^<i*t/H, gebooren tot t-rankfoort , een kleermakers Zoone , wel- 
ftcrs werken ken in Italien komende , noch tamelijk flecht was : maer is tot Room 
te betrach- ^-©nderli jk toegenoomen , en door bezicheit een konllich werkman gewor- 
den. Hy begeeft hem weynich tot nateykenen, maer zit, in Kerken en 
... elders, de dingen der fraeje meelters ftadich en beziet, drukkende alles 
van Ehhev- '^^^i" zijn gedachten, ó Elsheymerl wat had gy ons al vruchten van uwe 
meren betrachtingen nagelaten , indien uw onmedoogent lot uin vryheit bewaert 

R.ub:ns. had. Rubens ^ waer in kunfl: en natuer zoo rij keen bronader ftorten , wiert^ 
tot Rome zijnde, vaneen zijn beezige metgezel berifpt: dathyzoowc)- 
nich Italiaenfche Schilderyen kopieerde , of nateikende , en alleen zijn 
dierbaren tijt met wandelen, kijken , en ftilzitten doorbracht, daer men, 
omeengroot meefterin de kunft te worden, wel nacht en dach behoefde 
te arbeyden. Maer Rubens betaelde hem al lacchende met de bekende fpreuk; 
Ikben aldermeejl beez.ub j alsg^tn^leedighz^iet. d' Ander hem dit als een ver- 
waentheyt optijgende, voegde hy'er getergt , dit noch by : Ik^geloof 
beeter ombouwen te hebben' t geen ik^welbezJienhebbei ^^^ify die'thebtnage- 
tej'kent. Waer over zy in wedding geraekten , wie dat, van hunbeyde, 
zeker (tuk, dat iï«tfn^ alleen wel bezien, en d'anderhad nagemaekt, beft 
by onthout zoo ftrax zoude uytteykenen : maer J^ttfcfWf overtrof zijnen bcrif- 
per, uit den fchat zijner inbeeldingen, hierin zoo verre, als in de relt van 

de 



Het vijfde boek. 1 9 j- 

dekunft., EenSchildergeeftmach als een nutte Bye, die op al lerley bloe- 
men vliegt , maer niet dan honich zuigt , ook alierley nuttichcit uit de 
voorbeelden van andre trekken. Alles na te teykenenisteflaefs, jaeon- 
mooglijk: en alles op zijn inbeelding te betrouwen vereyfcht weleenKtf- 
hem. De Schilders, die haer herte geheelijk overgeven om anders werken 
na te maken, en alleen zich bevlijtigen om het werk te voleinden, yjqoi- 
den Vin Je fus Sirach hy boeren, harders,en ambachtsluiden geftelt; onkun- ^^<:^'J^^fi' 
dichderwijsheit, daer de waere Schilderkonft een ophoopmg van alierley ^^P'^°' 
kennifTe en wi jsheit in zich begrijpt.Voert u't geval in Italien,of ergens,daer 
gy voor korten tijd goede dingen ziet , en zijt gy 200 verrein de kond , dat 
gy de deugden onderfcheyden kunt , wel aen , gy zult de werken van 
braeve meeflers meeft altijts in eenige deugd byzonder zien uitmunten : 
teyken dan deeze deugd niet alleen op uw papier , maer in uw hart uit , en 
200 weer by andre : zoo zal u den tijd noch den laft niet vermoeyen : en gy 
zult den paerdeftaert der konft eyndlijk by hairen ten eynde komen. Hier 
zult gy geeftich koppelende groepen van beelden een aerdige fprong zien 
maken, en een gefchiedenis gefchikten ordentlijk, als zaegt gyze gebeu- 
ren, zien afgebeelt. Ginder zult gy in een wonderlijke verziering den 
hoogen geeft des meeftcrs zien. Hier wederom zijn de beweegingen des 
gemoets en des lichaems , en de perfoonen , als of menze kende j en daer 
de grootfte fchoonheden en volmaektheden uitgebeeld. Waer eenige uitne- 
mende werken u voor komen, gy zult de uitnementheden , ook bynae- 
men kennen : of twijfel vry , of' er de deugd , daer van geroemt wort , 
ook in te vinden is. Maer op datgy door eygenlaetdunkenheit niet en ver- 
doolt, zoo laet een anders oordeel , en voornamentlijk , daergyover- 
flemtzijt, by u verkoelen , eer gy't verwerpt of aenneemt. 

Vaneen die wel d'antijken nateykende, en hun manier volgde, zeide 
M. Agnolo , die altijts navolgt, loopt noit voorby. 



ZEVENDE HOOFTDEEL. 

Zijn Konft openbaer te maeken, 

Anneergynu uwe vindingen in ordening hebt uitgevoert , en 
gy het oordeel van vriend en vyand derft uitwachten, laet dan vry jlxva werken 
uwe werken in print uitkomen, zoo zal uwen naem te fpoedi- in print uit 
geraldewerelt over vliegen. A\\ieix Durer en Lukas van Ledden t^^è^^^^- 
wondere Schilders, hebben nochtans hun grootfte gerucht door het graef- 

Bb 2 yzer 




Plactfnijden, 
Houtprenc 
En met ver- 
fchcide pla- 
ten. 

Printfchil- 
dery. 

Tinne plae- 
ten* 



Etfcn. 



Zwarte 
kuoft. 



Eenigcna- 
merlijkc 
dingen afge- 
drukt. 



195 T H A L I A. 

yzerverkreegen. Maerfedertis'tgraefyzervan het pinfeel byna geheel af- 
gezondert, en tot een werk, dat een geheel menfche behoefde, gewor- 
den. Enzeeker, deplaetfnijderszijnfedert als lof blazers en trompetters 
der grootlle Schilders geweeft , en de printen zijn als booden en tolken » 
die ons den inhout der konftige werken, die ofvervandehand, ofnui! 
• veroudert zijn, verkundigen. Het plaetfnijden gefchiet of in koper met 
.graefyzers, ofwel in hout met beytels en mesjes. De koperplaeten geven 
d'eerfte drukken 't bruinfte , maer de houtplaet wort grover in't afllijten. 

De wijze van met drie hout plaeten te drukken geeft fchilderachtige prin- 
ten. Maer Hf yj^/fi Zfgfn heeft papieren of doeken , met zachte gronden, 
van luchten, verfchieten, en voorgronden, eerft een verf ken gegeven, 
en daer op de print gedrukt , zeer aerdich enfchilderachtich. Durerheek 
ook eenige dingen in tin gefneden, *t welk een zeer lichte manier is. Maer 
het etlTen is veel teykenachtiger , hier toe gebruikrmen verfcheide grove en 
fijne naeldens, en de plaet moetovergrontzijn, metmaftix, afpak, en 
witwas. Maer dewijl dit de plaet bruin maekt, zoo kanmcnze met wat 
lootwitineywitgemengtoverfchilderen, en dan in't koper, als met root 
op wit, teykenen. Maer die lult tot deeze konft heeft , dieleezeA»BoJfe , 
die de zelve met al haer aenkleeven wel naukeurlijk befchreeven heeft j of 
hy gae ter Schoole by den aldergeeftigften Romep de Hocge. 

Sedert heeft Prins Robhrecht Paltsgrave , of yemant anders voor hem , een 
manier van plaeten toegerecht, om als zonder trekken te drukken, en dit 
gaet aldus toe: de plaeten wel gefchaeft zijnde, worden heeneen weder 
ktuiswijsoverfchrabt, wel dicht over een , zoo dat de ganfche plaet, als- 
menze liet drukken , al geheel zwart zoude zijn; hier op fponfien fy haer 
voorgenomen werk, en beginnen dan, met bruineeryzers, deplaetfen, 
die lichtft moeten zijn, geheel te effenen , en de relt na vereifch minder j 
in manier als of men met gout op zwarten toets teykende, of liever met 
licht Kryon op zwart papier : en dezen vond wort de zwarte kunft ge- 
noemt. De eerfte print, die ik van deeze flach gezien hebbe, was een beul 
na Spanjolet, en wiert my van gemelden Prinfe , dieze gemaekt hadde, 
vereert. Een gebrek heeft deeze kunft , dat een plaet zoo weynich drukken 
geeft ; maer dit goet wederom , datmen op een zelve plaet telkens weder- 
om wat nieuws kan beginnen. 

Tot deeze voorgemeldje vonden, die in kunft beftaenj zoo hebben eeni- 
ge ook aengevangen de natuer zelfs af te drukken ; als het loof van heefters, 
kruiden, enmoflen, met behulp van loogen en zappen, ja zelfs ook wit- 
ties of kappellen en Schoenlappers met haer natuerlijk afgaende ver- 
we, 't welk hen tot verwonderens toe gelukt is. Dewijl ik in'tvoorige 
Hooftdeel aengcweezen hebbe, dat het den leergierige geeften nut en 

pro- 



Het vijfde Boek. ipy 

profijtelijk is, Tomtijtsde werken van andere beroemde baezennae te vol- 
gen , zoopalVer dit ook voor de lief hebbers by , dat de konlHgeftukken Goede ko- 
dergrootemeeüers door 't jnakopieeren van goede gezellen ruchtbaerwor- pycn makc n 
den. Want deivi)! dezelve gemeenlijk in konflkamerëopgellooten zijn, en de p^'^^^"'^* 
Kopyéuin alle Rijken worden oingezonden, zookrijgenzedaer door aller- bacr. 
weegen zoodanich een luilter, dat de Konftminnaers zich niet en omzien 
veel dachreyzen af te doen , om de prinfipaelen eens te befchouwen. 't Welk 
ook gemeenlijk met zoo groot een vooroordeel gefchiet , dat zy zich zelfs 
inbeelden te zien 't geen'er niet enis j waer van ik proefs genoeg ervaren 
hebbe: want ik hebb 'er ook met verwondering zienftaroogen op ydelhe- 
heden, die zy zelfs konden verbeteren, en op dingen, die de konüenaers 
zondereenigen vlijt oi opmerking hadden heen geflingert; hoewel ik wel 
weet , dat in den fchijn van onopmerken fomtijts ook wel de hoogde kunft 
fpeelt. Die dan ook kenbaerlijk onder den naem van eenigc deugt moet 
uitblinken. Want te zeggen, daer fleekt ietwes ik en weet niet wat verbor- 
gens in j is zoo veel , als , ik zie dat'er niet en is. 

De Schilderkonft is bepaelt binnnen onze Schooien, en alsze alop't u fi i 
hoogftis, zoogaetze niet buiten de leflen van Caüiope» Macrdatniemant kopyen. 
zich inbeelde, dat hy die volkome kracht der Konft,die in de origineelenoi 
oorfpronkelijke werken der treflijke Meefters is , in de kopyen zal vinden. 
Want zulx is onmogelijk, ten waereeenichGodt den naevolgermetden 
zelven geelt des eerften meeders begenadigde. 

Daerisaltijtseenbevallikelufticheitind'origineelen, zegt D/onJ^tti H4- _ . . 
lik^rnajfus , die in de kopyen ontbreekt : want hoe wel datze zijn nagevolgt, ne"ele q5^" 
zoowijzenze nochtans hier en daer iets uit, dat nietuitdenaiuer, maeruit 
ecnpijnlijkenarbeytfchijntvoort te komen. Ook ziet men, dat de deug- 
den des eerften prinfipaels in de kopyen metveele gebreeken omringt zijn, 
min ofmeer als de gedrukte bladeren , vaneenichonverftandich letterzet- 
ter nae eenich moeylijk fchrift geflanlt , vol drukfouten en feylcn zijn, 
die den zin of verduilieren of oinkeeren. Daer dan noch aldermeeft in de ge- 
meenewelftandige Harmonie en Gratie gefaelt wort. Zeeker, 't is een be- 
lachlijke zaek , de wacnwij/ekonftkenners fomtijts over eenige Schildery 
haer oordeel te hooren : want zy bedriegen niet alleen d'onkundige liefheb- 
bers, met voddige kopyen voor oprechte prinfipaelen teverkoopen, en 
dat quanfuysgoe koop en vooreen geringe prijs , maer zy bedriegen ook 
zich zelfs, vermaekneemende met zich, in fteede van de deugden, de 
flimfte fouten en gebreeken als wonderen vooroogenteftellen, en datge- 
ne te prijzen, dat alle verachtinge verdient, tot kleynmaeking van den 
meefter des prinfipaels , die zich van die dingen , die zy 't volk voor wat on- 
gemeens aenprijzen, gefchaemt zou hebben. En nochtans hebben deeze 

Bb 5 £zel$ 



ipS T H A L I A. 

Ezels in veelefteeden zoo veel cjeloof, datmenhaer oordeel boven dat van 
d* oprechte konltkenders acht j daer het nochtans gewis en zeeker is> dat 
niemant recht van de deugt eender Schilderye kan oordeelen, dan die de 
gronden der konft, en zoodanig als wyze in dit werk verhandelen , recht 
enwel verftaet. Daeromgy, ó lief hebbers, indien gyfpot en fchade ver- 
hoeden wilt , zoo betrouw het oordeel niet van die fchacherende bedriegers; 
maer gae met Schilders en Konfloeffenaers te raede j die goet van ge weeten 
zijnj en die zelfs, door 't opgaederen van goede kunft , blij kgee ven datze 
degoede werken van anderen ook liefhebben. En op dat gy ook van deeze 
haer oordeel moogt verzeekert zijn , zoo proefde konftftukken teegen onze 
grontreegels ; wantikwilu verzeekeren, dat gy niet alleen bevinden zult, 
dat de treflijke meefters onze wetten hebben waergenomen , maer dat gy, 
te langer gy haere (lukken beziet, te meerder daer in zult vinden, datze 
van onze Muzen zijn befliert geweeft. 
Bcfluitvan'c N"* dewijl 't buiten gewoonte van Tforf/^'fis , langop 't Toneel te bly- 
ordincercD. ven, en zy haeren winkel gewoon is vroeg op te fluiten, zoo wil ik mijn 
Schilderjeugt haere leflen noch eens in 't kort erinneren. Zywil dan, dat- 
men zig al vroeg in de kunft van 't ordineeren oeffent , want hier door krijgt- 
meneenzeekereftoutigheyt, die aen den leerling byzonder noodig is. Zy 
wil, datmen voornaementlijk zulke dingen vertoont , als'er in onze inbeel- 
dingen fchijnen gezaeyt of geplant te zijn , dan zal yder Schildergeeft zoo- 
daenigen vrucht voortbrengen, alshem natuerhjkeneygenis • want nie- 
mantis zooalgemeen inde konft, of hy vind iets , dat hem boven] alle 
andere verkiezingen vermaekt, Zy wil , datmen 't geene men voorheeft uit 
te beelden, zuiver en enkelt vertoont , niet gelijk de dwaeze dichters, die 
in bruiloftsgezangen van feilen oorloog donderen. Zy wil datmen derhal- 
ven zijn eygen eemocteerft zuivert , endezaek, diemen voorheeft, wel 
overweegt. Ik neb maer een hooft, eneenftaert, die een fcherpen angel 
heeft, vannooden, wanneer ik een lierdigt maeken zal; maerin klaeg- 
liederen moet ik de wufte gedachten eerft met traenen uitwiflcn, eer ik de 
pen op 't papier zet. 't Geen malkanderen goed doet wil zy , datmen te fa- 
men koppelt, enop'tgevoeglijkft byeen fchikt; en datmen een behoor- 
lijke maetfchikiijkhcit waerneemt. Zy gebiet in 't ordineeren noch te vrek 
noch te milt te zijn, maer wil datmen een hiftorie met zijn vereyfchtetoe- 
ftel verziet : en zy leert, hoemen 't werk in leeden verdcelen zal • op dat de 
Hooftzaek zijn behoorlijke grootsheythebbe. Wijders wijft zy aen , hoe- 
men de figueren een behaeghjke fprong zal geeven, dat is,datze , 't zy hoog 
of laeg, met malkanderen een gedaente maeken, die 't oog bevalhjk is, 
en datze, door haere verfcheydenheyt onderling fchijnen te fpeelen; en 
geen walglijke rijen maeken: en hoemenze inaerdige groepen en troepen 

hy 



Het vijfde Boek. ipp 

by een zal voegen, om de gezaeytheyt en eenderleyheyt te vermijden. Zy 
wil darmen in deze oeffening volhart, en middelen in 't werk llelt, die 
deeze kennille bevorderen, Zy bepaelt, hoe wijd het geoorloft is, zich 
niet een anders arbeyr te behelpen : en eyndelijk raed zy > om in zijn eygen 
licht niette verzengen, datmen zijnordinantien met het uitgeeven van 
printen openbaer maekt , om het oordeel van anderen daer over te hooren ; 
en om in 't toekomende die gebreekente mijden, die van vriend of vyand 
met reeden zijn aengeweezen. 




ACHTSTE HOOFTDEEL. 

Wegens d'Uitfpanning. 

Yn Geeft, nu van fchrijven vermoeit, verlangt wat te ruften, 
om te wakkerder het koloreeren , dat ons tans voor de handt uicfpan- 
ftaet, aen te talten. Maer dit zal onze ruit zijn, dat wy van de amg. 
uitfpanning , die een afgefloofde Schildergceft fomtijts ver- 
dient, letwes handelen. Senekét in zijn traktaet van de Geruftheit des 
gemoeds, ftelt, na vijftien hulpmiddelen om zijn oo- wit te verkrijgen, 
deeze voor de laetfte: Uatmtn het gemoet met altijts ineen zelve zaek 
moet beezich houden, maer fomtijts tot vermaeknoodigen. Hy vervolge 
aldus: Sokrates fchaemde zich niet met de kinderen te fpeelen. IC^ro ver- 
heugde zijn gemoed , van de gemeene bekommerniflen wars zijnde, fom- 
tijts met wijn. 5fip/ooefïendezijnllrijdbaer en zeegepraelendlichaemmet 
danflen. Men moet aen de ziel eenich vermaek toelaeten : want zy wat ge- 
ruft hebbende, rijft beeteren wakkerder weer op. Gelijk men de vrucht- Gedu-rigen 
baere landen niet te zeer belalten moet, vermits d'altegroote vruchtbaer- ^'^^^'^ 
heyt hen bederven zou : zoo word ookde kracht van'teemoeddnorte<'e- '"'^^■!^^'^-" 
duench een arbeyt gebroken. Ijegeene, diezicheen weynichontfpannen, 
en die iets ruften, krijgen nieuwe krachten, üe geduericheyr van den arbeyt 
baerr een quyning en verltompmg van den Geeft. De begeerte der meii- 
fchen zouw hier toe niet ftrekkcn, zoo'er niet een natuerlijk vermaek ia 
fpel enjokkery ftak; welkers gebruik allt zwatnuoedicheit wechneemt. 
DeSlaepistotde verquikkingenoodich, en .al echternicrs anders, daa 
een dood zijn, zoo gy nacht en daghflaept. De Wetgeevers hebben vier- 
dagen ingeÜelt , op dat de menfchen gedwongen zouden zijn zich in't open- 
baer te verheugen: in voegen dat zy decze dagen, als een nootzakelijke 
matiging van den arbeyt, daer onder vermengt hebben. Ja eenige voor- 

naeme 



200 T H A L I A. 

naeme minnen hielden viertijd voorzrch, in zeekere dagen van de maenr , 
ecni^^e verdeelden yder dagh in arbeicenriiih Dereedenaer Poü/ödeedna 
tien uuren niets , ja las met een brief, maer üilde in de twee volgende 
I loe men «eren de bekommernis van den geheelen dagh. Men moet aen 't gemoet iets 
den geelt toelaeten , eneenigeruft daer aengeeven, die aen den geeft voor voedfei 
verquikken verftrekken,en hem krachten befchikkenkan. Men moet de ziel in d'opc 
"■ lucht heten wandelen, op dat zy grooter worde, en met eenongebonde 

«reeft den Hemel aenzie. Men verkrijgt fomtijts nieuwe kracht door in 
vreemde f^eweften te reyzen : door met malkanderen te eeten, en ruime- 
liik te drinken , ja tot befchonkens worden toe : niet om ons in den Wijn te 
verdrenken, maer om de bekommerniflen af te fpoelen. Want den wijn 
verdrijft de bekommeringen , en beweegt den geeft van onderen op ; en ge- 
Qpb,yjj.yj„ lijkzyeenige ziekten geneeft, zoo verdrijft zy ook de droef heit. Devin- 
vvijD. der van de wijn wort geen Liber genoemt om't ontbinden van de tong , maer 

om dat hy't gemoed van zorgen ontlaft, en verzekert, ftouter en onvert- 
zaegder tot alle aenflagen maekt. Maer gelijk de maetigheit van vryheit, 
zoo is ook de maetigingvan wijnnoodigenheylzaem. J a men gelooft dat 
Solon en ArcefiUus in den wijn vermaek gefchcpt hebben . Men heeft aen Kato 
dronkenfchap verweeten. Maer de geen, die dit aen hem verweet, zouw 
lichtelijker de dronkenfchap eerlijk, danKrffofnoodgemaekt hebben. Doch 
men mach dit maer zelden doen , op dat het gemoed geen quaede gewoonte 
aenneeme. Men mach echter den geeft fomtijts inbjyfchap en vryheit uit- 
rekken , en de droeve foberheyt voor een weynichtijts verdrijven. Want, 
zoo wy de (Sriekfche dichters gelooven, 't Is fomtijts geneuchlijkjen x.ot iefpee' 
len : Zoo Plato , De geen die tvel by z.ijn unnen is , klo^t vergeefs aen de deur e der 
Dicbters : Zoo Ariftoteles , Der heeft noit eengroot vernuft ronder vermenging van 
x.otheu getpeejl. Een bewooge Geeft kan alleen iets groots , en dat andere 
overtreft , voortbrengen , en de gemeene dineen verlaetende , en door 
een heylige inblazing verheven, zingt dan eerft iets, dathoogeris, dan*t 
geen dat uit een fterflijke mond kan komen. Ja 't gemoet kan niet, zoo 
lang het by zich zelfs is, iets dat hoog en moeilijk om byte komen is, be- 
reyken. Het moet van zijn gewoonetret afgaen, enopwaerts ftijgende, 
den breydel tuflchende tanden neemen, en den beftierder wechvoeren, 
en ter placts brengen, daer 't door zijn eygen beweging niet darde komen. 
Dit leert ons Seneka, maer men had in deze uitfpanning wel ftadich een Se- 
«ei^^byzich vannoode, om demaete te treffen. Ik voor my, fchoon ik 
't geen P/4fo zegt niet en ontkenne, dat het vernuft door driederleybewee- 
geniffen ontkniert , en uit zijn hengfels als geheeven wort : namentlijk door 
eenGodlijkeaenademing, eenPoëtifchegeeftrijzing, of een verheffing 
door de wijn: zoo zeg ik nochtans, dat deezelaetfte meerder dertelheyt, of 

vad- 



Hoedanich. 



Het vijfde Boek. lo i 

vadzigeflaepericheyÉ veroorzaekr, alsze wel wakkerheyt des gecRs en ver- 
^uikking desvernuftsmeedebrengr. Ikzwijge nochvan'tgevaer, dat de 
tong en de hand lijd, van opeen van duizenderley manieren te misdoen, 
Maermooglijk zult gy ook, door Schilders gemeenenyver, vreemde lan- 
den willen bezoeken : welaen, 't heugt my noch , dat ik van die drift ge- 
dreevenwiert: en dewijl ons T/w/^'f verlof geeft, om wat buiten deregels 
derkonftteweyden, zoo luider een weynig nae'tbeginfelvanmijn eerlten 
uittocht j van Dordrecht tot Weenen in Ooftenrijk toe. 
Gelijk.de Kraen , int bloejen van de tijd , 
De Zonne volgt , en roert z,ijn vlugge veeren , 

Soodedeiknieê: 'kyerlietmijnjiadty otnwtjd 

Van kant een tryl bv vreemden te verkeer en. 

ik^jleegte poert , met moedgeharrenajl 

Niet minder , als met Deegen en Pijlooien , 

En teeg of) reys : tot driemael z.at ikjajl 

En zag te rug y ik,z,ejf : wat wil ik^doolen .^ 

Is't Vaderland my dan niet liefgeweeft ? 
Waer kon men meer bebaeglijkheyt betrachten f 

Hoe wort m^n üel dus droevig ? en mijn geefl 
Zoo x.eer ontftelt ? Hoe wankelen mijn krachten ( 
DeNachtegaelgafantwoort: koniy eykomt 
Enfchep een luji in beemden en waeranden ; 

De Vryheyt is een waerdig Koningdcmy 
Gae z.oek}}aer nu in vergeleege landen. 

Mijnfladtt uit zwicht, gajtkjiclaetjïe groet : 
ik z^tponkden toom , en noopte 'f Ros metfpooren , 
Dat briefte en pruijie , en rende , [nel te voet , 
Langs dtjkjn dal , door weyde en veld met koor en , 

Tot Uitrecht toe , in'tw^t vermaerde Sticht , 
De Veluw op , in ongejiaeg: vlaegen , 

Infiorm opjiornt , verz,elt met Blixemlicht , 
Maer haefi verz.oet door Meyt^ds [choone daegen. 

Dus reed ikpver d' Elterberg , verdacht 
Van rovery , daer Reyz.igers voorfchroomen, 

Door Emmerik-, en Rees ^ enHez^el. Zacht 
En x.eedtgjlreelt de Ryn hier met TLtjnjiroomen 

Langs d' oever heen: z.ijn overz^oete lucht 
Begon mijn long een luchter aém tegeeven : 

Maer ach l wat hoorde ikjammren engex.ucf)t 
Van't arme volk^y door krijgsgewelt verdreven f 
C c 
rik. Den to deur Rees op Wezel. Den 17 op Urding. 



Dcni(f Mcy 
van Dor- 
drecht nac' 
Uitrecht. 



DcH j 8 dito, 
door de Bilt, 
Doorn , 
Ameron- 
gen, Reenen 
ciiWagcnin- 
gcOj en des 
avonds te 
Rinkom. 
Den 190P 
Aernhem , 
over den EI- 
tcrbcrgen 
■D^Wcot Einmc- 



20Z 



Den i8 deur 
Nuis.op 
(a) Keulen. 



Den I Junij. 
Uit Keulen 
ceift over 
den Rijn , en 
tot Bon wc- 
d^roverRyn, 
en aldaer 
vernachr. 
Den i voot- 
by de Zeven 
bergcD.Biy- 



zich 



^gi 



AndernacK 
Over de 
MoczcIbri:<T, 
cnto: Ko- 
belens. 
Den 5 over 
Rijn , en te 
L-infleyii 
over de Laen 
gevaren : te 
Brobacli 
't gebergte 
opgeklom- 
men , te 
Nachtftcedc 
en voort nac 
de Ziietbroii 
van Zwai- 
bacli , deur't 
Zwaibachvr 



t H A L 1 A 

Den Kjfnvoogtlagh , gefchonden engefcheurt, 
Oft puin , in d'as van omgekeerde ftecden , 

Enfcboon de Vreed' hem reets had opgebeurt > 
Zoo z.at defcbriken d'angH nocb m z.tjn leeden. 

Hier krulde een Slang , gins brulde een Wohenefl , 
Noch dacht het mj een Tempe , trots Thejfaljen : 

Aen d" ander kjnt verrees een hooge veji , 
Ben tvijdgebouw , bedekt met blaeuwefchaeljen : 
't Was(i) Agrippjftt j berucht en groot van naem 
Van oudts , en tans door 't graf der Oofterwijz^en , 

En Urz^elsjioet ; noch z.aI haer eer en faem 
Met meerder glans voortaen ten Hemel rijz,en 
Op Vondels veer. O Hoogduitfch Mantua ! 
Verhef z^ijn beeld aen uwc Hooftgebouwen, 

Dit z.ejidc ikjajl , en quam terwijl z.oo nae > 
Dat ikjiae werijcb haer Kerken ken befcbouwen, 
Maer hier verz^aed , en weder op den tocht > 
En over Laen , de bergen opgefleegen , 

Beplant met wijn , dte Dor dr echts Doel bevocht > 
Langs Moez.eljïroom en R^n , diepbrend veegen 

De z^achte grond , en langs het Nekker nat : 
Den dorflgelejl aen Zwalbachs z^uivre vlieten : 

Te Wisbaed my gewentelt in het bad , 
Dat uit den grond al kookend op kgmtfchietcn. 

Ditgafm' een lujl , dit trokjnijn' geeft om hoog 
Den Schepper van die wonderen te boven. 

De Dnitfche mart van Frankjoort rees int oog > 
Zoo wel bekent in alle Vorjlen hoovem 

Hier droeg de Meyn haer roem op Meriaen j 
Hy noopte my omftaedig op te kjimmen : 

Gelukgewenfcht , nam ikjie naere baen 
Van' f Maflebos met Hemelhooge kimmen ; 
De bogttge Eykdefleyie Lynboom kuft' 
Jn dichte fchaeuw van dusftre wildermjjen. 

Terwijl mijn hart dus lag , als heel verluft , 
Zag ik^een beekj> en om mijn dor ft tefliffcn » 

Zoo klom ikjif : maer, wclkjenvreemt geüchtl 
Van traenen die van een Godmne vlooten , 

Ecnfchoone Maegt , met oogen klaer en licht 
Gelijk^de Zon , haer boez^emfcheen deurfchooten'. 



Het 




Het vijfde Boel(. 202 

HetfchoongeUetgequetft , de hand bebloet , 
Het kleetgefchurt , de hanen uïtgetoogen. 

ikjtondverbaefty en riep: fi te z.00 verwoed. 
Die niet ontzag den blixem van dez^e oogen ? 

Zji hoorde metimaer kjaegden immer voort : 
Mijn Duitfchland , ach ! hoe TJjtgy dus vervallen f* 

M^n Maegden x^^ngefchonden of vermoor t : 
Mijn Steen gevelt , 7}}et Toorens, Kerken, Wallen : 

Het veld IS vol vanftinkend l^kg^beem ; 
Gel^kjnen ziet om Nortling aller weegen : 

't Gemoed mijns volks 1 door Krijgsgetier ver fteenty 
h nors enftuers , tot beushep ongeneegen. 

Dus kiaegde zjy , de Landvoogdes vermaert 
Van't Duitfche R^kj haerjamm'nn deê my zuchten 

Denganfchen weg. Voorts zag ikj>onauwaert , 
i« Zwabenland > wel eer zoo volgenuchten j 

En Augsburg , trots op heerelijk^gebouw. 
Een fchoon juweel y een pronkjer Duitfche fteeden, 

Het kiaegde wel > en treurden in den rouw > 
Maer bralde doch op welgemaekte leeden : 

Op Toren , Kerk., en Huizen fchoon bemaelt , 
En Straeterif rijk.vanfpTi>}ge}ide Fonteinen , 

En Statu'én : den burger die onthaelt 
Den vremdeling eerbiedig. Voort om Weynen , 

Ent Hof te zien , met Keizerlijke pracht 
Zoo voer ikjtfy opfaemgehechte boomen , 

En maf en langs de Legh , die door zijn kracht 
Defleenen rolt , enfchuimt metf>ielleflïOom<n , 

In d'oude kruik der ruime Donauw. Ej ! 
Diefchoonjie vloed , Trinces dtrfiroomgodimien , 

Die Water fiang , diens pru'tffende ge fchrey 
De Water goon haerjlre^len doet beminnen : 

Hoe kufi zy d'lnt die ver uit d'Alpes borfi ^ 
De Drae , en d*Ens ! zy bruifl met zeeven monden 

' In ?ant Euxin. ikjiond veibatfl , zy torJV 
Ons Boomvlot op boer rugge in ks^te [tonden 

Langs Stad, en Dorp, en Veld, en Berg, en Kots, 
'En kromde zig weerzijds door enge klippen 

Offlumerden int ruim ; dan quam zy trots 
Met groot getier al fchuimend' af te glippen , Cc z 

lingen.Dcn i $ Regensburg bezien, voort deur Donaultraufcn voorby Scrogenbingen op Dekkendorf. Den 
zo voorby Oofterhovcn, Wilshoven, PafTauw, en des nachts re Wefcnover. Den 11 voorby Alfch, Linis.het 
Slot Woltzcn, 't Vlek Greyn, en dtur den pruifenden Stroedel, voorby de Wervel, en 's nacbts ce Ips. Den ix 
yooiby Mcicb, langs Trinifteyn, en een uer van Wecncn geflaepen. 



Den n deur 
Wcndling, 
en tot Do- 
nauwacrt. 
Den 12, op 
Augsburg , 
deezeStad en 
cokdc voor- 
n.ieni{lehier 
onder ge- 
noemt wel 
bezien. 
MiJD paert 
verkocht, 
en den 
1 7 uit Augs- 
burg de Leg 
afgevaren.op 
een lang vlot 
balken, dacr 
voor ons on- 
trent het 
midden eeu 
bequacm 
huysjege- 
timmerc 
was. Naer- 
middag qua- 
men wy op 
de Donauw, 
en flicpen te 
Neuftad. 
Dé 18 voor- 
byingolftad, 
Keulheim, 
en deur de 
enge Velzen, 
Oj tot Prtus- 



204, T H A L I A. 

Ofdraeyden in Cbarjibdis afgrond heen , 
En z.wolg een teug de diepe Hel te drenken. 

Roemrijke ftroojnl mj jammeren uiv ween , 
"Die't Zweetfche heyi u aenhracht op baer z.wenken, 

\Zag hier eenjiadtydie tot den grond verplet 
Het hooft begon half z^tvijmende op tejieeken , 
Den Akk^r als den (iijnberg , eertijts net 
Cehavent droeg het eerfïe vreede teeken ; 
Heb dankje vree. De Vreedevorft betvoont 
Den IJ Ju- ^" x^waeit x^ijnflafin Weenem Hooftkajieelen , 

ny des mor- Daer lande onsvlot , irjrtreeninSteêy mentoond' 

S^"^'°^ Ons duiz^enden van wonderen. Watjuweslen 

o^ll^^ Draegt vrouw Natuer in haer veelver wig kleet 1 

M^n Hart verheugt die vrèmdigheen t'aenfcbouwen : 

ik^ftaroog rond : mijn oog z,ig z.elfs vergeet 
In huis , inflraet , in hofy en^pronk^gebouwen» 

De Hooffcbejeugt befchrijt^iet Hangers Ros j 
Enylt,gevolgt van aerdige Ij/vreyen y 

Ten Hoof y ge fier t met trotfen vederbos 
In't midden van haer Pagien en Lakk^eyen. 

Dit trotft mijn moed , en brengt my vol gepeys : 
Mijn Konftgodin hier op den troon te z.etten 
Bejluit ik^. Op , 't is geen verloor e reys , 
't Vernuft op'tfcherpft voor Cez^ars troon te wetten. 
Dus wort mijn luft in dag noch nacht vermoeit , 
Om vrouw Nattter haer weez.en af te maelen : 

Vdnyver 't z.weet my uit het voorhooft vloeit ; 
M^n z.iele brand om eens te z^eegepraelen. 

Geen welluft lokt mijnfer en jeugdig hart , 
Dan dez.e alleen mijn konftgodin tefmeeken. 

De knoop wort met gewelt cnftael ontwart. 
Men kan door tijdt defterkjie muer verbreeken. 
Dm voede ikjny met een gewen fchte hoop , 
En ejndigde mijn dicht ter halver loop. 

Tot Weenen in de maent van July 1^5 r. 

Il calumet geen verder dagregifter laftig vallen; maer kan echter niet 
naelaeten de Reysliefdige jeugt noch met het volgende vaers , nu verfch uit 
de pen komende , te verecjen j daer zy fommige lelTen in vinden zullen > die 
haer gcenkleynen dienft zullen doen, zoo zyze maer wel naekomen» al 
waer't zelf binnen Rome. 



Het 'Vijfde Boek. 20; 

Zoo 'iets bekoorlijkjs , z,oo is 't de z.oete vreugt^ 
Die in het reyz^enfleekt , door verre en vreemde landen, 
Mtjn hartgaet eopen j in 'r herdenken van mijnjeugt , 
Toen ikjiicuu'sgterigl^kyan heete reysluïl branden. 
Ikjafdie z.ucht den toom , heZaOcht veel braeve ïleèn j 
Ikjcagveelvreemdigheen t vanBeffchen, Bergen, Daelen, 
De Hooftrivieren van Europe , en 't ongemeen 
Dat men d' uitlanders toont , de Prinfelijke z^aelen , 
Em *r hoflijkjeeven dat men bj/ de Vorflen voert, 
t Geval was my niet wars , maerfcheen mj voort te Üuwen, 
Maer als ik^al 'tgevaer herdenk^ wort ikontroert , 
En watme al over 't hooft gewaej/t is. Ikjnoet gruwen, . 
Geen eene Scylle alleen , of een Charj/bdis keel , 
üeejt my op 't onvoorüenïi gedreygt om in tejlokksn > 
Maer al d' Harpoen y enSyrenent namen deel 
Aen mijn verderven , */ zy door laegen of verlokken. 

Dejeugt tan blmdeling nae 'tfchoon bekoorlijkjoft , RcysIcflcD. 

Daerjlang en Adder TJchbedektlijkjtchter fchmlen : 
Daerom > als u de luïl van 't 1 eyz^en [peelt in 't hooft , 
Zoo my voorzichtig al die doodelijke kuilen : 
En hou verdacht al watgy niet voorzeeker kent , 
Geen landaert lichter als ons volkje te verleyen , 
Zy zjjn luidruchtig > licht verlokt , en veel gewent 
Aen Bacchui. Maer op datgy dit niet moogt befchreyeny 
Öntdek^aen niemand oit, hoe ver uw reyz,e ïlrekt, 
Vlie licht gez^elfi hap , en verkeer met vroome lieden > 
En voert gy geit mee , z.ie datgy 't voor elkbedekt \ 
Want altijt zijnderydie uit roofiu^ u befpieden. 
Neem nergens herberg^als by een bekenden waert t 
In kleyne kroegen fchuilt gemeenlijk 't rot der dieven. 
Zie datge in't noodeloos al uw verquiHenfpaert , 
Om , waer't de nood eyfcht , u op't eerlijkfi tegerievtn. 
Zijt heus van ooge en mond , en lajler noit de z.ein , 
Dieyder Stads of volks gewoonte keurt voor't bejie : 
Laet Staet en Godsdienji , hoezee u ookjnishaegt , met vreên ; 
Ofgy befpeurt te fpade uw dwaes bejlaen op't lefie. 

Drie dingen z.tjnder noch , diegy vermjden moet > 
Dat 's , rwit efz.elden met uw landaert te verkeeren : 
Want onder twintigen vindgy maer eenengoet , 
Ten minden hindren zy u in de tael te leer en. 

Cc 5 Ten 



iö6 T H A L I A. 

Ten tweeden , moetgjfu wtl wachten voor de wijn ; 
Want watmen dronken do€t , hatYt nuchteren berouwen y 
En 't geen u vreugde gaf , Tttkeert in boosfenqn, 
Maer 't leil en 't qaaei^ is , betg'evuer der lichte vrouwen. 
Mijn lieve Schilderjeugt , wat tkjt bidden mag , 
Laet u van dugefputs verltjrden noch bekoor en \ 
Bier fcbuilt de jchelmrry in een geveynü gelach , 
En lieffeltjk^elotikj gji ujt gewis verhoren , 
ludtengy Jofefs rol hier niet kioekjnoedigf^elt. 
Errinner ug^Batgi watromgy üjt uitlandig ? 
Dat 's om in weetenfchap en konsi , en niet in weeld 
Uw' koÜelijken tijd te feilen ; f09g ver Handig 
Teleeven. Wel, ik^neemdatgyte Roomejiijt , 
Dit 's de beroemde School , hier z.ijn de meeiïerHuk^n > 
De fchoone slatuën , 'tgehtug van d'ouwdt tijdt , 
Hier vtndgy bloemen.dk wel waerdig üjn tepluktsn. 

Vroeg op nu , gae heRee de tijdt van dag te dag j 
In alles te bezJen : gewen metteykenliiften 
*t Beïi nae te bootfen , en , z,ao veel uw macht vermag , 
d'Aeloudbeyt t'oegüen , efi het pit daer uit te TÜften, 

Maer wijl 't onmooglijk.is , 't ontelbaeregetal 
Der Marbre beelden , en beluchte Schilderyen 
Alnaeteteykenen, o Schilderjeugt , z.ooz.al 
*t U nut :^ijn , om in konH en kennis te bedyjen > 
Datgy u z^elfsgewent den alderbeïien aert 
En wijs vanfchtlderen door naerftigheit te leeren : 
Doch z.60 y datgy niet blind de meeHers , hoe vermaert , 
Alsnaeaept , maer met ernH, alswmdgyhaer trotfeeren, 

Behalven nu , datgy u dus met kottR verrijkl^ 
Zöo z.al't wel voeglijkj-ijn , datgy de vremdigheeden > 
d'Aeloutheenyen al wat d' urrlander noes be'kjjkt 
AentejkiM : ook!,t beHier der hooven , wondre z^eeden > 
Gewoonten , en al wat d'ervaeremhert u vajï 
Celeert heeft : want dewijl een Schilder by degrooten 
En wereltwTJzen veel verkeer en moet , x.oopafl 
Hem een gejpraekT^aemhejX met kermis overgoaten. 

Die dus z,*f« reys aenüelt , 't zy dathy keerïofi?Hjft , 
Geen wonder , waer hj is , dat hy daer wel bekjtjft. 
Maer my dunkt dat ik, in 'tfchrijven van dit vaers, wedetcTm binnen 
Roome gcracktben. Zeker jae, want hier zijn wy nu jarft voor het ver- 

maer- 



Het vijfde Boek. 207 

maerde i^aleys van Farnezc. Hier gaen wy den grooten Hercules , en de Flo- Palcys vai. 
ray en andere pronkbeelden, voorby. Maer binnen zullen wy in de kunfl- P'*'""^ 
kamers, met yzere deuren bewacrt, vrouwbeelden van RapbaeUn Parme- 
zACtti en konterfeycfeis van Tittaen zien : den Chrijlus van M. Agnolo , en de 
konftvan D4Fi«/», en Cxrats. Ook een zaelevan Taddeo Suk^io, wijders 
veel ftatuen, het groot en minder gewelf, en verfcheyde kamertjes van Ca- 
rats , en andere van Lanfrunco. 

In dat van todott;/z,f zult gy een fchoonenhofmetonteibaereflatuen vin- t j 
den, en in een vierkant lulthuisd' uitnemende F<t;w/ï in 't welffel van Guart- 
fwDacent. Ik zwijg van 't kabinet met raritey ten, en'tledekant metedele 
gefleenten ; want veel raerder en edelder zult gy de Galery en dry kamertjes 
vol van uitnemende fteenen beelden vinden. Én in 't groot paleys de Pluto 
en Proferpjn van den Ridder Bernj'n , en , nevens veel andere (tatuen en (luk- 
ken , vier fchoone figueren van Guida. 

Gaet gy in dat van MontaltOy gyzult, nevens dekunfl; vanftatuen en ^^ontalto, 
ftukken , u ook over veel luff ige fontcynen verwonderen. 

In dat van Oldohrandyn zultgy, onder honderden andere Schilderyen , P'" ^''^°' 
de konft van Paulo Veronez^e , en den fclioonen Baccbm van Tittaen vinden. "" ^"' 

Maer holla, tenlull mytans niet geheel Rome deur te wandelen, de 
Eendvogels mochten my als groen wederom opvatten , enten tweede- 
mael van de key fnyden. 

De Nederlantfche Schilderbende is te Roomein onze voorouders tijdt ^ 
ingeltelt, tot verquikkingderfluimerende geeften. Daerontfangtmen de B°nT ^ ^ 
groene aenkomelingen met geeftigen toeftel, en naekte vertooningen > 
voor *t hol der geheiineniiTen , by d'oudeSybille; en vereert 'er met nieu- 
we naemenvan krachtigen zin. Daer fpoekmende zorgen laetdunkende 
waen in zoeten Albaen at, en herwiegtiiien de geen , die noch niet wel «re- 
bakert zijn. ó Hoe gelukkich zijnze, die dit ten goede gedijt! en die, 
als den verjongden Ram van Medea , uit den Bendketel fpringen , daer zoo 's gevarr- 
menigen Pelioé in verfmoort blijft; jae overgelukkich zijn2e,die haere dwaes- ''J*^' 
heden overleeven , cnhaere zotheden nazien. Dceze uitfpanningen zijn 
2eeker heuglijk , maer vol van gevaer , en te meer voor een lee vende geeii-, 
die lichtelijk verlieft, en verleyt wort. De Tas van Faxhall gafons tot Lon- 
don een zoete zotterny,vermitsweom den uitlech van Renjans Reliqtien (taeii" jt Tas*'^ 
aerdige geeften by een kreegen , daer dan van dingen gerept wierd, daer ons 
leven te kort toe zoiiwzijn, om aen alle te gedenken, ik zwijg uit te vin- 
den. Maerdeezeismet onzen eeuwich beweeg vinder Kaltbof^^ik meen zoe- 
ker , in ftilhcit verdweenen. De fdiilderachtige Florentijnen , onder 
Schilders en liefhebbers , nu hondert en vijftich jaer geleden rechten onder 
hun twaleven een vermakelijk, maer koftelijk gild op, datzyvajide ru» p'''^ ""'''' 

aoeiii- 



2o8 T H A L I A. 

noemden . hier onder was den uitnemenden Andreas del Sarto , en uitfteken- 
den JoanFrancisko Rujlici : deeze hielden op zekere bellemde tijden een 
avondmael, vvaer inyder eenby beurten waert ofheere was: ydervan de 
gaften mocht 'er vier meede brengen > nevens een byzonder prezent tot het 
gaftmael, en wanneer twee iets gelijks brachten > zoo vervielenzein boe- 
ten. Toen Joan Francisko op zijn beurte 't gezach voerde > hadde hy gemaekc 
een qroote P4W vanlywaet , gefchildert, dienende voortafel , waerinzy 
altcmael zaten : den Ihert van de Pan kromde zich met kandelaers om hoog, 
met overvloet van lichten , de gaften in 't rond gezceten opende zich de Pan 
in 't midden, waer terftont een boom met voor yder twee gafteneenfcho- 
telmetfpijze, op zijn takken geladen, uit oprees, die ontlaft zijnde weer 
nedcrdaelde , terwijlmen konltich op inflrumenten fpeelde , en de genoo- 
de zich vermaekten : achterna bracht den boom ook het tweede , en voorts 
het derde gerecht ; en mendronk'er lieflijken Hetrudchen wijn. 'Rufticys 
oefchenktotdeP<iw wasopdat maeleen ketel van pafleydeeg , waerin '^a- 
z.on zijn vader om te verjongen doopte; deeze twee figueren waren twee 
gezoode kapoenen , geheel als menfchen cfpigmeengcvormt, alles goed 
om teeeten. 

Andreas del Sdrto vereerde eenen Tempel , gelijk die van Sint Jan te Flo- 
rencen, met acht kanten, doch ftaende op kolommen. De grond vefl was 
een zeergrootefchotel Gelees teweeten, van geilorkerdefodegemaekt, 
van verfcheyden verwen van Mazaik, zeer lieflijk om t'eeten; de porfiere 
pijlers waren worften,de Bazen en kapiteelen Parmezaen kaes , de kornifen 
gebakkefuiker, het koor geftoeltmarfepein, den leflenaer kalfsvlees, den 
zangboek deeg , en de noten en letters pepergraenen : de zangers waren 
gebraden lijflers met open bekken , met koorkleen van dunne verkens vlie- 
2en. De bashouwers waren duiven,en zes vlasvinken hielden als den boven- 
zang. Eenen S^tüo bracht een ketelacr, gcmaekt van een groote Gans, 
hebbende by hem allerley gereetfchap, om, zoo 't noot deede , de Pan te ver- 
ftellen. Eenen P«//^o leverde een braetverken ingedaentevaneen fpinfter, 
achtflaendeop een broet kiekens voor de Pan. hen ander had een fmakc- 
lijk aembeeldvan een varkens hooft, en andere ftoftevoor de Pan tocge- 
recht. oLukullusy wat uitfpanning is dit ! ó Wat (choonervoorbujg van't 
TrufFelgild. Luylekkerland. Maerwacht, jaetonsookvan't gilt vande Tr«j^<?/ hooren. 
Deeze vrolijke Tuskaners op een tijd in een hof geavondmaelt hebbende, 
en noch ontrent Roomkaeskens beezich , die zy eikandere alfpeelendein 
den mondkaetflen, had onderwijl een van hen een Truffel, en wat kalk 
daer op, alzoo't fchijnt datmendaer iets metfelde, gevonden. Hy hem 
behendich in'tfpel voegende, wierp een, die om Roomkaes gaepte, de 
beilagen kalk in den mond; des wert van 't gezelfchap zeer gelachen , en 

ge- 



Het vijfde Boek. 209 

geroepen, de Truffcty deTruffel. Hieruit ontÜont het gild van de Ttf^ffel 
van vier-cn-twintich perfüonen,twalefn)Ccrderen twalef 'iiindcrgehceten : 
hun teyken was de Tr«]fe/, enhun^2t:oon Sint Aiidries. Dit gild, beüaen- 
de niet dan in goed fier maken, (pelen vrolijkheit , bekoorde zelf groote 
heeren , als van Medicts en andrcn. Deeze waren gehouden , ais 't hun Fec(t- 
daghwas, terplaetfe, daer't denheerebefcheydenhadde, opeenbyzon- 
dere wijze gekleet te verfchijnen ; want die elkander gelijk waren, vervielen 
in breuke ; ook wiert elk, na dat zijn kleet hem voordeed , ter tafel ge- 
plaetft engeëert. Hens onderandregeviel't , dit zy alle door 't bevel van 
den heere in metfers kleeren verfcheenen, met Truffel en hamer in den 
riem, end'opperknechtsmethungcreetfchap; de Heer van het gild wees .. 
hunopeentatel, de grond vaneen Paleis betrokken , dathy hun beval te ' 
bouwen. d'Opperknechts brachten flux ftoffe om te werken, te weten, 
een lekkeren kolt van dun deeg , darmen daer noemt Lafanga , in hunne bak- 
ken, inplaets vankalk, ook verfchenkaes en room hart gezoden , dat zy 
Ricotta heeten , wel beftroit en vermengt met fuiker, gerafpten kaes , en 
fpecerye : in plaets van zant , konfitueren, fuikerbroot, en ftruiven. De ge- 
houwen fteenen in korven en bakken aengevoert waren wittebroot , koeken, 
taerten,en dergelijk,om den grond vaft te leggen. Zeker grooten fteen wert 
vandenmeefteralsmishouwenafgekeurt en doorklooft : deeze was vol ge- 
braden lijders, leverbeulingen, en dergelijk, het ecrfle onbijt voor de 
opperknechten. Noch brachtm'er een groote kolom, die zy opbraken, 
en vonden hemgevult met gezoden kalfspenfen, kalfsvlees, kapoenen, 
en zoo voort, 't welk zy aten , nevens de bazevan Parmezaenkaes, als 
ook het kapiteel , wonder aerdich gemaekt van gebraden kapoenen, kalf- 
vlees en tongen. Ten leften wert 'er op een wagen een uitnemende konftige 
architrave, met hacr frijze en kornife aengevoert, met zoo veel qoede 
fpijzen toegemaekt , dat het verhaelen te lang zouw vallen, en alzoo't fchey- 
denstijt wiert,zoo viel 'er, na eenige donderdagen, een regen ; des zy 't werk 
verlieten, en ydernaer huis trok. Eenandermael, toen eenen Panz.ona heer 
van dit gild was , ging 't 'er aldus toe : Die van 't gildegezelfchap ter plaetfe 
gekomen zijnde, en by hunnen heere zittende, zoo verfcheen 'er O r« , 
zoekende haer dochter Froferpina, die van P/w/oontfchaektwas, hen bid- 
dende zy wilden haer volgen tot in de Helle. De broeders , nae eenich over- 
leg, ftonden 't toe, en komende in een kamer met weinichlichr, vonden zy 
een wijdgapenden mond van een Serpent , welks hooft alleen den ganfchen 
muerbefloeg, C^rtfrw; driemael gebaft hebbende , zoovraegde Cfrf5, of 
haer verlore dochter daer niet binnen was? Menantwoordejae: maer Pluto 
weygerdeze wederom te geeven, doch bad de moeder enal'tgezelfchap 
ter bruiloft. Dit eyndlijk bewillicht zijnde-, traden zy by deelen tuflchen 

D d de 



210 T H A L r A. 

de tanden in: want hetferpent ontflooten floot den mond, totdat zyal 
binnen waren. Zy quamen eyndlijkin een ronde kamer, daer alleen een 
klein lichcken was, zoo datze naeulijx elkander bekennen konden. Hier 
D H Ile verfcheen een leclijken droes met een gatfel , die hen aen een tafel met zwart 
£^(;{t, bedekt deede zitten. P/«ro beval , datmen , ter eere zij nder bruiloft, de 

helfche pijnigingen zou laeten beruOen ; toen zagen zy, door het hooft varï 
een walvifch en veiTcheide gaten, acrdige inzichten , en de helfche üraffcn , 
gelijkze den Poëet D4wff5 befchreven heeft, fchriklijk gefchildert. De 
gerechten vandeeze feelHcheenen al gruwlijke gedierten, maervan bin- 
nen waren 't verfcheyde goede fpij zen. Gemelden droes met de gaffel was 
hofmeeflrerin 't opdiflen , en eenen zijn makker fchonk uit een glazen hoorn, 
van buiten als een leelijke flang toegeftelt , delikaten wijn. Het banket de- 
zer bruiloft was niet dan doodsbeenderen,maer van zuiker gebak. Toen zey 
PlutOj dathy met debruitte beddewi'de, en datmen de verdoemden weer 
zouw aenvangen te pijnigen. Strax met een wind raektenal de lichten uit> 
en men hoorde een verfchriklijkgehuüen geroep^ maerTcorts daernae qua- 
men de lichten wederom , en zy vonden het droevich banket wechgenomen, 
en in fteede van dien een prinfelijk avondmael aengerecht. Teneynde van 
dit quam een fchip , brengende allcrley koftlijke konfitueren voor koop- 
mantchap. De fchippers zich gelaetende weder te laden , brachten allengs- 
kens al de mannen van 't gild op een Bovenkamer, alwaer opeen geefVich 
toneel een blyfpel of klucht van Philogenia gefpeelt wiert, die ontrent den 
morgen eindigende de feeit befloot , en de galten gingen vrolijk naer huis. 



NEGENDE HOOFTDEEL. 

Vervolg van V voorgaende. 

^WP^^^ I Tdeezetweeftaeltjcskanmen genoeg verflaen, wat het Truf- 
%^\0^ felgilde inhield. Tot deeze vrolijke geeften behoorde ook L^o- 
L.daVinfys «*^\/^ naïdo duVinci , hoewel hy mooglijk haer aller meeftergeweefl 
peetjes. ^^^^^ IS. Hy rechte op de verkiezing van Paus Leo de tiende y veelaer- 
dichedenaen: hy maekte van dun deeg eenigevogcikens en dieren, die 
hy vol wind blazende deede vliegen. Hy deece veel Schaepedermen *t vet af 
doen, dun maken, en vafl aen een, dat menze al mocht bevangen in de 
palm van een hand : en van in een andere kamer liet hy in beyde einden bla- 
zen , met twee Smitsblaesbalken, zoo dat de ganfche kamer daer hy met 
deHeerenwas, fc hoon al vry groot > vervult wiert. Hier by geleek hy de 

konfl, 



Het vijfde Boek. 2 1 1 

konft , die van klein tot groot opwies. Nu vvy van 't verkiezen eenes Paus 
geroert hebben , zoo zeg ik dit; dat de uitfpanningeneensSchiJdergeefts.tMackcn 
ontrent verkiezingen van Vorüen, Krooningen, inhaelingen , of geluk- van Schou- 
wenfchingen menichmael vcrderlijk zijn. Hier kan de geeft zich vermeyen tonecicn, 
in't uitvinden van Schoutoneelen , Zeegewagens , Triuinf boogen en Tro- '^^^%^^.^- 
feen : hier wort al fpeelende lof en loon verkreegen , en een konftenaer in't bogcn"°'" ' 
eeren van vorft en volk geëert. 

Gy moogt ook , luft het u , de verlooren vonden der oude Bouwmecfters^En andere 
weer opzoeken, die zekere Beelden van zelfs deden rijzen: en van Schil- J^unftvon- 
deryenheymelijkinde hoogte te verfpreyen, en andere onverwachte ver- '^^"" 
makingen bedenken j en te weeg brengen , dat hetgeen, daitevooren 
vaftwas, zich opent, ofdathet geene, 't welk te vooren open was , zich ^^"^J^ «« 
te zaïnen voegt; of dat het geene dat uitfteekt , tezamen krimpt, en tot ^'-^ ' 
zich zelfs komt. Want dusdanige konftige bedriegeryen Üellen al de wc- 
reltin verwondering , en maeken dat men een groot gevoelen van den vinder 
heeft. d'Egyptifche Priefters, in de konft ervaren, wiften haereafgoo- 
den in de kerken op een ontzag verwekkende wij ze te plaetfen , en fointijts 
200 , datze door verborge openingen , die in de wanden of welffels waren , 
een fchierlijk licht van d'opgaende Zonne ontfingen , waer door de 
vergulde Zonnen , of kroonen , die zy op 't hooft droegen , fchee- 
nen te branden , en om her te lichten , tot groote verfchrikking van 
d'aendachtige aenfchouwers , die , d'oorzaek van deeze trek niet ken- 
nende, waenden, dat deeze Godheeden, als met een wonderdaed haere 
devotie begunftigden. Zeker een gruwelijk misbruik van deeze konft von- 
den, daer ik wel wenfte dat onze genaemdeChriftenheytgeheel vry van 
was. Want ik heb ook gezien, dat men dergelijke oogbeguichelingen in 
Kapellen en Kerken in't werk ftelde , die men dan een heylig bedrog noem- 
de , en hoewelze d'aendagt der toezienders , gelijk ik zelfs niet en ontken , 
fcheenente vermeerderen, zoo houd ikze voor ongeoorlofde middelen, 
voor fnoode bedriegeryen, envoor voortplantingen van overgeloof en ver- 
doemelijke Afgodery, De konft verlieft den naei.T van konft, als men de toe- 
aienders daer door in gevoelen brengt , dat'er een meer dan menfchelijk ver- 
mogen onder {peelt , jae men magze dan met recht een fchelmachtige 
guichelerye en Toverye noemen. Maer dit loopt buiten onzen winkel. Ik 
zal u de byzonderheden der toeftellen , hoemen overgroote Paerden of 
Reuzen met latten , hordetakken , en ftrooy opraemt , en naderhand 
bepleiftcrt, ofmet papier beplakt, nietlecren, veelminZeegeboogen en 
Wagens te verzieren , de Schilderkonft en haer befpraekte Zufter zullen'er 
geramenderhand werks genoeg in vinden. Men moét in zoodanige werken OcfR-ning in 
vooreerft een zinfpreuk zoeken, en dan de geheeleordentot des zelfs ver- Poczy- 
klaring en uitbreyding fchikken. VandePoctifche uitvindingen is boven 

D d 2 ge- 



uit tcikf- 
iKii gaen. 



Teykcnfpec 
Icrn 
Eerfte , 



Tweede, 



Derde. 



Mecenaten 
verwekken. 

Handel, 
Van Printen 



212 T H A L I A. 

geioert. Het oeffenen van de Poëzie, of tenminltenhetleexen der zelve, 
is de Schilderkonlt zoo eygen, dat het byna nootzakelijk rchijnt; maer 
elk zie toe dat hem deze Sirene niette wijt vervoere. Ik zwijge vandeuit- 
fpanningen , diede Schilderjeugd , in't na't leven te gaenteykenen , met 
malkanderen heeft, als meer tot belang van de kunlt, als tot uitfpanning 
behoorende. Wy willen alleen, wat zy al fpeelende te werk ftcllen, aen- 
roeren. Wy hadden in Italicn drie fpeelen, waermeedewy, alswymaer 
houtskool vonden , alle wanden vervulden, 't Eerfte was , van met 
zeer weynige ja by byna zonder trekken , deeze of geene bekende , 't zy zijn 
weezen, ftand, of beweeging, zoodanich uit te beelden, dat hem een 
yderftraks kende j 't welk fomtijts zoo wonderlijk gelukte, dat men het 
in een met arbeyt beleyde Teykening zwaerlijk had kunnen verbeteren. Het 
tweede was, dat iemanteenich dier, halve maen, hafpel , ofwathywil- 
de,op de rauer teykende:beveelende aen een ander, daer dan met eenich toe- 
doen, eenDrinkvat, gebergt, of gcreetfchap van temaken , of wat hem 
inden zin fchoot : waeropdan een yder ftaerende, de inbeeldingen dapper 
wierden opgewekt, en hier uit zachmen dikwils belachlijke, en fomtijts 
verwonderlijke gedacntens verfchijnen , die uit een 's menfchen begrip 
zwaerlijk zouden hebben kunnen voortkomen, te meer als dit bevel , van 
ditofdatuithet alreets daer Üaende werk temaken, van den tweeden tot 
denderden, en zoo voort tot den hetften voortging. Het derde was, dat 
twee of drie zonder eenich bedek op een groote muer op verfcheyde plaetfen 
elkeentrony, hand of voet, of rugge ofelleboog , ofwathy wilde, be- 
flont te teykenen , tot dat de muer met ftukken en brokken redelijk bezaeit 
was, als wanneer zy aenvingen elk des anders begonnen ftukken voorts 
op te maken, en middelen te zoeken, om de zelve op de befte wijze in 
een tamelijke orden te brengen; en door by voegingen of aen, of tot mal- 
kander te lalTen. Waer toe geen kleine opmerking en kracht van inbeelding 
vereyfcht wiert. Po/;w«;4 heeft ons van eenen Tremmety die op dusdanige 
wijze ook fchilderde, reets verhaelt. Wijders zoo is't wel een nootzake- 
lijke uitfpanning liefhebbers aen te fokken, waer toe den handel van pa- 
pierkunft geen kleine aenleyding plach te geven. Zeekcr , het paft een Kon- 
ftenaerwel, dathy de printen en teykeningen der voorgaene Meefters in 
eerenhoud: want buiten dat hy de konft in't geheel in achting ftijft, zoo 
vindhy geftadich eenige voorwerpen, die hem den geeft wakkeren, en 
aen eenige nieuwe vindingen doen gedenken. Deze liefde tot papierkunft 
is in onze dagen zoo hoog gefteegen gewceft, dat ik voor een moezel- 
mannetje, gezegt Uilenfpiegel , van LukAi van Leyden , by de tachtich 
rijksdaelders, door Rembrant , heb zien geeven : en de ronde paffi van den 
zelvenmeefter is noch voor ongelijk meerder prijs verkocht. Maerdeezc 

zot- 



Het vijfde boek. 2 t ^ 

zotheyt is door een noch veclarger wacnvvijsheyt tans bynae verfmoort j 

end' oude papierkunlt wort doordoinheyt van haere achting berooft, en 

van veimfcrele bzelsmet de voetgetreen; omdaczy, ophaereygenbrod- 

deryvtrliett, in d' oude kunft niet dieper zien j danin een wetüeen. Hete ciu 
1 IJl -1 c 1 IJ 1 c- 1 IJ En Scliildc- 

Koopen, handelen, en verruilen van Schildery , voegt ook een Schilder, ry^n. 

opdateenyder, door zijn voorbeelt aengemoedicht , daer toe worde op- 
gewekt. Want wie zal liefde tot de konft krijgen , 200 de Schilders zelf niet 
voorgaen ? En hier door bekomt men ook de gonft van andere meefters , 
alsze zien, dat gy ook aen haere werkende eere doet van die te begeeren. 
Jpelles kocht al op, wat hyvan Protogmeshekomen kon, zoo doet onzen 
braven Lelj, al wat 'er van den Ridder van JD^i^veylis. Rubens merkende 
dat hy van zeker Schilder om zijn hooge achting benijd wiert , befteede den 
zclven dadelijk een ftuk werks aen , hem het zelve na zijn vollen eyfch beta- 
lende, en ftak hem door die beleeftheit zijn nijdigeoogen uit. Zeker, het 
is een grootezaek, door een konftliefdige voorgang veel vermogende lief- 
hebbers in de kap te brengen; op dat zy de konft niet komen te vergeeten. 
Ik wenfchte wel, hoe vreemt het ook luiden mach, zelf liefhebbers als 
Keyzer Augufttate. kennen: dezen machtigen vorft liet fomtijts, op zijne Vreemde 
banketten, eenige Schilderyen 't achterfte voor of omgekeert, van bank ^oopvan 
tot bank te koopveylen: waer voorde gaften dan byder gis mochten bie- c,«^o"m°* 
den, en de hoogftein'tbot waskooper, 't zy dan dat hy winft of verlies Augufi. 
dede. Maerzy dienden van j4«^«/fMj geluk meedegedeelt te zijn, diedus> 
gelijkraenzegt, een kat in een zak wilden koopen. Wy raedenonze lief- 
hebbers liever eerft dewaerde der Hukken t*^onderzoeken, op datzy niet 
bedrogen worden , en geen walg van de konft krijgen. Eindelijk , het lee- y^^^^ j^j. 
zen van goede boeken, en de hiftorien des ouden en nieuwen tijts tot uit- Hiftonen, 
fpanning te onderzoeken , is al te noodigen za:ek , en te wel by yder bekent , 
om hier geftelt te worden. En wat tot de oeffening der zedige deugt, d'op- Oefftrniog 
rechte en waere uitfpanning des Schildergecfts, behoort, paft ons niet <lcrd(ugd. 
hier te leeren j maer mooglijk zultgy uit onze Callio^e noch wel iets ver- 
ftaen. 



D d z TER- 



214 TERPSICHORË. 

TERPSICHORE 

De PoèterfTe. 

Het ze ft e Boek. 

Inhoudt, 

J>/ U roert Terpjïchore des Schilders eygenfnaer : 

2' ontfteekt een yvervier , om op de Taferee ten 

Tefpeelenmttpdet'i enborftelsy enpinfielen: 
En wat de verwen alvermogen j toont zy klaer. 

Zy handelt verder , van^t Natuerlijk koloreeren : 

Hoe V toezie zachte vlees zachtrondich dient gemaelt : 
'Dat elks dings kolortjt met vlijt dient achterhaelt : 

Een goede Handeling van jongs afaen te leer en. 

Men noem" 't welteiknen vry de grontveft , Raem j en Kiely 
't Wel fchildren is dan 't zeil, * t gewelf ^ of eer de ziel. 

Op de Print. 

'p\^5 Schilders Muze paft een hooft pronk vanpluimaedjen 
*^ Fan veelt verwen , nuzy't Scbilderfchool beheert : 

Met recht wort dees Godin als Jupitergeëert , 
2)/> Schilder en Toéet verrijkt met haer fier aed jen. 

^ees meld met kleuren , die met woorden , *tgeen hy wil : 
d'Een voert de zwaenepen , en d' ander zwaenefchachten : 
Maer Ketelfchilderde , fchoon niet om te verachten , 

Met vinger , voet , en duim , een overvreemde gril* 
Som zijn tot kleïnicheyt en netticheyt gedreven : 
Maer andre zoeken 'tgrootft en heerlijkft uit het leeven. 



IN- 



Het zejie Boek. 

INLEIDING. 



215- 




U leen ons uwen vederbos , ó Terpfichorcy uw vcelverwige 
pluimaedjelop dat wy van de verwen en*t koloreeren fpreekende, 
de waerheit verklaeren. Godin , die in fchoonlieyt al uwc Zufte- 
ren te boven gaet, en zoo luchtich na de mact van allerley fna- 
renfpel danft, leer ons ook pinfeel en verwen na de gelijkheit der natuer 
voeren, En gy die , van Jupiter begunfticht , een lutt hebt voor alle goden 
uw kunft te toonen , deel ons ook uwe gaven meede : op dat onze Schilder- 
konit haere oogen mach voldoen , en zy voortaen 200 hoog opfteygere , al$ 
zy immer geweeft is. 




EERST ^^ HOOFTDEEL. 

Tot Aenmoediging. 

Omnu> mijnSchilderjcugt, dicvandeecrenglorydergrootc 
Meelters tot wakkerheyt wort aengeprikkelt, laet u vrydien 
naery ver ontlteeken. Laet d'eerzucht vry uw floepen verhinde- 
ren, want de deugt heeft ook dien acrt, datzc'tgcmoettot kj 
een y ver verwekt om de voorfte voorby te ft appcn. It is no Herezjji to onüymn vcrwtkc. 
Apeües. Een grootmoedich harte Itact niet alleen, om al die noch leven, 
invermaerrheyt in teloopen: maer zelfs, om al die oytdoorluchtich ge- 
acht wierden , voorby te rennen. Zoodanich prikkelen de fpooren van naer- 
y ver en volgzucht, darze de flaepende ccrgiericheyt ontwaekcn, en alle 
krachten doen infpannen, om zelfs boven vermogen te geracken. Door 
naeryvcr quam Zcuxis tot zoo hoogen graetin de Schildcrkonil^ ,dat de voge- 
len door zijn gefchilderde druiven bedrogen wicrdcn.En die zelve drift leid« 
de hand en't verftant van Parrafius , dat hy dezen zet»epracler overwon. Oit 
zelve vierontftak Rafba'él Urbijti, om den grooten Eftor,arot de locfaf te fnijdé: 
En Michel Agnolo om een ongenaekbacre hoogte te beklauteren. Zie din vry, 
©Leerlingen, malkanderen in de konft met, <lorft ik't zeggen, nijdige 
oogen aen, doch zonder van de heusheyt in het borgcrlijkleeven te wij- 
ken. Poog vry met Cctlai nae d'eerfte plaets, ^nnitt Alexanderommtcx 
dan een werelt t'overwinnen. En fchoon'tu zwaer valt, en u de natuer 
niet zoo zeer begunfticht heeft , en gy de hoogte van de bovenltc plaetfe 
niet en kunt bcreyken , verheft daerom den moed niet; want het zal zelf 
g^en geringe eer zijn, als u de tweede , jae wel de derde te deel valt. De 

brae- 



2i6 T E R P S I C HO R E. 

braevc geeften des ouden tijds mocht het koude zweet van angft ten hoofde 
afdruipen 1 alszyte Rhodus denfchoonen Juljz.us \an Proiogenesbekhon- 
deny daer Apelles zelf van verflomde, jae daer naeuitbaiüe, dat hy een 
wonder in dekunfl zach : of andere, als zy aen debevallijkeFfMMiteKoos 
geheylicht geen hand dorften flaen, om iets weynichs, dat 'er noch aen 
ontbrak, te voltooyen. De Beeltfnyders ook, mochten zich over den 
JupiterOl^mpius ontzetten, en in 't zien van de ft acne van Dorjphorus bleek 
worden: maer zy lieten daerom niet nae te meerder te y veren, en queeten 
zich zoodanich , dat haere werken , fchoonze niet al de verwonde- 
ring verdienden , nochtans meerendeels loflijk en prijswaerdich wier- 
den geoordeelr. Het is ook enkel deeze drift van naery v er geweeft, die op 
eenen tijdtteftens zoo veel heerlijke meeüers in de kunlt heeft voortge- 
bracht. En men ziet met verwondering, dat niet alleen in de tijden, die 
met de kunft in den hoogden graet gepraelt hebben , maer zelfs in die eeu- 
wen, in welke de konlt als wederom opgedolven wiert, de voornaeinfte 
geeften meer hebben getracht malkander te tarten en de kroon af te winnen, 
als datze het doelwit , dat de waerachtige konft voorftelt , hebben gezocht 
te treffen. Zoo kampten d' oude antijken onderling, om de volmaekte 
fchoonheyt. DeRomeynenindelaetüe Eeuw, om die wederom van den 
, dooden op te wekken. De Venetiaenen, om wel en natuerlijk te koloreeren. 
DeDuitfchen, om tengere naektenmet gcplooyde kleederente dekken. 
En naederhant de Nederlanders, om met verkrampte Utmaeten een won- 
dere zwier te weeg te brengen; eneyndelijk, inonze tijdt, om met on- 
noodich fijmelwerk malkander blind te fchildercn ; hoewel dit by de geene, 
die wijzer zijn, vermijd wort. Echter lachen deeze futfelaers de rechtlchae- 
pe Schilders uit, vermitsze de ftikziende liefhebbers, die zich over kin- 
derlijke kunsjes verwonderen, op haer zyde hebben : dieze, neèvens de zin- 
delijke vroutjes, metzindehjke Horretjes, fomtijtsinkasjes opgeflooten 
*t gout uit de beurs lokken ; en wijs maeken, dat 'er geen andere Schilde- 
ryen, als die van haeren trant, goetzijn. 

' TWEEDE HOOF T D E E L. 

Fan 't koloreeren. En eerfl '-jan iets vlax. 

^^tsg^ Oog is het wel tey kenen, zegt Vermandefi maer bovenal het 
z Boekvan F i^ ^ ^vel fchilderen of koloreeren, waer toe alles ftrekt , te achten. 
de Gram- ^ ^^ÊiM ^^ verwe geeft eerftde rechte volkomenheit. In onze hchae- 
fchap. &j}^^J^ inenize^t Senekay worden eerltalle deelen , die of onaengenaem 

ofaengenacm om te zien zijn, op hare plaetfe gefchikt: maer de verwe, 

die 



Het zefte Boek. 217 

die d* oogen meeft rooft , wort in 't lelte , als'tlichaemzijn volmaektheit 
alree heeft) daerovergeftort. 

En even gelijk deTeykening de waere grondvcft van de Schilderkonft ge- wd kolo- 
achtwort, zonder welkers valticiieitzy kreupelen verminkt is j zooisde recrcnisals'c 
konft van wel koloreeren wel by een fchoon gebouw te vergelijken , zonder f'^^""*/?- 
welke de Teykenkonft van haere voornaemlte verfieringen ontbloot blijft. yan^^eVev- 
En gelijk een gebouw zonder vafte grondveft , hoe fchoon opgefmukt , ont- kenkooft. 
Helt, vervalt, en te niet word •, zoo blijft de deugd van een goede grond- 
veft door onbequame timmering ongeacht. 

Wanneer de Tej/kenkonft dsU lühaem uyort gepreeaeti * 

Zoo moet de Schilderkonji degeejl en üele weezeen , ^^nAt ziele 

Het hemels ruergelijk.) dat m Ptometheus beeld daeraf; 

Het leeven eerft ontjfakj. de konjï van teyknen teelt 
't Geen door de Schilderkonji als leevtnd ivortgeboore , 
Van al de Goon begaeft metgunften als P andore. 
Want fchoon 'er veelekonllen op de Teykenkonft gefondeert zijn, zooen 
is'ergeene, die dezelve tot zoo hoog een top van volmaektheit opvoert, i^^zyvau 
als wanneer zy een waerdich voorwerp verheelt hebbende, door het wel hare macht 
koloreeren geholpen, een wonderwaerdige Schildery maekt. Daeren te- ontbloot is. 
gen,wanneer de koloreeringe valfch is , 200 zouden mooglijk de trekken en 
linien wel goet konnen zijn , maer zy beelden niet uit 't geen zy anders ver- ^■^^ '^ • '^^ 
mogen, dat is, denatuer gelijkenonfeylbaertevertoonen, welk de ware "^'^^"^^1^ 
Schilderkonft in haer volmaekten graedt Itoutelijk belooft. ^jk te fchij- 

Michiel Agnolo Caravapgiozeyde , dat alle Schildery £4^4rfüf, kinderwerk ncn. 
en beuzeling was, wiens werk het ook zijn mocht, die niet na 't leven ge- 
fchildert was. Vermits 'er niets beter , niets goet , als alleen de natuer te vol- 
gen zijn kan. Des wegen fchilderde hy noit ftreek anders , als na 't leven. 

Hetonderwerpder Schilderkonftis , gelijk te voorengeroert is, alles 
natebeelden: haervoorwerp dan is de eeheele zichtbare natuer, waer van -^^T'j- 
Zich niets m onze oogen vertoont, oi het heeft zijn eyge vorm en gedaente , jin^é in haer 
waer van wy tot noch toe gefprooken hebben ; maer zelfdeeze gedaenten zelfs hebben. 
worden eerft zichtbaer door hare koleuren , die de dingen by zich zelfs heb- 
ben: welke beftaen of in enkele onvermengde, of vermengde, üe enkele 
koleuren zullen eenen konftoeffenaemiet zwaer vallen met gelijke enkele 
verwen na te volgen , ten ware zy buiten reyks van de onze in kracht uitftae- 
ken , waer in wy ons fomtijts wel verleegen vinden. Maer veel naeukeurige 
geeften hebben 'er zoodanige uitgevonden, die degemeenever overtrof- 
fen j dochhoedanich ^yonsdaerin, 't zy in 't uitbeelden van vier, glans, 
enhcht gedragen zullen, volgt hier achter. Enkele verwen beezichtmen 
inadelijke wapenen: maer wy zullen dit gebruik, alite gemeen zijnde, 

E e over- 



ji8 T E R P S I C H O R E. 

overflaeni enffjreeken alleen van het Schilderachtich enkel: als by voor- 
beeld : in uw werk een gladde mueragie > of eenig quaftig befchot te bren- 
gen, zal niet zwaer zijn , maer een vorderlijke weghen bequaeme trap tot 
de kunft. Hier komt de fpeelende Schildsrjeugt haelt met gemeene dingen 
Enkele ko- na *t leeven gckoleurt , en uitgefneden , of met brieven en kammen te voor- 
Jcurenmci fchijn: en vind gemak in iets vlaks op een vlakte te verbeelden. Nochtans 
^"m'"'*^" is hier ook eermeede ingeleit, wanneer vorflen envorftinnen bedroogen 
pfattc^din" wierden. P4rr<i/t«ilywaet, of voorhang, behield hem de zeegetegens den 
gen, moedigen Zeuxu: enden ^4/ffcfz,fr verkrijgt noch daeglijxgrooten roem, 

inzijngefchilderdetapijten.Ookzijn'er, diefchoonverwigcPapeljoentjes, 
gelijk ik gezien heb, weeten af te drukken, die dan met verwen opgequikt 
vry wat wonders fchijnenj en d* onweetende bekooren. Andere maeken 
raoflïge grondetjes , en drukken *er bladeren op, gelijk ik toonen kan, en 
weeten die dan, alleen met de kleur bekommert, aerdich op te fieren. 
Zclfin ccni- Slangen, Haegdiffen, Tarantels, en Kikkers, en alle onsediert,mach ik wel 
gcroodc vvederomopdeezeneerftentrapftellen, en van een gelchilderde Vlieee of 

zonder fcha- ^..^*.. .^ •• ,° ir » 

duwc valt Spmneisfomtijts van eenigewaenwijzen groot werk gemaekt. Laetons er 
licbi.' allerley kruiden en bloemen, zeegewasen hoorens, en wat des meer is, 

byvoegen : en hoewel geen van al deeze genoemde dingen zonder ronding 
en fchaduwing beftaen kunnen , zoo zuUenze nochtans , in een open lucht , 
en overal gelijk licht nagevolgt , den aenkomeling doen zien , dat zijn vly- 
tige opmerking ook meefters zal doen vergiflen. 
Kopicercn, Tot iet vlaks opeen vlakte nae te maeken,. behoort ook het kopiccren 
van allerley Schilderyen , een gewoone en zeer nutte oeffening voor d* aen - 
komende jonkheyt, byzonderlijk als zyeen goedtfiuk tot haer prinfipael 
hebben : want dit geley t hun als met de hand tot zelfs ver buiten hun begrip , 
endoethunecnzaek verrec" ren, die hunne krachten te boven gaet. Maer 
gelijk een onervaeren Stierman, zonder kompas en zonder kaertenin een 
kleyn Schip de zee kruiffende, een groot Schip, daerhy weet dat een goet 
Pylootinis, in zijn zog volgt, en t'elkens zijn koers nae zijn voorganger 
herneemt, en fnedich toeziet : zoo zult gy, ó Schilderjeugt , met zorg- 
vuldicheyt toezien, datgy den rechten wech zeylt; dat is, dat gy den 
rechten zin van het meelterftuk treft. Ik kon my naeulijx zonder lachen 
houden, als zeker gewaent goet kopyift mylaetft zijn kunft toonde, wel- 
ke hier in beflont, dat hy in 't kopieeren vanoudeeneenichzins verdorven 
fchilderyen, de berooktheyt , fchimmel en verfterving hadt nacgevolgt , 
jae beter, als de reft van'tgeen'er noch goedt in was. Hybedriegt zich 
lel ven,die met zulk een nae-aeping der outheyt onkundigen poogt te bedrie- 
gen ; want dus volgende zalmen altijts achterblijven. Mdtnurim Veturim 
wiftden Sdiilt, die 0«w4*t volk wijsmaekte dat vanden Hemel gevallen 

was, 



Het zefte Boek. 2ip 

"jas, wel zoo konftichnae tefmeden, datmenze vanden eerflenniet en 
Dnde onderfcheyden ; maer niooglijkis dieneerften ook van zijn eygen 
nandwerk ge weeft. Zoekt gygelijkheyt, zoo maekt uw werk zoo deugde- 
lijk als'tprinfipael. Zoo zal uw wel naevolgen u den rechten wegh leeren 
gaenj: en beeld u in , dat gy het aengevange werk alleen met de hulp van dit 
voorbeelt volvoeren zult, om te gemakkelijker ftraxdaeraeniers dergelijx 
uituzelventemaeken, Ik zoude ook meeftersin dekunft niet ontraeden, 
iet goets van een ander, 't was dan van ouden of uitlanders , fomtijts eens 
nac te volgen: want mooglijk kon dit, door de vernieuwing , de fluimer 
uit onze oogen drijven j maer die zich inbeelden meefter te worden met al- 
tijtstekopyeeren, zonder oyt zelfs iets uit eygen vinding te beftaen , acht 
ik bijftcr verdoolt. Chareihteït degietkonft van Z^^/>pjtó niet geleert , met Omicirg 
dat hem zijn meefter fomtijts een hooft vznMyron, eenige armen van Pm- dier nac ^^^ 
xiteUsi ofeenborft van Poljcletus voovRdde y maer hy heeft zelfs al deeze °"'^^.''*''is 
dingen zijnen meefter helpen maeken. Men moet andere meefters werken*,""*'^"'?'* 
naevolgen , om zelfs meefters werken te leeren maeken. En dit had L^fip- *^^' 

f Ui , die eerft maer een gering koperfmit was , van Eupompus onthouden , 
die, gevraegt zijnde, wat meefters handeling menmoft trachten te vol- 
gen r" op de mart, dieyol voixwas, geweezen had: en meteenen ge- 
zegt, datmen de natueraJs een groot meefter behoorde te volgen. Eer wy 
nu wijder van het fchiften der verwen oft het koloreeren fpreeken , zoo laec 
ons eens zien wat de enkele verwen zijn. Maer ach Eufranor van Ifthmo* 
inPeloponezien, heeft ons zijn boek niet naegelaetenj was ons dat geluk 
te beurt gevallen , wy mochten u beter vergenoegen. 



DERDE HOOFTDEEL. 

Fian de Verwen. 

Lic dingen hebben haerekoleuren inde fcheppinge bekomen, 
en zijn door het ecrfte licht zichtbaer geworden. Verfchaf ons 
nu,ó Terpfichore,e€n verwrijke winkel. En laet het niemant vreemt 
dunken, dat wy dekunft verhandelende, ook van de werktui- 
gen ophaelen: wantonzeverwkennisiszoonoodichaende Schilderkonft, 
als de letter konftaen alle vry e konften. En gelijkmentothetfchrijven van 
ecnich woort verfcheyde bockftaeven in yder lettergreep neemt, zoo 
neemtmen in het koloreeren van eenich ding tot yder pinfeel ftreek ver- 

E c 2 fchey- 




220 T R R P S 1 C H O R E. 

fcheyde verwen. Datwy dan onze gedachten eerft over de enkele verwen 

laeten gaen ^ zal niet vruchteloos zijn. 
Datmen dz ^^^ is t' ecnemaei onmogelijk, zegt Hermogenes, datmen de vermenging 
nacucren dcr dingen grondich zou w kunnen verftaen , voor men een byzondere ken- 
kracht der j^jdg y^j^ gjij vermenebaer ding heeft. Indien iemant een eraeuwe of middel- 

verwen bc— - • ^ t /- i • 

hoort te ken- ^^^^^> oi hcver tuucheklcur (ofmez.etmte) nz deneyfch zijns werks zoekt, 

ren,cermi.n ZOO is 't hem vannoode, dathydenatuer van de donkere en lichte verwen 
indebrcc- kent, om de waerachtige breekinge te voorzien, d' Oude zegtmen, dat 
|^'"S^j^^" maer vier verwen gebruikten. Apelles, Echïon-, MelanthiuSy en NikomachuSi 
^ hebben haerewijtberoemde werken, zegtP/m/t«, alleen met vier koleuren 

gemaekt , en nochtans wiert elk by zonder tafereel , voor den fchat van een 
ganfche ftadt verkocht. 

De koftelijke verwen moeten, naeden eyfch der wetten, zegt Vitra- 
vitu, van den aenbefteder , en niet van den aenneemer des werx verfchaft 
worden. 

De Hooftkoleuren zijn zeven, en de planeten toegeeygent , maer de 
verwen, die wydaer toe hebben, zijn onbcpaclt in 't getal, 
't Geel. Pafjauói Phidioi broeder y fchilderde de mueren van Mi««rv« tempel rn 

ElismetSaffraen, inmelkgemengt; nuer andere naemen Sil Atticum, of 
den Atheenfenoker. 't Bekoorlijk gout wort ook onder de verwen getelt, 
en is Sol, of de Zon toegeeygent. Het bcteykent wijsheyt, edelheyt, of 
grootmoedicheit. DenZeegodt Nfpï«/«plachmen met een geluwen man- 
tel te bekleeden. 't Geel, datwy gebruiken, is lichten en bruinen Room- 
ichenoker. Maftekottenenfchietgeelen. Menkanhet oprimentinfchoo- 
ne kleederen ook fomtijts te pas brengen. 

P4rr<ï/jM5 bezichde tot zijn werk zekere aerde , gebracht van Eretria, de 
hooftftad van Negroponr. Deze was wit, gelijk krijt, en een goet genees- 
middel. Maer Melantius wit was y gemaekt van Tripoli of Melimum. 
>jY]^Ij_ 't Wit behoort itt«4 toe, en beteykent onnoozelheit, zuiverheit, en 

waerheyt: maer by de Javanen droefheir. Byons is het fchelp-of iootwit 
meeftin 't gebruik. 
't Roodr. ^^^ Root der ouden was Sinopis Tonttca. Wy gebruiken Indiaens en bruin- 

root, vermelioen en meny. 't Root behoort M^r; toe, en beteykent hoog- 
heyten koenheyt. De Menie wiert byd' oude konftenaers zoo fparich ge- 
bruikt), zegtPünim, als byons de geneesmiddelen. Maer in zijnen tijd be- 
flreek men geheele mueren met deze verwe ; tans wortze door konft gezui- 
vert en niet geheel ondienftig bevonden. Van vermelioen en meny haerna- 
tuer en gebruik by de Indianen , als ook by d' oude Romeinen , ziet Acofta. 
I.4.cap. II. 
't Zwarr. 't Z warc was de vierde verwe by d' oude Grieken : want men houd dat zy 

geen 



Het zefle Boek, . 221 

geen andere als Wit , Geel , Rood , en Zwart gebruikten \ en dit Zwart 
was Vitriol , of anders Trigmon van gebrande wijndroe/l'em , ofdruif ker- 
nen; hoewel men ook zegt, dathetyvoir of Walrus zwart van Apeües^e- 
vondenis. By de Javanen beteykent het zwart vreugde, maerby ons rouw 
en treurichcit •, men voegt het 54f«r«w toe. Men gebruik nevens 't yvoir en 
Walrus ook uitgebrand lampzwart, maer metbeeter geluk gebrande wijn- 
gaertkoolen. 't Goudt met andere metalen gemengt, geeft een blaeu (chim- '^ BUeur. 
mei van zich, dat by ecnige ver boven den ultramaryn geltelt wort. Maer 
wonder dunkt het my, datd' Aeloude Schilders geen blaeuw zouden gehad 
hebben, als alleen 't geen uit hun Wit en Zwart gemengt wiert, daer onzen 
yanvan Eik.i uitvinder vand'Olyverwe, zoo fchoonenlazuer tot zijn wil 
had, dat toen Coa;/> zeker zijn Ruk kopieerde, daer een blaeuwen mantel 
vaneen Mariebeeld in was, hy in 't zelve kleet 52 dukaten aenlazaer ver- 
fchilderde ; deeze was hem door begeerte van Koning Philips , uit Venetien 
van Titiaen toegezonden ^ en , zoo men gelooft , uit het gebergte van Hon- 
garyenj en beeter te krijgen, eerden Turk daer meeüer wiert, gelijk 'er 
veel verwen voorheen bekent geweeft zijn , daermen tans niet van en weer. 
In een rotfl'e by Baja , fchoon alles verdorven is, zietmen noch de over- 
blijfïels van koftlijke verwen, daer verfchildert, die tans raer te bekomen 
zijn. 't Blaeuw hoort aen jfftpircy, enbeteykentkennifl'een getrouwicheir. 
Wy hebben tot ons blaeuw , tngelfche, Duitfche, enHaerlemfe AfTen, 
Smalten , blaeuwe Lakken , Indigo , en den onwaerdeerlijken ultramarijn. 

De groene verwe verquikt de quaede oogen, zegt Senek^; maer ik 
wenfchtewel, dat wy zoo wel het groen, als het RoodofGeel, tot on- 'tCroeu- 
zen wil hadden. Terra verdejis te zwak, en fpaens groen te wreed , en d'affen 
t'onbeftandig. Het berggroen is by ouden tijden tot het aenfmeeren van 
kladderyen gebruikt geweeft. 't Groen beteykent jeugd , fchoonheit, 
vreugd en onverdorvenheit , en paft Vemn. 

De purperverwe , zoo hoog by d' ouden geacht , wiert genomen uit een 't Purpf r, 
zeekere fchdpvifch, hebbende in hare kieuwen een witte ad'er, daer die '^^^"' 
koftlijke vochticheit in befloten lagh. De vindinge van dien fchrijftmen Her- 
kftlestoe, of eer zijnen hond, want men zegt, dat ^/i/^fi eens met zijn be- 
minde T^roi langs der zee wandelde, en dat den hondby geval een deezer 
vinTchen, by andere flekken , of mofleis, die naemaels Parpwr^^i genoemt 
wierden, van de zee opgeworpen, in den muil vatte , verwende zich 
zelven met die fchoone koleur: waer over T^rw verwondert zijnde, den 
halfgodt hare liefde weyger Je, voor en aleer hy haer een klect van die ver- 
we verfchaft hadde ; het welk dien Held korts daer aen te weeg bracht. Dit 
bloet uit de geopende ader wiert in een looden klok gezyprookt > en met deri 
waefl'em van wat ziedend water overgehaelt. Men moft deezen vis leeven- 

E e 5 dicb 



CD 

ZOO voort. 



tiï T E R P S I C H o R E. 

dich vangen, en dit gefchiede aldus; den purpervifch heefteen tong, van 
ontrent een vinger lang , voor fpits , zoo dat hy daer mecde een oefter kan 
opbrceken.Nu zoo omhingen de viiTchers biekorven met oefters,die ry in de 
zee wierpen, waer op dan de vifTchen acnquamen, prickende in de oefters, om 
daer mede wech te zwemme; maer dezelve zich fluitende en vaft zijnde,wier- 
den de viflfen gevangen. Zy vertoonden haer in 't begin van *t voorjaer , maer 
in *t opkomen van de hondftarre waren zy niet te vinden. Haer verwe was 
verfcheyden, na dekuften, daerzy zich onthielden i want ontrent Afri- 
ka was ze violetverwich ,maer ontrent Tyrus.Jdaer de befte viel > roozenroot. 
Onder de fchatten.die AlexAniet de Groot te Sufa verkreeg , zegtmen dat 
drie hondert duyzent ponden zwaerte van Hef monifche purperen gevonden 
wierden , die men aldaer vergadert hadde» in dentijtvan hondert endene- 
gentich jaren, en hadden niettemin de levendicheyt van verwe, alzoo 
frifch , of zy noch geheel vcrfch hadden gewceft , behouden .* en men zegt, 
dat de oorzake , waei' doorze zoo goet zijn gebleven, was, datzy geverwc 
hadden geweeft met heunich, inde wollen, die te voren ^in root gefte- 
ken waren geweeft,ende met witte olie in de witte wollen; maer men vind'er 
vande zelve geverwt van zoo langen tijdt af, die noch de kracht van haer 
verwe heeft, zuiver ende affchijnende. Het pont purperverwewicrt ten 
tijden Augujii met hondert penningen betaelt , maer het dubbel purper , dat 
zy Dtbapha TyrU noemden , golt duizent penningen , dat is, hondert goude 
kroonen. fhiUnder vnt&nt y dat het Sil Atticum , of den Atheenfchenoker 
Qok purperich was. Wat daer van is , kan ik niet verzekeren, 't Purper 
wort MfrcMj'W toege wijt. By ons zijn de lakken in gebruik, niet alleen de 
pacrfTe, maer ook de Blaeuwei Groene, en Bruine, of fchietgeelverwi- 
ge. Maer dit zy genoeg tot ons voornemcn.Wy laten de reft de verwwinkels, 
en den naeukeurigen liefhebbers bevolen. 



VIERDE HOOFTDEEL. 

Van der Verwen beteykening. 

Y moet , nevens de kennifle der Verwen , ook iets van haerc 
beduidingen weeten , om of 't u voorviel in verzierir»gen en zin- 
nebeelden , door de koleuren der klecdcren > uw uitbeeldingen 
te bekrachtigen. Gouten blaeuw beduit 't gebruik van 'swe- 
reltsluft: maer gout en graeuw zorgvuldicheyt. Inkarnaetbc- 
teykent maetigen rijkdom , en violet trooft van liefde. Oranje met groen 
vermengt; meld hoop en vrees. En het grijs ra'ct het ged geeft te ketrnen 
koiDmer in het verkregen goette bewaren. De 




Het zefle Boek. 222 

De gematichtheden onzes lichaems beeld men aldus uit', Rootbeduit Cematicbc- 
bloetrijk, blaeuw galachtich , wit koutvochtich , en zwart zwaennoe- f^«ndcs 
dicheyt. Zoo beeJtmen ook de vier hooftftotfen: 't vier door root, delocht ''"^*^™** 
doorblaeuw, 't water door wit, en de aerde door zwart uit. 

Van gelijken de vier tijden des jaers, als door 't groen de Lenten, door JJ/" 
root of geel den Zomer, door blaeuw of blaeuw en root den Hcrftfl,en door't 
zwart of bruin purper den Winter. 

Wilt gyde trappen des ouderdoms door verwen te kennen geven .«' Het 
wit paft tot de zeven jaer , 't blaeuw tot de vijftien , 't goutgeel tot de twin- 
tich, *t groen tot de dartich, 't root tot vijftich > 't purper tot feventich ja- 
ren, en 't zwart tot de doodt. 

De verwen, die de deugden beft paffen > zijn, het goud en den topaes ^^"ê*^^"- 
aen't geloof: 't zilver aen de hoop ; *troot ofinkarnaet acn de liefde: 
't blaeuw aen de ftantvafticheit , en de gercchticheit : 't groen aen de ftcrk- 
heit : 't violet weerfchijn aen de getempcrtheit;en het zwart aen de wijsheid. 
Maer wy laten *t genoeg zijn met decze ftaeltjes ; want te veel muizene- 
ften in't hooft te hebben maekt de zinnen verfuft. Gy moogt , als gy ver- 
der verleegen zijt , tT>et Cefar Ripa te rade gaen. 

De Schilderyen te vernilTen was van oats in gebruik: maer zommige zijn ^ 
ïoo verblind , in aen haere onaerdichedeji deezen glans mcede te deelen , * 

datmenze wel by z.ott e Kleef mocht vergelijken , die niet alleen zijn beder- 
ve Schilderyen, maer ook zijn kleederen, kap, ea bonnet vernifte, co 
xoo al glimmende langs ftraet ging. ^pfü« gebruikte tot zijn heerlijke wer- 
ken een zeer dunne vernis, die zijn Schilderyen voor ftofbcwacrde, en een 
fchoone glans gaf, jazooglad maekte, dat, alsmenzeacnrocrde, men'er 
vanbefmeert meende te zijn. Deeze gaf de verwen een zachte en gloc- 
jende luifter j en was by niemant dan by hem alleen , bekent. Maei ik hou- 
ée dat dit op VTas verwe of liever lak werk gcwecft is. Onzen vernis van Ter- 
pentijn, terpentijn oly, en geftooten Maftix gei moltcn , is bcquaemge- 
noeg tot onze werken. 




VIJFDE HOOFTDEEL. 

Fan de vermengde verwen. 

Van de brec- 
PoRfriorKJ d'Athcnicnzer , die in alle dingen de fchoonheyt kiogcder 
zocht, heeft de breekingen derkoleuren, en haere verminde- ''^'^»'^'> c»- 
rir^en mtgevonden, en zijn geboorte ftadt, met dien roem w^rding°"^' 
vereert. Een fchoone en enkelde verwc kor«t met de behaeg- gcaociut, 

lijk- 



2:4 TERPSICH O R E. 

lijkheyt vaneenenkelde klank of toon in de muzijk overeen , zegt VeruU- 
miusy uuer de breekingen vanverfcheyde koleurenmaekeneen aengenae- 
me liarmony ; te weeten , als deeze brecking nae de kunft gefchiet. Nu zoo 
zijn onze oly verwen toti deeze breekingen wonder bequaem: zoo dat de 
vermengingen, die Zeuxis te weeg braclic, in zijne Centauren, of hal <^ 
nienfclielijke en half paerdelijke lichamen , daer de fchrijvers zoo wonder 
van roepen, in d* oly verwen zeer lichtelijk zijn uit te vinden ; en de Her- 
mo^e verdwijning of verfmelting, door de zelve gemakkelijk te vertoo- 



ö 

nenis. 



Str Ketmdme Taghy vermeet zich van de vermengeling der verwen te 
ïnhis Trea- fchrijven. De vcranderlijkheden van middel koleuren , zegt hy , mogen 
ttesofbo- ^^ van de Schilders lecren , dieze op hare paletten vermengen, met een 
is,cap.^o. samenvoeging der ftrijdige: zy geven voor, dat als het wit een brumc ver- 
we vermeeftert, dat daer dan een root of geel uitontftaer. Maer, als het 
zwart het wit ilcrk overtreft, dat daer danblaeuwen, violetten, en zee- 
groenen uit voortkomen. Zeeker, de Schilders, die dien zoo hoogver- 
lichten man dus onderrecht hebben, verdienden van Afeües verwvrijvers 
bcfpot te worden. Want noch root noch geel en kan 'er uit wit en bruin 
Vermenging voortkomen , ten zy het bruin alreets overmatich rood ofgeel is , noch dee- 
van gentcge ^g verwenen laten niet af rood ofgeel te zijn, fchoonze bruin zijn. Zoo 
en (tnjJige ^^jj^^^ ^^j^ ^gj^ blaeuwen , groenen noch violetten uit de kracht van meer- 
der zwart vermengt worden-, maer een weynich wits kan zwartachtich 
blaeuw, paers, of groen, wel ietwes, of, zoo veel men wil, verlich- 
ten. De vermengelingen van twee verwen, indienze elkander bevrient 
zijn, brengen geen andere middelverweuit , als die na beyden aert, als 
groen uit geel en blaeuw, purper uit blaeuw en root: gcli)k de vermengin- 
gen in den Regenbooge te zien zijn. Daer en tegen zullen de vyandige ver- 
wen eikanderen byna geheel vernietigen! en niets anders dan een graeuw- 
achticheit voort brengen ,als te zien is in 't zamenmengen van groen en root. 
Een graeuwachticheit, zeg ik, maer zoo mocht men alles, wat juilt niet 
root, geel, of blaeuw was, graeutv noemen. Neen. Deeze overecn- 
komft en Orijdicheit der verwen heeft ons *t vermoeden van byna al wat 
inde natuer gezien wort na te koloreeren, toegebracht ^ zoodatter niets 
anders als een wel geoeft'ent ooge, om de natuer met oordeel aen te zien, 
vannooden is. Het oordeel van de verweis hier het voornaemlle, indien 
maer het dingen in de natuer tufTchen de uiterflens onzer verwen bepaelt is. 
Hacr groot Want te vergeefs zoumen de Zon met oker nabootzen , ten w«e zy taende, 
Tcrmogen. of door een wolk fcheen. Wel aen dan, gy fteltdatde dingen, die gy na 
koloreert, noch lichter, nochgeeler, rooder , blaeuwer , groener, paer- 
fer, zwarter, noch wat 'er meer is, dan de verwen op uw palet zijn. Zee- 
ker, 



Het zefte boek. 225- 

ker, indien uw oordeel maer kracht heeft , zoohebt gy'tget^enftein uw 
vermogen , endeoeffening , mits dat uwen yver blijvc, zal u zeer doen 
naderen. Ten zal u aen de verwen niet ontbreeken , indien uw oordeel maer 
goed is ^ en gy uw krachten in 't werk ftelt : want gy hebt meer dan ilpfü« ^"'"'"' 
proefftuk alreets op uw palet.Kunt gy de breekingen der verwen, die gy voor ^"t d'^ouic 
hebt na te volgen, maer wel met het verltant bevatten, gyzuitze zonder mier vier 
grooten arbeit wel uit uw palet zien. Ja lichter dan den beelthouwer, die verwen hid- 
een flapenden Kup'tdo met zijn veriland ineen vierkant (tuk marber zach, '^"' 
even gelijk hem Pficbehy ApuUjusheC]^\ede , doch van Parifen fteen, waer 
toehy geen anderen arbeit deede, om den zei ven daer uitte krijgen, als 
dat hy den fteen rondom zijn huit afkapte , en hem voort wederom glad met 
haeje vellen polijfte. Was dit beek in den fteen f zoo leyt een vol- 
maekte Schilderyook reets op uw palet. Zie maer toe, dat gyze daer uit 
krijgt. Men heeft dsurgaens een doordringende kracht van opletting van Dat is, de 
nooden, omdedingen in hare juifte en onbefmette breekinge der koleu- dingen hacr 
ren welna tefpeuren, en die met onze verwen te verbeelden. Want wy en "-'"■'' '''^'^ 
zullen den lof, diemen aenonnatuerlijkgekoloreerde (tukken geeft , nim- y^^^^"^^' 
mermeer toe(taen, hoezeer'er de waenwij ze liefhebbers mee pochen: de 
natuerlijke koloreeringeis alleen lofwaerdich. En dat veele zich miswen- 
nen , en van den wech dooien , gefchiet of door een verfloffing in hare op- 
merking, ofdooreenverwaentheit, van dooreen van Mr</<« gepreeze ma- 
niervan koloreerenzelf denatuer te verbluffen. Ik en wil hiermeede niet Op 't leren- 
tegenfpreeken , datmen het fchoon(te uit denatuer verkieft, en het zelve ^.^^"^'ef- 
op'tlevenlt en lieflijkttweet tefchikken j want dit roemen wy boven al. ' ' 
Maer veele hebben zich, meteen verdorven oog, tor groen, geel, blaeuw ^^''^^^ 
of gloeyend roodt , jae tot zwart fchilderen begeven. Andere hebben hare ^ji'^^n ^cj.** 
tronyen bloozend, als ofze gevild waren , gemaelt. En andere wederom werpelijk. 
hebben 't wit fchilderen als een fchoonen vond om de juffers aen te haelen 
aengevangen. Maer de zuivere natucrlijkheit zal alle valfche vonden ver- 
bluffen en verdueren. Zeker , het wel koloreeren is zelf veel groote meefters 
te zwaer van gewicht geweeft: want fchoonze wel raed wilten, om haeren 
hoogen geefï in teykeningen los en aerdich te betoonen , zoois den 'c^Vel kolo- 
zelven wel flapcrich geworden, en halfin de verwen verfmoort, eerzeiets, f'^''"'^^.^"' 
dat denatuer geleek, konden op 't Tafereel brengen ; waer over veele als p^^,^l]j.Q^ 
wanhoopende zich alleen een wijze van koloreeren gewenden, omhiere 
Teykeningen in Schilderyte brengen*, zonder opeenige natuerlijkheden 
te letten, als of de kolorijt hun niet aenginge. Niemant duide'tmy ten 
euvel, dat ik zelfs vermaerde mannen noeme, Kornelüvan Haerlenii Bar- 
lolomeui Sp angel , JuUo 'Roman , en den grooten Muhel Agnolo hebben 't ko- ^" ^■'^"'^ ^\- 
loreeren byna geheel over 't hooft gezien. Daer en regen hebben Titiaen^ iüir!^:\^^^t 

F f Gm- trokkc'-.'' 



226 T E R P S I C H O R E. 

Gmgione , Carévao^io en andere , 't zelve zoo hoog gefchat , dat hunne bc- 
nijders hun,als wande voirich in de Teykenkonfl te zi jn,dorften befchuldige. 
Men moetin de Teykenkonfl geduerig'zien op te klimmen, enin'tbree- 
ken der verwen, in'tkoloreeren, de natuer zien nae te komen: en dit 
laetfte, hoe onnafpeurlijk het in 'teerde fchijnt, zal door de gewoonte 
van opmerken hoe langs hoe lichter en doenlijker bevonden worden. 



ZESTE HOOFTDEEL. 

Wegens de kolorijt van het menfc helijk naekt. 
Rondtng. Hair i &c. 

g^^*^ E bloote Teykening (zest Plutarcbm) heeft nereens nae zulk een 
'tVermen- P ^mi bewegende kracht , als de verwen : gemerkt dezelve, door het 
gen der Ver- f H^/ bedroch van een levende gelijkenifTe, alleen machtich zijn ons 
wen. ^B^^^ gemoed te ontroeren. Echter derfik wel zeggen, dat'er geen ko- 

lorijt en is, dat geweldich met ons gezicht ftrijt: want fchoon monfters en 
gedrochten ons doen yzen, alszein'c leven zijn, zoo hinderenze om doch 
in Schildery niet. Zoo dat deze ontroering de volmaektheyt des geheelen 
werks moet toegefchreven worden. En zoo zegt ook Demok^iitu , dat de ver- 
wen, door een bequame vermenging, in een maetfchiklijke Teykening 
tcrfl haere kracht en vermogen bewijzen. Dit is waerachtich, wintde 
Teykening wort door de natuerlijke koloreeringe,en de koloreeringe<joor de 
zekere en maetfchiklijke teykening tot volkomentheit gebracht. Maer deze 
Voorna- twee ontmoeten eikanderen noit heerlijker, als in het naekt van een rnenfch, 
inentlijkiu't vvaer in de natuer haergrootfte vermogen , zoo'tfchijnt , in'twerkflelde, 
"^^^'" om aen die fchoone gedaente zoodanich een Edele kolorceringe en verwe 

deelachtich te maken , als tot het meefterftuk desalv^ijzen Scheppers fchijnt 
tebehooren. Daerom hebben alle groote meefters , by wiendekond van't 
wel koloreeren in achting geweefl: is , in naekten en tronien al haere krach- 
ten gebaert, om de natuer voornamentlijk hier in nae te volgen. Vlimus 
zegt, dat ^pfüfi een van de oude Hel den naekt f chil derende (want de Grie- 
ken waren niet gewoon iets te bedekken) zich zoo pijnde , als of hy de Na- 
tuer zelfs wilde uittarten , en ten ftrijdt beroepen. .De natuer der zachtvlee- 
Vlcesachtic- ^ige verwe is zoo bekoorlijk, datter geenerley blankctzelby halen mach. 
^^^' Homeer en Virgiel vergelijken het menfcheiijk vlees foratijrs by yvoir met 

rootoverftreken; fomtijts by lelyen en roozen. Maer ftort vry , o Schil- 
derjeugt 1 een benne met blydroode toozenuit , eo ftroy'erfpi« witte lel/en 

me: 



Het zejle Boek. iij 

met handen vol onder , aenmerk de fmeulendc wederglans , die gy in die 
bloemen ziet , ten zal u op ver nae geen vlees en bloet uitmaken. De 
Poëet wey t hier met zijn pen buiten fpoor , maer 't pinfeel is aen naeukeuri- 
ger wetten verbonden. Men houd zoodanige Schilders alleen voor de befte - 
konftenaers, zegt Naz.iAnz,enuSi die aen de gefchapene dingen op haerc Ta- oe konft be- 
fereelen de waerachtige natuerlijkheit geven , daer andere door een dwaze ftact in geen 
vermenging van vermakelijke kleurkens,niet dan wiltzang vertooné; en niet Tchoonc 
alleen van de rechte konftoefFening afwijken , maer ook d en eerlijken naem '^'^"f''^°* » 
van Schilder onwaerdich zijn. Treflijk vocrwaer, want men vint'er, die 
waenen meefters in de konll te zijn, fchoon haere naektenfchiergevilt, ^'"'^"'°*» 
of ten minden geverftfchijnen; ^dïjk Panby v'trgiel : j r Jt 

d' Arkader veegodt Pan quam meè , daergy dusjlooft , n a us. 

Byglom van menjroot en vlier bejje om zJjn hooft. 
Ten is zoo lichten zaek niet, in't wel koloreeren genoeg te doen. Den 
grooten ParraTiius , die geroemt wiert van bynae ten top der volkomenhey t , 
in't deurfchildercn van zijn werk, gekomen te zijn, wiert echter van £«- 
/r4«or berifpt , wegens zijnen Thejeus, tegen welken den laetften een om 
ftrijd fchilderde : dat die van P«<rr4^«i met roozen , maer den zijnen wel 
met goet vlees was gevoed. Zelf de befte Italianen hebben , in de vorige 
Eeuw, vry wat fteenachtichroodtgekoloreert. En'tenverontfchuldicht 
haer niet geheel , fchoon men vertelt, hoe Raphael l/rtjlw een berifpenden 
Kardinael betaelde , gelijk dit vaers te kennen geeft: 

Sint Pieter z.iet te root , z,ejf etn der Kardinalen Een bcnfpcr 

TotRaphelvanUrbijn, endatbehaeghtonsniet: ^^ ""^^ 

Jij was befchaemt , z.ey dees , als ikjiem afz.outp maelen, 

Om't leven , dat hr hier zjj^n volgers leyden zJet. 
Want fchoon een van de Zon verbrandt vifTcher de roodtheyt zeer eygen 
is , zoo moetze de ey genfchap, die in vel en vleefch vereyfcht wort , niet te ^^^i^ jg ^.j^. 
buiten gaen. 't Is dan niet genoeg , dat men fchoone kleuren mengelt , maer 
men moet de waerenatuerlijkheyt nafpeuren. Want noch marbernoch al- 
baft, nochblinkendyvoir,isby't zachte vel te vergelijken. Des fneeuws 
witheit trekt niemant tot zich, maer het poezelenaekt bekoort, ja beto- 
vert. Het zy dan datmennaekten van kinderen, of jongelingen , of lijvige 
worftelaers, of magere en uitgeteerde lichamen, of baedendc nimfen , ja 
hemelfche Godinnen fchildercj men zie toe , datmen de verwen zoodanich 
breeke, dat het vlees fchijne^ datmen de kalkachtigewitheyt mijde. Ver- 
mander ze^ti dateenen Jaques de Bakker tot Antwerpen eerft een vleefch- 
achtige maniere van fchilderen invoerde, koloreerende zoo niet met enkel 
wit,maer verhoogende met een natuerlijke karnatie.Zeker, zijn naemgenoot 
Jaques deBakj^r tot Amfterdam is hem zoowel in deze prijslijke waerne- 

F f 2 ming 



228 T E R P S I C H O R E. 

ming naegevolgt , als hy hem in naem is gelijk geweeft. IkzwijgevanKCT»- 

Nicttegecl, fcr^wr en andere, die dit konftdeel wonderlijk hoog achten. Andere die de 

fteenachtige rootheit vermijden , en van het wit een afkeer hadden, zijn 

tot een houtachtige geelheit vervallen , en haere beelden fchijnen als fchou- 

vegers, met roet belheeken : endezemeenen, datze Titiaenoi ? ordenone 

wel navolgen , vermitsze van deeze meefters werken gezien hebben , die *er 

of berookt j of door ouderdom , wat taenachtich uitzien. Eevenmoet gy 

Noch te toezien , dat uwe naekten , door een lootachtige blaeuwheyt , ofwel groen- 

croen.' ^^X^ ' §^^" vifTchen fchijnen •, het vleefch heeft een veel gebrokener verwe, 

en fpeelt in duizentveranderlijkheden binnen 't beftek van zijnen aert. De 

rootpuiftige Sileen blijft vleesachtich , hoe zeer zijn trony gloeit : zoo 

blijft de geelgerooftevifTcher Proteui, de blanke Galate, en den bedorven 

Afts oÏAdoon. Men ziet een vleesachticheit in een moor , en hem zelf fchier 

verbleykenenverbloozen^ gelijk Heitodorus vin den moot Meroebus ze^t: 

lygenfchap Doorfchaemt en bljfchap hem bet bloet in 't aenücht fchoot , 

pen en toe- Wantfchoon hy z.wart ivas , mert hy bruin , of purprich root. 

Gy zult het vleefchachtichkoloreerenookgeenkleynfieraet geven, wan- 
neerge de toevallen met befcheydenheit vertoont : gelijk Del Sarto , die 
zijnen ontkleeden Jz,aak^, ter plaetfe , daer hy meeft ontdekt Icheen geweeft 
te hebben, wat van de Zon verbrand maekte. 'tZynu datgy arbeydende 
handen een gekloofde en rompelige huit geeft, en een opgeftroopten arm 
aen den tUeboog doet verblanken ,jof dat gy de voetzooien zandich maekt, 
of met eelt bezet, zie wel toe, aenwien dit paft : wantdebefraettingen 
engebreeken, teveel waergenomen, worden walgelijk. 
Ronding. Nae de vleefchachticheitvolgt de ronding. Hierinwiert Ni^<fóbyd'ou- 
den boven andere geprezen, want zijn dingen ftondenofze verheven en half 
rond waren geweeft. De ronding waenen eenige door harde en zwarte fcha- 
^uwen en blinkende lichten, diezy hoogfelen noemen , te weeg te bren- 
jgen, raaer zoodanige naekten fchijnen eer van metael, dan zacht vleefch 
te zijn ; of ten minilen vertooningen van kaerslicht. De befte Schilders 
hebben de ronding eer door poezele zachticheit, dan door gewekte weeg 
gebracht: want het natuerlijke naekt rond zoo wel in een gemeen licht, 
als in een al te gedwonge ftrael , en beter , wanneer 't het licht van vooren, 
als te fnel van ter zijden ontfangt. Want de ronding is niet anders , als een 
omwijkende vermindering. 



ZEVEN- 



Het zefle Boek. 229 




ZEVENDE HOOFTDEEL. 

Van V Hair en Kleedy. 

Airwelennatuerlijk tekoloreeren, ftaetfierlijk. Uolbeen ze^t- 
men , dat veeltijts de huit , ontrent voorhooft of kin,eer{t fchile yan't hair. 
derde, en daer nade haircies, ftreek voorftreek, daer over trok. Ik 
Jaet dien grooten meefter in zijn verdiende waerde , maer hou- 
de meer van de verwe, die 't vlees enhairtezamcnmaekt meteenloflic- 
heit na te bootfen j de glanfen en vvederglanflen op haer rechte plaets 
te zwieren, zonder juift hair voor hair aen te wijzen. Maer wy zullen hier 
niemant te naeuwe wetten (tellen , houdende ons aen dit vaers ; 
De rechte zwier komt uit dengeefi alleen , 
Vartaerdïch]uir y geivolkte-, enbjjekleên. 
By welgefchilderde naekten voegen ook aerdich gekoloreerde kleederen, 
opdatuwebeeldendaer door te meerder welftant mogen genieten. Indien 
gy VorfHnnenuitbeelt , zoolaeczevry in zijden gewaet en metpaerlenen 
edele gefteenten fchitteren ; Maer zie toe, dat unieten gefchiede als ^pf/- 
les Difcipel , die Helena fchilderende haer zoo opfchikte , dat A^eües het üuk ^^1^^ ^^' 
ziende, zeyde: Zeker, gyhebt deeze prinfelfe rijk gcfchildert, in fteé Heicna, 
vanfchoon. Waerommen ook naderhant dit ftuk degoudtrijke, in plaets 
van de fchoone Helenai genoemt heeft. Lufluden Turkfchen Sultan in 
zijn pracht te verbeelden r* zoo fchilder hem in't wit Satijn of zilver laken 
met groen vermengt, en met groote bloemen doorwrocht. Stel hem den 
hoogen Tulbant met gefchilderde veeren op't hooft. 

Cjy kunt ook in behancfels en Tapijten eer behaelen, gelijk sezept word „ , 
vanP4yr4/tM5,die zijn tegenltrevcrZfWA;» alleen met een gordijn voor zijn ftuk ^^ -j-^^ 
te fchilderé (als genoeg bekent isj bedroog en overwon. jfo/w« da Vdme fchil- " 

derde t'einden een galery van't Vatikaen, eentapytfery ofbehangel, enals 
den Paus daerlangsdefchilderyenquamzien , zoo liep een ftafiier voor uit> 
onp, gelijk zy gewoon zijn, 't zelve op te Uchten , maer vond zich bedroo 
gen. In deeze dingen heeft het wel koloreeren voornamentlijk heerfchappy , 
en een volkomen vermogen, zoo lang als het geenewy navolgen binnen 
onze verwen bepaelt is. Gelijk wy daer proeven genoeg van zouden kunnen 
aenwijzen. Maer wanneer eenich ding, of door zijn groote fchoonheyt 
van verwe, ofdoor zijn lichte glans daer buiten is (gelijk F4i,<<r; gebeur- 
de, hebheT\deH2iitogh Alexander de Medicis onderhanden, want als hem de 
troonie wel gelukt was, en hy het harnas na't leven fchilderde> konhy'er 

Ff 3 de 



ijo T E R P S I C H o R E. 

de glans niet krachtich genoeg inbrengen , zoo lang hy't natuerlijke daer by 
hield) dan moetmen behendicneit gebruiken , en al de reft 200 veel bruinder 



navoloen 



maer dit behoort tot de houding. 



(a) "^iet Ca- 
ronvan Ja- 
pan. 




ACHTSTE HOOFTDEEL. 

Van Gedierten. 

tteikui wiert om 't fchilderen van zijn aerdige beeftjens tttt 
ruchtbaer. (4) En een zeekere fchilderye met Kik vorfchen wort 
vooreenvandegrootfte Juweelen van Japan gereekent. Aller- 
ley aert van gedierten behoort een fchilder, die liefde tot de 
kunit heeft, als'them gebeuren kan, na*t leven te fchilderen , en voor- 
namentlijk die vreemd en raer zijn. Achmets Muilezel, die als een Tijger» 
of als een Poolfchen hond, gevlekt vcas , is niet daeglijks te bekomen, 
Elefanten, Kameelen , Leeuwen en Beeren , Struizen, Arenden, Slan- 
gen en ongedierten, zijn niet altijtsby der hand. Maer hebt gyze, toen't 
u beuren mocht, na't leeven gemodelt , haer natuerlijk kolorijt zal uw 
werk gewei dich verfieren. Maer Honden en Katten zult gy beter tot uw 
gerief hebben. Schoone Paerden zijn ook waerdich dat men haer met aen- 
dacht na't leven fchildert ; want daer men die niet en vind, ten waer bin- 
nen Venetien, behoortmen ook geen Schilder te vinden. Vandeverwe 
der goede of flimfte paerden zegt Maro : 

Het Vaert blaeuip fch'mmel , en kaftanjebrain voorwAer 
li'r he[te , wit en vael het allerpmjte haer. 
En Vermander zingt de Schilderjeugt by na aldus voor : 
De Paerden z.ijn vdn yeelderhande kleur , 
Hier vind de geeft des Schilders ruime keur. 
Men hielt van outs hlaeuw , graeuiv en donker roode , 
Voor d'alderbeft j maerfomtijts is van noode 
Een z.uiver wit , koolt.wart offchoon geplekt i 
De kunft uit keur een koptjkvoordeel trekt. 
Terpfuhote maekt deeze Hooftdeelen wat kort j want zy , die de rechte 
Godin P/^WM verheelt, houd meerder van doen , dan van zeggen. 



NEGEN- 



Jriet zejte Boek. 231 




NEGENSTE HOOFTDEEL. 

Van V Landfchap, 

Lleraengenaemfte verwe, zegt Plutanhw, verfterkt en ver- 
heugt het gezicht, door hare ievendjchey ten blyheyt. Voor- 
waer deezeverwe heeft geen byzondere uaemj maer ik acht 
datmenze in het algemeen van een duyzend gebrokeverwich 
lantlchap in 't oog krijgt, wanneer de lieve lente beemden en velden ver- 
nieuwt , en het bofch zijn nieubewaflè kruinen opfteekt. 

Alsdenboomgaert, wit van bloifem , overvloet van fruit belooft, laet 
u dan, ó Schilderjengt .' door geen vadzige vaek dien onwacrdeerlijken tijd ^°°^g^^^' 
ontfteelea , maer begin dingen die noit te vooren gezien zijn. Schilder my 
dan de groente , daer den dauw afdruipt, en de verfche bloemen na 't leven 
uit ; gy zult kleuren vinden , die noit Schilder te werk ley. Ontzie de fchoon- 
heyt , die de naiuer heeft , niet te volgen , maer geloof vry dat het geen 
in 'tkevca zoo vcrmaeklijk is , uw tverk ook zal doen beminnen, Al lang 
genoeg gemecnc dingen gemaekt, die den prikkel van eerliefde gevoelt, 
flaet wat hoogers ter hand , en vind licht een zeldfame €n nieuvye vond uir, 

Aen de liefhebbers van*t Lantfchap, 

Kom Schilderjeugd , al lang genoeg gez^eeten , 
Genoeg gehloht 't verjiantfchierjiomp^fjleffen, 
Ontjpan den Boogh en geef da jjnmn rufi : 
In morgen vreeg , om weer een nieutpe lufi 
Te queeken , Uet ons t'faem na buiten trteden , 
I« daer den tijd in nutte vreugd befleden. 

Ziet Tjtons bruit , boex^e in f SaffïAene bedt 
OpïfJTiendf, deDA£hpoorto»enMfi EenMor- 

JVijl Febus z.{jn vier [chimmels ingaet toomtn , ocnftoDd. 

Alfchilderend' met Roede en Goude x^oomen , 
Het purpere gewolkt met Hemelkleur : 
't Az^uer gebergt begint z^ich ginder , deur 
Der Zonnen glans , van verre als op te klaren : 
Ben blonden dauw op leveren en blaeren 
Bejlaet bet veld; ejf z,ie dien Jager y ras 
In [nel te voet , hy laet een [Ireekjn'tgrai, 

Een 



232 TERPSICHORE. 

Een groene Jlreek^ al waer , z.ijn honden hiaten. 
Dit t^d verdrijf kan u veel nats ver fchajfen. 
Men moet de eygenfchappen der fimpele natuer zeedichlijk navolgen, 
Qfi^f„ -Mrff y wiltgj 'f oog doenjlaeren en verwonderen , 

met weer- Verheelt een jlorm t met weerlichtenen donderen: 

Jkhc en don- Een naer gezjcht inU Zwitferfchegebergt i 

°"' Dat met z.ijn kruin en wind en onweer tergt . 

LaetgUnJieren z.ijn wit befneeude huiven , 
Daer 't water krom en dronken afkomt fuiven j 
WaterviIIcn. ^^^y rotfen ahyskegelsuitgeknaegt , 

En daèr een klip , die z^waere maflen draegt. 
Gewen uw hand tot loof en toffe blaren , 
Loofen bla- Elk in z.ijn aert op'tgeeftichfi na te klaren ; 

ïen« Wanthair, en tocht, en loof, enlosgewaety 

Leeitu den Geeft , dewijl 't ingeeÜ besiaet. 
Al te zeer Het is een gemeen gebrek onder de konft oefïenaers , dat zy zich een wij- 

cencygen ^e Van koloreeren aenwennen , als of de dingen aen haere manier, 
kolore^eten te ^" "^^^ haere manier aen den aerd der dingen verbonden was. Echter 
hebben niet hebben veelc, door een zekere toeneyging der natuer, manieren van kolo- 
zeerpriiflijk reeren aengenomen , die tot dat deel der konft; waer toe zy meeft geneigt 
^a\ a vvaren, zeerbequaemfcheenen. En aldus was Herkules Zegers ontrent wil- 
^^ ^o^ " jje gebergten beezich: eneenen Lijfring koloreerde geeftige fteenrotfen. 
Zeeaewas. 't Eedel gefteente is ook wonderverwich : en de aerdicheden in zeege- 
wafl'en, en fchelpen hebben hare byzondereliefhebbers.Van de Zee zegton- 
Zc«. zen Poëet op volgenden zin : 

De ruime z,ee gelijkt het Chamiljoen , 
Ontfangende in z^ijn Itchaem » dat na* t groen 
Wel ietwes trekt , des Hemels kleur en luifler» 
By helder weer en dachitcln y en by duiÜer. 
Hoex^eer Eoolookbutderty 't ruime vocht 
Vertoont altijts een fpiegeting dei tocht. 
MguHinus zegt , dat de zee fomtijts'tblaeuw,enfomtijts'tpurperroot, 
als zoo veel verfcheyde kleederen , aentrekt. 



TIEN. 




Het zefle Boek. i^g 

TIENDE HOOFTDEEL. 

Van de Handeling of maniere vanfchilderen. 

Erpficime , de zevende onderde Helikoniden , gewoon met hae- Terpficon 
re vingeren op harp en klavefimbal te flaen, is vannatuere iot-fi?>"'fi^^ 
onderwijs genegen, haer ampt is wel teoordeelen, het goede ^/*^'?-^' 
aen te nemen , en het quade te verwerpen. Wie dan anders , als Jil'^dmo "dé- 
zy, kan ons de befte handeling des pinfeels leeren? £nde quade wtcpzxxve haver hu- 
door een goet oordeel doen vermijden ? ongiudicio 

Men noeme de Poëzie vry een fpreekendeSchilderkonft, maerzoo veel "ell'eUgger 
het doen zwaerder is , als het zeggen , 200 veel z waerder valt ook het fchil- '^"■^^ ^^one, 
deren,ïals het dichten: want daerdepenne, wanneer dendichtermet zijn /^^^m"'**' 
vaerzen in zijn geeft vaerdich is, zonder arbeit heene vloeit, daer verheft vincenxó 
den Schilder bynae al wat hybegreepen heeft, eer hy*t met verwen kan uit- Canary. 
drukken. Profo^eweien Nf4c/« vonden zich verleegen, hoegrooten vlijt zy IJeSchilder- 
ook aenwenden , inhetfchuim, d'eerfte van een hond, en de tweede van j 
een paertjuit te beeldenjja geraekten in zoo flechten zaek buiten gedult , be- dan de 
werpende haer werk, als wanhopende, metderponfiën; enfchoondebe- Poezy; 
fmettefponfiè'n 't begeerde teweegbrachten, en hun dieren zeer natuerlijk 
deeden fchuimbekken , zoo bleek hier uit, dat hun oordeel fix genoeg, 
maer hunne handt te traeg was. Doch, gelijk 5f«fj^ zegt, zooisdithet 
eenige, dat den Schilders by geval gebeurt is , in het uitbeelden van iet na- 
tuerlijx. 

Zoo is 't iju van nooden , dat men zich een wijze van doen gewenne , die 't wcpcnj de 
verftand vaerdich kan gehoorzamen : dies is allermeeft te prijzen, datmen handeling. 
zich tot een wakkere pinfeelftreek gewoon maeke, die de plaetfen, die 
van andere iets verfchillen, dapperlijk aenwijze, gevende de teykening 
zijn behoorlijke toedrukkingen, en de koloreeringen, daer 't lijden kan, 
een fpeelende zwaddering : zonder ooit tot lekken of verdrij ven te komen j 
want dit verdrijft de deugt, en geeft niets anders, als een droomige ftij- 
vicheit , tot verlies van d' oprechte breckinge der verwen. (Beter is 't de zach- 
tichey t met een vol pinfeel te zoeken , en , gelijk het Jordaens plach te noe- 7^? volPin - 
men, luftich toe te zabberen , weynichacht gevende op de gladde in een 
fmelting: dewijl de zelve, hoe ftout gyook zult toetailen, door 't veel 
doorfchilderen wel van zelfs zal inkruipen. De vroege dingen van Tüiaen 
zijn zeer in een vloejendegefchildert, 't welk nochtans met een vol pinfeel 

G g ge- 



234 TERPSICHORE. 

gedaen is, maer in zijne laetfte, toen hem de fcherpheit van 't gezicht 
faelde, heeft hy de vlakke plaetftreeken onverwerkt gelaten, welke uit 
dehandftaende, ook dies tegrooter kracht hebben. 

In korten tijdteenich ding met een lofTe zwier een welftant te geven, is 
JToc ""' ^°° verwonderlijk niet, als met vernuftigen arbeit't zelve tot het uiterfte 
toe uit te voeren. Een goet begin behoort moed te geven, maer de groot- 
fte kunft is, wel te voleynden. Wanneer de opletting vers is, dringtze door , 
nochtans isze, wanneer het werk ver gebracht is, aldermeeft noodig. Zoo 
zietmen dikmaels gebeuren , dat veelezeer geelKchhaer werk beginnen, 
maerdaernae, in 'topmerken verflaeuwende, daer niet anders inbrengen, 
als een gladde ftijvicheit, of een nette fijmeling. Welke noch tnenichmael 
Wort anders ^g verftandelooze liefhebbers zoodanich behaegt , datze door een ontijdige 
licht ftij£ loftuitery den aenkomenden leerling in flaep wiegen , en jammerlij k beder- 
ven. Menich edel geeft wort hier door, van den trap, die hy zou kunnen 
beklimmen , opgehouden , en de kunft te kort gedaen. 

Hondborft gelukkich Haegs hoffchilder had in zijn bloeijende tijdt een 
wakker pin feel ge voert; maer, *tzy om de juffers te behacgen, of dat hem 
dewinftinflaep wiegde, hy verviel tot een ftijvegladdicheyt: waer over 
hem Linfchot en, diegewoon was zijn werk dapper aen te taftcn, befchimp- 
te , zeggende : dat hy Hondborft tans niet een brave ftreck meer toonen kon. 
Ik doe nochtans dagelijks beter ftreeken dan gy , hernam den ander , en zal- 
deru een toonen, die gy my niet kunt naedoen: dit zeggende, haeldehy 
een hand vol dukaten uit zijn beurs , en de zelve op een tatel gefchoten heb- 
bende, ftreekze teffensnae zich, willende te kennen geven, dat hy met 
zijn fchilderen, het waer dan hoe 't wilde, wel geit will te winnen, daer 
Linfcboten met zijn groot penfeel maer een armen bloet bleef . Maer andere 
heeft een los penleel groot voordeel ingebracht , gelijk onzen Gelderfchen 
Lely , wiens aerdich toegetakelde konterfeytfels tot Londen genoeg betoo- 
nen, dathyeenfchooneLelyindekonftis. Diesik wederom ernlTichrae- 
de, datmen met wakkere zinnen ten eynde toe lulHchtoctafte, en door- 
gaens deze gedachten hebbe , van de natuer in deze twee dingen, nament- 
lijkjin kracht en zachticheyt te willen overtreffen • darmen licht en fchadu- 
we zijnplaets geve, en 't geheel welt' famenbinde, en van den beginne 
tot den einde toe in manier niet verandere , noch in opnfierking verfiaeuwe, 
G n cvBcn ^°^ ^^' '^ verftandt doorgaens fcherper , de manier van handeling onnavol- 
handelin^ gelijk , en UW werk de natuer in de deelen der kunft gelijk worden. Bekreun 
te betrach- u weynich met een handeling of manier van fchilderen te leeren , maer wel, 
*m"' ^a" °"^ geftadich in de opmerking vafter te worden, eade deelen der konft 
?u "hikhcyt ^^^ ^^ onderfcheyden , en met wakkcrhey t nac te volgen. Zoo zal de hand 

en't 



Het zejie Boek. 22 f 

en 't penfeel het oog onderdanich worden , om manicrlljk de verftheyden- 
heyt der dingen, elk nae zijn aert, op 't zwierichft uit te beelden. 

Jk en kan geen behaegen krijgen in 't gecne de Ridder P. C. Hnofty „ • r 
vinh\v.Dirk^BArentsx.ooni des vermaerden T/rw^Wj leerling, zegt; dathy '^' "^ 
dryderley penfeelen , alsgoude, zilvere, en kopere hadt , en hyyder be- 
richte nae zijn geit : want het penfeel eens konitenaers moet altijts oprecht, 
en nimmer valfch zijn, om de deugt en waerheyt wel uit te drukken, en 
fchoon alle (lukken niet even zorgvuldelijk tot den eynde toe worden uitge- 
voert, zoo zullen mooglijk diegeene, die meteen wakkere toezicht als 
ter vlucht overloopen fchijnen , meer gouts uit het penfeel hebben , als daer 
de laetfte handaen gehouden is. Doch'tzygy dedingen wilteeven aen- 
wijzen, of ten netften uitvoeren , zoo laetdoch de hand en 't penfeel uw 
oog en oordeel gehoorzaemen , op dat uwe wijze van handeling met het na- 
tuerlijkein zijnen aert over een drage. 

Wanr daer behoort eenandere lofïïcheitvan handeling tot het luchtige 
hair, het lillende loof, of ietsdergelijx: en wederom, een anderen aert 
van 't pinfeel te roeren in 't fchoone naekt , en het blinkende marber. Maer 
gy zult in alles wel te recht raeken, als uwe hand maer gewoon is aen het 
oog en het oordeel te gehoorzamen. Kornelis Ketelhttht omtebetoonen 
dat denmeefter, en niet het pinfeel, denbchilderis, zonder pinfeelen al- ^^^^' ^'^'^'''^ 
leen met zijn vingeren zeerwtlikndige ftukken gedaen : en hier niet mede J,'^ ^ ™" 
te vreeden , zoo heeft hy ook eenige dingen met zijn rechter, en weer ren en tee- 
andere met zijn flinker voet gefchildert: kunsjes, beter om tot vermaek °^"- 
te vertellen, als om na te volgen, tenware den noot of het ongeval van 
hand-of vingerverlies , iemant flings , of tot een voetfchilder maekte. 

Nu zoo moetmen ook zijn handeling voornamentlijk veranderen na de 
plaets , daer het werk te ftaen heeft : want het zal u wel dapper berouwen , 
wanneergein 't fchilderen vaneen ftuk, dat hoog uit de hand zal handen , 
en van verre moet gezien worden , veel tijts met kleinicheden verquift 
hebt. Neem dan vry borftels , die een hand vullen, en laetyder ftreek'er 
een zijn, en de verwen op veel plaetfenbynaonvermengt leggen ^ want de O"'-'''^*^^'^'*' 
hoogte en de dikheit der lucht zal veel dingen {meltendevertoonen, dieby scwJ^ry te 
zichzelven fleekendezijn Ai/f/jf/ ^^«c/o bezach eens zeker beeldwerk, dat ftaen beeft, 
gemaekt wiertom ergens buiten te zetten: enalzooden Beeltfnyder zich 
zeer bemoeide om de venfters te üellen , om goedt licht te geven , zoo zey- 
de hy: En doet geen moeite, want hetbefle is het licht op de mart. Te 
kennen gerende dat de dingen , die in 't openbaer te fhen hebben , allerley 
licht behoof é te kunnen verdraegcn.Maer daer is onderfcheit van wat wijttc 
een werk, fchoon open flaende, gezien wort, 'tzy van naby ofvanverre; 
en hier op kunnen wy het exempel van twee beelden, om Itrijt gemaekt 

G g 2 niet 



2^6 TERPSICHORE. 

niet voorby gacn : Toen eens de Athenienfen voor hadden ter eere van haere 
befchermgodinne Minervey eenfchoon beeld op eenhoogen pijler op te 
rechten, zoo verkoren zy Alcamenes en Pbidias, beloovendeden beftdoen- 
der van deeze twee heerlijk te beloonen. Zyom malkander te tarten, tee- 
gen vierich aen 't werk , en brachten eyndelijk yder zijn beeldt te voorfchijn. 
Dat van j4/fu;«fwfi was wonder lieflijk enaengenaem gehandelr, en beviel 
yder een, die 't zich. Maerdatvan Phidioi was met wijdt opgefperde oo- 
gen, een driebul tige neus, gapende en van eengefcheide lippen, en in 
d'oogender aenfchouvvers zoo mismaekt en w^nfchapen, datmende me- 
nichte naeuwelijx beletten kon van hem te fteenigen. Maer hy met veel 
fmeekens badthen, zy wilden hun oordeel opfchorten , tertijdttoe men 
de beelden om hoog gcftelt zou hebben : 't welk gedaen zijnde veranderde 
de kans- want debevallijkheden verdweenen uit het beeld vin Alcamenes , 
toenmen 't van verre zach , en de wilde draeijen , en harde fteeken , in't beelc 
van Fidias , verfmolten tot een geeftige en fierlijke fchoonheit ; 't welk hem 
en zijn konft in hooger eeren bracht. Door een dergelijke kunftgreep heeft 
Amuliui te weege gebracht, dat zijn beeld van Miwfrvc, tegens de gewoon- 
te van ronde beelden, een yder, waerhyflond, fcheen aen te zien , jade 
Dianein C/;w,zach degeene,dieeerftin den Tempel quamen, n^eteenftuers 
gezicht aen , en de geene , die den altaer voorby gegaen en geotfert hadden , 
met een gepaeit weezen. Maer om wederom van de beytelflagen tot de pin- 
feel ilreeken over te gaen , zoo zeggen wy in 't algemeen , dat zy gelukkich 
zijn , die met een wakkere hand , terwijl de geeft noch onvermoeit is , hun- 
ne werken kunnen ten einde brengen • want hun komt -^pWifi roem toe, die 
van hem zelfs zeyde , dat hy hierin den noitvoldanen Protoqenes overtrof , 
dat hy van zijn werk wiftafte fcheiden , 't welk den anderen zwaer viel; 
want hy zeeven jaeren over zijnen '^dyfiu bezich was j fchilderende zijn 
dingen dikwils viermael over. Veelen mochten nu ApeUes wel in 't affcheiden 
van hun werk navolgen -, maer 't is zeker datmen tot de vaerdicheit de gunft 
der Gratiën van nooden heeft , eermen Sophoclesviers verdient te hooren : 

IVat Vettus ofKupidoos welbehagen 

Heeft hier , ogoon ! De hand aenU iverk^gejlagen ? 
Eengoetkonftenaer, le^tSeneka-, handelt zijn gereetfchapbehendich, 
of meteen zonderling gemak. Een Schilder, die om een beelt te maken 
veel en verfcheiden verwen rontom hem geplaetft heeft , verkieft vaerdich- 
lijkde geenen, die hem dienftichzijn, en zwiert met een gezwinde hand 
enoogtufTchende wasverwenenzijn werk. P/ttMrrfcw vergelijkt de Schil- 
deryenvan NicomachuSi met de fchriften van HomertUy en zegt, dat zy, 
onder andere bevallijkheden en volmaektheeden , die 'er in gevonden wier- 
den, noch ditdaer en boven hadden % datmen merken kon, dat zy lichte- 
lijk 



Het zefte Boek. i\-j 

lijk en zonder grootenarbeitgemaekt waren: daerdetafereelen van D'iony- Zonder ar- 
ƒ »tó,als de dichten van Anttmacbui , wel vol kracht en zins zijnde , z waermoe- beid, en met 
dich en met hooftbreeking gedaen fcheenen. arbeid. 

Moeilijk gedaen, moeilijk om te zien, zegtmen. En dit viel de Schil- 
deryen \nnBaccio Bandinelte beurt. Want deezen dacht dat hy de Schilder- 
konll, zonder haer te oeffenen, verftont. Devaerdicheit komt door een 
langdderige oeffening , en 't veel doen. 't Zy dan dat het verftandt bequaem- 
heyt krijgt, om daedelijk het begeerde denkbeeltte vormen; of dat het 
oog in de ruwe fchetflen vangevallige voorwerpen eenige vormen uitpikt, 
gelijk wy aen den haert in het vuer pleegen te doen ^ of dat de handt , door 
gewoonte, iets formeert, min noch meer als wanneer wy fchrijven- want 
een goedtfchrijvermaekt goede letteren, fchoon hy 'er niet aen gedenkt, 
en zijnoogen verüandt fchijneninzijn handgeplaetlt te zijn. Ik moetu 
een Schilderkamp, van drie Schilders, dusbyzonderbegaeft, vertellen. 
In 't begin deezer eeuw waerende wanden in Holland noch zoo dicht niet Kanipvai» 
met Schilderyen behangen, alszetans wel zijn. Echter kroop dit gebruik J!^°'''^'g 
dagelijx meer en meer in, 't welk zommige Schilders dapper aenporde om *" ' ^^^^" 
zich tot ras fchilderen te gewennen , jae om alle daeg een Ituk , 't zy kleyn 
of groot, te vervaerdigen. Zy dan hier gewin en roem in zoekende, zoo 
viel 'er eyndeli jk een wedding , van binnen fonnefchijn een ftuk te maeken , 
datin deugten waerdy d' andere zou te boven gaen. d' EerÜe dan deezer 
kampfchilders , Knipbergen gei-]oemt ^ ftclde een tamelijk grooren doek op 
den Ezel, en, dehandof'tpcnfcel tot zijn wil hebbende, begon dapper 
te fchrijven, dat is,op zulk een aengewende wijze te fchilderen , dat al wat 
hy terneeder zette, gedaen was ; want lucht, verfchiet, geboomt, ge- 
bergt, en ftuivende watervallen, vielen uit zijn penfecl, als de letteren uit 
de pen van een bladrfchrijver. Hy (loeg zijn bladerwerk en fpartelende 
groente op een gezette wijs ; de zwadderige wolken dreeven hem als van de 
hand , en de klipachtige rotflen en onefte gronden wierden als uit zijne ver- 
wen gebooren. Newens dec ze 2it Jan van Goojeti i die op een ganfch andere 
wijze te werk ging : want hy zijn geheel paneel in 't gros overzwadderende , 
hier licht, daer donker, min noch meer als een veel verwige Agaec, ofge- 
marbert papier, beltont allerley aerdige koddigheedendaer in te zoeken, 
die hymetweynig moeiten en veelkleyne toetsjes kenlijkmaekte, zoo dat 
ginder een aerdig verfchiet, verfiert met boere gehugten , zichopdee- hier 
zagmen eenoude fteeveft met poort en waeterhooft voor den dag komen,, 
en in'taenkabbelende woter wederglanfl'en, fcheepen en fchuiten, met 
vragt of reyzigers belaeden , af en aen'haelen , en in 't kort zijn oog,, 
als op het uitzien van gedaentens, die ineen C/wo5 van verwen verborgen- 
laegen , afgerecht , ftierde zijn hand en verftandt op een vacrdige wijs > zoo- 

G g 3, dat- 



1^8 T E R P S I C H O R E. 

datmen een volmaekteSchildery zag, eermcn recht merken kon, wathy 
voor hadt. De derde was onz.en Parfelles , dien grooten Raphel in 't zeefchil- 
deren ! Maer de liefhebbers gaeven den tr.oedt bynae verlooren , als zy za- 
gen hoe traegelijk hy met zijn penfeelen handelde , jae het fcheen in 't eerft, 
dat hy iiwedwillens den tijdt verquiÜe , of niet en wifl , hoe te beginnen ; 
enditquam, om dat hy eerft in zijn inbeelding 't geheele bewerpvan zijn 
werk formeerde, en in zijnverftandt een fchildery maektc, eerhy verw 
in'tpenfeel nam. Maer denuitllag toonde wel, dat dit derechte manier 
is; want fchoonhyinlangfaemheyt volharde, hy nam alles zeekeren ge- 
wis , en was des avondts zoo wel klaer met zijn ftuk , als zijn tegenftri jders; 
en hoewel K«//>/»^r^c»i ftuk grooter, en van Goojem volder van werk was, 
Tarfeües hadin het zijne keurlijker natuerlijkheyt, ennaedekunft iets on- 
gemeens , datmen nimmermeer , in de dingen , die zoo nae een zeekere fleur 
van de hand rollen, of anders als by geval gezocht en gevonden worden, 
befpeurt. Eindelijk, dit ftukjewiertby de kenders waerdiger dan d' andere 
twee gewaerdeert ; fchoon yder in 't zijne niet en was te verwerpen. In 
d' aengefmeerde verwen, verniflen en olyen wonderen te zoeken, was Jan 
Lievens dapper t' huis. Maer laet ons weegens de vaerdicheyt vervolgen. 

Niemant, zegtmen, dat Eoj/oin vaerdicheit gelijk was. Poljdoor was ook 
ongelooflijk gezwint. Porrffwcw^i werken zij ndeurwrocht, en echter rasaf- 
gedaen. Iram Floris een deel leevensgroote beelden , tot de tryomfelijke in- 
raVfchilde" ^O"^^ van Keyzer Karehot Antwerpen, fchilderende, maekten'er yder 
ren. dach zeeven, in detijdt van zeven ueren. Pierjndel Vago fchilderde voor 

zijn huiswaert, om niet ondankbaer van zijnonthacl te zijn, dewijl hy 
wegens depeft fchielijkmoft vertrekken, op een doek ruw lywaet, van 
ontrent vier ellen, tegens denmuer gefpykert, opeenendacii en nacht, 
een koperverwige hiftorie, daer Pharao in de roode zee met krijgsvolk, 
paerden en wagenen vergaet , metgewapendenennaekten, d' een zwem- 
mende metnathairenbaert, d' ander eenpaertom den hals grijpende om 
t' ontkomen: en op den oever der zee Moz.es en Aaron, en d'lfraëliten , 
mannen en vrouwen , die Godt looven , dragende een deel aerdich verzier- 
de potten en vaten , en de hoofden der vroutjes met fierlijke hulfelen toege- 
takeld j zeker fpels genoeg, om zichmaenden langmeede op te houden. 
Toen Tintorety vzn die van Sint Rochia^ilde , nevens Paulo Veronez^i Fre- 
derijk^Zuochero , en Jofepb Salviatii eens ontboden was, en daer belooft 
wiert, dat die van henlieden de befte teykening , van haren Sant met veel 
engelen en beelden , zoude maken, hetltuk aenbefteet zouwwvrden, zoo 
liet Ttntoret zijn meedeftreevers teykenen datze zweeten , maer hy de macte 
van het werk nemende, fpandeeen doekop, ordineerde, fchilderde, en 
bracht hetftukalgedaenopzijnplaetfe, tocnmende Teykeningen bezien 

zou- 



Staden van 



Het zefle Boek. j^p 

ïoade: zeggende, dat zoodanige Teykeningen beft waren , om niemanc 
te bedriegen. Zeker van zulk flacli van geeften mocht Sebaftiaendd Piombo 
wel zeggen, datzc'twerk van eenjaer ineen maend afdoen. En voe^d' 
hy'erby: Ik zal , indien ik 't leven mach,* noch alle dingen befchildert q^^' 
zien. 

't Was een fchraelder eere , die wel eer zeeker gezwind Schilder te Apelles am- 
beurt viel : Want hy aen den prinfe der Schilders Apelles , zijn werk too- woorc. 
nende ,"en daer by voegende , dat hy dit in zeer korten tijd hadde afpeklaert : 
zoo antwoorde dezelve : dat hy zich daer overniet en verwonderde, maer 
wel daer over,dat hy 'er in die tijd niet meer en hadde gemackt. 't Welk Ru- Rubens 
fc^m ook zeer wel vatte: want als eender hem een ftuk liet zien , en ook de Scheur, 
kortheitdestijts, diehy'erinbefteethadde, noemde, zoo fchoot hy hem 
ook het loon zijner verwaentheyt toe, met te zeggen: dat hy zulx aen hem 
niet en behoefde t' openbaren , dewijl men 't aen 't werk zelfs wel zien kon. 
Veeltijts ook valt het fpreekwoort waerachtich , 

Haefi gedaeriy haejl vergaen. 
Of, gelijk de Latijniften gewoonlijk zeggen , 

Satcito, fi fat bene. 
li't goed genoeg, z^ooishetroigeneeg, 
Daerom befteede Pbidias rijts genoeg in zijne beelden , op dat zijn konft het wooa^ ^^' 
marber mocht verdueren, jaehy bleef lang bezicbover Minerves pantoffel, 
Plutarchus vertelt, dat als AgatharchuszicU van zijn gezwintfchilderenbe- ^ . 

roemde , Zeuxis hier tegen zeyde; Enik beroem my,Iang met mijn werk be- te T/hïldSy', 
zich te zijn. Want de fchierlijke rasheit en geeft geen beltandige fchoon- 
heyt, maer geftadigen arbeyt en lankheyt van tijdt geeft aen het werk 
krachten duerzaemheyt. 't Welk men wel waerachtich vind; want vaer- 
dige Schildery is gemeenlijk 't verderven en verfchieten onderworpen ; 
ook zoo zietmenveeleftukken der ouden, die met tijdten vlijt zijn uitge- 
voert, welke noch als nieuwen verfch gedaenfclujncntezijn, daerveele ^""^"^' 
der nieuwe byna als deur ouderdom vergaen zijn. Daerom zegtmen dat Pro- 
togeries zijn befle werken als tegen de oudtheyt gewapent heeft , met dat hy- 
zeviermael met volle verwen overfchilderde, opdat, wanneer de boven- 
ftebegoften te verdwijnen, het onderfte werk wederom in volle luifter ver- 
fchcen. Leonardo da Vinft zegtmen, dat over zijn fchoone Mona Lifa vier 
jaeren bezich was , en haer noch on voldaen liet , hy had de minfte deeltjes, 
die de natuer heeft, in haere troiue waergenomen ; in het waterachtich 
blinken deroogen zachmende kleynfte adertjes, de hairtjesaen d'oogen 
en winkbraeuwen haere byzondereeygenlchappen: menfpeurdedezweet- 
gaetjes in het teedere vel : eninde keelput, onderden hils, zachmen, 
200 't fcheen > de pobfpeelen, Zekex dit kan in leevens groote eenigen roem 

waer- 



240 T E R P S I C H o R E. 

waerdich zijn: maer fommige heeft tans dcniufttotnetticheyt zoodanich 
verleyc, datzy, zelfs in twcefpannebeclden , dergelijke bynae onzienlij- 
ke dingen zinnelooflelijk beftaen uit te beelden. Deurwiochte werken zijn 
in 't gemeen beziens waerdich, zegtmen, om dat den konftenaer, tijdt 
van beraet hebbende, daer in al zijn krachten te werkleyt. Euframrym ift- 
mos heeft zijn heerlijke werken al zijn leeven lang zoeken te verbeteren; 
maer of deze verbetering in de netjicheit befhen heeft , ftaet aen te twijfe- 
len. Want men zelfs met goede reeden te vermoeden heeft, dat de heerlij- 
ke flukkenvan ?ïoiogenei , boven geroert, doorhaere netticheytontfiert 
waren: dewijl i4pf //f izeyde,dat'er de gratiën, die haerten Hemel moch- 
ten voeren, in ontbraeken. Wat my belangt, ik geloof datmen de gratiën 
uit zijn werk wech drijft, als men het te dikwils over fchildert. Deze 
zuivere en Hemelfche Godinnen willen , zoo'tfchijnt, niet beplamoot 
zijn. 

Ruwe ^^ tegrootenhaeftisookgevaerlijk, om in de befte deelender konft te 

miflen. ilMfifiorttó (childerde ruw, maer mifte dikwils inde maetfchiklijk- 
heyt. Teo zijn niet al N/i^ö/;;/iff)f«, die een vaerdige handt hebben: noch 
Tjntoretteth die ftoutin'tpenfeelzijn. De deugt van 't werk beftaet in be- 
vallijke natuerlijkheyt, en als men die met haeftonmachtich is, zoobe- 
hoortmen 'er tijdt toe te nemen. Want der is eengroot onderfcheyt inde 
geeften , zoo dat, daer des eens begrijp aenwalt, des anders, terwijl het 
beezich is, in flaepvalt: nu hoe men zichgeftelt bevint, zoo heeftmen 
byzonderlijk acht te geven, datmen een wel begonnen werk niet en beder- 
ve , maer datmen zijn opletting met fpooren noop , om tot den eynde toe 
eeven wakker de volkomentheit te zoeken, 't Geene de konften voortbren- 
gen, ze^t rlutarchuii is in 't eerde ganfch onhebbelijk en misfchapen, tot 
dat elk byzonderlit zijn cygenegedaente bekome: daerom plachookden 

-. Volharden Gietkonltenaer Poljkletm (taende te houden , dat het werk aUcrmocijelijkft 

m opletting. is , Wanneer men de kley tot den nagel toe gebracht heeft. 

Noch is 'er een andere peft, diedekonlt zeernacdcelich is , dat is, dat 
fommige een verkorting des tijdts in de konft hebben willen zoeken. Pbilo- 
xenui Eretrim, zegt Plinim, heeft niet alleen naegevolgt de voetftappen 

^ , van den aldercezwintften Schilder X;i^W4clj«J, maer heeft boven dien noch 
een naeder en korter toepat tot de Schilderkonlt verzonnen. iVlacr Petroniui 
getuigt, dat dit zoeken en vinden van toepaden, voornaementlijkby den 
Egyptenaers , den volkomen ondergang van de konft heeft vcroorzaekt. 
Gelijk dan ook wel te begrijpen is , dat , wanneer 't mooglijk waere volko- 
men Schilderyen te drukken, ge\i]k Herkules Zegers^ in onzen tijdt, met 
lantfchappen heeft aengevangen, men niemant lichtelijk meer vinden zou- 
de i die luft zouw hebben zijn werken met grooten arbcyt en tijdt uit te voe- 
ren. 



Het zejie boek. 24,1 

ren. Zelfs het maeken van dozijnwerken, met huipe van jongens en vrou- 
wen , heeft de meefters van de zelve niet alleen in de konft doen te rug gaen, 
maer, door den afflach , die de Schilderyen daer door in prijs verkreegen, 
200 is hun beoogt voordeel ook in wind verdweenen ; want hoe zy meerder 
werx konden affchrobben , hoe zy ook genootzaekt waren meerder te 
doen. Even veel winnen zy, die door overfchommelen, glazeeren, en 
door 't vuer gemengde olyfels dat geene beoogen, datmen door *t vermen- 
gen der verwen , en de waere konlt van wel koloreeren alleenlijk behoorde 
te zoeken. Ikzwijgevan de geene, die door 't plakken van papiljoentjes, 
witjes, blaederen van kruiden, of ander loof, een lofby de blinde liefheb' 
bers zoeken , die zy noch door 't wel teykenen,noch door *t natuerlijk kolo- 
reeren machtich zijn te verdienen. Een wel deurwrochte en gladde Schil- 
dery heeft vooreerlt die deugt , datze minft vanftofenvuilni? befchaedicht ^ j^U .^ 
wort. Zy behaegt ook den onkundigen, gelijk Arïojie zegt, zoo ik hem 
anders recht verltae : 

De verwen veelder lejf en konden niet verz.aên , 

Metdriemaeltebeueni z.oogUdtwai'twerk^gtiAen. 
Maer de Hooftleermeefter der dichtkunft Horaüus zingt beter aldus : 
Dees Schildery moogtgy van bj bekijken : 

In d' ander heeft meer welftants uit der hand : 
De derde z.al in 't donker vry wat lijken : 

Maer deez.e , die 'tfcherp oordeel en't verfiant 
Des kenners niet oniuet , kan 't licht verdragen : 

JEen ander jlach naer eens te zjen verflout : 
Maer dez,e z.al u meer en meer behagen , 

Schoon gyze tien ja hondertmaelbefchouwt» 
"Eer ons Terpjichore nu verlaet , zoo moet ik mijn Schüderjeugt waer- Menkania 
fchuwen , van doch altijts in de wel aengewende aendacht wakker te de konft te 
blijven : want fchoon de geleerden zeggen , dat de goede Homerus fomtijts ^"^ 2*^°' 
wel flaperichfchijnt, zoo heeft zich niemant tebelooven, van wederom 
wakker te worden , als hy in de kunft eens aen 't fluimeren geraekt is. Beek 
udan vry in, dat gy uw geheel leven lang als tegens een fterk ebbende 
ftroom moet roeyen; dieu, zoo drae gy ophout in de riemen van wakker- 
heyt naerüichte reppen, terug zal fleepen. Men kan, zoo 't blijkt, in 
de kunft noit de zelve blijven, want men vordert, of men deynft achter- 
waerts. Ik zal u niet zeer moeylijk vallen met dit te bewijzen, dewijl gy 
het dagelijx aen alle meefters befpeuren kunt. Den ouden KaÜimachusy die 
200 vry van alle verwaentbeyt was, dat hem zijneygen werk nimmer en 
voldeê, jae die'tverfmaede en verachte, waerom hyook Kakiz.otechms y 
dat is, konft verachter genoemt wiert , verloor zelf door 't geduerig blokken 

H h alle 



24* T E R P S I C H o R E. 

alle bevallijktieyt , zoo gevaerlijk is *t, zelf een bequamen geeft onbehoorlijk 
te pijnigfen. Vanjakob van Pumormo wort gezeu^ti dat hy in de kunft te rug 
liep, toen hyhemzelfe pijnde, om alle anderen en zich zelven teovertref» 
fen, endathy, dit merkende, van droefheyt ftorf , (choonhyecnmenfch 
was , die boven alle dingen voor de doodt vreefde. Hoe zou dan iemant « 
flie het vucr van zijne wakfcerheyt laet uitgaen, en als kout wort, de zdrc 
man blij ven P Jae TifMfM zelve wilmen, heeft deze te ruggedrijving , door 't 
Vcrflappen zijns ouderdoms, niet kunnen wederhouden, want men zegt 
dathy dedingienj inzijnbloeyendentijdtgedaen, op'tlaetfl: wilde verbe- 
teren, en dat hyze dapper verergerde, maerditzal, nae mijn gevoelen, 
innetticheytgÉwecftzijn: want dat zulk een man, die zich zoo geheelijk 
had overgegeeven , om de natuer, met penfeel en verwen, beitiptelijk 
nae te volgen , in d* opmerking verflaeuwt zouw hebben, kan in mr niet 
koomcn. Ook heb ik in andere gezien , datzy, alshaereoogeneenichiins 
door den avont des ouderdoms verduiftcrt wierden , met te meerder ftoutig- 
heyt het penfeel begoften te handelen. Wy moeten onze rol hier afkor- 
ten, dewijl Mf/pöWfffp reets met geopende gordij iien ten tGHieeJe treet. 



MEL- 




I 



MELPOMENE, 

De Treurdichtfter. 

Het zevende Boek. 



U 



Inhoudt. 



Elpomen ten Toneele op Treurfpel afgericht 
Toont dat wat zicht baer is , ins Hemels gulde zaelen , 
Op d'Aerde , en onder d*aerd' , ja daer degeeflen dwaelen > 

'Die ztchtbaerheyt ontfangt door vuer of Zonnelicht. 
Zy meet het onderfcheyt van meer en minder licht en-^ 
In kleur en klaerheyt , en zy wijfl degraeden aen , 
Zy leert defchaduwen op 'tgrondichfte verjiaen -, 
En > verre ziende , rept vanfchoone Deurgezichten 
Is* t Treurfpel 'tfchoonfie , dat vertoont wort op 'r Toneel % 
De daeg-enfchaduwkunfi is hier geen minder deel. 

Op de Print. 

T T Ier is ons afgebeelt de braeffi der Zangheldinnen : 

'*- ^ Den Blixem vult haer vuiji^ zy heeft de Zon om't hooft y 

Enis aen* t Hemels vuer i ofeerApol^ verlooft -, 
Vulkaen kon zonder haer zijn proef/luk niet beginnen. 

Haer brantglasflraelt altijts , waer ofzyt wendt of keert : 
Treurdichters worden meeji door haerengeefi b er e e den : 
Fortuin , ofwel 't geval , verdraeit zich op haer fchreeden : 

Zyfchept vermaek int geen vermindert of vermeert : 
Ver donkert en verklaert : ontluikt ofraekt aen't zwichten j 
Met reden dan beheert zy fc haduwen en lichten. 



Hh 2 IN- 



244* 



MELPOMENE. 

INLEIDING. 



C. Malfatty 
fielt haerje 
vierdeMuze. 
Maer. V. 
Cartary de 
derde, daer 
hydus 
fpreekc: 
La ter:(a 
che é Mei- 
pomene , 
s'interpnta 
dilettatione 
fercioche /e 
la Scientia 
non dilet- 
taffe , mal fi 
ajfaticareb- 
ht alcuno 
f er acqui- 
fiarla, 
Melpomene 
fopra l' Ar- 
monia O" Ie 
Tragedie 
aljegnata 
ai Sole. 




Icht en Scnaduwc wort voornaementUjk van de Zonne be- 
heerfcht, endeZonvolgt den trant van MWpowcw. Zoo is dan 
Melpomerii de derde dochter van Unemofyne , met recht Mee- 
(treflevanditons zevende Boek. Zy fcherpt den lief hebberen 
het waere verrnaek der konft in -, zonder welk vermaek men bezwaerlijk iets 
leerenkan. Zy veftichtd'aendacht, en prikkelt den lull, om de U7aere ken- 
niffen der beminde kunften te bekoomen: Enzy, die gewoon is, meteen 
deftige ftem, Treurfpeelen uit te brallen, en in hoofTche broozen te ver- 
fchijnen , zal ons in deeze , hoewel korte uitkomft , haeren aert doen ken- 
nen : En gelijk het Treurfpel door zijn blijde en droevige gevallen zijn 
kracht bekomt , zoo deelt zy aendeSchilderkonftdenzelven luiüer mede, 
wanneer zy ons onderrecht, hoemen met kennis en oordeel moetdaegen 
en fchaeduwen. Maer eerze daer toe komt , zoo zalze van den opgang der 
Schilderkonft eenig verflag doen , en hoe , waer , en wanneer deeze konft 
eerft in't licht quam : en hoeze fomtijts , door de veranderingen der ^"erelt- 
fchezaeken, het hooft wederom heeft ondergehaelt , en als in een fcha- 
duwe verdweenen is. Zy zal hier inne niet buiten haren trant gaen ; want 
het bloeyen der konft wort te recht by den dach, daer en teegen het vervallen 
der zelve by een droevigen nacht , vergeleeken. 



't Begin der 
koaft, 



EERSTE HOOFTDEEL. 

Van V begin j opgang , en ondergang der Schilderkonft. 

E Schilderkonft is der Gooden vond , nebben eenige van d'ouden 
gezegt , andere hebben Prometbeui als den maeker van d'eerfte 
(latue verdight. Maer Suidas zegt van Adam aldus : Adam was 
d'eerfte ftatue, nae welke de konft van't beeldevormen gericht 
is. Zoo was dan d'eerfte ftaetue, namentlijk Adamy vanGodtgemaekt, 
gelijk lo/i wijf de tweede. Maer dit is te verre gezocht. d'Eerfte oorfprong 
der konft fchijnt de kracht onzer ingeboore verbeelding geweeft te zijn , die 
d'afweezende zaeken als in't gemoed fchildert , en dezelve door eenige 
merkteykenen aen den zin van'c gezicht poogt te vertoonen, of datze 
fenige bewerpfelen zoekt , die in het aenzien eenichzins overeenkomen 

met 




Het zevende boek, 2 4, f 

;t de denkbeelden, die wy van de waerachtige dingen hebben. Hierop 
rteltmen , dat zeeker Harder de fchaduwen zijner fchaepenallercerft met 
n ftafin het zand teykende; endathy, alsze weg hepen, metvermaek 
ere beeltenifTen op den grond zag, en daer door lult kreeg om deezc kunft- 
sep. verder te vervolgen. En wijders: Dat de dochter van Dft«r^/«^, 
)tbakkervan Sycionien, de fchiduwe van haer minnaers tronie van ter 
denmeieenhoutskooleopdemuertrok, om zijn gedaente, terwijl hyn",'^ 
den krijg was, gefladich voor haereoogen te behouden; dat de Vader dit 
ginfelopmaekte j en dat hier uyt deeerftelchilderye wiert. Zooflecht 
nbeginfel zou onze heerlijke konft gehadt hebben. Ofnudebeelthou- 
iryofdeSchilderkonft ouder is, wil ik niet betwiften, want ik geloof 
tze , als tweelingen van eender dracht , uit de Tey kenkonfl zij n geboren. 
Dch zeer ruw en ongelekt , want, gelijk Elianus zegt , d'alderoutfte Schil- 
rsmaektenhaeregelijkeniffen zoo erbarmelijk, datze'er , dit 's een os - 
:'seenpaert, of, dit 's een boom, moften byfchrijven. En deftokbeel- 
n, voor de tijden van Df^4/«i , waren zeer lomp en grof, met gefloten 
gen, neerhangende armen , faemgevoegdebeenen, en zondereenige 
nft. Ja zoo, datmen de mannen van de vrouwen niet enkondeonder- 
nnen, tot dit eenen Eumarus, alicsna'tlevendoende, hetonderfcheyt 
1 kunne in zijn werken deede zien. Hier moet ik bekennen, datmyjfw- 
<i wel te pas komt, wanthy vertelt een kluchjen uit i4f/;fM<£a;, dataldus 
t : Vaimentskus > uit het hol van Trophonius gekeert , was byfter grynich 
onluftich; maeralzoo't hem begon teverveelen aldus zijn leven te flij- 
n, zooginghyby^po//o te vragen, hoe hem het lacchen eens weder zou 
ften f 't Orakel antwoorde : 

Door 's Moeders zjcht 

Vw druk verlicht. 
y daer op fpoeit zich nae huis, en verhoopt door'tcerfte aenzien zijns 
oeders genezen te worden, maer vind zich bedrogen , en waent van ApoUo 
fpottezijn, totdat hyeyndelijkin'tEylandDelos komende , 'alles wat 
lerdich om te zien was,bezichticht,en terwijl hy graeg om't beelt van£<«ro- 
ApoUos Moeder te zien,yvert,met inbeelding van yet groots en wonderlijks, 
I toont men hem een oud wanfchaepen en Icelijk ftokbeelt, daer hy zoo ge- 
eldich om begon te lacchen , dat hem de drocfgeefticheyt verliet , en't cra- 
:1 vervult wiert : want hy verkreeg hier door 't zien van Apollos wanftaltige 
loeder, 'tgeenhyby zijn eyge] Moeder te vergeefs gezocht had. Deeze 
hoone beelden zullen moogelijk op die maniere gemaekt zijn geweeft , 
ilijkmen in't boek Sapiemiahed. Dat een timmerman het befte hout van 
.•n boom vertimmert, endefpaenderen in de keuken verbrant: Maer dat C-*/'- * 3- 
' de takken , die krom en flom zijn , befnijt , wanneer hy niets te doen en 

Hh 5 heeft I 



54.6 M E L P O M E N E. 

heeft , en dat hyze vlijtich en meefterlijk , nae de konft , die hy heeft , tot 
een beelt vormt, 'tzy dan van een menfch of van een veracht ^icr. Dat 
hy't zelve dan met roode en witte verwe aenftri jkt , en waer ergens iets hae- 
pert, 't zelve toeftopt. Dat hy dit, dusgemaekc zijnde, ineenhuisken 
acn den wand zet, en het met yzers verzorgt , op dat het niet en valle. Wat 
dunkt u ■'of men van zulk een werkbaesjen uit zulk een krom hout , niet wel 
een by Uer werklluk te verwachten hadt. 
Der go jen OfdeSchüderkonft by de Joden in gebruik geweeftis , weet ik niet: ja 
beelden z'jn gej^of eer neen : dewijl zymeeft in hutten en tenten gewoont hebben. De 
detoden;''^ beelden der afgoden waren hen recht na de wet een gruwel; (4)het bock 
(a,Cap,'i^. derwijsheit vertelt ook haren oorfprong. d'Oude Duitfchenzijnook van 
Tacitusin mcyningegeweeft, datmen de Heraelfche Gooden, ten aenzien van haere 
de :{eeden heerlijkheit , in geen Tempelen en tuffchen mueren befluiten kon , en dat- 
van Duits- ^^^ haer niet konmaeken nae de geiijkenHfevan ecnig menfchelijk wee- 
''" * 2en. Zyheyligden derhal ve de boflchen en geboomten, en die hoogfte ver- 

borgentheyt derzelver, diezy alleen met de eerbiedigheyt haerder harten 
aenfchouden, noemden zymetde naemender Gooden. Nunut Pompillus^ 
de tweede Roomfche Koning , was van den zei ven zin ; hy verboot de Ro- 
By de ecrfle meincntegelooven , datGodtde gedaente van een menfch of dier hadde; 
Romeinen; ^j^q^ datindeeerfle tijden binnen Romen geen gefchildert noch gegoten 
beelt van Godt was. Zy bouden in de eerfte hondert en feventich jaren wel 
Kerken en Kapellen, maer daer en was noch beelt nocheenige afbeelding 
van Godheyt binnen ; houdende het voor een fchennis de godheyt door iets 
aerts gelijkte verbeelden; dewijl God alleen door 't veritant te begrijpen 
is. Numaes offerhanden waren ook niet anders , dan een weynich uitltortens 
van meel, wijn, of melk, maer hy gebruikte andere liften om het volk te 
beguichelen , haer wijs makende , dat een van onze Mufaes hem onzichtbaer- 
lijk onderhielt, om zijne leeringen kracht te geven. Waer in men zeyde 
ByJePy- dat hy Pythagorai, en miflchien meer andere navolgde, die 't volk, door 
tbagoriften. een fchijn van onzienlijke hulpe Gods, tot hen trokken. Want T»«owdc 

Phliafienfer heekelde deezen met dit vaers: 
X^iet verder PythagoiAS de Tovetkur bedroog 

hy Plutar- Elkjen , als hy fchijtiheyluh voor het oog , 

Metjlemmicheyt x.ijn fchijndeugt wïft te dek^n ; 
Om 't blinde volkjn waengeloofte treken. 
Zeker den Raet van Romen en hadde geen ongelijk , toenmcn , veeJ jae- 
ren daer nae, de nagelate boeken van den bceldehatendcn Nunktby geval 
opgroef, datze dezelve lieten verbranden, lat vrees dat hare ftadt, die 
alrecdevol van Godebeelden was, daer door mocht ontruft worden. Dit 
kunsje , van zonder beelden 't volk te verlcyden , heeft: den Arabifchen Ma- 

homet 



chus in Nu- 
ma- 



Het zevende Boek. 247 

feowrr met geen minder geluk, als iemanc van zijn voorgangeren, in 't werk EnMaho- 
geltelt, DeSiriers, gelijk Afo/z.^ van I^t^w zegt , hebben beelden gehad» ™"'*c»cn. 
van gelijken d* inwoonderen van het gebergte tfraiin , als onder anderen 
2Wifh4,dieeenLevijttot Prieüer hadde. De Philifteen hadden 't beek van ?«^'f-i8- 
Dagon, Maer de T yriers en Sidoniers hadden de beelden al vroeger. Zoo 
ookdePetfen: D4rJw hadt het beelt van Jm/row^, Cyrwidochter, ingout 
vaft gehecht. En MandrokleSide Satnier bouwfoeefter, maelde d' overbrug- 
ging van den Bosforusen Koning D^riw zittende op een Medifchen troon, 
en voerende zijn heyr over, nae 't leven af, en wijde dit aft)celfel den Tem- 
pel van Juno toe, metditopfchrift: 

De Bouwvoogt Mandrokles , die '/ tiAeuw van Boiform , 

Deide overbruggen , op 't bevel van Darius , 

Heeft dit gedenkfiukjiier aen ]iino toegetpijt , 

Dat hem totglorj en tot Samoi eerged^t. 
Den eerften opgang derverwige Schilderkonft (want eerft maekte men 
by de Grieken een verwige Schilderyen , die men Mö«ocl;row4r4 noemde) is 
door grooten ouderdom verholen. d'Egyptenaers, Lydiers , Tuskanen 
en Grieken hebben , nevens de beelden, de veelverwige Schilderkonft ge- p.^ '^°"'^ 
oefiFent. Maer voornaementlijk toen X«rx« Griekenland met oorlog hadde 2°^]^^^" 
aengetaft, en dezen gevaerlijken tocht buiten verwachten tot voordeel der 
Grieken uitviel , waerdoorzy, vijftich jaereninruft envreede zittende, 
rijken weelich wierden. Toen, zeg ik, fteldede konft haerzeetel in de 
Griekfche fteeden, voornaementlijkt* Athenen, daer Plji<i/4*geenvande 
minfte was. Welke leefde ten tijde van Perikiesen Tbemifioklet. Vijf-en-dar- oWj^paJe. 
tigjaerendaer nae bloeide de tweede Poltgruot ten tijden van liiceas, dce- anno muodi. 
ze verbeelde de tronyenzeer levendig, en gaf zijn vrouwen fchoone ver- 3484. 
fierfelen. Vijftien jaerendaer nae was J/jöÜedorwi in kragt, tien jaeren daer ^° Olymp: 
nae waeren Zeuxisy Demon, Parrhafiusy Timanthes en lupompes , diede^j. '^^'* 
Sifionifche manier van fchilderen inbragt ; want men had buiten deeze noch 95. 
de Jonifche en de Attifche. In de hondert vierde olympiade lichte Pampbilut 
en lufranor. Maer veertig jaeren daer nae, en over de 300 voor Chrtjlus m. oiym. 
geboorte, rees de konft met de Griekfche Monarchy totdentopvan vol- Aniu.36ji. 
maektheyt, vjant Ariftides , ApeÜes t Melanthius , en ontellijke andere, heb- 
ben ten tijde van Alexander de Gro§t gcbloeit, als in de rechte Schilders eeuw. 
Toen vernoegden zich de konftenaers niet meer met de natuer na te volgen , 
zoodanich alszeis, maer zooalsze behoorde te zijn. Sedert de doot van 
Alexander men zy door de oorlogen zijner nakomelingen wel eenichzins ver- 
hindert , maer zy hielt ftant in Egyptcn, En toen de zevende Koning ^^ Egyptco. 
Ptobmeui C4r/fr^frfi veel voornacme mannen uit zijn rijk dreef, en in bal- 
lingfchapverzont, 200 zijn de konften weder met hen in de Griekfche Ey- 

landen 



Dacrnatot 
Romen. 



Wou we- 
der/proken. 



Eerftebeelt- 
penoingen 
cc Rome. 



Was in PU- 

niiK fijcl aen 
'j zakken. 



24.8 M E L P O M E N E. 

landen vcrfpreyt. Want deze lieden, in goede konften onderwezen , heb- 
ben uit nood de zelve geoeftent , om haer te geneeren , en hebben die we- 
derom aen anderen voortgeleert. Onder dez e Eylanden was Sicilien geen van 
deminfte, en de Hooftftadt Siracufaftofte op de kond. Maer Marcellus, 
die ftad ingenomen hebbende , voerde het meeftendeel der fchoonfte Tafe- 
reelen, Schilderyen, en Beelden, nae Italien, om Rome daer mede te 
verderen , 't welk van te vooicn niets byzonders noch heerlijx hadde , noch 
kende, van'tgeene onze konft betreft : want in ftede van deze aerdige 
en bevallijke verfieringen van Schilderyen en gefncede werken , zoo zach- 
iner niets dan Barbarifche wapenen, ruilingen, roofgoederen , en bloe- 
dige zeegeteykenen , kroonen , en merken van overwinningen en tri- 
omfen 5 zeer fchriklijk en afgrijslijk om aen te zien. En dit bracht Mar- 
cellus dapper in degunfl: van de gemeente, als zy zagen, hoeheerUjkhy 
de ftadt van Roomen met de Griekfche konflige werken verheerlijkt had- 
de. Hoewel 'er veel luiden van aenzien MarceÜus berifpten , van dat hy 
over de ftadt een groote nijdicheit der andre volken verwekt had- 
de^ vermits men 'er niet alleen de menfchen, maer zelfde Goden, in 
Triomf had omgevoert , en gevangen hielt : en datmen 't volk , dat te voren 
niets wifl:,als van den akker te bouwenjcn ten oorlog te gaen , nu gaende ge- 
maekt hadde, om dengeheelendach deur te brengen met van de konftige 
werken en de vermaerde meelters te praeten. Maer MarceÜus, zich hier niet 
aen ftoorende, vernoegde zich met by de Grieken te roemen, dathy de 
man was, die door de Griekfche konften, binnen Rome, zooveel lief- 
hebbers verwekt hadde. Sedert fteeg de konft in top, want of men zeggen 
wil, dat 'er te voren reets kopere penningen, ter gedachteniffe van 
St-.CafmSi die van zijn vader gedoodt was, omdat hy nae 't Rijk hadde gc- 
ftaen , gemaekt waren , dit is nochtans geen opgang van de konft geweeft. 
En fchoon ook Plinius getuigt, dat deSchilderkonft haereerfteen voor- 
naemfte aenzienelijkheyt te Rome bequam , door het toe doen van Ai. Va- 
lerius Maximus , wel veertich ]3iei: vooi Marcellus, toen hy hetzeegevecht, 
daer mede hy de Karthaginenz^n met famen den Koning Hi^roin Sicilien ver- 
won, aen de een zijde van het Hoftilifche Raethuis dedefchildercn ; zoo 
is dit maer een voorbereyding geweeft , om de oogen des volks tot het zien 
van de Griekfche tafereelen bequaem te maeken. 

Van Marcellus tijden af rees de konft , en bleef bloeyende tot eeven in het 
beginfel der Keyzeré.Maer't geen wonder is,men leeft nergens wat vermaer- 
de Schilders'er toen geleeft hebben : als alleen van eenen Ladius een Land- 
fchapmaeker, en weynig andere. InVlimus tijd was zy weder geheel afge- 
daelt ; dewijl alles met Marber en gout > in fteede van Schilderyen , bedekt 

en 



Het zevende Boek. 249 

en beklect wiert. En fchoonze ten tijden des Keyzers Hadrianuiy dieze Annoiio. 

zeJfsoetTende, 't hooft weer een vveynig opfUk, gelijk als noch te zien is «nweymg 

in de heerlijke beeldekoloni, van hem ter eeren zijns ooms Tr;ïji<w«j opge- °"'**^ ^' 

recht, hoewel andere zegeen datze ten tijde van Tr4;4««i,en in het zevende , 

• •• L °° • L . j I j • j j • An.io6.iij. 

jaerzi)ns njx begonnen, en in het veertiende voJeynd is, daerde verivin- 

ningen van dien vorft tegen de Dafen, en andere volken op'theerlijkftin 
ge{needenzijn, zoo zeeg de konfl in 't weüen al wederom, en neigde nae 
den ondergang: enfchoon'erhierendaernoch uitmuntende meefters wa- 
ren, gelijk blijkt aen de noch ftaendeuitfteekendekolomine van Amoninus, AnDoi7S. 
hoewel ten deele door de barbaren verduiftert , en ten deele door den blixem 
verbrant, maer van Paus 5/xrtti de vijfde herftelt , en boven met een koper 
verguit beek van den A portel Paulus verfiert , daer de daden van Al. Atirelius 
in de Markomannifche oorloogen , en hoe JupiteTy door 't voorbidden der 
Chriftenen, flagregens en blixemen onder de vyanden zend, op gegra- 
veertftaen, zoo zijn de konftenaers eyndelijk overal uitgeftorven , gelijk 
men befpeuren mach in den zeegeboogc te Roomen , tufTchen de ber- 
gen Palatinusen Celius, niet verre van 't Kolofleo of Amphitheater van 
Domitianus y ter eeren van F. KonCtantmus eebouwt, daer men den val der . 
konlt merkelijk in zien kan. Want het is eenoudt en algemeen gevoelen, weeraen't 
datdeSchilderkonften Beekhouwery altijts gelijkelijk klimmen ofdaelen. doelen. 
Enfchoonindeezen boogeveel goede dingen gezien worden, zoo zijnze 
uit de kolomme van Trajanus , en uit andere geraept. 

Maer het luft my den loop der Beelt-en Schilderkonft onder het Chriften- 
dom van wat hooger op te haelen, en de vertellingen, die geloofwaerdige 
fchrijvers daer met ernft van doen , hier in te laffen. ,Zy verhaelen dan , dat 
de Heere Chrffitu zelve zich niet ontwaerdigt heeft van uitgefchildert te 
worden, en dat T^^t^rwPrinfe van Edefl'en een Schilder heeft gezonden om 
den Heere te konterfeyten : maer dat deeze Schilder dit niet en konde 
doen, omdengrootenfchijn, die zijn aenfchijn van hem gaf: endatdaer- 
op de Heere Chrïftui den doek nam , en de zelve aen zijn aengezicht duwen- 
de, zijn beeltenis daer in drukte, en dat hy dit aen Aqbaruizondt omzijn 
godvrugtige begeerte te voldoen. Dat dit waer is , betuigen veel oude fchrij- 
vers, jae de Grieken pleegen 'er op den zeftienden Augufti jaerlijx een 
feeftdach over te onderhouden; en dit zelve beelt zouindenjaere944tot 
Konflantinopolen vervoert zijn geweeft , daer het zich ook wederom op een 
nieuwen doek volkomentlijk heeft laeten overdrukken. En om kort te gaen, 
dit beelt zou veel mirakelen gedaen hebben, en als noch binnen Roomein 
de Kerke van den H.Silvefterbewaert worden. Wijders betuigt het Conci- 
lieder A portelen, zegtB^roM/w, tot Antiochie gehouden , dat onder an- 
dere het beelt oiues Heeren aldaer plach te zijn. En dit, vervolgt hy,is geen- 

I i fins 



250 M E L P o M E N E. 

fins om te verwonderen , aengezien, toen de Heere zelfs noch op der aerden 
was, hy geitel t is geweeft in een kopere beek, van de vrouwe, die hy van de 
roode loop had geneczen. Welk beelt over de dryhondertjaeren is blijven 
ftaen , tot den tijd vanden verloochenaer jf«//4W»« toe, te weeten, inde 
ftadt Cefarea Philippi , booven de poorte van het huis der gemelde vrouwe : 
en waren eygentlijk twee kopere figiiuren op hooge pylaeren geveft ; d* een 
als een vrouwe, die met een weynich gcboogen knienen uitgeftrekte han- 
den iets fchijnt te verzoeken , en d'ander als een man,die manierlijk gekleet, 
met een geftrekte rechterhandt haer verzoek fchijnt toe te ftaen j en dit zou- 
de nae de gelijkeni/I'e onzes Zaligmakers gemackt zijn geweeft. Eufcbius be- 
tuigt dit werk gezien te hebben: maer hy noemt dit, als den Chriltenen 
vreemt , een heydenfe gewoonte : gelijk hy ook zegt van de geene, die Petrtis 
en P4tt/«j beelteniffen te zijnen tijde vertoonden. Nochtans fchrijft Tertul- 
liaiiuii datmen de beelttnifTe onzes Heeren op de kelkken plach te fnij- 
den, in gelijkenifle van een Harder , die een fchaep op de fchouderen 
draegt. Jk vind ook , als de Chriftenen meeller wierden , en de Af- 
goden afwierpen, dat zy de waeie konft noch uit eerbiedeniflé verfchoon- 
^. den ; want als de Keyzer Tfcfo^<?/;«5 met den Romeynen verdroeg, datmen 

^'^ voortaen alle Heydenfche offerhanden zoude ftaekcn, de feeftdagen af- 

Anno Chri- fchaffen, en al de ftaende beelden der afgoden omfmy ten , zoo wiert'er dit 
fti 3 8 j>. bygevoegt : behalven de kpnftige beelden , dte van de vermaertfte beelt fn^ders ge- 
maeki waren. Want deez.e z^uüen bltjven ftaen ^ of tot verfieringe van de ftadt ^ 
maernïettot afgodcndtenft verplaetfiivorden. Zoo dat d' oude Chriftenen zel- 
ve de konft gccert hebben, tn of wel de meelte deezer beelden naedeihmd 
van de Gothen vcrbrooken zijn , zoo zijn'erontellijke onder d'aerde be- 
waert, ennaederhand, in beeter tijden wederom opgedolven ; gelijk 'er 
dan ook noch te deezer tijd fomtijts eenige in 't graven gevonden worden. 
Wat de Chriftelijke kerken aeng3et,zy waren, nae 't gevoelen van zommi- 
Epiplunius 8^"» onverzien vandeminfte Schildery, gelijk men kan merken uit den 
vtiiclicuit brief, die £p/pf)4wi«j BifTch op tot Cyprus aen jfofc^«« te Jeruzalem fchrij ft: 
ccn gcichil- Als ik met um de heylige ftadt Bethel geweeft was, zegt hy, enwyin 't dorp 
.^'^1^"^°° * Anablataquamcn, zoo zagen wy een licht, en vernemende, dat 'er een 
" Kerke was, zoo ging ik daer in om te bidden , maer in den ingang van de 

Kerkdeur vond ik een gefchilderdcn voorhang , ofvaendel, en daer boven 
nochiets, dat my ontfchotenis , eenbeclt C/)r»/f/, ofvaneenen heylich.- 
ikditziende, datmen in de Kerke, tegen het gebodt der heyliger fchrift, 
eens menfchen beelt hing, hebbe'tgefcheurt, en denkofter geraeden een 
arme doode dacr in te winden om tciïegraeven. Nu heb ik een anderen voor- 
hang gezonden: marrgy, wilt de prieftcrs dierplaetfebeveelendieaente 
neemen , en voortaen gebieden , zulken voorhang in de Kerke Chrtfti niet 

meer 



Het zevende Boek. ifi 

meer op te hangen; wijl het tegen onze Religie en geloove is. Maer B^iro- 
nius gelooft , dat dit in den brief van Epiphanius door eenig godloos rabaut of 
beeltftormerisingelapt. Hoewel de konltook ouder is, en de luiden van 
eeren haereeygene afbeeldingen in huis hadden, zoo wierden 'er echter te 
dezen tijden, als Theodofius de jonge regeerde , al beelden in zommige 
Kerken gezien ^ enditquam aldus by: Pontius Paulinusy Bifichop tot no- ^^^ ^"^cerft 
lan, beitond jaeriijx met zijn volkeen geboortedach te houden, waer op iudeLrkcn, 
zy eerlijk leefden : deezelietaldereerft de mueren des Tempels overal met 45°' 
figuuren uit het oude Teftament befchilderen , op dat den gemeynen difch , 
door het aenfchouwen der oude voorbeelden, tertichtelijkeren betamelij- 
ker mochte gehouden worden, 't Welk ook zoo oorbaerlijk bevonden wierr, 
datmen het voort in alle kerken naevolgde. En dit zoude , nae zommiger 
gevoelen, den aldereerftenintredt der beelden in de Kerken geweelt zijn. 
Hoewel de konfl, mijns bedunkens,even nae deeze tijdt , door den inval der 
baibaeren, ophaerfterven lag. Cedrems (chnjft , dat het katolijk volk, ° ^°^ 
noch wel vijftig jaerendatr i>ae, eengrooten oproer gemaekt heeft, om 
dit de Key zer Attafiafms, in zijn Palcys, zekere monfters van beelden had- 
de doen fchilderen , die geen gelijkenifle en hadden met de kerkelijke beel- 
den. Maer wat monfters dit geweeft zijn , is duifter te raeden. Een, wijl daer 
nazondKeyzer jf«/rmM«tti de derde aenden Paus te Romen, een gouden 
fchup offchulp, twee zilvere beekers, en twee zilvcrefchotels, vijftien 
pond zwaer. En zijn krijgsoverfte£ie///<jn»ivoegd'erbyeen zwaer gouden An. <ss<. 
kruis , met edel gefteente v-erfiert , toen begon de konft weer te herleeven , 
zoekende een yder der oeffenaers iets te maken om bekent te worden. Maer 
dewijl alle treflijke voorbeelden vernielt waren, 200 kan ik my niet inbeelden 
dat de konft dezer konftenaeren veel om 't lijf gehadt heeft. Dit was in den 
tijd van Paus Gregorius de Groot t die des Schilders grootfte vyandniet en 
was, vermits hyde Schilderyen, onderden naem van der leeken boeken, 
inde kerken voorftond, niet om dieaen te bidden, maer om den volke 
meteen begrijpelijke maniere teleeren. InhetzefteConcilium, tot Kon- 
ftantinopolen gehouden, beflootmen, datmen dit zelve Concilium in alle j^^^^^^ " 
ingangen der kerken zoude fchilderen j maer de Patriarch Johannes lier, 
met hulpedes"KeyzersPb///pp«5, hetweederuitwifTchen, 't welk nochtans £^ afgeftclt 
door dennaeften Pausen Keyzer weder vernieuwt wierr. Daer nae kreeg weer aengc- 
de konft, onder den Keyzer I« den derden, weer een harde fmak, vermits "o"^^°- 
hy tot Konftahtinopolencengebodt liet uitgaen, dat wie de beelden van "i^Jil ^'^ ' 
ChriftusjMaria, of eenig ander beeld der Heiligen hadde, hy het op lijfltr iffe verbrand:. 
op de Mart zoude brengen , daer men ook al de beelden , die in de Kerken 
geftaen hadden, te zamen bracht , en met vuer verbrande ; enditgebodt 
wiert al hei land deur uitgevoerr. 

I i 2 Maer 



252 M E L P O M E N E. 

Maer de begunftigers der beelden wijten dit den Jooden , en zeggen , dat 
eenen Serantapikus, Kapiteyn van dit volk, en daer beneven een tovenaer, 
aen Giii^wjprinfe der Sarazynen beloofde, dat hy zijn rijk dertig of veertig 
jaer zoude bezitten, indien hy al de beelden , dieonderzijn gehoorzaem- 
nvTs °^' heyt in de Chrilte kerken waren, wilde afbreeken. Giz,?^Hi dit gelooven- 
Anoo 7i3 de , liet door al zijne landen een gebodt uitgaen,dat men van ftonden aen alle 
beelden en Schilderyen zoude afwerpen , uitfchrabben , veifcheuren 
en verbreeken , 't zy datze waren op paneelen , mueren , heylige 
vaten , kleederen , autaeren , of anderfins. En hier toe heeft hy ge- 
zonden een deel Hebreenen Arabiers, die niet alleenlijk de flaende beel- 
den, die tot fieraet op de marten ftonden, om verhaeldenen verbranden 9 
maer ook alle fchiliierwerk uitwifchten, 'tzy met kalk of met verwe; nae 
den raedt van haere dolheyt. Jehannes Damafcenus van deeze Iconoclajlen , dat 
is, beeltftormers, f preeken de, zegt, datzy de zelve in klcyne ftuxkens 
hebben gebrooken en in 't vier geworpen: datzy de geene, die op de mue- 
ren gefchildert ftonden, hebben uitgevaegt, zommige met warm water, 
andere met kalk, en de derde met inkt. Maer T/jfopfo^wfi betuigt, dat Gix,i- 
dus , in plaetfe van lang te heerfchen, binnen anderhalf jaer ftorf, en dat 
Anno 7»? ^')" ^°°" Ulidusde beelden niet alleen wederom ineeren oprechte, maer 
PausGre- dat hyden Joode Serantapikys ookdeede terwraeke om den hals brengen, 
goorbf- Maer Paus Gregonm de derde heeft de konft wederom herftelt: want hy 
fchcrmcdc hgeft „iec alleen binnen Rome verfcheyde kerken opgerecht, en de zelve 
met veel koftelijke Schilderyen verzien, d'eene van den Zaligmaker , d'an- 
dere ran de H. Moederen Maget Maria, de derde vaneenige Apoftelenof 
andere heyligen , maer ook , door een Concilie van wel daizent BifTchoppen 
en Prelaten, de Schilderyen en beelden tegen Keyzer Ltabefchermt : ver- 
biedende fchatting aen hem te geven, en hem Itraftende met den ban. Toen 
herkreeg de konft weer nieuwe zenuwen, totdat Z,cöo; zoon Konft ant ^ n d^ 
af^efteir!^* lijfde weereen ftokin't wiel ftak , met een Concilie van driehondert dertich 
Anno 787. geleerde Grieken. Eyndelijk wiert tot Nicea de konft, door eeven zoo 
En weder veel bifl'choppen , uicdefchrift verdeedicht, en hoemenze achten of eeren 
^"^'^^' zoude, aldusbefloten; 

Nam Deus eft , qttod imago docet , fed non Deas ipfe : 
Hancvideaty fedmemecoltu-, quodcerniiinipja, 
'tlsGodt, ddtdiibeeldleert^ doch Gode z.elf is' t niet i 
Zie aen i eert met uw hart , 'tgeenge m't genwed als z.iet. 
Anno 800. Dit gaf voedfel aen 't pinfeel , en de kontt fpreyde zich toen weer , nae 't 
An.8i4.8Kf vermogen des tijdts, in alle landen uit. Hier toe hielp Keizerin htreney 
/}ootende haren zoon, den konltvyand Konft antijn den ze^en, in den kerker, 
en fteekende zijn oogenuit. Eu hoewel naderhand weieenige wederfpor- 

Jin- 



Het zevende Boek. 25-3 

Jingen voorvielen , 200 heeft Karelde Groot in 't vveften daer genoeg in voor- 
zien. Maerin'tooflenheeft Keyzer Leo Armenikusdebeeldeneetlï weder- 
om in twijfel getrokken, en daernae tegen de voorftanders der zelve dap- 
per gevv^^ed. Macrzijn nazaet Micbael liet dic wedetom opltellen, behal- 
ve te Konrtantinopolen. Daer en tegen was Theophilus , die nae hem regeer- '^""° ' ^'• 
de, de beelden niet alleen vyandig, maerhy liet yder een by de kop vatten, °^ ^°' 
die de zei ve niet en verzaekte. H »er mach ik niet overflaen 't geen *er vertelt 
wort vaneenen Monik, gezegt Laz^arus, een groot konftenaer in 't fchil- 
deren, nae dien tijdt, deezen zocht de Keyztrinallermanierenmet zoe- 
tigheyttot hem te trekken, maer L^z^rtti bleef onwillig, waerover hem 
de Keyzer zeer wredelijk heeft doen pijnigen, en in den kerker werpen, 
Den Monnik zijn gezontheyt weer bekomen hebbende, heeft wederom 
eeven dapper,enopeen nieuw begoft heylige beelden tefchilderen, dies 
hem Theophilus de palmen van zijn hand met gloeijende yzere plaeten liet 
verbranden: maer hy is door 't bidden vande Keyzerin verlolt, en in de 
kerke van Sim Jan den Dooper verfteeken, daer hy echter, zoogeÜeltals 
hywas, het be&Jtvan dien voorlooper gefchildert heeft, gelijk hy dan al 
zijn levenlang, en zonder ophouden in'tfchilderen van heylige beelden 
volhardig bleef. Deeze Keyzer Theophilus is delaetfteder Beeltllormers ^"'^ ''♦^ 
geweell; want toen hygedorven was, zoo hebben de Schilderyen en beel- 
den ruft gehadt, maer de konft helaes hadd'oogen gelooken, en ^leeze ^j^j°° '* 
Ruf^lievende Godin was allang uit de wereltgejaegt; want Europe haer 
gewoone zitplaetswas vervult van Barbarifche volken. Zoo dat men ner- 
gens leefl, dat in de volgende vier of vijf hondert jaeren cenich beeldt of . ^ 
Schildery nae de konft is gezien. Ikleezewel, dat 'erin den jaere 870 een 
M^riffcedf van Jeruzalem nae Damaskus gebracht is, dateerttjdtste Kon- 
ftantinopolen op een houten paneel was gefchildert geweeft , en dat de 
Schilderye, op het zelve bort, als levendig en van vleefch was geworden» 
daer geduerigeenhcelzamenoly van afliep. Dat den hremijt Paultu I^rre, "°^^*^ 
als hy een kopy begeerde van die Schildery, die onzen Zaligmaker nae 
Edeflen gezonden heeft, op Photias een Patritius verzocht, dat hyeen 
doek van de zelve 2rootte van dat heylig beek zoude nemen , en den zei ven 
davr op drukken en hem overzenden. En dat du gedaen zijnde, bevonden 
wiert, dat hetzelve aenfchijn Chrifü, dat zonder handen gemaekt was> 
door dat aenduwen of drukken alleen , volmiekteli jk is blijven ff aen op den 
nieuwen doek. Datmeneenige Schilderyen van Nicademus heeft voor den 
daggehaelf, en van dergelijke beuzelmarten meer. Maer wat de konft be- 
treft; het is alles plomp en lomp en Barbarifch geweeft, watmenin deeze 
eeuwen gefchildert, gefneeden, gebouwt, of gemaekt heeft. 'tZyook 
van hout , goudt > of eenigerley metael , gelijk onder anderen te zien is 

li 5 aeot 



2^4 M E L P o M E N E. 

aen de Keyzer-of Koninklijke Rijxkroon , Zwaert , Scepter en Appel , die 
de ftadt Neurenburg in bewaring heeftjzijnde van zo plompen en konfteloo- 
zenmjekfel, dat het te verwonderen is. En fchoon wyby Eratd uit den 
naein vmConradusj die in de kam te lezen is, gegift hebben , dat die kroon 
van Keyzer Koenraet al voor den jaere 1150 doen mackenis, zoo zullen 
wy 'er niets tegen hebben, zoo iemant voorflaet, datzeveel eer van den 
^jg ecrïïcn Koenraet y Koning der Franken en Duitfchen, al in den jaere 918 is 

naegelaten , om aen Hendrikyan Saxen zijn naezaet overgeievert te worden. 
Want van die Eeuwen af aen , is de kon(t ganfch vertreeden geweeft, en 
voornamentlijk in Duitslant, zoodanich dat de befte konftenaersde ge- 
daente-vanhet eenedier van het andere nieten wiften te onderfcheyden. 
Daerom moet het niemant vreemt dunken,als hy verrtaet , datmen, dit 's een 
Hond, endit'seenHaes, plachdaerby tefchrijven. Vi/ ant totn UladtsUui 
de tweede, Hartogein Bohemen, omzijn trouwe byllant, van Keyzer 
Frederikus inden jaere 11 58 tot Koning gemaekt vviert, en hem een witte 
LeeuwineenRootvelt tot zijn wapen vereert was, zoo had de Schilder, 
die 't wapen voor dezen nieuwen Boheemfchen Koning te fchilderen was 
aenbevolen, den Leeuw zoo ganfch onkenbaer gemaekt, dat de Bohemers 
twijfelden, of het een Leeuwof Aep was, en alzoo de konft dies tijts ech- 
ter dit gebrek niet en wift wech te nemen , zoo heeft Keyzer Frederik^ al la- 
chende aen den konftenaer belaft , hy zoude den Leeuw twee ftaerten, en 
die lang genoeg,aenzetten, op dat men hem immers van een Boheemfchen 
Aep zou konnen onderfcheyden. Hoe flecht ookdekonfthierin'twcften 
was , betoonen ook d* oude medalien der Gothen. Immers de konft lag 
doodt, jaezoo, datmen nergens in geheel Europe, ikzwijgevand'ande- 
De konft be- j-e deelen des werelts, uitgezeyt mogelijk Japan en Sina^ eenich meeftcr 
gmt weder- j^jgjj^l^jlj^j.j^Qj^^j^Qj^yj^jgj^^ En of' wel , ten tijden Cimab"é, door den 
li^o. overheervandeftad FlorenfeneenigeGriekfche Schilders ontboden waren, 

om de konft wederom op te wekken, zoo was't deerlijk, haere werken aen te 
zienj want zy maekten niet danftijveiiguuren , met platte tronyen, en 
ronde klapmutfen, eeven of erger als de Indiaenfche porfeleynen. En 
fchoon 'er nu al 400 jaeren , federt de laetfte beeltftormery in Grieken, ver- 
ft reeken waren , zoo zijn de ronde ofgefneede beelden in geheel ooften afge- 
keurt, endeGriekfche Chriftenen, fchoon zy de platte Schilderyen deur- 
gaens in haere kerken hebben toegelaten , zoo hebben zy de beelden en alle 
ver hee ven werk voor af goierye gehouden j en dit gevoelen blijft by henlie- 
den noch tor op deezen dig. En dus is 't geen wonder, dat men noch hier en 
elders Griekfche Schilders vond; daer de beeldhouwers echter geheel wa- 
Anno 1140. ren uirgeroeit. Mact Cimabué, tot herftelling der konft gebooren , ver- 
beeterde deeze botte Griekfche manier liiet zijn lijm-of ey verwen, doch 

zoo 



Het zevende Boek. i^r 

200, dat, dewijl hygeenraedten will om de driften en doeningen wel te 
onderfchey den , hy zijn beelden met letteren uit den mond gaende maekte, 
op dat men zoude kunnen leezen wat zy wilden zeggen. Dus wiert de konft 4 
doorhem, tïiAndrtesJa^y diede Mofaikook verbeeterde, en andere Flo- 
renrijnen wederom eengedaente gegeven, tot het eyndvande dertiende- 
eeuw , toen Giotio in kragt quam , dieze niet alleen te Horenfen , maer ook 
te Romen by Eenedi^m den negenden, te Avignon by Clemem den vijl:den,en 
te Napels by lC)ning Robben in achting bragt : terwijl de kluchtige Biif- 
felmacco hier ook 't zijne toe dee. Sedert wies de konit van 1340, al van 
lani^er hand aen , doch meeft , in 't gebied van Floren(en , daer Tomoé Ma- 
faccioh^er a\s teffensin top had geüelt, indien hem de dood niette vroeg 1443. 
had weg gerukt. Maerhet is vcrwonderens waerdig, dat, daer de konlt 
onder de fpitszinnige Italianen noch zoo jongen zoo groen was, ons Ne- 
derland zoo vroeg met rijpe vruchten voor den dag quam. Want Jan en Huy- i^oo 
bert van Eyk^, geboorente Mazeik op de Maes, hebben niet alleen, on- 
tient of voor den jaere 1400, wonderen met het penfeel gedaen , maer zy 
hebben, met het vinden van d'olyverwe, die tans noch booven alle andere 
manieren de kroon fpant,een nieuwe Schilderkonlt opgebrocht,die mogelijk 
voor de wafchverwe der ou len niet en wijkt. Welke nieuwe wijze van doen , 
dooreenen Antorieüo van Meflina,uit Nederland tot Venetienjis overgevoert, 
van waerze voort over geheel Italien verfpreyt is. Sedert bleef de konlt niet 
alleen te Florenfen, maer A. Mautegna oetfende die ook te Mantua, en binnen 
Rome,onder Innocemm d' achtlle. hn Leonardo da Vinfi bragt ze zelf in Vrank- 
rijkjdaerhy in d armen van dien konlt liefdiLen Koning den geelt gaf Onder- 1487. 
tufTché ontftak deu yver tot de konlt binnen llorenfen al meeren meer,voor- 
naementlijk toen Lamemde Mediceszl wat tot de geleertheit en koniten be- 
hoorde, in Grieken, daer fi^j^z-ft regeerde, liet opzoeken, en een leer- 
fchoole vol van Ancijkfche beelden met grootekolten oprechte, daerhy 
veel jonge Schilders en Beeldfnydersin acnfokre, daer den grooten Michd 
Jgnolo ook /ijn eerftc zog der konft uitgezongen heeft, Maer de vonken 
van dit vier fpreyden zich over geheel lialicn: want Venetien pronkte met i^ii- 
Giorgionet en Lombardyen met den wonderlijken Antouy Corre^io. Maer 
wat wonder was dit r' Duitslant had alreede l(rael van Menta , en tïupfe Maer- 
ten gehadt: en den weergadeloozen Alben Durer was reets inden jaere 
1470 gebooren, en arbeyde tot 1518 toe. Zwitzerland bracht ook, bui- 
ten vermoeden den zeer konftigen Holbeen voort ; en Zoeft in Wcli falen den 
y\yüs,€n Aldegraef, ]ae ons Vaderland was ook niet onvru^tbaer^ want het 
baerde , nevens veel andere , Geert jen tot Sint Jam , en Aen jenden luk*i van 
Leyiem lichten die de konft deurluchtig hebben gemaekt.Ik zwijge van Auto- 
mMoTO, Jan Schor el, Beemskerk^^vï Bkkiandt , al Schilders van d'uiHfee- 

ken. te 



1^6 M E L P O M E N E. 

kende flag. Terwijl het nabuerig Brabant op (^intijn Mejfp , JandeMd' 
buz^ey €n,omkort tegaen, op den vermaerden Frans Floriiy roem droeg. 
Maerons wederom over d' Alpen begevende, Italien bloeydenaeden jae- 
re 1 500 zoo fchoon,als men wenfchen kon , en de konft gaf een rijken oegft, 

Stcrfi5io. Toen blonk de Prins der Schilders RaphelvanUrbj>n als een Zon, totver- 
maek van j(«/i«i^fnrfr^f^^«,endenkonftliefdigen Leo den r/^Kriew. Toen leef- 
de 't penfeel door del Sarto tot Fiorenfen ; door Pordenone enden grooten 
Ttliaen te Venecien, door RoJ/ö te Parijs ^ door Pgltdooren Julio Romaen, 
SalvutienSuccar o ze Komen, door Fr4«jji M««i,z-o/; te Parma. Maerhetzou 
my te lang vallen al de grootemeefters, die Italien, nevens Tintor et ^ Vau- 

X600. loCdlüryy Veronees, Bajfariy deCaratfen, Palmaen Jofepvan Arpj/n, tot 

den jaere 1600 al gehadt heeft , op te tellen , en het zouw luy moeilijk zijn, 
al de voortreflijke mannen, die in dees eeuw daer gebloeit hebben , te 
fpcllen. Laet het dan genoeg zijn, dat wy zeggen, dat ganfch Italien dee- 
ze lactlte vier hondert jaeren aen de konft gefchaeft en gebeytelt hctfr , Ro- 
men haer gepolijft ; Lombardyen en Venetien haer niet alleen met 
fchoone verwen vcrficrt, [en blinkende vernift ,maer ganfchelijkhei leeven 
gegeven hebben. Zyis infchoonheytcpgew3fl'en,en bloeit noch door de 
gunlt der Vorften over geheel turope. En zeker, zonder deezegunft kan 
zyzwaerlijk beftaen : want toen het Pausdom eens, voor een korte tijdt, 
door Adrianus van Uitrecht , een vyand der konflen , beheert wiert, raekten 
ald'eedele oeffeningen in verachting^ en dekonftenaersfchiergefteltom 
van honger te vergaen. 

Daer en tegen klitnt de konft in top, wanneer dePrinfenzigin dezelve 
verluftigen; gelijk men tans in Vrankrijkgewaerwort, daer men de Schil- 
derkonft niet fimpelijk oefFent , maer met ordre en toeverzigt te werk gaet ; 
daennen in een hooge fchoole , mogelijk tr.et die van onze Muzen overeen- 
komende, behoorlijke leflen geeft: daer de Br«/»als hoogleermeefterof 
ProfeiFordetoezigt bevolen is, die prijzen aen de geene , die beft vorde- 
ren , uitdeelt , en een y ver vier onder de konftliefdige leerlingen acnftookt. 
Zeker, ik beloove my,dat'er wonderen door dat middel moeten voor den 
dag komen. Gelijk ik ook derf toezeggen, indien men met vlijt de fchcol- 
leflen van onze Muzen in 't werk ftelt. Ik heb de Italiaenfche meefters , die 
Italien vandeeze Eeuw gehadt heeft, overgeflagen. d'Italiaenen zullen 
zelfs haere landgenooten genoeg aen d'onfterflijkheyt opdraegen. Maer 
ons Nederland heeft, in't midden vanden woeften oorlog , in deezelaet- 
fte tijdt overvloei van treflijkegeeften gevoed, Braband mach zich verho- 
Taerdigen op den Grooten Rubens , en zijnen edelen difcipel Antonji van Dijk^., 
op den beezigen Jordaens , dev c^T^(el\\kenWUleboortSfOpJanvan den Hoek.y 
en Theodoor Yin Tulden j Schut y en ontellijke andere , dieikom kortheyt 

voor- 



Het zevende boek. 1 5-7 

voorby gae j want mijrf voornemen is niet yaa de Schilders , maer van de 
Schilderkonft , te handelen j een ander', ^t beter ti j4t heeft y mag haerc 
leevensbefchrijven, en Karel Vermandtr veryolgen. Om echtene too- 
nen , dat de konft , federt de Beeltftorraing in de voorgaende eeuw > in 
Holland niet geheel vernietige is, fchoon ons de befte loopbaenen, nae- 
mentlijk de kerken , daer door geflooien zijn , en de meefte Schilders 
zich dieshalven tot geringe zaeken , jae zelfs tot beuzelingen te fchilderen , 
geheelijk begeeven , zoo zal ikcenige met naeraenaenwijzen, die meed 
op 't gros der konft en de edelfte verkiezing hebben gezien. Als daer is ge- „jcrkcn dit 
iveelt Straz,io Voluto of GtUiam Termout , Lajinun , MJerevtlt , Theodorus al die van 
Babuere: Pieter Franfen de Grebbeti die d'eer Heeft, dat hy nevens andere Vcrmandet 
tot difcipelgehadt heeft den edelen en volmaekten Pieter Uetji , die in't hof ^^^°^^^ 
te Withal van Koning Karel den tweeden tans als een alderuitgeleezenfte worden 
bloeme bloeit j Hendhorfty Ravejiejin, den verzierlijken Rembranti nae de voorby ge 
dood van mijn Vader Theodoor mijn tweede Meefter : Jaques de Bakkiety g*"- 
Covert Titnki Gerrit Doutp, Stok^de, Jan Lievens , Mieris y Doudetnsy de 
Baen , maer holla , ik wil de tans noch levendige , om geen jalouzie te ver- 
wekken , overflaen. Dus is de konft opgeheven , en weder terneeder ge- 
worpen, geftorven en weder opgewekt. Doch ons Chriftenrijk fchijnt 
noch konftliefdig genoeg , om de Schilderkonft op haren troon te bewae- 
ren. Dusgy, die haeregunft zoekt, en nae haerendienft tracht, kom volg 
ons met verwen en pinfeelen in haer deurluchtige fchool, fla de handen 
aen't werk, en ftel de leffen, die wyufpreekende geven, aliwijgende 
te werk. 



TWEEDE HOOFTDEEL. 

Fan vee/er/ey Licht. 

E koleuren of verwen zijn veranderlijk door onderfcheyde ver- 
lichtingen, die eerft van de Zonne of van 't vuer veroorzaekt 
worden. Wy zullen overflaen wat de wijsbegeerigen van lux 
(licht) of van Lumen (fchijnfel) zeggen , en alleenlijk van licht en 
vcrlichtinge, zoo veel het onze kynft betreft, handelen. 

De eygentlijke koleuren der dingen ftel ik vaft, dat alleen in 't Zonne- ^ 
licht onver vaifcht zijn j want hoe onzeker men van een verweby kaerslicht ^\\^^^ e^n 
oordeelt, is een yder bekent. Alle andere lichten zijn niet anders, dan onvcrvaia 
wederglanfen, en deelen aen de dingen, die zy befchijnen , haer eyge ''cht. 

K k verwe 




2^8 M E L P o M E N E. 

verwemeede. De Zon alleen is hier vry van, waerin het waerelichtinde 
fcheppinge zich vergadert heeft, daer alle anderedingen onder de ftarren 
haer licht van ontfangen. Onze Poëet zingt op volgenden zin : 
W^ lagen als in dootfe en donkre naerheit , 

Ten waer de Zon , die 's weieis ruim gefiicht , 
Van't midden der Planeten , door z.jjn licht 
Herleeven deede in aengename kliierbeit. 
Van't Zon- Hoe veel het Zonnelicht van het licht eens zuiveren blaeuwen Hemels 
nelicht,en verfchilt, zult gy in eenfchoonen dacli beft gewaer worden : wanneer gy, 
vandeblacu- fgygijjegaende, defchaduwe vaneenich enckel dingindeopelocht, een 
^^ °^ ^' weynich afiftaende > tegen 't licht vergelijkt ; gy zultze geheel uit den 
blaeuwen bevinden. Nu zal iemant drijven willen, dat het Zonnelicht 
zich gloeiend en uit den geelen vertooont j ik zal dit garen toeftaen , in een 
lucht met warme dampen: want dan vertoont zich deZonnezelfvandie 
koleur, maer nimmer in recht klaer weder. Het Zonnelicht dan onbe- 
z walkt zijnde , vertoont de dingen oprecht in haer eyge verwe. 
Hoe aerdigh fchtet de Zon een blijde siracl 
Boor geene wolkj kom jonge Schilders, mael^ 
Met verwen afdeesfchaduwige wallen , 
En laet het licht opgeene torens vallen. 
Des da^e- Maer als de Zon haere ftraelen door nevelen heenfchiet , gelijkze in*t op 

r-:ts. en ondergaen gemeenlijk plachte doen, dangeeftze, als door befchilderde 

glazen , verkeerde doch aengenaeme verwen uit , en vermaekt het oog door 
die verandering. 

Wtens hart en ünn verheugt niet , als Auroor 
Int Ooft az.tiur bereyt het Zonnefpoor r* 
of doet het HeB nae d' ondergang noch blooz^en , 
En flroit op't blaeuw haer Leiyen en Rooz.en , 
Enfchildert in al'tgeene , watLC z.iet , 
Oranje op Purper in het ruim verfchiet ? 
Van ge- Het licht vaneen klaerewolk, tegen over de Zon ftaende, ishetZon- 

wolkr, nclichtaldernaeft , vermits het niet en verwt , maer aenyder ding zijn ey- 

ge en natuerlijke koleur laet. 
St Tch" 'tGefternt en de Maen geven een bleek en twijfelachtich licht j want 

fchoonde Maen, alsze volis, de voorwerpen van bergen en landouwen 
befcheydelijk genoeg laet zien, wanncerze haerfchoone gedaentein een 
ftille ftroom afdrukt, zoo blijven nochtans de, anderfms genoechlijke, 
boflchaedjen verfchriklijk om aen te zien , en de heuvelen en fpelonken zijn 
met vreeslijkheit geverwt. Ik heb een Manefchijn met deze eygenfchappen 
op 't aldernatuurlijkft van Johan Lievens gezien. Éenen Pieter Della Fransfek^ 

wiert 



Het zevende Boek. 259 

wiert in 't uitbeelden van nachten en duifterniflen geprezen. Op allerley 
aèrt van nachtlicht paft dit vaers : 

De bleeke hiaen verltcht met hleeke twijfeütchten : 
De blixemtn met hlaeuwe uit baere folferfchtchten. 
Het vuur fchtjntgloejend geel y maernarnenftooktofbr4nt\ 
En ookjpel bleekj en vael , doch mee ft in 't turref landt. 

Blixemen enweerlichten geven fomtijts brandige, maer meeft blaeuwe VanBlixem. 
lichten , zwaer om uit te beelden , 't welk nochtans van groote raeefters 
niet ontzien is: want men vertelt van ^pf//« , dathy weerlichten, Blixe- 
men, en donderende onweerenoverwonderlijkuitbeelde. En deze Hukken 
wierden Brontesy Aftrapes , en Cerannoboltu genoemt. 

Zommige vuuren geven dan, 't zy een doots, blaeuw , ot een zeer gloe- vueren 
jend licht, maer alle vuurofkaerslicht wort meelt door zijn kantige fcha- Kaersücht 
duwe van liet dachlicht onderfcheiden« De dingen door vuur verlicht , zegt 
Seneka, zijn anders, als die van een wijder licht omfcheenen worden. De 
kanticheif derfchaduwe komt, omdat het iicht van een kleine vlamme, 
even als uit een punt , ftraelt : en alleenlijk treft op de dingen , die het 
rechtlijnich kanbereyken, endaerhet zelve komt te miffen, fchampt het 
kort af, enlaet derefl onverlicht: daerde dachlichten, grooter zijnde , y^n'tdach- 
dan debyzondere deelen, diezy befchijnen, dezelve eenichzinsook als ijcf". 
omfchijnen, en door haere grootheit omringen. Maer dergelijke verlich- 
ting is ook by nacht door het behulp van veel lampen, kaerfen, of fakke- 
len, teweeg tebrengen. Ook zookanmen dekaerslichten, achter geo- 
lijde papieren geftelt zijnde, bynae als daglichten uitbreiden, 't Welk in 
toneelvertooningen , yoornamentlijk daer Schilderyen in te pas komen , 
daer een breet licht toe van noodenis, als ook in na 't leven teykenen by 
winterfe avonden, te pas kan komen. 



DERDE HOOFTDEEL. 

Fan degraeden vanfchaduwen en lichten. 

'c spel van 
E kanticheden, diedc fchaduwenvan eeneenich licht ontfan- den Scha- 
gen, zijn bequaemtot den aerdigen vont van den fchaduwen- duwen aos. 
dans. Die men aldus in 't werk ftelt. Men fpant, achter de gordij- 
nen van het bereydc toneel , een grooten en geheelen voorhang, 
van wit papier, daer na ftelt men achter op *t toneel , een eenige groote was- 
kaers;als 'er dan eenige Perfonaedjen tufl^chen het licht en den voorhang ver- 

K k 2 fctiij- 




26o M E L P o M E N E. 

fchiincn, de gordijnen geopent zijnde, zoo vallen defchaduwen op den 
papieren voorhang: die dichtftby't licht zijn fchijnen zeer groot, daeren 
tegen, die voor aen 't toneel zijn, minder. Welken dans, door aerdigc 
geeften gefpeelt wordende , vermakelijk om t€ zien is. Ik zal hier een print 
van een fchaduwcndans inlaffen , en vertellen, hoeg^eftichflt die heb he- 
ten fpeelen. 




DeCSordijnen opgefchoven zijnde, zoo vertoonde© zich , voor een 
menichtetoezienders, een dans van gehoornde Faunen en Veltnimfen, 
of, om beterte zeggen , haere fchaduv^en op Jen verlichten voorhang,vro- 
lijk, zoo'tfcheen, in't verwelkomen van den jongen Acts, en dekool- 
,2warte GaUté, terwijl Kupido in dé locht zwevende veelerleyfratfen be- 
dreef tot vermaek van de feeft. Daer op volgde den manken Vulkaen danf- 
fendein*3t midden zijner werkgezellen , viy ruim zoo groot als Retwen , 
zich fpoedende na Etna, om d'niterfte duifternis voor Pluto te fincöden. 
Dacrop^uam-dmen jGi«id»siwedetom met «en minnedans , dewcükcgc- 
eyndicht zijnde , izoofteldenzyzichinscolaoek v^nttonceltotoittlerlinge 

lief- 



Het zevende Boek. 261 

licfkoozery.En korts daer op fprong Poliphemus aen de ftranden hervoor, zich 
kemmende met een egge, en't fcheen ook , dat hy zijn baert met een 
zeyrfen ichrapte. Hy fpeelde op 2ijn hondcrt rietige ruispijp, ofiemant 
anders voor hem op grover fpeel tuig, en fcheen behagen te nemen in zijn 
bruine fchoonheit, tot dat hy, ^^«gewaer wordende, begon te bulderen. 
Galaté verzwond , maer haer minnaer wiert door Polipheem met een oor- 
kuflfen, ik wil zeggen, meteen ftuk van een rots verplet. Hierop danfte 
de Reus met zeege?prongen,en de Siklops in Mulcibers fmis begoften te fme- 
den. Wijder (juam'er een fchip met Grieken aen, die al t'famen van Po/j- 
^k^w gevangen, en met zijn fchapen in zijn hol gedreven wierden. Maer 
Jiy wiert van een der zelve, zoo'c fcheen, met een goede kruik wijn be- 
fchonken, en die uitgedronken hebbende, zette hy zich neer, en fcheen 
In flaep te vallen. Hier op quamen de gevangene met den ftaf van^de Reus > 
ofden maft van haer fchip, rechtende de zelve, en drukten die in het oog 
■ymFolipheem: hy daer op ontwakende danfte den blinden dans, en zocht 
•te vergeefs nae Ulijfes knechten . Eindelijk quamen de Faunen, Nimphen , 
en de bedroefde Galaté wederom , als ter lijkltafy van Acts. Maer Esk»lapms 
was reets bezich om hem weder op te wekken, Acii rees , en wert hoe langs 
fcoe grooter > verzwond , en verfcheen wederom , nu a;ls een menfch , dan 
flls een reus j dezentrant wiert van al zrfn geftoet gevolgt , dan fcheenen 't 
■Siklops , dan geftaerte Fautien , dan zachmen haer , dan niet , tot datz-e 
«indelijkalnaemalkanderinde papiere locht verdweenen. Ditfpel, hoe --. 
flecht, is voor den Schildergeeft dienftich , om het af kanten der nacht- hei" ° 
fchaduwcn recht te begrijpen, en het flraelen des lichts te verftaen. Wy 
hebben in deplaet verfcheiden beelden op verfcheide plaetfen geftelt , naby 
jen verre van 't lichteen, tot meerder bevatlijkheit, een vierdepartkring 
met de fijffèrs , i. 2.5.4. 5. ^.7. 8. befchre v-en, door welks middel de ver- Graden van 
mindering van licht tuflchen de ngueren A.B.enC. zeer licht tci>egrijpen kaosHcIir. 
is. Want daer een van de beelden A. door zij^nnabyJieit tot h« licht, ge- Vrrme^rdc- 
lieele 4 ftreeken beflaet , B. niet boven 2, en C. noch minder , zoo nweten ^'"g ofvcr- 
de beelden A. nootzakelijk tweemael zoo licht rijn , ds B > of zooveel °ï'°'^f""2' 
meer, als zyin't vatten der ftreeken vierichillen. Daer en tegen moetende 
beelden C, of andere noch verder , zoo veel minder verlicht zijn , als zy 
van minder ftraelen-befcheenen worden, 't Welk alles nader te berekenen 
ware, als men de ftraelen of ftreeken 1. 1. 5 .Sec. elk in 't'byzonder in vier of 
meer ftreeken verdeelde. Maer ickacht het genoech , dan een Schildergeeft 
alleen het begrip hier van hebbe, om alles deut het ©ogteleeren giften. 
Want heerlijker is 't 

'I>€¥^deniewttett, 

Ahaltijttemet'en. 

Kk 5 H«6 



26i M E L P o M E N E. 

Het vuer of kaerslicht is als het middelpunt van een kring.dat zijn ftraelen 
Ook van rondom affchiet. Dedingen, die verlicht worden, ontfangen die zoo veel 
SdiaduwfD. temeer, als zy te nader komen; en daerom geven twee beelden van gelij- 
ke croote ook zoo veel verfchillende fchaduwen, als indefchaduwen van 
de beelden A.B.C, te zien is. Want fchoon het beek A. niet veel boven 
de helft meerder licht, alshetbeelt B.ontfangt, zoo is desfelfs fchaduwe 
onvergelijkelijk grooter, niet alleen om zijn naeheit van 't licht , maer 
ook om de grootewijtte tot den voorhang , die in de beelden C. noch meer 
vermindert. Deze en diergelijke waerneming heeft al van outs Amijilus zeer 
beroemt gemaekt , in't uitbeelden van eenen jongen, die 't vuur opblies, 
niet alleen om de natuerlijkheit des blazenden monts , maer ook , om dat hy 
een heerlijk huis hadde uitgebeelt, dat door'tontfonkende vuur, opeen 
behoorlijke maete, maer een weinich verlicht wiert. Wy zullen wegens de 
graden van licht in't vervolg handelen. Lampen en brandende kaerflen zijn 
van GfrrirDo««' en zijn navolgers zeer zinnelijk gefchildert: Mzcr Hans de 
Vries heeft tot Hamburg , in een kapelle , een brandende lamp in een gefchil- 
derde kornis om hoog hangende, zoo natuerlijk uitgebeelt, dat'er veel 
om verwed wiert , of zy niet los hing en brande. 

Men mach ook, als't de zaek vereyfcht , wel verfcheyden lichten in een 
zelve ftuk te pas brengen. Francisko Parmens heeft zich hier van in een be- 
fnijdenis , die hy voor Paus Clemens maekte , loflijk gedient : laetende zijn 
eerfte figueren door een glans van't aengezicht Chrifti befchijnen , en 't om- 
zwierend gewoel door een toortze, enhetlantfchap en verfchiet door een 
opklarenden dageraet. Dit ziet men ook naeukeurich in den Sint Laurens van 
Titiaen waergenomen, daer het vier van onderen, en verfcheide toortfen 
ter zijden , elk haer by zonder werk doen. Zoo heeft Vazjtriin een Kersnacht 
de natuer van drie verfcheide lichten wel verftaen. 
I{efliEiie> Weerglans is wel eygentlijk een wederomkaetfmg van het licht van 

weerglans, alle verlichte dingen, maer in de konft noemen wy maer alleen refleöic 
of weerglans, de tweede verlichting, die in de fchaduwe valt. Devol- 
maektfte weerglans is fpiegeling; wantze haer oorzaekbyna gelijk wort. 
Spiegeling, behalven datze alles averechts of omgekeert vertoont. 
Komfchïlder my dien weerglans m denftroom , 
Van lucht y gewolkt y fteevep, en brug, en boom, 
En berg , en bouw van booggetinde boven j 
Hetfpiegelt üch al t'famen 't onder ft boven. 
Het drinkend vee , de vtffer , z.waen en ent > 
Enbiesenlis, vertoont ztch omgewent» 
De Spiegeling gefchict in water, glas,metael, gepoHjftenfleen, en 
dergelijke gladdicheit, maer de dingen, die mat rul en oneffen zijn , ont- 
fangen 



^rfchcide 
lichten in 
een ftuk ge 
oorloft. 



Het zevende Boek. ibi 

fangen maer alleen een gemeene verlichting, nadeverwe van*tgeen, daer Weerglans 
zy door verlicht worden, ooknadetuflchenwijte , en haere eygcnfchap. vanvcrfchcï- 
Eenfchoont bruit , om bruintcheit te mijde ^ ^^ verwen. 

Verfier ucb met wit lytvaet , witte z^ijde , 

En paerlen : 't wit defchaduw z,clf verlicht. 

Scharlaken root verblooft hetaengez,icht. 
Dte z.ich in' t groen des Zomers gaet vermeiden , 
Bj> Zonnefchtjn in beemden of in weiden , 

Defchaduw van z.ijn trony wortgeftelt 

Nae't groen of geel van 't klaer verlichte velt. 
Maer men moet deze tedere waerheit niet misbruiken ; want fclioon zicli 
geen verlichtding ontrenteen (chaduwe vertoont, of het deelt zijn licht 
enverweaendezelve meede; zoomoet men toezien, dat men hetgrootfe 
geheel door te veelfateringen niet en bederve. De tufTchenwijtte is in 't 
weerglanfen met die van't vuurlicht overeenkomende. En de eygenfchap 
van weerglans t' ontfangen is, als die van verlicht te worden. Eer wy van de 
weerglans affcheiden , zoo moet ik van den fchilderachtigen vond fpreeken, 
waer mede men al de dingen , die buiten zijn, ineen befloteen duiflcre 
kamer door weerglans kan afmalen. Gelijk ik tot Weenenbyde Jezuiten, 
tot London aen de Rivier , en op meer plaetfen wonder aerdich gezien heb- 
be. TotWeenenzachikontallijke menfthenineenkleyn kamertieopeen 
papier wandelen en keeren: en tot Londen honderden fchuitjes met volk, 
endegeheele Rivier, lantfchap en locht, opeen muer, en al wat rocrlijk 
was, beweegen. En dit maektmen aldus: men verkiefl een kamertje, bui- 
ten welx venlter eenige waerdige voorwerpen zijn, *t zy mart, wandel- 
plaets, of Rivier ; dit zalmen ganfch dicht donker maken, en dan in een 
venfter een rond gatbooren, {tellende voor 't zelve een brilglaesje, zoo 
zullen de Itralen van de dingen, die buiten in 't licht zijn, affchieten deur 
het gat , en zich gaen werpen tegen den muer , en met de 2elve verwe al 't 
geen, dat buiten is, in 't klein fchilderen , doch alles het ondeHle boven. 
Maer indien uw kamerte groot is, zoo moot;tgy, nader by, een papier 
hangen i 't zal ookgoet zijn, dat gy lang blijft zien ; want in'teerlt zijn 
de oogen de donkerheit ongewoon, en zoo becjuaem niet. Ik ben verzekert , 
dat het zien van dezen weerglans in 't donker 't gezicht van de Schilderjeugt 
geen klein licht kan geven i want behalve dat men de kennis van de natuer 
verkiijgt , zoo zietmen hier wat gros of generael een recht natuerlijke Schil- 
dery behoorde te hebben. Maer dit zelve is ook te zien in verklein qlazen en 
fpiegelt jes, die , hoe welze de tey kening wat verbuigen, het gros aer kolo- 
reeringe en houdinge zuivcrlijk vertoonen. 

Door- 



2Ó4. M E L P o M E N E. 

Doorfchij- Doorfchijningis, wanneer eenich ding, een licht bedekkende, noch- 
tans zoo vaft niet en is, om hetzelve geheel te beletten door te fchijnen, 
als kriftalle vaten, glazen, gordijnen, ja fomtijts tedere naekten, of, 
dat beter te gelooven is , een vlakke hand voor een kaers. 



rins 




VIERDE HOOFTDEEL. 

ff'at defchaduwe , fchamping , en dikte der locht j 
aen dt verwen verandert. 

[Udflen Volignoot en al zijn tijdtgenooten fchilderden zonder 
fchaduwen j maer tot de zaek. De koleuren of verwen zijn 
veranderlijk door verhinderingen van eenige lichaemen , die 

SthaJuwcn. ^^^^f^ de zelve befchaduwen , ofdoorfchampingen. De bepalingen 
van de fchaduwen worden in de perfpeöive gelcert. De veranderingen, 
dieze in de verwe maken , is nademaetevanhaere donkerheyt, Weynich 
fchaduwe geeft na haere maete wcyniger verandering in de verwe , maer de 
volle duifterheit raaekt alle dingen gelijk j dat is, geheel onzichtbaer. De 
fchaduwe is eygentlijk niets van zich zelve, maer eendervinge, ofce niet 

» r . zijn: 't welk den Outvader J//g«/?;«Mi, in zijn ftadt Gods, zeer wel uit- 
drukt. fVant, zegt hy, z^oowMineer bet gezwicht over de lichamentlijke gedden- 
tens loopt , z.00 en xJet het nergens dtuftermffen , dan ter flaetfe , daer bet begint 
mettezJien, Veeleflechthoofden roepen te vergeefs van klaere fchaduwen: 
de klaerheytmoet in het licht zijn, en defchaduwe mach nietklaer zijn. 

Schamping. fgjj ^y daer iets is , dat de zelve verlicht. Schamping is, wanneer het licht 
niet vlak op de dingen ftraelt, maer noes, gelijk langs heenen, en kan 
zeer bequaem in een ronde pilaer aengewezen worden : want het licht heeft 
alleen zijn volle kracht ter plaetfe, daer'tallernaeftis : komende door de 
ronde omwijkingmeer en meer te fchampen, totdat het zich eindlijk ge- 
heel in fchaduwe verheft. 

Dikte dsr De verhindering , die de gemeene dikte der lucht, of eenigen mift , ne- 

]ucht , yei of rook geeft , bezwalpt ook de verwen. En men ziet dat de koleuren 
der dingen ook vermindert worden door het verre afzijn , voornamentlijk , 
in de ope lucht; want die vermindering in een befloten gebouw,gefchiet veel 
meer door het verre afzijn van het licht , en verdonkering , als door de dikte 
der locht, die, hoe klaer weder het is , echter de dingen, die ver afzijn, 

Belet. belet en belemmert , omze zoo klaer, als van naby, in haere verwe te onder- 

fchey- 



Het zevende Boek. 2 6 f 

fcheydenj gelijk dit zeer aerdig door den zinrijken i<«f#«ii«indeezevaer- 
zen word uitgedrukt : 

Wat voorkomt in het licht , blinkt uit en triomfeert. 

De beelden tn 't verfchiet metfchAduwen betoogen , 

Verdwtjnen meer en meer > en glippen uit onz.e oogen. 
Weliswaer, dat de verkleyning in 'c verfchiet hier veel toedoet, gelijk- 
men door vergrootglazen genoeg befpeurti maer nochtans zoo en zal noit 
cenich vergrootglas defchaJuweklaer vertoonen. Hetlchijntdatdelocht Voorna- 
zelfineenkleynewijtteeen hchaem maekt , en zich met Hemelverwebe- mcntlijkdc 
kleedcnde alleen ofmeeft aen de verlichte dingen toelaet zich te vertoonen. Schaduwen. 

Aenmerk ookj, hoe 't verfchiet een klaerheit heeft , 

Hoefchoon vanlicht : tnjleé vanfchaduw z.wteft 

Een dikte van de locht , een z^acht verblaeuwen > 

Waer in 't gezwicht blijft hangen en verflaeuwen. 
De fchaduwen van zeer verre zullen eyndelijk het Hemelblaeuw berey- 
ken: ofdat van de Maen, wanneerze, haer hoornen beginnende te krom- 
men , haer ganfch befchaduwde zijde noch zichtbaer vertoont. Dit zach 
ik, meen vrolijke morgeltond, voor daeg op den Appenyrt rijdende, eer 
de Zon zich aen ons vertoonen kon : de naefte heuvelen en diepe dellingen 
genooten noch bezwaerlijk het lumieren, de landltreek ten wellen uit, Exempel. 
icheide zich tegen een blaeuwen orizond • maervry boven de zichtlijn be- 
goften zich op te doen , ik en wilt niet wat , hellichte punten, die korts daer 
opwel wolkjes fcheenen, maer in verwe de blinkende Maennatuerlijk ge- 
leeken : zy wieflen nederwaerts aen in licht , tot datze zich op de zichtlijn 
tot bergen nederzetten, die, fchoonze in 't begin ver boven d'aerde om 
hoog ineenblaeuwe lucht Tcheenen te hangen, zoo bevond ik nochtans 9 
dat het niet dan de dikte der locht was, die haer, zoolang alszenoch in 
fchaduwe lagen, genoeg verfchool , maer toenze verlicht waren, niet 
beletten kon zich klaer genoeg op te doen, zoo datwyze voorden krom- 
men Appenyn, daer hyLigurien van Toskanen affcheyt, bekenden. Wy 
moeten deeze dikte der lucht nu met oordeel aenmerken. Wy (tellen vaft, 
datze alle befchaduwde dingen buiten onzen orizont geheel doet verdwij- 
nen, ten waerze door eenige dwerfle glinftcringenzichtbaer wierden, ge- 
lijkmen op de heuvelenontrent Weenen, deSaltzburgerof Karnter Alpes 
haer befneeude kruinen, zelf befchaduwt zijnde, wel ziet fchitteren ; die, 
als'erde Zonneopfchijnt, als ftarren van zoo ver te zien blinken. Maer de 
dingen, die nader by ons zijn, moetmen nademaete van hare verte aen- 
merken, tot dat deze opmerking in de dingen, die ons allernieft zijn , . 
zich eindigt. Hoeveel minder dat deze dikte der locht de lichten vermin- ^i,!,^^^ 
dert3 zal een vlijtich onderzoeker licht uitvinden. 

L 1 Rook 



166 M E L P O M E N E. 

Rooi:. Rook en mil> van gelijken beletten meer de fchaduwe te zien, dan 't 

Jicht. Maer dewijl ik van rook fpreekc , zoo kan ik niet vergeten den fchoo- 
ncn , doch droevigen morgen des jners 1666, den 11 September, 't Was 
Sond^ch, en ik tot Londen in Wijtltriet ontrent mijn boeken bezich, was 
verwondert, datdeftraelen der Zonne zooroor en gloejende in mj kamer 
fcheenen.Waeropik de venfter naderende zach , dar een ruffefinook, die ik 
't zwerk waende te zijn, zuitweftwaert overwoey. Ik hielt my hierin geruft , 
tot dat ik, ontrent ten elf uuren voormiddach, eengroot gerucht op ftraet 
hoorde, want al 't volk liep ter naefte Kerk uit, roepende ƒ ff, jire, zoo 
veelte zeggen, als brand, brand, en gevraegt zijnde, waer, en hoer* 
Zoo wiert 'er[;eantwoort, dat de Franfen en Duirfchen deftad beneden 
hadden in brant geileken, en dat elkgewaerfchuwt wiert het zelveook el- 
ders te verhoeden. Dit was een vals vermoeden, maer de hand Gods en 
zijnrechtvacrdige gramfchapwas alleen oorzaek. Zeker, de Zonne fcheen 
dien dach zoo bloedich , dat ik fchrik daer aen re gedenken. 
Deftad , in brand , fcheen StygU woejien rowp. 

De Zonne deur den domp , 
Als vuerich taende , en fcheen zjoo rood als bloet , 
Haer flraelen eenengloct. 
Men kondc loth van zoodanich een licht doen befchijncn, als men hcvn 
fchilderde, daerhy, inde fpelonkc tot Zo4r, door den wijnen de troete- 
lingen van zijn dochters verhit , zich zelven, zijn huisvrouw,en *t brandende 
Sodoma vergeet: gelijk Moiz.es zegt, dat 'er een rook van den lande op- 
ging, als den rook eens ovens. Ons vaersop den brand van Londen ver- 
volgt aldus: 

Maer Sodomgafnoitfchriklijkerverfchiet , 

Als toen ons 't licht verliet : 
Toenjleeg de vUm als in den Hemel op : 

De Wolken in den top 
In 't vuur om laeg , vertoonden van rontom 

Een vuurige kolom : 
of wel een Hel y die pekken folferfpocgy 
Afgjtfsltfkyoor om oog. 
Mift.Ncvd. Van mift is elders by Thalia, in'tHooftdecIvan'tgcmatigtca"dinccren, 
gerept. 



VYE- 



Het zevende Boek. 267 




VYFDE HOOFTDEEL. 

Van licht en fchaduwe in 't gemeen , en desfelfs graeden , 
van lichter of donkerder. 

hn zaï oevinden dat hetÜcht, vallende in etubeflote kamer of 
gebouw, ten waerhet onmiddelbaer door deZonnewiert ver- , r 
oorzaekt, donkerder is, dan zelf de fchaduwen vallende in de bmnens hui 
ope lucht, daerde Zonnefchijnt. VVantdeeze van het befche- donkerder, 
nenlichaem vallende, hebben nochtans meer lichts van den Hemel , en ^^ndcfcha- 
andere verlichte dingen, dan de lichten binnens huis uit deurofvenüer '^"*^°"''^" 
kunnen genieten. Waerinzichgroote Meeflersdikmaels vergrypcn, la- 
tende het mindere van binnen het meerdere van buiten overtreffen. Laet vérmmd -' 
dan, om deze zaek wel te verlben, gezegt worden de klaerheitvanderingca. 
Zonne zelf hondert, maer haer licht, dat zy aen de dingen, die zybe- 
fchijnt, gevende is, tien te zijn : de fchaduwe in d'ope lucht vijf: het 
Jichtftein een kamer vier : de weerglanfen twee ; de opene fchaduwen een : 
deholle dieptens O : dat is, zonder licht, of ten uiterften donker. Hier 
mocht nu een konftenaer, om zijn voorneemen in zijn macht te hebben, 
met zijn verwen te rade gaen , en overleggen , hoe veel trappen hy beklim- 
men kan, beginnende van zijn zwart of duifterde verwe , als voor O, 
d'uiterfte donkerheit , tot d'eerfte trap i, van verlichting , ftel lak,omber of 
ombers waerde. Tot de tweede 2. de hoogte van bruinroot, TinAyeiie-,oï 
diergelijk. Tot de derde 4. 't Vermogen van oker of vermiljoen. Hyzal 
genoeg te doen vinden om met witten of maftekottten , of wat noch kiaer- 
der mach gevonden worden, de glanfen of fpiegelingen van hetuiterfte 
licht vijf, ineenkamertebereyken. Maer dewijl dit een zaek is, daermen 
niet te naeuwkeurich in kan zijn, zoo laet ons deeze verdeeling noch eens 
hervatten. Wy laeten de Zon buiten 't bereyk onzer verwen, enraeden, 
dat niemant zijn hooft breeke met dat licht, daer ons oog te zwak toe is, 
om het in de natuer eens aen te zien , nae te bootfen. Maer 't zy dat ^v van ^'^" ^"^^' 
voorneemen zijn iets binnen of buitens huis te verbeelden , \?}-^ zullen wel 
doen , als wy het in de volgende vijf graeden van licht en verdonkering aen- 
merken, gelijk wy't hier achter onder de plaet van 't Kamerlicht in vijf 
perkjes hebben aengeweezen. Wy zeggen dan, dat het geene vlak van het 
licht, datwy onderflellen buiten ons werk te zijn, befcheenen wort, een 
yolkomenltchtis, en dat des zelfs uiterfle glanfen , binnen 't vermoogen van 

L 1 z d'a^ 



ten. 



2Ó8 M E L P o M E N E. 

d'alderlichttte verwen, als witten en maftekotten , moeten bepaelt blijven.' 
Ik meyne hier niet, datinen geverfde kleederen of iets dat van natueren 
bruinis, noch zelfs het blanke naekt, met witten of maftekotten moet op- 
hoogen, want dat acht ik belachelijk; maer ik wil datmen deeze verwen 
alleen met d' al Jerklaerlte lichten vergelijke, enhaer dus met zijn gedach- 
ten inden eerftengraet ftelle. Inden tweeden graedt ttellen wy, als half 
verlicht , de fchampingen , en vergelijken die met onze mezetinte , of half- 
verwen opde bruinte vanookers. Inden derdengraet (lellen wy, als maer 
een vierdepart verlicht degemeene reflexien of wederglanfen , deur/chij- 
ningerr, en al wat in de fchaduwe eenige kennelijkheyt verooorzaekt j en 
vergelijken die tegens bruin root. De rechte fchaduwen , die echter noch 
eenich fcheemerlicht deelachtich zijn , als mifïchien een achtfte deel, 
ftellen wy in den vierden graet : en vergelijken die met omber. Maer de 
holle dieptens, die vanallelicht of wederglans berooft zijn, ftellenwyin 
den vijfden en laetften graedt, en vergelijken die met onze zwarten, en 
alderdiepf^e verwen. Deeze aenmerkingzalons voorzichtichmaeken , om 
niet meer t'onderneemen, als het vermoogen onzer verwen toelaet. Want 
als wy te hoog opheffen, zoo zullen wy om laeg te kort fchieten, gelijk 
een gebeurt, diein'tfchilderen van eennacluÜuk een brandende toorsof 
hen kaerfe voor aen ftellen : want zy hebben de macht niet , het refteeiende 
werk zijn behoorlijke klaerheyt te geeven. Retubrant hech de imet vaneen 
kaerslicht in eenige bruine printjes nae zijn vermoogen uitgebeelt, maer 
als men die lichjcs toedekt, zoo blijft de reft van 't werk donker ; daer wy 
gewoon zijn, als menonsietsby dekaerslaet zien , onze hand voor 't licht 
te houden, opdat het onze oogen niet en belette alles op 't klaerfien ken- 
lijkftteonderfcheyden. En zeker, wanneermen iets byzondersin Schildery 
vertoonen , en alles in volle kracht doen zien k\ïI , zoo is 't ook wd 
waert , datmen de vlam van een kaerfe of fakkel ergens doe achter fchuilen ? 
want die bloot hetende, zoudenze't vermoogen van onzen eerden graed 
van licht alleen behoeven. En zoo men zijn voornaemfte werk in volle 
kracht gefchildert hadde , zoo zouden 'er verwen tot de lichten ontbree- 
ken. De Schilder, die in Junoen Vaüai al de fchoonheedcn , die hy bedenken 
kon , gebracht had , en toen als uitgeput was, zette Venm van achteren. Zoo 
zal'took geoorloft zijn deeze lichten tedekken. Maenk wil degeeflendit 
voor geen wet opdringen. Heettiemant lult om de lichte vlam vankaersof 
lamp eens in zijn tafereel te doen fchijnen , wel aen, dat hy dien luft: vry 
boete , en 't verfchil, dat 'er tufl'chen 't licht en 't verlichte is , wel waer- 
neeme ; gelijk het van Geuit Domu en zijn naevolgers tot verwonderens toe 



J5 te weeg gebracht. 



ZESTE 



Het zevende boek. 



269 



ZESTE HOOFTDEEL. 

Van defchaduwen der Zonne , en haerejireekvallen. 





Aet ons nu voor eerft de fchaduwen der Zonne » en htiere 
flreekvallen befchrijven. Wel aen , ftel dat ly van achteren Schad&wfu 
bovenden Orizond, of de fcheydlijnin uwftuk fchijne. Laet ^^" dcacfe. 
dan uit de Zon A een lootlijn in B op uwen Orizond vallen. ^^"' 
Laet uw boomgebouw of Piramyde C, waer 't ook wil , geplaetft zijn, Laet 
dan de fchaduwlijnen , uit het punt B getrokken , deur de voeten van 
C Cheenglyen', 200 zult gyvooreerfl zien, welken weg de fchaduwen 
loopen moeten. Laet dan de lijnen uit de Zon A de toppen van de voor- 
werpen CC raekende , voortvaeren, totze de fchaduwlijnen aentrefFen : 
200 hebt gy de lengte , daer de fchaduwe aflaet ; gelijk in het punt D> daer de 
fchaduwe van de Piramyde C eyndigt , gezien wort. En dus , hoe gy de Zon 
hooger ftelt,hoe de fchaduwen korter wordc,gelijk men hier met een opflach. 
van d'oogen leeren kan^ tot bcfchaemtheyt van die Schilders, die reets, 
door haere andere gaven een naem verkregen hebben: en echter inditvai- 

Ll 5 len 



170 M E L P O M E N E. 

Icnder fchaduwen zoolosgaen, datzyhaere deurwrochte werken niet al- 
leen kreupel , maer zelfs befpottelijk maeken. 

Van de voorzon > en hoc al de fchaduwen nae de fcheydlijn op een zee- 
kere fteek ofpunt loopep. 




Indien de Zon recht van voren in uw werk valle, zoo moeten de fchadu- 
wen over al na de fteek of 't oogpunt loopen . 
Voorzon. Maer zoo men begeert, dat de Zon ontrent van yooren in het (lukfchij- 

ne, zoo ftel voor eerft u w oogpunt opjde fcheydli j n, daer 't uluft, in Ajftel 
dan in uw (luk de plaets op de fcheydlijn , daer gy wilt dat de Zon Hjnrecht 
tegen over fta , als in B , neem de juifte lengte van A B,en (lel C aen d* ander 
zy van A, dat A C en A B even lang zijn. Laet uit C een lijn opklimmen tot 
D, zijnde eeven de hoogte, die gy wilt dat de Zonne ftaet , laet uwpilaer, 
beelr, of gebouw E zijne fchaduwe na 't punt B trekken, daer zy onfeil- 
baer henen moet, als ftaende recht over de Zon. Laet dan een lijn uit het 
punt C langs de gront van 't werk,beelr, of boom E komen , en een ander uit 
D den top raken , makende het punt F^ dit punt na het oogpunt A gehaelt , 

zal 



Het zevende Boek, 271 

ical de fchaduwlijn deurfnydende de rechte lengde aenwijzcn. Hier is wel aen 
te merken, dat alle fcliaduwen nae het punt B loopen , gelijk in de Prent op 
den voorgrond aen de Paerdevoeten te zien is. Want in deeze waerneniinge 
wortgemcenlijk zelf by de befte konftenaers gedoült. „ 1 

Indien gy wilt darde Zon recht van ter zijden, 'tzy van de rechter of 
flinker hand, in uw (luk (chijne, wel aen, laetde dingen, zy zijn dan 
boom, beelt, pilaer , ofpiramyde, recht ter zijden uit fchaduwen. Nu is 
devraeg, hoe hoog dat gy begeert , dat de Zon is? Wanidikwilsis't noo- 
dich, datmen de tijd vanden dachook uitbeelde. Wy zuilenden liefheb- 
bers op een zeer lichte wijze hier van berichten. 

Verdeel den Zonneloop van dathy opgaet, totop zijnhoogft, gelijk 
als in den Zona Torrida, Heetenriem, in zes gelijke ueren , gelijk hier 
booven indeplaet vande voorzon, ter flinkerhandt in de locht, geteykenc 
ftaet. Dit is een zekeren wech om de lengtens der fchaduwen in een rechte 
bezydezon te verftaen ; en om alle moeilijkheit te vermijden , zoo kan dee- 
ze zon wijzer alleen ons genoeg doen: want verkies zoodanich een uur, als 
gy begeert, enlaeteenfchaduwlijn van den top van *t geen zijn fchaduwe 
geeft, afdaelen, die eevenwijdich met de verkoren uurftreekheenegaet, zy 
2al u de rechte'lengte van de fchaduwe wijzen. Of lult het u zelf te kennen te 
geeven , hoe veel graeden de Zonne hoog is, zoolaet uw linie eevenwij- 
dich met de begeerde hoogtens linie loopen. Maer dit's wat naeu w gezocht. 
De reden waerom dat ik deeze aenmerkinge hier invoer , is , vermits ik be- 
fpeurt hebbe, dat zelfs goede inzichtmeefters niet alleen zich vergrepen 
hebben, datzyopd'eenplaets van haer werk de fchaduwen, als of de Zon 
hoog, en opeen ander plaets als of zylaeg was, hebben uitgebeelt: maer 
ook tot vvaerfchuwing, voor die beelden 9 lantfchappen, of iets anders 
fchaduwen; datze mogen acht geven, dat d;^ lengtens der fchaduwen door 
haer ganfche werk een gelijkmaticheit hebben. Dit ?y genoeg van de 
Zonnefchaduwen in d'ope lucht, daerdievaüeen lichte wolk ook meede 
overeenkomen. 



Vani 



lyz 



MELPOMENE. 

Van 'c beflooten of kamerlicht. 




Het daglicht in een befloote plaets, 'tzy kamer, zaele, kelder, of 

wat des meer is, ftellenwy tweederley. Als van een gemeene lucht, of 

Van ccn ge- yan een in fchi jnende Zon. Van een gemeene lochc komen zy in haer llreek- 

ccac oc t. yjjjgj^ eeni"zinsmet het vuer of fakkellicht overeen , behalve dat zy zoo 

Kantig of fnel niet en zijn : want zy krijgen, nae de maete der grootheit van 

't licht , een weederzijdfche zachtigheyt f, en voornamentlijk , die naed by 

*c venfterzijn j want deeze van beyde zijden omfcheenen, verliezen zich in 

OfmctccQ een punt, en behouden haer voornaemftc bruinte alleenlijk inde inidJel- 

iBfchijncndc ftreek. 

■ De fchaduwen van een infchijnendc Zon binnens huis, koomen met 

dievand'oope lucht overeen , behalve datze fterker, en binnen *c bellek 
van deur ofvenfterbepaelt zijn, Albert Dwrrr heeft zich in een infchijnend 
Zonnelicht , in zijnen Jerontmus in de kamer , geweldich vermaekt . 

Hetaenmerkelijk in dusdanige verlichtingen zijn de weerglanflen en re- 
flexien , welkers llreekvallcn aldctbell raet het vuer of fakkellicht over- 
een- 



Het zevende Boek. 



273 



eenkomen. Wonderlijk heeft zich onzen Rembram in reflexeeringen gequee- 
ten, jaehetfcheenof deze verkiezing van 't wederom kaetfen van eenich 
licht zijn rechte element was, had hy hem maerwat beter op de grondre- 
gels deezer konft verllaen : want die alleenlijk op zijn oog en gewaende on- 
dervindingefteunt, begaetdikmaelsfeylcn, die denfpot vanleerjongers, 
ikzwijgevanmeefters, verdienen: en zoo veel temeer, daer deeze zeke- 
re kenniflen, voor die 'er zich eenweynig aenlaet gelegen zijn, zoo ge- 
makkelijk zijn te bekomen. 

Het vuur-oftoortslicht hebben wyjin den fchaducvendans vertoont, en "^'""-bm- 
genoeg te verftaen gegeven, hoedamch het vallen moet: naementlijk, dat J^hf^*^'" 
de linyen uit de gront van de kaers , degront van het khaduwcndelichaem 
deurloopen, en daernae door de lichtlijnen worden afgefneeden. Zeggen 
dan met Vermander tot befluit : 

Defchadutp neemt altijts haerjireek^ 
Van^t licht, als utt éénpunt of Jieek: 



ZEVENDE HOOFTDEEL. 




Fan de 'Deiirzïgtkunde. 

Ewijlgynu, óSchilderjeugt, door onze M^/pow^wcbegreepen 
hebt, hoemenligtenenfchaduwen ingraedenkanafdeelen, en 
hoemen haere ftreekvallen en bepaelingen moet waernemen ; zoo 
is'ttijdt, dat gy de Df«rz,i^ri^«n^fby der hand neemt, ominal- 
derley verkleyningen en verkortingen zeeker te gaen: en op dat gy, door 
de onfeylbaerheyt van deeze konft verligt, de ondieptens der doolingen, 
daer zooveel waenwijze Schilders fchipbreuk lijden, zeeker moogtdeur- 
zeylen. Deeze weetenfchap acht ik zoo nootzakelijk, dat ik ronduit ze^r- 
ge, dat zonder de zelve niet zeekerlijk iets goets te maeken is: gelijk men 
dagelijks ziet in de Schilderyen , die zonder 't beley t van deeze kennifTe ge- 
daen worden , datter fomtijts zulke onnoozele en belachelijke (maer ik wil 
liever zeggen erbarmelijke) misflagen in bcfpeurt worden , datdemeefters 
daer van hun fchaemtshal ven zouden verfchuilen, in gevalle hund'oogen 
eens geopent wierden, en dat zy 't zelf konden zien. Schoon gy niet en 
weet, zegt Seneka, waeromde breettevan een wandelry, nae'ioog der 
geene > die haer van verre aenfchouwcn , haer geflalte en deeling verlieft , 

M m en 



Dcurzigt- 
kunde, 



Hoc npotza- 
kelijk. 



In'' t derde 

boek. 

Van dcWcL- 

daiden. 



274 M E L P O M E N E. 

en zichin't uiterfte tot een benaeude engte inkrimpt, zoo dat de pijlers 
zich geheelijk fchijnen aen een te voegen , enz. zoo zal'tu echter niet veel 
fchaeden, dat gy in dit, datu niet vorderlijk is, onervaeren zijt; alscf 
hy zeqgen wilde, datdeezebyzondere vvetenfchap totdezeedige wijsheit 
niet en behoort. Maer dat een Schilder, diens werk het is, al wat in 't , icn 
beftaet wel te onderfcheyden, daer in onweetende zoude zijn, is niet te 
verantwoorden. De zelve Seneka zegt op een andere plaets : De pijlers 
van lange wandelryen fchijnen malkander te raeken , dewijl 'er niets lichter 
bedroegen wort, als het gezigt. Maer ik zegge dat een Schilder, diens 
werk het is , het gezigt te bedriegen , ook zoo veel kennis van de natuur der 
dingen moet hebben , dat hy grondig verftaet, waer door het oog bedroo- 
genwort. En deeze kennis brengt ons ook zoo ver, datwy befcheydelijk 
weeten , hoe verre het eene ding van het ander is, fchoon het in d* cogen der 
onkundigen als in malkander hangt. 
Waer toe Ik zal hier overflien uit te drukken, op wat wijze men door kaetslijnien 

dienende, tnismaekte gedaentens in fpiegelgloben , winkelglazen en filinders hier 
opregte form kan geeven ; dewijl dit meer konftgrecpen, dan nootzaeke- 
1 kk^ lijke weetenfchappenzijn. Maer nochtans behoordeeen mcefterde wor- 
j^cWt tels,. daer deeze vermieklijkheden uit voottfpruiien, te verftaen; om, 

in gevalle hem een fchuinhoekig , rond , of anders vreemt geltaltig gebouw 
of gewelf voorquam te befchilderen , niet verleegen te ftaen : want de 
welffels of wanden mogen zoo hoekich zijn , als zy willen, men kan 'er 
echter door deeze konlt zoodanig bedeelen , dat zy geheelijk een andere 
form zullen fchijnen te hebben , en men kan de hoeken en verkortende muu- 
ren zelf als weg fchilderen ^ en in gevalle nien dan daer beelden of hifloryen 
by voegt, zoo zal het alle verwondering , zoo 't anders varr een recht yer- 
F.neenklcy- fl-andigegedaenis, teboovengaen. Door deeze kenniffekanmenookeen 
"roor" 1^1 eyn vertrek zeer groot doen fcliijnen : dit betoonde Julio Romam te Man- 
docnfchii- ^ "3 , in 't paleys del T , daer hy den Reuzenftrijdt teegen de Gooden , in 
ireii. een verweifde kamer heerlijk verheelt hebbende, doorwegwijkendedoor- 

zigren 't gebouw, dat maer vijftien voetbreet was, ineen wijdflrekkend 
veld als vertoverde. F^trifi/» heeft hier ook wonder meede gedaen, gelijk 
tot Delft ten huize van den konüliefdigen Heer Zal: Do.Valentiusy en el- 
ders noch te zien is j roaer't is te beja.nmeren dat zijn werken niet ergens in 
eenvaft Koninklijk gebouw of Kerke geplaetfl zijn: want deezenaert van 
Schilderyen bint zich geweldig aen de plaets, daer menze toe maekt Wat 
wijders eenander voorden Keyzertot Weenen , en ook in Engeland met 
DePerrpe- decztr konfl te weege gebragt heeft , pafl my niet te melden. Doordeken- 
üyfkas. nifTe van deeze weeteufchapmaektmen ook de wonderlijke perfpedyfkast 

tlie. 



Het zevende Boek. ly^ 

dk, als7e regten metkennifle gefchildert is, een figuur van een vinger 
lang alslecvensgroot vertoont. Hetverftant vandeezekonÜgafacn Gm~ 
gione de ftourigheyt van (taendc te houden, en metter daed te betoonen , dat 
deSchilderkonli, zoowel als de Beelthouwery, een zelve beelc van veel zy- 
den kan laeten zien: wanthyfchilderde een naekte figuur, die in zijn werk Een beeld 
wel van achteren, maer vand'eene zijdein een fpiegel, van d' andere in van vier zij- 
een blank waepen, en vanvoorcn ineen glad afltraelende waetercjueel te ^^^"^«^'^11. 
zien was. Van Go/f^/MJi^aet ook iet dergelijx in print uit, daer Verius, ge- 
knielt zittende, van gelijken in een fpugei, als meedein hettakreel van 
een Schilder, die haerafmaelt , vertoont wort. DePerfpeótivenen door- Doorrigten.' 
zichten zijn, om haere aengenaeme bedrieglijkheyt, altij's en overal in 
hooge agting geweelK Hans de Vrtes heeft in de voorleeden eeuw menig 
menlchduenverv\ onderen, met het verbeelden van opene deuren, en in- 
wendige vertrekken, daer veelekonftig meedemisleyt zijngeweeft. Hy 
heeft ook zijn vlijt wel openbaer gemaekt j want hy meer dan vijf-en-twin- 
tig boeken van metfehyen, gebouwen, deurzigten en fieraeden heeft uit- 
gegeven. Deeze k<jnft der Deurzigtkunde is ook al by d' ouden gelukkig ge- 
bruikt , want als Klaudtut Pulcher zijn befchildert Toneel opende , zoo vlo- 
gen de Ravens tegen de gefchilderde teegelenom op te ruflen, en waren 
daer zoo wel bedroogen , als met de druiven van Zfwxw. Ook moet den ou- 
den Serapius deeze konlt wel verftaen hebben, toen hy de ftellagien der 
fchoufpeelen fchilderde , en Kalafes , die de Tafcreelen voor de komedian- 
ten maekte , en daer door grooten roem verkreeg •, want als dusdanige wer- 
ken d'oogen der aenfchouwers nieten bedriegen, zoo zijnzeeer befpot- 
tens alsprijzenswaerdig. Maer wat behoef ik veel byzonderheeden, daer 
deeze kennis dienftig toe is, aen te wijzen r" Dew^lmen^ alsgezegtis, z.on- 
derdex.elve, niet ter werelt z^ekerlijk goet kan maeken. Zeker, 't is den Schil- 
der fchandelijker, als den Poëet, ineenig deel verleegen te ftaen. Hoor 
wat Horatius zegt ; 

Wat roem ikjn* een Foeet ^ 

Daer ikjioch k^n noch weet 
Den eyfch van alle dingen , 
In haer veranderingen , 

Tejieüen 2.00 1 betaemt. 
of zal ikkonjl ontbeer en , 
Om dat ik niet wü leer en , 

Uit een verachte fchaemt i 
Neen zeeker , dit waer een kley nmoedighey t,die aen braeve geeden mis- 
ftaenzouw, dekonftisteedel ; daerom hebben alle voornaeme Meelters 

Mm z zig 



2-J6 M E L P o M E N E. 

zig van deze vvectenfchap verzien , jae den grooten E4pfo4f7fciiaemdezig 
Verkonin- niet de zelve van broer Buccio diSanMaik? teleeren. Want hoe zoudemen 
gen. eenige verkortingen konnen maeken, en echter doenfchijnen, als of de 

beelden haere volkome lengte hadden ? Hoe zoude Pbidias geweten heb- 
ben , dat het flordig beeld , dat hy tegen Alkjmenes om ftrijdt ge- 
maekt hadde > zig in de hoogte zoo fchoon zoude vertoonen ? Laet 
dit dan genoeg zijn tot betooning van de nootzakelijkheyt en nuttig- 
hey t deezer konft , flae den Paffer en den Maetftok etli jke winterfche niaen- 
den ter hand. Nu pafte 't my wel de gronden der Deurzigtkunde hier te ver- 
handelen , maer andere hebben daer zoo breet en omftandig in geweyt , dat 
het my verveelt, hier ter plaetze daer iets af, of toe te doen. En'tzaHn 
deeze myne inleyding genoeg zijn , dat ik u voor eerft een deel boeken in de 
Schryvers hand geef : lees dan, dien'tulaiïfofAlbertDurerj Hans de Vries, Maroldis, 
van de Per- GuidoBaldt, ofdcn nieuwen vond van D^iilrgttw. En mooglijk , zoo'tmjr 
fpcftijf. de tijdten de lufttoelaet, zoo zullen wy u door een toepad noch een veel 
korter weg aenwijzen. 



CAL. 



2/7 

C A L L I o P E, 

De Heldedichtfter. 

Het acht ft e Boek. 

Inhoudt. 

\^Er Muzen Konins^in Calltope berecht 

Ons door de Gratiën , hetfchoonfte uitfihoon te keuren , 

Een levendig bedrijf der beelden nae tefpeiiren : 
Terwijl Glycera vaft en krans' en ruikers -vleght : 

T)er verwen vrientfchap , ent verbant vanfchaeuw en daegeny 
Verkorten -i wijken ■> en ver heffen , of denvondt 
Van voor doen komen , wort getoont , en hoe men rondt, 

Maer om zich zelven en een yder te behaegen , 

En wel te leeven , zoo vermaent zy voort dejeugdt 
Tot goede zeeden , als Godin der ijuaere deugdt. 

Op de Print. 

DE Majefteit van dees Godin der Helde dicht en 
Wort hier int klein vertoont: haer was d' eendracht igheit 
Van al de Hemelen , by d' ouden toegeleyt : 
Een Scepter en een Kroon , daer Juno voor moft zwichten : 

Zy baerde Orfens , die door zijn ft em enftiaerenfpel 
IDe bieren temde en 't volck tot zeden kon verfpreeken. 
Virgieiwas als Homeer ook van haef geeft ontfleeken : 

^e drie bevallijkheenftaen ree de op haer bevel : 
Haer pracht verdooft de 'Paeuwjhoe fchoon van ft dl en kleuren: 
Haer Iteffelijken aèm alFloraes zoete geuren. 



Mm 3 IN- 



J78 C A L L I O P E. 

INLEIDING. 

Van de Gratiën in*t gemeen. 

^^^^^ Moeder van ürfeus? en voornaemlte der Zanggodinnen > die, 

^^^^^ .vanneerze al gelijk aenheffen , afsmeeftrefTedemaetflaet, en 

Calliope ^S^^M ^^g^n^che Harmonie maekr. Gy die gewoon zijt volkomentlijk 

tMito im- ^i^^^ je ieeren uitdrukken , . al'r geene door een goedt oordeel aireede 

to ptr'uxio- voor'tbeite gekeurtis. Uw naem komt van KaléopSy dat is goede item, 

»ie <// 5c/ew- waer meede gy al de uitvindingen uwer Gezellinnen verfierr. Gy zijt voor 

tia-iiy éU dewaere Hemeifche Venui bekent, en fchoongy onderde Dwaellichten 

fupenore,<3^ geen byzondere ftarre beheer{cht,zo eert men u nochtans als'. jodin van al de 

^'*/"? , Üerrekrinaen, daer cv in ^oo veelerley omzwaeyen de Harmonie en overeen- 
tutte Ie altre ,\ ,^ i • ^ • i . ' ••' ■ t j . 

effmdoche Hemmende orJemngmbewaert. Leerons nu in vveynicn woorden t geene 

mandol'hti- daer zoo veel aen vaft is;teweeten,hoemen een Schilderye metdevolmaekt- 
cme éperfct- heyt zal overllorten : en die konlt zelve , die den volkomen meefler maekt. 
tononha Qntdekons hoe het bykomt , dat zelfs overkonllige werken onaengenaem 
pwbijogno^ 2ijn ; en andere daer en tegen met haere gebreeken verluÜigen. Gebie aen 
ajuto-, »jdé"^ve ftaetjuffcrs de driebevallijkheden AgUje, Eufrofween Thalejfe , datze 
egli il fupe-ons vergezelfchappen, en de fchoonheyt, grafelijkheyt en bcvallijkheyt 
riore di tut- doen kennen-, Goodengaeven, die niet dan door een Hemelval te Ieeren 
fi' zijn. Doededuiüerheytvanonzeoogenaf, opdatwy dezoeticheyt,lee- 

F. C^rMr/ yentheytenlieflijkheyt, daer de werken van die groote Meefters, Apeües, 
'de Toficc ^'*P^'*^^ > P4r>»a«, envanD^k,^ meedeverfiertzijngeweeft , moogenon- 

derfcheyden. 
Gratie be- Zecker de Gratiën zijn 't , die een konftftuk ten Hemel voeren : wan- 
ftaet in de neer de volmaektheeden elkandeten gelijkelijk ontmoeten : wanneer de vin- 
ontmoetmg dinge rijken vernuftich is , deTeykeninge vaftenzeeker, de beroeringen 
y^ldr beweeglijk, d* omllandicheeden eygen , de fchikkinge groots en gcvoeg- 
Konft. lijk, de koloreeringe natuurlijk, en het daegen en fchaduwen op valte ree- 
den ftaet: en hier dan noch bykomt, dat Aglajede fchoonfte verkiezing 
daer toebrengt; dat Eufrofwe die op 't beft vertoont j en dat Thalej/e de 
hou dinge en Harmonie der verwen daer toe voegt. Deeze deugden by een 
te kunnen brengen maeken een volkomen meefter uit: want in d'eerlte 
toont hy zijnen edelen geeft , wanneer hy een bczienswaerdige zaeke by 
de handc neemt , en verwonderlijke uitvindingen tentoon voert .-in de 
tweede zien wy zijn groote ervarentheyt en vafticheytin deTeykcnkunft : 
in de derde zijn deurdringend vernuft , als hy de doeningen des li- 
chaems, endelij lingen des geeftes uitbeelt ; in de vierde wort men ge- 
waer, dat hy in alle deelen der konlt eryaeren, over al t'huis is , en tot 

alles 



Het achtfle Boek, 279 

alles raed weet: in de vijfde vertoont hy zijn meerterfchap , wijl hy van 
veel declen door 't ordineeien een geheel maekt,en zijn foldaeten als Hooft- 
man in gelee Jen kantellen: in de zelte en zevende deugden vvaer te nee- 
men betoont hy !^',ehecl:jk een Schilder te zijn, wanneer hyyderdino zijn 
natuurlijke verwe geett , en de lichten en fchaduwen behoorlijk waer- 
neemt. Maer al dccze deugden zullen den welftant miflen , tenzy'erde 
fchooneverkiezinge, debevallijke en levende vertooninge, en de lieflij- 
ke houdinge bykomt. En hier van moet ons C<«///op^ door de dochters van 
Jupiteren Eurinome de helpende handt bieden. 



EERSTE HOOFTDEEL. 

Fan de Schoonheyt , dat 'er een Kunfigere- 
gelde Schoonheyt is. 

At dan de milde en heerlijke AgU]e hervoor treede , en ons de 
fchoonheyt aenwijze, en haer verinoogen ten toon ftelle. Aii^o- 
teles gevraegt zijnde , waerom't geene fchoon was , bcniint 
wiert? antwoorde terecht, dat dit een blindemans vraege was. 
Want zeeker de fchoonheyt fchijnt wel iet Godlijkstezijn, dewijlze door 
een eenige verfchiji inge ten yders oogen tot zich trekt , en op een wonder- 
lijke wijze zoodanich de harten rooft , dat d'alderbarbarifte gemoedcn,door 
haer vermogen ,in hoe tenger een Perfonaedje zy zich voordoet , overwon- 
nen, petemt en gevangen worden. Maereerik voortgaemet vandekunt- 
fchap der nae de kunft geregelde fchoonheyt te fpreeken,zoo valt my in , dat 
de zelve van fom.mige kunlt onkondige zelfs ontkent is te zijn. 

Iranfukiii Bacon, van de fchoonheit fpreekende , brengt de konft in ver- Schoonhfit 
kleyning. Dat is het beüe deel van (choonheyt, zegt hy , 't welk geen 
Schilder kan uitleggen; noch door r,f en eerfleaenzien kan bemerkt wor» Chcis. 
den. En daer en IS geen zoo uitmuntende, die geen wanRal onderworpen 
is. Men kan niet weten of i4pfW«, ot Albert Durer, grootergek was,, van gj^p^s rc-^ 
welke deeene, een beeld van Geometricaleprcportien wilde maken, en gcnüclling. 
d' ander de befte deelen vanverfcheyde fchoonheden nemende , eene daer 
uit beftontteformeeren. Maer zulkeenafbeeldinge (dunkt hem} kon nie- 
mant behaegen, dan den Schilder zelfs.. Niet te min fdunkt hem voorts) 
zoo zouween Schilder wel eenbeeterbeelr kunnen maken, dan'eroit ge- 
weeft is, maer dat zoude door geluk, ofby geval, gefchieden^ gelijk 't 
gebeuren kan, dat een muzikant in zijn fpeelen een zoet geluit maekt,. 

2.on- 




28o C A L L I o P E. 

Hymtcnt zonder cenigen regel. Maerhierop moet een konftenaer uitroepen, óBa- 
deGraticr. l^ri! Uwhooge wijsheytdoet u dooien, en dit is vermetellieyt buiten uw 
leelt. Zeker 't geene G.Vofnuze^ty dat hoe groot ook een fchoonheytis, 
zy wort van verfcheide beelden overwonnen, gefchiet niet by geval i 
fchoon'er fomtijts wel eenige toeval van Uratie de hulpende handt toe ver- 
leent heeft. Onzen grooten Verulamius won vaneen ander fchrij ver nage- 
vojgt, hy meent, zegthy, de beiteineeüers hebben altijts de fchoonheyc 
geftelt in de gelijkmaeticheyt van deeien , of anders in een alderbefte mede- 
meetlijkheyt van 't geheel tot yder deel, en wederom van de deeien onder- 
, ling tegen elkander. Maer andere hebbenze in een zekere bevallijkheyt van 
toegeftemr" gedaenteen verwe begrepen, en om dat zy haer niet en kenden, zoo heb- 
benze haerals onkennelijk befchreven. £n dus voortgaende meent hy al 
Jjnde verder, dat wanneer kunltige Schilders een groote fchoonheit uitgebeelt 
BrusnJn hebben, het zelve geenfms deur regels van de kunit, niaer alleen dooreen 
:{ijnWit-. f]jch van 't geluk, en by geval gebeurt is. Ja hy meent, dat ^pfüei Schil- 
r^'^ deryen, die uit veelerleyfchoonheden getrokken waren, niemant anders > 

oe^-c. • aJ5 i^ejj^^elfzoudenbehaegt hebben ; noch hy w^il ook niet gelooven, dat 
de meefters, daer C/4«^;4««i vangewaegt, zijn Exempel volgden. Maer 
hy meent , dat het al luk op raek was , gelijk her werpen van Protogenes 
ipons , die hetfchuim, dat hydoor zijnkonlt nieten had kunnen volma- 
ken, uitgaf. Maer zulk flach van fchrijvers fpreekenals de blinde van de 
verwen, en voornamentlijk dezen j want fchoon hy even te vooren een 
juffer, voor zoo veel zijn verftant hem toeliet , na de kunft geformeert heeft, 
als hy op 't papier wierp : 

Luminafunt Melitm lunonia , dextra M'merva , 
MamtlU Venerisy fura mar is Domttu, 
Godinne Tbetjfs zoette aen Meltta de beenen , 
Ben boez^em Venw j de befneede handen fcheenen 
Van Pallas , hetgeücht van Jovis Gemalin. 
Of alshy een andere toeftelt, met een hooft van Praeg , de borftenuic 
Ooftenrijk, den buik uit Vrankrijk, den rug uit Brabant, de handen uit 
Engeland, de voeten vanden Rijnftroom, en de dgiejen uit Zvvitferlant: 
en zeet, dat dezeby een Schildery, die hy flelt gezien te hebben, niet 
haelen zouden-, zoo breekt dit des Schilders Regel niet. En hy bekent Itil- 
zwijgens, dat dien konftenaer zijn werk naeeen beter denkbeeltgemaekt 
Dat een ge- hadde. Alle menfchen, zegt Plutarchm, zijn niet begaeft met de zelve 
ftenaerv^a°n" oordeelens kiacht, 't eene gezicht is meer door de natuur of door de konfl: 
de fchoon- geholpen om het fchoone te onderkennen. Hieruit ontftaet het, dat ge- 
heycrcchc oetfcnde Schilders vaerdichlijk Van de geltaltensen gedaentens der dingen 
kan oordce- j^mj^e^ oordeel en. Zeker waenwijs Idioot riep volmondich uit, dat hy 

de 



Het achtjie Boek. 281 

dt Venuii die 2ftt>;« gefchildert hadde , niet fchoon en vond. Maer N/j^ö- 
machus zeyde, Neemt mijne oogen, en zy zal ucen Godinne fchijnente 
zijn. Het moeten konftverftandigc oogen zijn , die van de fchoonheyt recht 
zullen oordeelen ; en de recht kunftkundigemeefters hebben nimmermeer 
gemift eenwaere fchoonheyt, volgens de regelen van dekonft, voort te 
brengen, zoo dikwilszy 't zelve hebben voorgenomen ; 't welk hen lich- 
telijk getT.ift zou hebben , indien 'er geen vafte en zeekere regels by hun be- 
kent waren geweeft , waer in dat de waere fchoonheyt beftont. 

Hier oip zegt Albert Dureti Dat niemant uit zijn zin en gedachten een 
fchoonheyt kan uitdrukken: maer dathet noodigzy , datiemant, dieeen 
fchoonheyt uit zijn gemoed wil voortbrengen, dezelve daer in te vooren 
opgegatrt en bewaert heeft , door een vlytigenaevolginge , en datmenze 
dan voor diens eygen niet houden moet, maer voor een meefterfchapdoor 
arbeytverkreegen, die deeze vruchten baert, door het geene te vooren in 
't gemoed gezaeyt was : en die de van binnen ontfange gedaente als een ver- 
borgen fchat uitbrengt. Dat derhalven geoeffende meefters de leevendige 
exempelen, om haere beelden naeuit te drukken, niet vannooden heb- 
ben, dewijl'er door een lange oefFening, in haer gemoed zoo veel is famen- 
gevloeit , datze, al wat hun belieft,daer uit fcheppen kunnen. Vorder befluit 
hy , dat dit voortbrengen van fchoonheden van den ongeleerden en onerva- 
ren niet te hoopen is. 




TWEEDE HOOFTDEEL. 

^ e fchoonheyt wat ze is , en waer ze in bejlaet. 

K vraegde wel eer aen mijn medeleerling : Wat *er toch , tot 
overtr e ffing aller dingen i die onder onverbeterlijkjiaen, tebetraihten 
(lont ^ Hy antwoorder de fchoonheyt. Treflijk vourwaer. Maer 
nu zoo mocht ons wel een wijzen Paris ontbreeken , die van haer 

zouw oordeelen, om de rechte te kennen. Wy zeggen dan, datter een Wattcisin't 

fchoonheyt is, dat is, in allerley gedaentens een eenich allerfchoonfle, gemeen. 

't welk Momus zelf geen gebrek en zoude kunnen optijgen , noch eenich deel 

daer in aenwij/en , dat de gelijkmaticheic te buiten ging. 

Alle fchoonheyt des lichaems is een gelijke overeendraginge der deelen , stadt Goits. 

met een zeekere zoeticheyt en lieflijkheyt van verwe, zegt Augujlinm. En lib.ii.c. is>. 

gelijk wy {choonder en fchoonder gedaentens zien, zoo is, dunkt my, 

wel te begrijpen datter in haeren aert ook alderfchoonltens zijn. Even gelijk 

N n als 



182 C A L L I o P E. 

als uit veelerlcy by geval getrokkc ronden , het eene beter dan 't andere is ; 
niaer dat geene alleen volmaekt is , 't welk in zijn omtrek nergens te ver van, 
t: of te nabv zijn middelpunt buist. Alzoowortde fchoonheyt ook cezept te 

brcklijke zijn, zoodanich een gedaente, dievanalleonlchoonheden vryis, endes- 
volmaekte weecen een volmaekce gedaente. Beeld u nu vry zoodanich een Helmelfchc 
gcdacntc, yentism, waer van gy met zeggen kunt, dat haer voorhooft of neus te kort 
ofteiangis, haer oogenen inond tegroot of tekleyn zijn j jadatgeenich 
deel ofleedcken uw oordeel aenftootlijk is: en voeg'er dan de gratiën by, 
gyzultzeeker geen onbehaeglijk denkbeelt hebben, ro/^rww/** meent , en 
Alsmoocr. 't wort van veel geletterde toegeitaen, dat onze eerfte ouders zoodanich 
li)k ons eer- geweeft zijn ; 't welk niemand vreemt behoort voor te komen , aengemerkt 
ftcouders zy van ZOO volmaekt een mcefter gevormt zijn. En te meer, dat wy zien 
luddcn. dat veelerleyonfchoon heden uit quaedelocht, voetzel en landaert voort- 
komen , daer zy vry van geweeft zijn ; gelijk ook van het onderfcheydelijk 
krooft, dat de mcnfchen , door vcelderleye gebreken haerer voorouderen 
"eerft hebben , en noch dagelijks door nieuwe toevallen verergert, of ten 
minften verandert , aenhaere kinderen overzetten en meedeelen. Dewijl 
mynugeenSchildcry by de hand is, omuhaere gedaentens tevertoonen, 
zoo hoor Vondels Apollion. Hy poogt dit paer aldus na't leeven af te maelen ; 
Dit e'tfcht Natuurspenfeel , geeti verf, maer Zonnejiraelen. 
De man en vrouw z.ijn bey volfchapen , evenfchoon.y 
Vm top tot teen. Met recht fpant Adam wel de kroon , 
Door kloekhcyt vangedaente , en majejïeit van weez^tn , 
Als een ter hecrfchappj/ des aertrijkjuitgeleez^en : 
Mdet al wat Eva heeft vernoegt haer Bruigoms e'tfch ^ 
Der Iceden tedcrhctt , een z.achter vel en vleifch , 
Een vriendcl^ker verf, aenm'tnnïcheit der eogen , 
Een minnelijke mom , eeil uttfpraek^, wiens vermoogen 
Beflaet in eedier klank^; twee bronnen vanyvoor , 
En wat men bcjl verz.wijge , eer dit eengeefi bekpor'. 
Alhoewel nu deeze volmacktheyt,die wy onderftellen dat in dit ccrfle 
paer geweeft is , indcnaekomersnu min danmeer verkreupelt is, zooziet- 
inen nochtans fomtijts van de zelve ecnige verwonderwaerdige blikken: 
want de natuer vormt nu en dan fchoonheden , die men zoude zeggen , datze 
de volmaektheyt bereyken, of zeer nae komen: daer de konftenaersdan 
haere denkbeelden, die zy tot de volkomentheyt bereyden, naeverbee- 
tcren. 
fchoon['^t Dfwerr/Wiwaszoo wonderbaerlijk en uitnemende fchoon van gedaente , 
zegt Plutarcbus , (lat nieinant onder de Gieters of Schilders zijn gelijkenifle 
bccjuacni genoeg kon uitdrukken. Want gelijk men daer in een zoete be- 
val- 



Het achtfle Boek. 283 

vallijkheit, een aenzienlijke defticheit, eenftuerfe rchriklijkheyt, en een 
ganfch lieflijke fchoonheyt vernam, zoozachmen mede daer in een dapper 
zeltzaeme vermenging van zijn jeugdicheyt en ftoutmoedigheyc, meteen 
onnavolglijkcn heldachtigen fchijn, en Koninklijke lUeticheyt , die in 
hem te vinden was ; en nochtans hebben de befie Konltenaers desgelijks 
uitgebeelc, wanneerze het denkbeelt, dat zy in haere herfenen door de 
kond geteelt hadden, in haere werken voortgebracht engebaert hebben, 
Hi/p4ip« en zijn jonger broeder Z<jr;4dr« , Vorften van Meden, wierden 
over haere wonderlijke fchoonheyt voor Zoonen van Venuitx\ Aionnxxaoe,- 
fprooken. En nochtans zal een ervaren Konftenaer zoodanige kinderen , als 
't hem lufl , voortteelen , wanneer hy de waere Idu van fchoonheyt in zijn 
harfens heeft. 

Hetzyunu, metdenltaliaenen Duitfch, een vette poezel, met den 
Spanjaert een fchrapele, of met den Engelsman een goede Taly behaegt; .^Y^'"''' 
wantdeezer ftrijdige fchoonheden gefchil zullen wy niet ten eyndebren- ^ ^y^"^- 
gen, vermitsze in't reeden geven noch alle r>nverwonnen zijn ; zoomoet- 
men in alietleyaert de fchoonheyt zoeken, deeygene van de vreemde lee- 
ren onderfcheiden : en yder deel tot het geheel zoo gelijkmaeticht maeken, 
dat men niet en kan zeggen , dat het hooft te tenger is teegen de borlt , de 
heupen te breettegens de fchouderen, of armenof beenentezwaer. Maer 
het eene deel moet eeven zoo gevoed Ichijnen, als het andere. En yder by- 
zonder Ut, 't zy dan fchrapel of poezel , moet tot het geheel paflen. Ik LaSem. 
zal 'er 't geen La Serre zegt , by voegen: Indien gy weeten wilt , waer in de Wac de 
fchoonheyt beftaet? Ik zal u zeggen, dat dit in de gelijkvormicheit der '^'^°°"'^^" 
deelen is, en in d'eevenmaticheit der leedematen, d'eene na d* andere 
paffende. En indien gy nieusgierichzijt om 'er noch meer van te weeten: 
een vrouwe mach haerzelven nietfchoon noemen, indien zyniet fier van 
geftalteis: zwart, of asgraeiuv van hair: het voorhooft verheven, breed 
en glad, blaeuw, of bruin van oogen, en wel geklieft : zuiver en door- 
fchijnendvan verwe, met een kleyne mond, witte tanden, en een korte 
en wat gekloofde kin, kleinen boezem , en welgeplaetft, en het overi- 
ge des hchaems eenpaerich fchoon, naer alle zijn gedeelten, en daer en 
boven moet 'er noch een volkome gezontheytbykomen, eneenqeeft, die 
verwonderens waerdig is. Dus weyd La Serre, en zekerik houdehem al E/)//?.^j. 
vooreen verflandichkeurmeefler. Het en is geen fchoone vrouwe, zes.tSe- O^'^e 
nekAy vviensdgyen of armen prijswaerdich zijn, maer diens aengezicht de ^""^ 
wonderbaerlijkheit van alle d* andere leeden vermindert en verdooft. Dit zichts,ofvat 
pifl: Senekamo^t\\]kt mier ^ri/?fw^f«iberft dusuit : Al is 't dat mijn lieve aid'andere 
I/WöM/4 infchoonheit van aen2,ezicht alle andere vrouppen te boven gaet, '^^clfnm 

nochtans wort het zelve verduiftert, wanneerze in'tontkleeden d'andere^" V?»^! 

^. , "iieitteach 

N n i hey- ten u. 



284. C A L L I o P E. 

htymelijkeen verborgene deelen ontbloot. Maerwy keuren dir zelfs voor 
onfchoon , wanneer heceene deel het andere verbluft : en zagen liever j 
dat de gelijkmaeticheyt zoo net getroffen waere, datmenniet en kon zeg- 
gen dat 'er ergens een belle of flimüe deel was. 

Nu dewijl men niet altijts een geheel naekt fchildert , zoo inoetmen zich 
voor al de deelen, die meell gezien worden , bevlytigen: ennaefchoone 
tronyen , welgemaekte halzen en welgeplaetlte borden omzien. 

Des mans borft , die met tepels verfiert is , heeft een fchoonheyt zonder 
gebruik, ze^t Atigujluius', maerditmochtmen zoo vvelcok van de manlij- 
ke, als van de vrouwlijke navel zeggen; die zommige verdichten dat Adam 
en Eva niet gehadt zouden hebben. Maer wy zullen diegefchillen aen ande- 
re heten ^ en de fchoonheyt der leeden, zoo als wyze gevonden hebben > 
in de natuur betrachten. 

Men moet ook voornaementlijknae fchoone handen omzien: want in 
de zelve is zulkenkragt, datze zelfs ontzach eneerbiedii^heyttot zig ver- 
wekken. d'Oudhejt vertelt ons, dat 'er verfcheyde bedriegers nu en dan 
geweeftzijn, die zich voor Vorften en Koningskinderen uitgaven , maer 
dathaere fciielmeryen mceft door 't bezichtigen vanhaere handenontdekt 
wierden. Zeker, ik zal die beelden ook voor onecht en mismaekt houden, 
die metseen fchoone handen verzien zijn. Wacrvan de middelvingers niet 
min noch meer dan de halve lengte maeken, en de fpichtige nagels tot de 
helft van 't lit, daer zy aenftaen, reyken. Daer de vingers, fchoon alle 
al eeven fchoon, geen behoorlijk verfchil van gedaente hebben j en de 
minlie niet een lit korter zy, dan de langde. Inallerley, maervoornament- 
lijk in vrouwen handen, is S'tr Antony van D^j^wonder aengenaemen aer- 
dich geweeüi want behalven de bevallijke en gemakkelijke greepen , heeft 
hy byzondcropde fchoonheyt gelet, zoo datze van den zelvenaert fchij- 
nen , daer onzen Poëet van zingt : 
Tengere Der handen fcheuiicbep , en't tengere gebeent , 

iiiadea. j^ „j^t een moütch vleefch en pez.d]ieyi vereent : 

D e vingen voor wat dun , en voorts volmaekt van deelen , 
Zijngr^pers , om een hart op't onvoorzjenjl tefteelen. 
Maer dewijldeeze volmaekte gedaente, daer ik gezegthebbe dat de rechte 
fchoonheyt in beftaer, meteen gemeene ftiji zoo gemakkelijk niet en is uit 
te drukken , en ik ontrent vaerzen geraekt ben , zoo lult het my Ariojie ook 
naete bootfen , daer hy de fchoone ^/c/weop 'talleraerdichüe uitfchildert , 
ezang. 7. ^^^^ ^^^ Schilders tot een model te dienen : 

Haer luhaem ivas z^oo fchoon , de deelen z,oo befneden > 
Dat x.09 een Schilder , die uit luji tn volle leeden 

Iets 



Het achtp Boek. 285 

Iets wedergadelooi tefchilderen bejion , 

Noit gïooter [cboonheit noch volmaekter toonen kon. 

Haer hair verblufte 't gout , dat blond en lankz.aem z.wierde : 
't Ivoren voorhooft glotfj , en roos en leljfierde 
Haer lieve wangen , wït en root door eengefpat. 
Een pacr bruine oogen , ofu?el eer twee z^onnen, pat 
En Iteflijkacn iez,ien , engiertch in't belonkcn , 
Zathm' onder welf j els van tweefjne braettwen pronken* 
't Scheen of de liefde daer jondom alfpeelend vloog ) 
En in hetjpiüen van z,ijn pijlen , tot zAch toog 
Enfladtch roofde al der aenfchouwerszjele en harten, 
Midd' in het aenzAcht fiondt eenfcboone neus , men tarten 
D e Nijdt vry , ofz^j d'aer wat op te t^eggen wifi : 
Daer onder was de mondt , met levend roodt vernifl t 
Geflrekt van dal tot dal , twee uitgepikte rijgen 
Vanpaerlenfchoolen met de lipjes m het z.wrjgett , 
of blikten , als den mondt het minffe woord ontviel , 
Dat machtich was , om TLclf ookjd' aUerwreetjie z.iel 
Te temmen , en z.00 z.ji quam tot een lach te treken , 
Zoofcheenz^e een Paradijs , dat dooden z.ouw verwekken, 
llaer hals was rond en wit , en haefe keel als mclkj 
Deborjlwaï breet, daertwee, als onrijpe appels y elk^ 
Om' t geurichfl , deur denaêmnureez.en, danwatweeken, 
Gelijkde Zee op 'tfirand met wel verdecldefireeken, 
J)e reft was Argus z^elfonmooglijkjom te zAen , 
Maer z.onder twijfel recht volkomen : boven dien 
Was in 'er armen een maetfchikltjkheit , te wonder .' 
Haer hantjes wil i wat langt enpoez^elachtich, z^onder 
Viel adren •, eindelijkjit voeten j die al dees 
Volmaektheen droegen , kort en rond, en wel in t vlees. 
Dit Hemelfche gebaer , dez.e engell^he mynen 
Kongeen bewimpelen berooven van tejcbijnen : 
Haer lacchen , z^ingen , gaen , haerfpreeken , yder h[%k.y 
"^ay^er deel des lijfs , had eengefpannenftrik. 
\H7at Qunkt uvan zoo fchilderachtigen Poëet r* Maer laet ons, wijlmijff 
geeft vaerdich is , Tajfoos Armyde hier ook by voegen : 

Haer e oogen > om in z.e e dicheit geducht 

Ey elkje x.^n , z.ijngierich op heur lonken j 

Enfpaeren als met voordacht dex.e vonken, 

N n 3 Langs't 



^U C A L L I O P E. 

Langi 'f z.mver wit van hare kaksn heen 
Speelt Rooz^everf, als waer 't op elpenbeen. 
Baer lipjes , als twee Rooz^eknopjes , geven 
Een z.oete lucht , en aen de liefde 'f leven : 
't Beweegen van hatr aengenaeme mond 
De z.eedichjle tot in de uel doorwmd. 
Uaer witten hals bjifneeui^s vergeleeken , 
Daer doch Ktipid' z.tjnfakk^l komt ontjieeken, 
Baer borsjesrond z^ijn overhalf bedekt : 
O nijdigb kleet l dat ons 't gezwicht onttrekt 
Der deelen , die de Minnaers z.00 bekoor en , 
Zy zMÜen met gedachten u doorboor en : 
Gelijkde Zon door 't glas z.ijn ^raelen [chiet i 
Zoo z.al den z.in van die z^oo'n voorwerp z.iet , 
Schoon 't de lyran gewoonte gaet bedekken , 
yf'el door 'tgewaet tot op't gewenkte jlrekj^en. 



DERDE HOOFTDEEL. 

Hoe de Schoonheyt by d* ouden is betracht. 

Aer mogelijk zal nu icmant voorflaen , waeromme men doch 
zooveel werks maekt van dingen te verbeelden, die nergens 
volkomen in de Natuur en zijnf* of immers zoo zelden gevonden 
worden.'' Ik antwoorde hier op,datze,hoe raerder hoe waerdiL;er> 
in ae deukoeelden van een doorluchtich en geoeffent verllant gevormt of ge- 
vonden worden : enimmerszoo fchoon of fchoonder, als'eroitbeeltvan 
een konltige hand gezien is. Apellesy willende zijn Ffwwop't alderfchoonft 
uitbeelden > heeft eerft zijne gedachten boven alle zichtbaere fchoonheden, 
diehemoitvoorquamen, verheven j hy heeft in zijn vernuft een beek ge- 
Dc Schoon- fchildert, dat in allevolmaektheden uitftak, en in dezeopgetogentheyt 
heyt is in des j^gt pinfeel voerende , heeft hy wel deeze onberifpelijke Godinne , tot ver- 
Konftenacrs vvondering vanal de werelt , op't tafereel gcbaert , maer nochgeenfins de 
v^lkomene gelijkenifl'e van zijn Godtlijk denkbeelt hervoor gebracht. Phi~ 
dias heeft Jupiter niet gezien , zegt Seneka , nochtans heeft hy hem ge- 
maekt als donderende. Minerva is hem noit verfchenen , nochtans 
fcheenze als van den Hemel gedaelt. Maer Phidias'is eerft in zijn vernuft als 
ineen Pocetfchen Hemel opgeklommen; hy heeft eerlt als in een verruk- 
king de Majefleyt en heerlijkheyt dezer Hemellieden gezien , eer hy't ont- 
werp 




Het achtfte Boek. jgj 

werp dezer heerlijke gedaentens by der hand nam. Zijn beelden kregen een 
wonderlijke majeftcyten fchoonheyt, maerhoe veel heerlijker zijn noch 
de denkbeelden daer van in zijn kon(tkennende vernuk geweell ! Doch 
hoor, hoe 'er deoude wijzen van redenkavelen. Hebben Phtdiasen Praxtie- 
les den Hemel beklommen? vraegt Tbefpefwn-, en de gedaentcn der Go- 
den tot de konft nedergebracht? Ofis het wat anders, waer door zy hunne 
gefbltenifl'en hebben leerenafvormen? Vry wat anders, antwoort Apollo- 
nim T74«ftti,endatvolvanalle\vijsheyt. Watisdac? Zeytd'eerlte: Want 
gy en kont buiten de naevolgingenieis voortbrengen. De innerlijke ver- 
beelding, zegt d' ander, heeft deze dingen voortgebracht: en betoont 
dat eengeoeffent konftenaerde navolginge ver overtreft. Want de nae- 
volginge bootft alleen 't geene gezien isnae: daer de verbeeldingen zelfs 
't geen ook noit gezien is, vormen ^ en dingen voorltelien, die de natuur, 
als haerproefltuk, t'eeniger tijdt zoude kunnen voortbrengen. De nae- 
volginge wort ook dikwijls door eenige bedwelmtheyt verhindert: maer 
de kracht van eenich denkbeelt wort zoo licht niet geltut , maer vaert koen- 
lijker voort in 't geene zy voor heeft. Zoo heeft hy , die 't denkbeelt van "^u- 
p/rfr in zijn gemoed vormt, ook de beelden van zijne heerlijkheyt, de tij- 
den, deStarren, enden Hemel zelve j en zoodanich was P/;itf/^ bezwan- 
gert, eer hy hand aen 't werk floeg. Om ?AÜaf welaf temaelen moetmen 
zich eerd den Reuzenffrijc , diepe aenflagen , en alle hooge konden voor- 
ftellen; alsook, hoe zy wel eer uitdeharfienen van 7«/'i^frop't allercee- 
flichtft quam voortfpringen • cermen de flouticheyt acnneemt van haer'op't 
bert te brengen. Dis is de rechte vviJ7e om iets fchoons en heerlijx voor den 
dach te brengen, enzoo wort de fchoonheyt , als M;«frrf inhet breyn van 
Jupiter geteelt , uit de herfenen eens konftenaers geboren ; want deze 
(jodinnen, die met de Hemelfche Junoy wegens de fchoonheytom den 
gouden Appel dorden dingen, zijn van geen gewoonlijke geboorte. Want 
gelijk PalltUidie de inwendige fchoonheyt is , gezegt wort met een diamante 
bijl door den arbeytfamen Vulkaen uit het harfebekken van Jupiter geklooft te 
zijn: zoo is Venm, die de uiterlijke fchoonheyt beteykent, van Hemel- 
fchen bloede, uit de gelUdich bewegende Zee der denkbeelden eenes ge- 
oertenden konflenaers te wachten. 

De ichilderkond is ook onzes bedunkens zoo edel, datmenzefchierals , y 
fchande aendoet, wanneer men iets, dat niet beziens waerdich is, daer kouft'^ficc'^ 
door uitbeelt. Jaemen behoorde niets , dan wat aerdich en bevallijk is, fclioonftce 
doorhaerte vertoonen. Enhierom wort alles, wat menfchoon,geeftich , *'e'too"fn> 
en volmaekt in de natucr vind , zelfs van den gemeenen man fchilderachtich 
genoemt. Jaemen zegt, zoo fchoon als een beeld , waer door men te ken- 
nen geeft, dat de beelden degemeene natuur overtreffen. Ook, zoo vol- 
maekt , 



288 C A L L I O P E. 

inaekt , of'tgefchildert waer-, te verftaen gevende > datdeSchilderye de 
volmaektheyc gemeenlijk naetracht. Poogenookde Poëten en Dichters 
haere vaerzen met keurlijke fpreuken en braeve ftofFen op te pronken > zoo 
pail het den Schilders, die oprijklijker vracht vaeren , de alderfchoonfte 
dingen van natuur tot haer onderwerp te kiezen ; en die majelteyt, die 
men niet dan met hulpe van Aglaje verkrijgen kan, op'tvlytichft nac te 
trachten, 
't Welk van Den Haerlemfchen Korwf/ii, ze^t Mander, was uitnemende vlytich in 
veelc <;c- 't teykenen na 't leeven , daer toe uitzoekende van de beüe en fchoonfte roe- 
zochcis. rende en leevendeantijke beelden, die wy hier genoeg binnen 's Jands heb- 
ben, als degewifte enalderbede ftudie, die men vinden mach, als men 
een volkomen oordeel heeft van het fchoonfte uit het fchoon t* onderfchey- 
den. Maer hier behoort veel toe. En'tenisonzenHaerlemmer, noch zelf 
den deurzoekenden D«r«rniet volkomen gelukt. Jazelf M/cW Agmto, als 
hy des grooten Titiaem werk zach , en wegens 't koloreeren prees , verzuim- 
de niet daer by te voegen : dat het jammer was , dat de Veneetiaenfche Schil- 
ders in hun begin niet genoeg en leerden teykenen i want indien zulk een 
meefter, als Titiaetit zoo begaeft in de natuur en 'c leven te volgen, deur 
de Teykenkonft geholpen waer geweeft, en zijn grooten geeft en levende 
handeling op de Itudie gefteunthadde, hy waer alles te boven gekomen. 
Laet nu dit oordeel vry wat eenzijdich zijn; want de Teykenkonft wort 
Gcfclil. hier niet genomen voor wel het leeven te volgen , maer voor altijts het 
fchoonfte te verbeelden , gelijk Agnolo'm zijn grooten Laetftcn dach wel be- 
toont heeft , daer hy zijne beelden met een grootfe maniere , en in fchoone 
geltalteniflen , voeglijk aend'opftanding , heeft voortgebracht. Want 
hem gaet na, dat hy de lichaemelijke fchoonheyt der menfchen , om in zijn 
kunft naete volgen zeer beminde, hoewel hy zeer kuis en een vyandvan 
oneerlijke gedachten was. Maer wat zalmen zeggen j' Hy heeft wederom 
de fchoone koloreeringe van lïtiaen en andere granen verzuimt. Zoo dat de 
fchoonheyt als in geding geraekte. Want fchoon Sebaftiaen del P'ionibo , toen 
hy de fchoone en begrafide werken van Rapha'él, hovende diepzinnige en 
bearbeide van Mitfce/ i4^«o/o hoorde prijzen, de zijde van Buonarrotn h\el: 
200 zullen 'er van geen minder oordeel genoeg de zijde van Rafu'él, of ook 
van Tir/4^w voorftaen. Maer dit zal ons niet hinderen j altijts is 't zeker, 
dat zooveel doorluchtige voorgangers den wech tot de waere fchoonheyt 
tot ons voordeel hebben geopent. Het befte is altijts hard om uit te vinden. 
Voorbeeld en hard om teoordeelen , zegt AppoUonius Tyanem. Maer ik zegge, dat het 
er anty en. jgg^Qj^j^g jg waerdiger is. d' Anti jke Grieken gebruikten veel fchoone le- 
vende bf elden , om aen een eenich beelt een fchoone en waerdige gedaentc 
te geven 3 gelijk vertelt wort van Zeuxis , toen hy voor die van Agrigenren 

mae- 



Het achtfle Boek. 2 «9 

ken zoude de grootejf««o, om in haeren Tempel, welke ftont te Z4^/»i«;M 

in Calabrien, nu tapodi Colomnigenoemt, te offeren; dat hyeerft al Zcuxis zoekt 

de dochteren der ftadt nackt zach, verkiezende uit haer alleen vijf, de defchoon- 

fchoonfte van ftal , en uit deeze zocht hy wederom de fchoonfte deelcn uit , ^^V' '" ^' ^^ 

tot volmaking van zijn werk. Ditwiert deze dochteren niet alleen tot geen J^^/f*" 

fchande gerekent: maerzy wierden dacr over met lofdichten vereert. Of ten, 

dat by ons goetgekeurt zou worden, laet ik daer. Apelles bracht de ver- Apellesin 

maerde LatSy eer zy noch volwalfen was, dikwils te pas. Van gelijken ^ampafpc; 

Vhrjfne enCampasfei op dewelke hy zoo ge weldich, om haer uitnemende 

fchoonheit,verliefde,dati!/fx<«w</fr, die.-e ook beminde, uit edelmoedig- 

heitjhaer aen hem overliet;op dat hy met rufte , de uit der Zee opklimmende 

VenuSiby de Grieken Anadjomene genoemt , na haer mocht voltrekken ; welk 

ftuk hy ook zoodanich uitvoerde , dat , toen het lang daer na, onder aen een 

weinich verdorven was, geen Schildexzoo ftout te vinden was, die het 

dorlt ondernemen te verhelpen. Andere Schilders hebben de fchoone Gra- 

tinUi Theodotai en meer andere vermaertgemaekt. Zy onderfcheydenook '^"''"^'" 

den landaert, want zy vonden meer f choonheit in d' Abderitaenen,als in ande- S[^" j^ ' 

1- 1- -i • 1 1 I •» 1 ncodota, 

re, dies zydie meelt m haere werken gebruikten. Want men vint volken end'Abde- 

engeflachten, die andere infchoonheyt overtreffen. Andere zijn weder- n^ncni 

om, gelijk Johannes Bocatius van de mismaekte Baronchiersze^t, als ofze 

ons Heer gemaekt hadde in zijn eerfte tijdt , toen hy noch eerft leerde fchil- 

deren. De grootebeelthouwersgootenmenichten van armen, beenen, en Inafgegotcn 

welgeftelde lichaemen af, waer uit zy de fchoonfte deelen verkooren , en- ^^^^^°- 

de gebrekkelijke uitfchooten. De Bootfeerders, Schilders, en Gieters , zegt 

Galenus, zoeken maer alleen het geene volkomelijkfchoonis , nateboot- 

fen, en zijn door geduurich navorfchen zoo verre gekomen, dat hunne 

beelden voordenakomers toteenvaften regel dienen, ja men heeftzeker TotcenRc- 

bceh \ zn Poltcletusy Poluleti Canon genoemt. gelofCa- 

Dit quam deur het geduurich onderzoek van veel achter een volgende °°°" 
vernuften*, want dat een menfche alles op'tbeftzouw kunnen uitvinden , 
fchijnt onmogelijk. Dekonft is lang, en ons leven kort, zegt Hippokraet: 
die de met arbeit uitgevonde kenniflen der voorouders in zijn jeugt als in de 
pap krijgt, en in 't verder ondervinden volhart^ klimt als op zijn meelters Wcynich 
£chouders,en ziet haer ver over 't hooft. Ook zoo hebben zy in zeer weynige ^erkm gc- 
ftukkèn haerganfche leven befteet. Ja zymaekten zoo veel werxvan een '"^^ 
muberen of koperen beelt, doordien 't henmildelijkbetaeltwiert, dat'er 
zeer weynige van een meefter opgemaekt wierden. En zelf Buonarotti, 
fchoon hy negentich jaeren out geworden is, zouw maer elf beelden van 
rnarber geheel voldaen hebben. Zeker weynig , maer genoeg 3 als zijn M;>cr on- 
kinderen , vermitsze hem als onftcrflijke nakomelingen verftr ekken. VV ant ftcrflijkc. 

O o toen 



290 C A L L I o P E. 

toen hem gevraegt wiert, Waeromhy niet troude, om kinderen te ver- 
wekken ? beriep hy hem op de konrt, dat hy die voor zijn wijf hielt, en 
dat zijne werken zijn kinderen waren j die, zooze dochten^hem loflijker ge- 
dachtenis zouden geven, als Bartoluciov2in de zijne hadde, die al verteer- 
den wat hen was nagelaeten , en die alleen in loflijke gedachtenis bleef door 
7ijn nagelaete werken; Wat vandeeze heerlijke atkomelingen van Arigelo 
in wezen is , hebben wy met verwondering in Italien gezien. 

Maer laet ons noch eenige getuigeniflen der ouden varv de beroem^fte 
werken aenhooren. Waerover Libaniusv/el terecht zeyde, dat de werk- 
meefters, die d* oude pronkbeelden fneeden of gooten , van de Goden iets 
ontfangen hadden , dat de gemeene natuur te boven ging. 
Venus. Het zweet brak my aen alle kanten uit , zegt Damafcius, toen ik de Venus, 

die Htrodes AtticHs ^zewi jt hadde > gezien had ^ van weegen den fchroomelijk 
verwarden zinnnettrijdt, dien ik in mijn gemoed gewaer wiert. Mijne in- 
nichlle gedachten wierden door 't levendig gevoelen van een onuitfpreeke- 
lijke V ermakelijkheit zoo gekittelt , dat het my byna onmogelijk was t'huis 
tegaen, en fchoon ik my derwaerts fpoede > zoo wierden mijn oogen nu en 
dan , door de gedachtenide van zulk een zeltzaemen gezicht j te rug getrok- 
ken. Wie zouw gee!> luft krijgen , om zoo heerlijken beek eens te mogen 
bezien, en zijn oogen in zoo lekkeren konRftuk te verzaden? Het bceit 
Schoonhtic van He^or'm de ftad Trojen opgerechr > zegt Filoftratus , draegt de gelijke- 
in'cbcelt hifl'e vaneenhalvcn Godt, enfchijntaenalledie'taenzien, volvanwelbe- 
^*° zinde moedicheit , ftaetlijkeftuursheit j en lullige vrolijkheit: men ver- 

neemt 'er een Iterke gezetheyt des licbacms Ln, een jeugdige lieflijkheyt 
der leeden, een onberispelijke fchoonheit , vervult van zcxo levendigen 
geeft , dat den aenfchou wer luft krijgt om het aen te roeren. 
En Paris. Jn den Paris van Euphranor zietmen , dat hy den oordeeler der drie godin- 

nen , den vryer van Helene , en den ombrenger van Achilles geweeft is. Wat 
dunkt u y of onze Aglaje deeze mcelters niet met wat heerlijks Iteeft vereert ? 
om niet alleen in haer leeven beroemt te zijn, mier zelfde wankelingen 
£er tijden te vefduuren. Want dit blijkt noch ind'overblijffels, die men 
noch hier en daerverfpreyt vind, en voornaementlijk binnen Roome , dat 
de fdioonheytby henlieden niet alleen met grooten arbeyt naegetracht> 
maeroökgelukkiglijk gevonden is. 

Daer zult gyze niet alleen in jongelingen enmaegden, maerookin vol- 
rijpen en afgaenden ouderdom zien. Niet alleen in poezele jeugd, maer in 
Hchaemen afs tot arbeyt gewent. Daer zietmen den fchoonen ApoÜo in 
't Belvideer , als uit den Hemel gevallen j en den Trojaenfchen Laokoon van 
ouder <om en zorgen vermagert: de GrkkCcheVemsop Monte Trinitat en 
Latone met haer ongelukkige dochters, den vohmekcen Uerkffl^i, en behaeg- 

lijke 



Het achtfte Boek. 25)1 

lijke lUiA 'm *t paleis van lèAitnez.e. Elders ^Aunus , den jeugdigen Bacchus, en 
ontallijke andere , welkers fchoonheden tnachtich genoeg zijn , om de 
konltliefdige geellen tot zich te trekken , uit d'alderafgelegentte geweften. 
Deeze overbiijffels der vernuftige, maer verftorvene eeuwen, hebben „ , u 
Italien, in 't vernieuwen der tijden, als Fakkelen, inde duiüerheyt der dcritaija'. 
konft weer eerlt doenj zien. Dies zy niet te vreeden, als onze Duitfchen, oen. 
met degemeene natuur te volgen, defchoonheit inet alle macht hebben 
uitgezocht. Jazyfchaemdenhenniet, den afgedaenen arbeid der voorou- 
deren tot hunne hulp te nemen; dewijl tot alles zelf te onderzoeken eens 
menfchen leevenveel tekort is. ^zMicbel Agnolowis op defchoonheit der 
Grickfche ftatuen zoo verflingert , dat hy,als hem van ouderdom het gezicht 
verzwakt was, nochvermaek fchiep het lichaem eenes Riviergodts, in 
Vatikaen, fomtijts te komen betalten ; zich niet kunnende genoegen > 
zonder zoo uitnemend een fchoonheit te betrachten. 

Deeze heerlijke voorbeelden hebben niet min den bevallijken Rapha^l 
verlicht, enichoondealveraervendetijdt aireede het beroemde werk, in 
MariadelaPacey voor onze oogen verborgen heeft, zoo heeftze nochtans, 
als uit medelijden, de welffels in 't paleis vanGigi voor de jeugt gefpaert. 
Hier fpiegelt de fchoonheit der Griekfche gratiën , en den Lmceus uit Beivt- 
deetj in den Raphaélfchen Hemel, ó Gelukkigen Julio ! die de trekken 
van zoo begrafiden handt voor u had , toen gy dit werk hielpt uitvoeren. 
Hier wrocht Vrhijn-, toen hy verheft was; Venui deede hemT^wttJophet 
fchoonft ten toon brengen, en haer geftalte zonder miflen treffen. Het 
geenonmooglijkfchijnt kan de liefde uitvoeren: want de geeften zijn wak- 
kerft in verliefde zinnen. Maer opdat men weten mach, waeromaldeze 
fchoonheden niet zoo veel vermogen, datze ons in het eerfte opflach ge- 
heel tot zich trekken, zoo zeg ik, datwe meeft qualijk berecht derwaerts 
komen : want men behoeft in deze ilukken niet te zoeken , of Tintoretfe 
wondere opdoeningen 9 of Veroneefche ordinantien , oogenbliklijke be- 
wegingen , of gedwonge fchikking : veel min f^tr/ri/tfoc deurzichten,of 
Rembrandifchewetwen: maer de Griekfche ftatuen in den bevallijken Ra- 
f del, de fchoonheyt zonder pronk, eneenfpicgel vand'oprechteoutheit. 



O o 2 VIER- 




2(>2 C A L L I O P E. 



VIERDE HOOFTDEEL. 

Fian de H>ansleydtng , dat is , de voelftandige en bevallijke 

beweeging der Beelden^ of anders deGrafelijkheyt 

in allerley doeningen. 

At nu de vrolijke £«/ro/jw« hervoor treede, en den Schil dergeeft 
met haer bevallijke handt ten reye geleyde Het derde lit van de 
tweede aenmerking in een Hiftorie, is in %Xto vertooninge ge- 
noemt. Want fchoon men de hartstochten , en de doeningen 
des lichaems al wel begrepen heeft, zoo wort'er noch een kunftige wijze van 
vertoonen vereyfcht,om de beelden op't graeflelijkft voor te doen. Enzeker * 
k'"^^^ deze kunlt van bevallijke vertooninge is t'allen tijden zeer geacht geweeft. 
d'Athenienzen vereerden het borgerrecht aen Arijlonikus Karifiius , en rech- 
ten hem een ftatueop, zoo zeer niet, om dat hy Alexanders Speelgenoot 
was, als wel, dathy zichin't Kaetsfpel met zulken bevallijkheyt wiftte 
bewegen, dat hy eendansleydige konrt in*t fpeelen fcheen te gebruiken. 
Diesgelijk hebben de Eji'ui en d'Oritamta ter eere van Tbeodorus gedaen , om 
zijn bevallijke handgrepen en bewegingen aen't dambort, Zoo heeft ook 
Pt«lomeus Philadelpbus , Kline zijn mondfchenkfter , met ftatuen door ganfch 
Alexandryen vereert , om haere bevallijkheyt , en zy wiert afgebeek , (Uen- 
de zeer graefTelijk in een enkel roksken met een teuitkan of fc henkpot in de 
handt, gelijk zy haeren dienfl: plachte verrichten. Js dan deze gratie zoo 
aengenaem in de levende beweegingen, hoe nootzakelijk moetzedanin 
onzekonft geacht worden , daer de bevallijkheyt zoo vorderlijkis. De 
fteyloorachtige (lijvichey t geeft aen yder reedelijk menfch in't leven een af- 
keer, yohannes Chrjfojlomus , zegt men , was zoo onbevalli jk in't eeten , dat 
hynoit met yemant tafel hielt, maer altijts alleen at. Indien de konft ook 
metonacngenaemheyt bevlekt is, zoo machmenze wel opfluiten; want 
Hacr te mif- lompicheyt baert walging : en *t is te bejammeren , datnien zelfs in de wer- 
'^"l ^"^ ken van beroemde Meerters vind , dat in zommige beelden, fchoon maet- 
fchiklijkvan deelen , en (choon genoeg van teykening, een gebrek van 
welftant vernomen wort; waer door wy zelfs door de deugt, die'erinis, 
niet bewogen worden. 

't Is niet genoeg, dat een beelt fchoon is, maer daer moet een zeekerc 
beweeglijkheytinzijn, die macht over d'aenfchouwers heeft j Gelijk üo- 
ratius van het dichten zingt. 

Een 



Het acht ft e Boek. 2p3 

Een fchoon gedicht z.al my met licht beroeren , 
Maer vrtendlijkhejft k^n hen en z.iel vervoeren. 

Men lacche , ofween\ d'aenfc houwer raekt op 'tfpoor : 
Dus wtUgy dat tk^fchreye > fchrey mj voor. 
Zoo is't ook met de Schilders, zy beroeren 't gemoed niet , zoozedeezc 
beweeglijkheyt overflaen , en dit zal hen gemeenelijk gebeuren,\vanncerzc 
deezekunif, die vvy de Dansleyding noemen, of verzuimt, ofnietver- 
flaen hebben. 

't Gebeurt wel zelf in beelden fchoon vanflal , 
Dat hen ontbreek^ de rechte Hemelval 
Bevallijkhejft , door hejmlijke gebreeken , 
Die in de z,wier van haer beweeging fieeken. 
Dus is't van noo , dat Venus en haer z.oon 
Het werk verfier' , bevall^kjnaeke en fchoon, 
Bevallijkhejt port aen om te beminne , 
Betz.jfz.efpeelt in BosnimfofGodinne. 
Door verzuimelijk in deeze waerneeming geweeft te zijn , wiert de 
groote Zeuxis berifpt , djt hy zijne vrouwen te manlijk van gebaer ver- 
toont hadde, daermen den voorzichtigen Homeer ook niet vry van keurt , 
endathydezeedicheyt, die die fexe palt , hadover 't hooft gezien. Want 
het voegt niet , dat men van wel opgebrachte Juffertjes Appelteeven 
maekt , hoewel zelfs in d'alderruwfte noch iets van haere kunne deurfchijnt, 
ten waere men verwilderde Amazoonen , of Helfche Razernyen voor had. 
Om dan in't algemeen van deeze konfl te beginnen, 200 zeg ik: Dat men ^'^ 
geen geweldige beweeging aen zijn beelden moer geven, ais'er maer een cfeTo... 
maetigevereylchtwort. Plutarchus beftraft beyde Schilders en Beelthou- mactiarbê- 
wers, enhywijftaen, dathet onmaetich uitltrekken , het wijt flappen , meeging, 
enhetmondopfperren niets groots in zich heeft. Het is fomtijts gebeurt , 
en voornaemeIi|k ontrent het begin deezer Eeuw, datbraevegeefienden 
geeft al te ruiincn room gaven , meynende miflchien de natuur t'overtreffen 
met hunne beelden zeer weyts en zwierich te dnen draeyen en zwaeyen , en p^- 
handenen voeten met Sprangerfc jireepen ganfch verkrampr , enuithetlit kilmpmg. 
tedoenbuigen. Maerhoorwat'erjftt«/>« van gevoelt: Zy fchicpcnhaercn 
meeftenlufl, zegthy, inde zwellende opoebhiezenheyt van een fchijn- 
grootfe manier. Zy zochten den voornaemHen lofhaeres verliantsvancen 
wilde onbefchoftheyt t'onleenen ; weynich daer nae vragende, datzede 
rechte konftmact en de Natuur zelve te buiten gingen. Zy namen een groo- 
ten moed op'r ydele hand geklap van etlijke onweetende bcttekroezen , die 
haere foeyfraeye werken met een verbaefde verwondering fcheenen te aen- 
fchouwen ; zoo dat zy dacr door op haere eygcne dvv'alingen verlieft vvier- 

O o ^ den. 



jemeenc 
regels, 
een over- 



mijden. 



294, C A L L 1 O P E. 

den. Maer men moet zich liier in, gelijk in andere gewiciitigezaeken, 
voorzichtelijk dragen , op dat men , in'c mijden van Scj/lU , niet in Charyb- 
dts verdrenke , en in't mijden van een ondeugt in een arger vervalle ; gelijk 
aen eenige gebeurt is , die fteunende op het gemeen gevoelen , datmen van 
En aijvig- d'Antijken heeft, dat de maeti ge beweeging in veel Üaetuen wonderlijk is 
inildJn. waergenomen, haer zelven hebben ingebeelt, dat zy die volgende, niet 
en konden miflen ; waer doorze dan ook niet dan onbehaeglijke Iteene figuu- 
renhebben voortgebracht: eninfteededathen den geelt der voorganger» 
met een levende gratie te Itaede quam, zoo veranderden haerc beelden in 
fteen, min noch meer, als of hen het hooft van Mf^«2:e was voorgehou- 
den. Zeker ik zach noch liever in de beroeringen eenige verkrampingen, 
als datmen my met zulke geeftelooze koolllruiken d'oogen bedampte. Maer 
om op den rechten wech te komen, en zeeker te gaen , zoo moet een konft- 
oefFenaer zich tot de leevende natuur keeren, en zien, hoe ver het hem in 
de beweegingen geoorloft is te gaen. 

Om nu van een welbeleyde en konltige beweeging der beelden , en yder 
der byzondere leeden te fpreeken , zoo mocht ons den Kamerfpeeler Ropus 
wel te hulp komen; dietegens Cicero wel derft twilten, of het vermogen 
eens Orateurs meefl in de weirpreekenheyt,dan of in de kunftige en bequae- 
megebaeren, bellont. Waer van hy zijn deel zelfs in een boek verdedigde. 
Want de kamerfpeelige dansleyding was een wij ze van ftomme beweeging , 
daer in zy de leeden nae den eyfch des fpels kunftichlijk wiften te gebruiken , 
jae zoodanich, dat men hen in alles verftont, fchoon'erniet een eenich 
woort gefprooken wiert. En dat meer is , zoo bootfte een zelve perfoon een 
beftevaernae, dan wederom een kint j ftrax deHeer, dandeknecbt; nu 
de Vrouw dan de maegt i bezaedichtheyt , dronkcnlchap, en voort aller- 
leyneygingmeteen geneuchelijke bootsmaekery ; 't welk voor dekijkers 
vanallerleylandaert zooverftaenbaer was, als of zy in hun byzondere tae- 
len gefprooken hadden. By gebrek dan van Ropus moet ons Eufrofwe den 
geeft verlichten ; om de alderbequaemfte , natuuriijkite en fchoonüe be- 
weegingen in onze werken te vertoonen. En aen haer beveel ik u , ó Schil- 
derjeugt, voornaementlijk wanneer gy nae de Teykenfchoolen of Acade- 
miën gaet, ommans-ofvrouwe-naekten nae 't leven in de warme flooven 
teteykenen. Zie dan toe, wanneergyhet beeltof't modelinpofluurftelt, 
dat het niet alleen dit of dat fchijnt te doen , maer dat deeze doening nae de 
Dansleydige kunff vertoont wort. Zeker , ik beklaeg my, wmneerik 
mijn oude Academiteykeningen overzie , dat men ons daer van in onze jonk- 
heyd zoo fpaerich heeft onderrecht j daer het niet meer arbey t is een graeïïe- 
lijk poduur , dan een onaengenaem en walgelijk na te volgen. 

De bejveegingen of beroeringen fielt Makrobius leevenderky : Als, van 

be- 



Het achtjie Boek. ip^ 

beneeden nae boven : vanboven nae beneden : achterwaertsenvoor- Enftclir. 
vvaerts: ter rechter en ter flinker zy: en laetftelijk, in'tonidraeyen. En ^"^'"'^''f- 
deeze worden in een menfchen beelt in het hooft , in het hchaem , in armen ""§'"■ 
en beenen,en in de minder leden aengemerkt. Nu paft een konftenaer deeze 
bevveegingen nae vereyfch des werks op't aldergemakkelijft te gebruiken, 
en zich van verkeerde grimmatfen te ontllaen. Den Hoogduitfen zwaert- 
vechrerfchi^nt zinneloos in't opneemen van't geweer, niaer een ervaren 
Solviaet voert de Spies met gemak. 

Om nu van een ftaende beeld in*t gemeen te beginnen , zoo is't voor 
eerft van nooden , dat men aen de beweeging , die het te doen heeft , 
gedenke, en dat men dan al de leeden op'tgemakkelijftdaernaefchikke. 
Laetuwe voorzichticheyt acht geven, om het hooft wel op defchoude- c 
ren te doen dragen , defchouderenborftopdenbuiken deheup j en dat de 
beenen wel onder het middellijf poffen. Wanneer zich de borft ter rechter 
zijde went , zoolaet het huoftvry ter flinker zy' hellende omzien. Laet 
noit hooft geheel tot ter zijden uit omdraejen , ten waere in d'alderheftichftc 
beweegingen, maer nimmermeer verder, als gelijk met de fchoudet: het 
delaegrte fchouder noitlaft dragen. Welke heup ookmachuitzwanken: 
ftel de fchóuderen-in een recht ftaende beeld even hoog, Vermander /preekt'er 
by nae van, als volgt: 

Eenftaende beeldgelijkt vry hy een hoog , 
l^der van de Pees recht neêrgaet van om hoog: 
Zoo moet de voet i dievajijlaeti lootr echt onder Hemceac 

I>e keelputjlaen , men doe die beupe ronder 
XJitzjv anken , maer het andre heen is vrj ^ 

Uen buige 't hooft nae de geplante z,/. Bcwecging 

Laet rechter been enjlinker arrem z.wac)en armen to 

ien z.elve weg , en */ hooft een weyntch draejen bccnen. 

Na d' arm of hand y die uttfieekt. Veelgedraey 
En ketmmenoit 'mfchoone beelden fraey. 
En wijders zegt hy ; 
Veel verder als een voet van voet , Schreede. 

Eenfiaendc beelt noit fchry den thoe,. 
Laet uwc beelden geen drommedarisgangen gaen , mét het voortzetten van Kiuisbcwc- 
degeheele zijde. Men prijft een kruisbcweging , ttn zyhet beeld iets 8'"g' 
hene, of op de teenen ftaet. 

Indten uw beeld noch heft mchftaet op teenert, En f"»f « 

Zoo maekyerfchihn uvat) van arm en beemn i uufondeim- 

Wanneer hetftaet op t^nen luchter voet 
Den rechter arm non ofWMxts rejfk^n mott. 

Beel- 



2^6 C A L L I o P E. 

Beelden> die trekken of fteeken. 

Infteekendejiguuren, of die trekken , 
Moet 1 echter been en rechter arrem rek^n. 
Laet het gewicht en tegenwicht uwe beelden in de waeg hcudcn , gelijk 
den ftok aen den Koordedanfers , op datze in alle beweegingen , 't zy ftaen- 
de, of fteunendebeftaen mogen, ten waerein'tloopen of vliegen. 

De onvoeglijke en onnatuurlijke bewegingen moet men voor al mijden. 
Een z.ittend beeld mishaegt ons , met de knien 
Aen éen , en voort de voeten ruim te z.ien» 
Ook wegens 't verdraeyen : 

Enfchoon uw beelden ookjf vielen ofte vochten^ 
Laet z.ulx natuerlijkz.^n , en mijd verdraetde bochten. 
Want gelijk dit vaers luit : 

Gewoel en werkinqen vol geeft z.ijnprijz.ens waerdich, 
Maer buiten moogltjkf)ejft is alle z^wier onaerdich. 
De Poëten geven menichmael den Schilder door eenich duifter woort 
zoo groot een licht, als veel moeilijke onderrechtingen zouden kunnen te 
weeg brengen. Want wie zal zich geen allerbehaegiijkfte zwier inbeelden » 
»ls hvvan Venusby Virgieldeeze woorden leert .^ Zoo fpreekende, gingze 
heené, blonk over haerenroosverwigen nek, het hair gaf een goddelijke 
Enc'js locht,alsambrorie, van zich, hetkleet fleeptena, en haer tret wees wel 
j.boek: uit, datze waerachticheen godinnewas. Een naekten rugge een weinich 
Vanachce- verheven of gebüogen , wort niet onfchoon geacht. 

Del 54rro behaelde lof in eenleuijen arbeyder , die zijn handen op een 
fiinpele manier zat enklouwde, als ofhy in twijfel was, vanofhy tothet 
werk, daerhy toe genoodichtwiert,gaen wilde, of niet. 

tindelijk nioetmen deze itant der dansleyding ook op 't bevallijxt in flae- 
flap"ar" pende, jae zelfs indoode beelden, waernemen. De Sat^rjlaept, zegt P/;i- 
loftratus, inde Schilderye van MjdaSi laet ons zjichtelijk^fpreeken, ten eynde 
Anthol dat zwijnen jlaep niet gebroken en Worde j want z.oo doende z.ouden wy de liefltjkhej/t 
<j.. II. vanditgeüchteftraxquijtz,ijn. Diodorus^ zegtP/4fo, heeft denftaependenSatjir 

aldaer neergeleyt-, enmet gegraveert. Hyz.al ophet minfte fchudden dadelijkpnt- 
waken. Het z,ilveris meteen z.achienfiu(p bevangen. Enhoe veelbraeve gee- 
ften hebben zich verwondert over her fch^on en grafelijk beelt des nachts, 
van Al<(/;f / ^^«ö/ö gemaekt tothet ^rzf \indeMedicis. Waer van onder an- 
deren aldus gezongen is : 

De nacht, diehiernuflaeptt een Engelbeeft 
Uitfteengeteelt : wie denkt niet datz^e leeft , 
En zachjes ruft ? Oft.ouw 'er tets ontbreeken ï 
Ontwaekjer dan , gy zMltz,€ Jwrenffreeksn. 

Wacr 



Cacrde Vc 
nu 



ren, 

Luijaert. 



Stant van 



Het achtfle Boek. 297 

'^z.tio^lUchel AgmU , voor zijn beeldt, op dezen zirj antwoorde : 
Dejlaep vetnoegtme , en dat ikfleen ben meê , 
Dus kn/ugt mjf fchand , nochfcbaey nóch harte wee. 
Bat ikjjoch z.ie noch hoor , is niet te laeken j 
Bies houd uftil , en mlt my niet onttvaeken. 
Hettweedelit van de beweegingen nae de kunft te vertoonen, is, datmen 
dczelveinflaet, kunne, en ouderdom der perfoonen wel onderfcheyde ; ^''""''f' 
gelijk wy in 't volgende vaers uitdrukken : 

Be nouder dom en kunne t' onder fchey den , 

Boor tygenfchaf hun eygen , acht ikjaer : 
Loet dertle jeugd vrjfpeelend' zich vermejden > 

Maer maegdenpafi eenzeedigltjk^ebaer ; 
Ten z.jf menjlelt verwilderde Amaz^oonen, 

Eenftouteftantfajlaen een kloek.foldaet ; 
Een jongman paft een fierhejft te vertoonen j 

Baer d' oude geen verklettmtheyt en misjlaet. 
Zoo z.almen ook^root onder fcheit in 't werken 
Van heer ofjlaef, of boer of burger merken. 
Overeenkomende met HorattMy denIeermeefterderPoëzy,dieditonder- 
fcheyt zijnen leerlingen ook indachtich maekt , en de Schilders , die de 
ftomme Poëzy oetFenen , hebben 'er niet minder op te letten, Hyzectby- 
rae aldus: o d fh - 

Veelfcheelt het , of de knecht of meefler [preekt , in fta"t,ku"- 

Een oude man, oj die vol hitte Jieekt neen ouder 

Boor't bloeden van z.ijn jeugd y of flafy-vr ouwen t t'ondcrfchei. 

OfReyügers, of wel die d' akkers bouwen: 
OfKolcher, ofAftreXy ofThebaen: 
Bit onder fcheit is noodig te verfiaen : 
't Gemeen gerucht z.al u hier vej/ligflflieren y 
Of anders moogje iet dergelijx verz,ieren. 
En een weynich verder verheelt hy de trappen des ouderdoms aldus : , «. 

Jlet k}tid , dat eeven nu begint tegaen en queelen , '°*' 

Jleeft in 't gemeen een trekjnet z.ijns gelukje fpeelen » 
Is gram en licht gepaeity inongeflagenzjvang. . 

Een jong aenkomeUnggaet , bmten 's meefler s dwang , Jiné°"^^' 

Met Paerd en Honden zJch bjf d' offerplaets vermaken : 
Is licht verleyt , en helt tot d' ontucht , neygt tot wraken 
Van onderwijs , is traeg ^.ijn oorbaer te verfiaen , 
Verciuifiich , engenejgt de zinnen om teflaen. 

Pp De 



29S C A L L I O P E. 

De manlijke Ouderdom verandert degemoeden , 
De man. H^baektnaevrientfchaf) flaetnae eereen r^ke goeden ^ 

En wacht zjch te beftaen 't geen naemaels rouwen mag : 
Veel druki en ongevals komt met den ouden dag > 
d'Oudc. Jij z,oekt gejiaeg na goed , enfpeent zJch van 't verkreegen , 

Is ejgenunnich » en tot kpn^dheh genegen. 

En watlaeger: 
Of datm' een bejlevaergeenjongmans Rol doe klappen , 
En 't kjndgeen mans bedrijf, z.00 merkjlx ey genschappen, 
Maertenis niet genoeg, datmen een oude vervallen en verfchrompeltaf- 
beelc ; want ongemak, ziekte en arbeyt verhaeften den ouderdom , die fom- 
tijts ook door maticheyt en gezontheitfchijnt te vertraegen. 
n'^rA^"'*'^ iS^r^deHuisvrouwe Abrahams\VAs\n\^tïtn hoogen ouderdom van ne- 
" ' • ^0. gentichjaeren,nae't gevoelen van ^ö^tt/?i««ij noch van zoodanigen fchoon- 
heyt, dat 'er de Koning van Gerar Abimelech op quam te verlieven, 200 
wel als 'er P/;<ir4oIang tevoren inEgypten opverlieft wasgeweefl. Maer 
om een ftaeltje wegens de waerneming van kunne en ouderdom in onze 
kunft voort te brengen , zoo gevalt my geen beeter, dandeSchilderyder 
tauun ^"' Centauren van Zf«A:«, welkers kopyeiwtMwaj, dieze gezien hadde, aldus 
befchrijft: 

In een dichten floel , of bofch van groene kruiden leyt een Centaurinne , 
met al de deelen, die merrie zijn, ter aerde, en het kruis of achterdeel 
zydelingsover nedergeftrekt : maer de vrouwelijke leeden , als zittende 
ruiten op den elleboog : de voorfle becnen leggen ook niet overzijds , maer 
het eene leyd, als of zy knielde, gevouwen met den hoorn inwendig nae haer 
toe, en het andere recht zich om hoog, klouwende d' aerde met den voet , 
gelijk de paerden, wanneer zy poogen op te ftaen. Van twee tweeling- 
kinderen halve veulens, heeftzeheteen opdenarm , en geeft het op men- 
fchelijke wijze haer vroulijke bord: het ander, dat roeerder van des paerts 
aert heeft, is vaft aen de fpeene , gelijk de jonge veulens gewent zijn aen 
de moeder merrie te zuigen. Boven in 't Tafereel , op. een puntige rots, 
vertoont zich een Hengft Centaur , fteekende den kop uit het werk, doch 
zijn lichacm vertoont zich niet verder , dan voor zoo veel als hy menfch is j 
dit is, zoo ik meen, denman van deeze Centaurinne, die op twee ver- 
fcheydeplaetfen, alsgezegtis, hacr jongen zoogt, 't welk hy al lachen- 
de aenziet, terwijl hy met zijn rechterhand een jong leeuwken boven zijn 
hooh wikt, en geneugtfchijnt te noemen met dit fpeelding de kinderen te 
verfchrikken. De reft van deeze Schildery , hoewel wy deeze konft niet 
grondig verftaen, vertoonde een jroote vol komentheyt, en ontdekte een 
uitnemende vlijt. Teneerften, den omtrek fcheen voortgekomen uit een 

vafte 



Trefliik on- 



Het acht ft e Boek. 299 

vafle hand. Ten anderen waren de verwen zeer kondig gebrooken , en het 
byzonderüe van'twerkwasoverltort meteenrijkhjke gratie. De verdie- 
pingen, verkortingen en buigingen, waren wel ter deege wacrgenomen, 
zonder dat 'er iets verzuimt wasvan'tgeenemen zoude mogen wenfchent 
zoo van geftalte , maetfchiklijkheyt , ordinantie, als van alle andere deug- 
den, die de verflandige Schilders gewoon zijn te betrachten. My aen- 
gaende , vervolgt Lacianus , ik loofde in Zeuxis byzonderlijk diegroote 7^^^} 
kragt van zijn wetenfchap , waer doorhy, in zoo gelijk een gezelichap, ^^„Ic. 
de kunne en ouderdom zoo kunftiglijk heeft onderfcheyden. Want den 
Centauwer heeft hy heel wreet , moedig, en gruwlijk uitgebeelt , 'thair 
overeynd ftaende , voorts bykans geheel ruig en ruw, niet alleen *t geen 
datpaertis, maer zelf ook dat menfchis, met breede en verheven fchou- 
deren, en ik en weet niet wat grenikken of grijnen in't aengezigt , daer 
echter zijn ongetemt en woelt weezen doorheenefchijnt. Üe vrouw f^e- 
lijkt beneeden zeer wel een oorloogsmerry , gelijkdeTheflaliaenfche,die 
noch ongetemt, en van niemant bereeden zijp : haer menfchelijk deel is uit- 
nemende fchoon , uitgenomen d'ooren , diehy, als die vandeSatyrs, 
inismaekt en fpits heeft uitgebeelt. De vergadermg der twee lichaemen is 
niet bottelijk al teffens afgefcheyden , maer van verre beginnende ontfteelt 
zich uit d'oogen der aenfchouwers , en fmelt zich al dieflijk 't een in't ander. 
Belangende de twee l(inderen, in het eene zweemt een wreet gelaet, zoo 
wel als in den Vader , en in die teedere jeugt fpeelt een ontemmelijke gruw- 
zaemheyt. My fcheen ook verwonderens waerdig, dat zy zoo kinderlijk 
zien op den jongen leeuw,en ondertuflchen de mammen vatten,en tot die in- 
vallen, die zybeyde in hair en verwe gelijken. Dusverre Lucianus. En ze- 
ker , hy heeft zeer wel aengemerkt , dat het recht onderfcheyden van kunne 
en ouderdom geen van de minfte deugden in eenSchilderyeis ; temeer, 
dewijl men by overleveringe heeft , dat de oudfte Griekfche Schilders haere 
beelden zoodanig maekten, dat men niet en wift , of't mannen of vrouwen 
waren, totdat eer\en Eumarus, die alles nae 't leven deede, dekonftzoo 
ver bragt , datmenze kon onderfcheyden. Ik agt dat dit eenigzins by quam, 
om dat vrouwen en mannen meeft op eenderley wijze zich kleedden. 

Dat nu al die van de kunfl: is , onze Eufroftne nae d'oogen zie, om al verder 
en verder van haer onderweezen en geleert te worden : want ik heb niet an- 
ders,dan een inlcydinge tot al deeze hooge Schooien belooft ; echter meen 
ik dat' deeze winkel van Calliope reets ftofs genoeg zal inhebberL, om de 
braeflle geeften te doen zweeten. 



Pp 2 VYF- 




3CO C A L L I O P E. 



VYFDE HOOFTDEEL. 

Thaleye de derde Gratie. Van de HoudïngtSamenftemming , 
of Harmonie in^t koloreeren. 

Erpficbore heeft van 't wel verwen , Melpümene van lichten en 
fchaduwen gehandelt. Zoo refteert'er noch van der zelver over- 
eendrachtige ordening en meedevoeglijke fchikkinge tefpree- 
ken. Welke geheymenis der konft wy gewoon zijn met het 
woort üo«(i/«guit tediukken; 't welk in het koloreeren eeven het zelve be- 
teykent , als in de konft der maetfchiklijkheyt de woorden Simmetriet 
Analogie, Harmonie, en Proportie; zijnde ook als deovereenftemnvingen 
bekoorlijke zangwijze in de Muzijk. Want het begrijpt in zich een zuivere 
vergaderinge van famenft emmende kracht : het wel fchikken der koleuren, 
't welkwydeTuilkonft noemen: en de ordentlijke fchikking van lichten 
en fchaduwen: nevens het voorkomen, wechwijken , ronden, en ver- 
korten i en laet eyndelijk niets uitgeHooten van aPt gene dat, booven 
't geene dat reets verhandelt is , tot een volmaekte Schilderye behoort. 

Over deeze Houdinge nu heeft onze CAÜiope de behaegli jke en altijts wel- 

geneygde Gratie T/w/e/f geftelt; Ihaleye, zegik, die onder de Gratiën 

even het zelve amptbekleet, dat d'andere T/^^/f/f onder de Muzen heeft. 

Wantzy vergelt debevallijkheden haerer Zulteren met een wel gefchikte 

ordening. Wy zullen onder haer opzicht dan van de famenftemmende 

Samenilem- kracht beginnen. Deezebegrijpt in zich een gelijkmaeticheytinklaerheyt 

1^^" ^ en gloejenth^yt , waer uit dan een byzondere zachticheyt volgt , die aen het 

Tichticheit, werk een wonderlijk vermogen toedeelt. 

Zacht fèhildr en is nietfiaeuiv htt werkje doen rerdivijnen » 
Als veelt meenen , maer de kr Achten te doenfchtjnen 
InLendrachty ' t kUer hy t kl^er \ geenverw en isz^aohart 
Dat z.ygeen makker vmd , het donker l^d het z.wart : 
Nochgeefi en locht en licht vermenging en verz^achtea 
Hoorfchaeuw en weerglans <, en hhulpfaemheyt van kt Achten, 
Binding. De zachticheyt van famenftemraende kracht is als een band van 't ge- 

heelewerk, en wort daeromme binding genoemt; zy doet in het fchilde- 
ren of koloreeren even zoo veel , als het wel- troepen en bondich ordineeren 
'm de Teykenkonll te weeg brengt. 

Vy hebben in Mf/j^f»jo«e de graeden van licht ca fchaduwc eenichzins 

uit- 



Het achtfte Boek. go£ 

gedrukt , maer het behoort voornainentlijk tot de Houdinge , dat men ver- 
fcheyde lichten , en verlichte dingen tegen elkander wel vergelijkt. Indien 
eenichnaektoflywaet, daer geen flikkerende glanfenin te wachten zijn, 
de klaerlte dingen in uw werk zijn, zoo moogt gyze vry metal uwmacht proportie of 
op'tallerverlichtlte uitbeelden. Maer indien'er fpierwitte Satynen, blin- 
kent gout of zilver, vyer of vlam ontrent is, zoo moet gy de kracht van uwe 
verwen in deze groote glanfTen alleen op'talderhelderllte werkftellen: 
houdende de refl zoo veel fommerder , als zy in licht van deze heerfchende 
lichten verfchillen. Plucarchusber'id^t Apelles y datalshy ^/f.v<i«^^r met den Houdinge 
blixemindehandhadafgemaelt, hy zijnnatuerlijke verwe niet wel uitge- van, mindere 
drukt,maer hem bruinder en duifterder gefchildert haddejals hv wasiwint hy j^^^Tvkr "' 
was van natuure blank, en die blankichey t was vermengt met eenige roodig- 
heyt,diein2onderheitin zijn aengezicht en op zijn borft bleek,ont(laende uit 
een goede gerempertheit , warm en vyerich van aert , waer door men zegt, 
dat hy een zoetgeurigen adem hadde, en dat zijn vlees lieflijk rook , ja dat 
zelfde kleederen, die zijn lichaem raekten , daer door als geperfumeert wa^ 
ren. Maermoognjkzouw ApeUes hier in wel teveifchoonenzijn, dewijl 
hy al zijn vermogen van licht in den blixem en d'uitftekendehand, die 
de zelfde voerde, gefpilt hebbende, genootzaekt isgeweeftdekiaerheitin 
de tronie te verminderen, om door een mactfchikhjke houding van meer 
en minder licht de wetten der kond te volgen. Want indien hy de tronie 
van i4/fX4«der zoo klaer hadde uitgebeelt, ^s men hem befchrijft, heten 
waerhem niet mogelijk geweeft de vyerige glans aen den blixem te geven. 
Die echter de regels, in T erpfuhor e ^deert, wetwaerneemt, zal zelfs we! 
blankicheyt in een fommer licht vertoonen kunnen : maer of hy daeróm van 
alle berifpinge vry zal zijn, voornamentlijk van die 't niet en verftaen,wil 
ik niet verzekeren. Mijnraedis, dat wanneer ueenzoofchoonen^/fAr4«- 
der, oflievereenichfchoonvrouwebeelt, te konterfeiren voorkomt, dac 
gy d'omftandicheden zoo fchikt , dat gy in de tronie , of 't naekt al uw krachc 
van klaerheit hefteden moogt, op dat u de wetten der houdinge niet en dwin- 
gen uw hooftwerk te verbruinen, 'twelk, indien 't niet ontfiert, u ten 
roinften in gevaer zouw brengen van als Apeües berifpt te wordenr 



^P 5 ZESTE 




302 C A L L I o P E, 



ZESTE HOOFTDEEL. 

VandeTuilingi Schakeering ^ ofbt/eenfchik^ 
king der 'verwen. 

Ae zoo voort mijn ThalejCi en ondek ons , wat een welftant een 
aengenaeme byeenfchikking der verwen maekt j en hoe be- 
koorlijk deeze kuntt voor het oog is. Eupbranor van Iftmos 
fchreef'er tot onderwijs een geheel boek van : maer de tijde 
heeft'erons van berooft. Paufias, deSicioner, vond de Tuil- 
fter of bloemverkoopfter Cljcera hier zoo aerdigh in , wanneerze haer krans- 
jes, fefloenen en ruikers vlocht, dat hyit daerom tot zijn Meeftres ver- 
koos^: en zy gaf hem door haere geeflicheyt, in't by eenvoegen der ver- 
fcheydefierhjke verwen, zoo veel werks, dat hy de krans vlechtfter, Ste- 
De Tuiing f hanoplocos oenoemt , die hy dus door haer beleytgemaekthadt, voor zijn 
leert men meefterftuk hielt. Het kofte Lukuüus naederhand noch twee talenten , toen 
ui: de Bloe- j^^^ eenen Dionj/fiiu voor hem kopyeerde. En zeeker , een verftandich kon- 
ftenaer zal dit deel der kond wonder bevallijk in Bloemen en Kruiden zien , 
wanneer hy ze nae zijn geoeffent oog een weynich fchikt ; en men vind in de 
gemengde bloemen zoo voeglijke famenvoegingen van elkander toegenee- 
ge verwen, datze 't gezicht in haere behaeghjkheden doen verlieven. 

In fruiten,bladeren en bloemen heeft Rafa'él Urbyn zich gedient van eenen 
74w,een Vlaming die by hem woonde, fchilderende de zelve op een vry lo/Ter 
en natuurlijker wijze, als men te Romen gewoon was te zien. Door wiens 
\oor^an^ Jan da Udine ook zoo zeer verUcht is geworden, dat hy fruiten , 
druiven, groenicheyt, bloemen en allerley vogel koft, als koren, haver, 
gerft, vlier, venkelknoppen, enTurk(che terwe, in feftoenen gevloch- 
ten, enelkeentijdt des jaers uitbeeldende, zoo konftich en levende ko- 
loreerde, datzc aen de muuren j in d'omloopen van de Hukken , in'twelf- 
Akkerscn fel van ï Paleis van Gigi fcheenen te hangen. Niet minder zijn de veelver- 
veldcn. wige velden in de lenten lieflijk , die door zoo veelerley groen , doch 
byna yder weyde of akker van den anderen verfchillende , in't geheel als een 
welftandige Harmonie maken. 

Natuur is zeer genegen deze deugt re vertoonen , het zy wanneer de vro- 
lijke AurooT des morgens den Hemel opent, of dat Tethjfs de vermoeyde 
Zonnepaerden uitfpant , of de dingen by een fchikt, die tot elkander be- 
hooren. Vermander zingt hier van byna op dezen zin : 



305 



Dascracr. 



Hemel. 

Sieracdcn. 

Eenige lef- 
flcn van be- 
minnende 
verwen. 



Het achtfte Boek. 

Jk^zwijge van den blojfen dageraet , 

Zoofierlijk^int veel verwighpronkgetvaet, 

Degoude Zon en Maen en Starren ) z^wieren 

Int blaeuiv Az.mr , het goud verheugd Saffieren. 

't Hoofs purper mint het gulden bor[l kieynoot. 

De Papegaey braveert met groen en root. 

Het wit albafi in t groen z.al't oog vernoegen : 

Doch 't wit kan zjch bj/ alle verwen voegen, 

Hoegeefiicb dat natuur het pluimge dier t * • 

En 't z.eegewas befchildert en verfier t , 

'< En belgt z,ich niet : d'eendrachtichejt > intfchikj^n 

Der verwen , fchijnt onz.e oogen te verquikk^en. 

Roo ver we en paft niet z^onder wit bft naekt , 

Maer purper > blaeuw-, en groen > en geel yermaekt 

Het bloote vel ; zy lijden ookjlkanderer 

Noch kanm' een kleur in veelerley veranderen » 

Byvoorbeelfy groen y watgeelerofwatblaetiffi-y 

En 't eindeloos in allerhande graeuw ; 

Deesz^achticbeen eikanderen ver draegen. 

Maer 't voegt fomtijts , en 't z.al het oog behaegen > 

Datni ietwesfcboons vertoone , daer de reft 

Zichfommer houd : maer hoed u wel voor 't lefl 

Een hardicheit te lijden : licht en luijier 

Verklaert de lucht enfchemert tegen 't duijler. 
Om zich in het wel houden en by een fchikken der verwen te oeffenen, ... 
plachten d'oude Meefters fomtijts haer te verluftigen in ftukskens > die zy Xcnïa.^ ^* 
Xénia noemden, te tnaken. Want men hadt de gewoonte, als vrienden 
eikandere vergaftcn , eenige bakskens of korf kens met fruit , of andere min 
gemeene dingen, fieriijkop gehoopt en fchiiderachtichgefchakeert , aen 
malkanderentefchenk te zenden,- welke men Xw4 of gaftgaven noemde: 
die fomtijts zoo kunftich deur een gemengt waren, dat zy de kunft fchee- 
nen uit te tarten, 't Wit en groen is elkander gunflich , als in Maroos vaers : 

De Bofchgodt quam'er by , bekranft met bof, en bladen , 

En z^waeideLelijenj enMeyenonbeladen. 
Maer deze welftant openbaert zich voornamentlijk , wanneer men groe- 
ne hoven met fpierwitte beelden, van Marber of Pleifter, verfiertzict ; 
of dat de latachtige pricelen , met ceruze overftreeken , en met groen loof 
doorvlochten zijn. Onzen M4rotuilt verder aldus, in zijnen Alexis: 

De Nymfen korfby korf vol Lelybloemen brengen. 

De blanke N aïs plukt , om onder een te mengen , 

T'ioO' 



wit CD 

groen. 



30+ C A L L I O P E. 

^..^.l.^l Tïooletii Mankop ^^^ vlecht Tijdelooz.en mei, 

bioemrn. En Dille y bljfvangeur, eenieder op z.^njleêf 

Lavendcr , en meer kjuit , te kem'tch uttgekooren. 

Schakeert de Goutbloem met de z^achte Ridders ffooren. 

Maer natuur fchakeert de verwen nergens zachter onder een, ais in den 

Reegenboog. 

^ „ Int afzaen van de tüd wort deezen bo6££ 

Den Regen. , n t, ■ i i 

jjQg„^ ^ Welmeejigez.ien. Bj toont z.tch voor het ooge 

Op'tklaeïfiy wanneer hy valt voor donkre locht. 
De Zon , altijti recht over z.!jt)en bocht , 
Schiet kringsgew^s dejlraelen door de dampen , 
Enfchilden , daer zy vochter lucht befchampen , 
Den Reegenboog j jafomtijts ookjpel twee, 
lk^z.ach een boog intjiuiven van de Zee , 
Maer omgekeert , dat 's met den bocht naer onder. 
Ook^z.iet men dit behaegdtjke wonder 
In 'tjluiven van fontein of waterval , 
En omgekeert , wenm' uit der hoogte in 'r dal 
Dit z.ien \an , '/ welkjnaer z^elden komt te beuren. 
Hy slreki ztch uit met overfchoone kjeurenj 
Alspurpety paersy oranjeof helder root , 
En geel y en groen y tot blaeuw in' t purper floot. 
Hier uet men al de verwen , die den ander 
Beminnen y alsomhelsdenz.e malkander. 
Des Kartes komt met deeze befchrij ving des Regenboogs by nae over een: 
wanthygceftzeeerftpurperroct, voorts inkarnaet, oranje, geelj groen, 
blaeuw , en asgraeuw , waer van hy zegt ,dat fomtijts *t eerlle, en wederom 
fomtijts het laetfte , of binnen of buiten komt. Maer ik hier mede niet te 
vreeden , hebzeop't nieuw naer't leeven aldus naegevolgt , en hebze bevon- 
den eerft purper, danpaers, voorts roodt, geel , groen , blaeuw, en paers- 
achtig, en daer onder wederom geel, groen en purper. Immers de ver- 
wen, die malkanderin den Regenboog verzeilen, zijn elkander recht be- 
vricnt ; gelijk dit vaers te kennen geeft : 

*r Blaeuw paft by 't purper , en het purper weerhft roodt , 
't Roodt bjt oranje , daer het geel niet tegen floot , 
't Geel mtnt het groen , en 't groen heeft graeg met blaeuw te doen, 
tSchoonft Wijders, dewijl't zeer wanfchiklijk zoude zijn, het geheele werk met 
n't beft. ocmelde vermaeklijke koleurkens te overladen , zoo zal't prijflijk zijn , 
dat men, in het voorfte of voornaemfle ran 't werk,yder verwe op zijn 
fchoonft maekt ( men bedekt in't fchilderen , zegt Flutarchus, de duiftere 

en 



Het achtfle Boek. 305 

en droeve verwen > en brengt de lichte en bly de voor of boven) op dacze met 
een gemeene en met malkander verdraegfaeme kracht engloejentheit her- 
voordringen. Lchterwilik niet, dat de verwen juift eeven licht, eeven 
bruin, als een droom verfchijnen^ maergelijk een goede muzijkfomtijts 
den toon verheft, en fomtijrs met een diepe bas dreunt, zooimachmen 
fpierwit ly waet by blaeuwe zijde dartel doen krinkelen , en fchitterend 
gout byalle verwen paflen. Zoo praeltde bleekemaenby gulde ftarrenin 
d' azuure lucht , zoo blinkt het rijpe graen in de groene velden. Defiguuren, 
meer tot bywerk, als nootzakelijk, zal men voorzichtelijkzoodanichklee- 
den , dat het oog in het opflach van het voornaemfte werk niet en wort afge- 
trokken: niet datmenze juift alle zal befchaduwen , of indenrouwkleên , 
maer men zal meteen kunltigebehendicheit doorhaer eenwelftantin het 
hooftwerk veroorzaken j 't zy zy in verder afftant de voorfte klaerheden ee- 
nichzins mifl'en , of alleen een weerglans ontfangende , van 't voornaemftc 
licht berooft zijn. 



ZEVENDE HOOFTDEEL. 

Schikking vanfihaduwen en lichten. 

lNs oogefchept eenen zonderlingen luflin d' alderglinfterenfte 
koleuren, zegt Maximus T^frim, nochtans zal ons dit vermaek De fchoonc 
een klein vergenoegen toebrengen , ren zy dat men het aengena- nagingen 

r \ •• r }^ °n lij j u:» worden door 

me Ichijnfel van zulken helderen verwe, door een nabuurige machte bv- 
bruinte een weinich zoekt te helpen. De jonge ?linim zegt , dat de gevoegde 
aengenaemheit van 't licht ineen Schilderyealdermecft door de fchaduv? e 'cbaduwcn 
wort veroorzaekt. Hier op zegt QuintiUanus , datmen te vergeefs eenige ^^ ° P^"* 
bevallijkheyt in de Schilderyen zoude zoeken , die niet dan met flaeuwc 
lichten, welke alleen een harde oneffenheit hebben, befprengtzijn : want 
deeze ontbeeren niet alleen de krachtige affteeking , maer verbergen ook de 
aengenaemheit van die dingen, die wegens hare zachticheit zouden geroemt 
worden. En Junmy vanwien wydit gemelde ontleenen,berifpt de harde Vcel harde 
aeneenftooting van licht en bruin, en zegt, dat dergelijke Schilderyen wel '^'''|^"*f" 
fchaekberden gelijken. Vorder wilhy, datmen de machtvan fchaduwen fchiid^"v"" 
matichgebruike, gelijk alsmen den honich met 't uiterfte der vingers, en eenfchark- 
niet metdegcheelehandneemt j want dit zullen gewis wel fchaek-ofdam- f>eftgclijk. 
berden gelijken,die vol van lichten en bruine fchaduwen geplakt zijn. Daer- 
om bevcele ik u niet te veel met lichten en fchaduwen door een te hafpelen , 

Q^q maer 




R'-gel van 
dagen en 
fr^ad„wcn 
tefchikkcn. 



go6 C A L L I O P E. 

inaer de zelve bequamelijk in groepen te vereenigen ; het uwe fterkHe 
lichten met minder lichten minlijk verzelt zijn, ik verzeeker u , datzete 
heerlijker zullen uitblinken^ laet uwe diepfte donkerheden met klaerebruia • 
tens omringt zijn, op datzemet temeerdergewelt de kracht van het licht 
mogen doen affteeken Rembrant heeft deeze deugt hoog in top gevoert , en 
was volleert in 't wel byeenvoegen van bevriende verwen. Polidoorvzn Ca- 
ravaggio heeftin zijne groepingen fchooneen grootfe dagingen waergeno- 
men , en liet de lichten van minder lichten tot noch mindere afzakken , eer 
hy zijn ruime fchaduwen te pas bracht. 



Veclerley 
vonden om 
te doen 
wechwijken, 




Of licht 
meer ver- 
mogen heeft 
om te doen 
voorkomen, 
dan fchadu- 
9re. 



ACHTSTE HOOFTDEEL. 

Van voorkoming i wechwijkingy en ver korting. 

N dit allerheerlijkfte deel der Schilderkunft , is de blindhey t tot 
deeze tijden toe noch zoo groot geweeft , dat veel braeve inee- 
fters het voorkomen en wegwijken eer by geval in haer werk 
brachten, dan door zeker beleyt. d' Italiaenen meenen haer ach- 
terlte werk door inezetintenof halfkleuren te rug te fchuiven. Zommige 
w Hen met donkere en zwarte gronden haer werk met gewelt doen voorko- 
men, enfchrijvenhaerefleekende lichten dat vermogen toe. Deze gec- 
ven die deugt aen de fchoone verwen , en willen dat de graeuwe en vuile 
nootzakelijk wechwijken. 

I.aet twee paralleelen ofte evenwijdige linien , op een paneel met<le Vq.- 
leu en van licht en fchaduwen worden getrokken, zegt Longius, noclitans 
zal e uitftekende blinkende helderhey t des lichts ons gezicht vaerdiger ont- 
moe en, enveelnaerderfchjnentezijn. Niciasheehi onder alle d' andere 
oude konfteruers, het licht endede f chadu we zeer naeupuntigiijk waerge- 
nomen, allermeeft daer na trachtende, dat zijne Schilderyen van 't berd 
zouden afftecken. 

Indien wy een berd met wit en zwart te gelijk overflrijken , zegt Johan- 
ne$ Grammattcm-, zal nochtans het witte altijtnaerder, en het zwarte ver- 
der af fchijnen te zijn. Daerom plachten ook de Schilders , op aenmerkingc 
vanditftuk, haer zelven met zwartachtige of donker bruine verwen te be- 
helpen, wanneer zyde verdiepte holligheyd van eenen bornput, vanee- 
nenregenbak, van een gracht, van eenen grondeloozen kuyl , ofte iet zulx 
meenden af te beelden : wanneer zy eenige dingen in het tegendeel zochten 
te verhoogen, als namelijk, de borften van eenmaegt, een uitgeftrektc 

hand, 



Het achtjie Boek. ^07 

hand, de voeten van ecnfpiingend ofte loopend p^erdt» dan plachten zy 
aenbeydc zijden een genoechfaeme fchaduwevan zwarteen bruine verwen 
acn te wryven , ten eynde dat deze gedeeltens door de nabuerige verdiepinge 
met een levendige kracht van het tafereel mochten affteeken. Wy zullen x/. 
gaerne bekennen, dat dingen fterk in 't licht , en vooraengefchildert zijn- geen oor- 
de , het ooge des aenfchou wers geweldich tot zich trekken , en dat de brui- zaek dacr 
ne fchaduwen de dingen veel van hun vermogen ontrooven. Maer dat de '^*"* 
lichte verwe alleen zoude doen voorkomen, en de donkere doen wechwij- 
ken, ftaen wy niet toe : want men ziet een brandende kaerfe door een nevel 
en de Zon, die zoo ver is, door de dampen heen, jaopdenklaerendagdoor 
de blaeuwe lucht, welke naby is, en boven of wel beneeden de wolken uit 
zuivere dampen beftaet. Maer dat de dingen, 2ooalszeZo»g/«*en j|!ff/j4nw« 
Gr4ww4«f«i opgeven , aldus in het licht geftelt geweldich uitkomen, is 
omdatdenkonftenaeralsdangelegentheit heeft, om de konftgreep, daer 
het voorkomen alleen in beitaet , in 't werk te ftellen. 

De fchaduwen of bruintens zijn ook geen zeekere middelen om te doen 
wechwijken. Want fchoonde donkerheitin een hol het zelve diep doet DefchacJu. 
achten, zoo zal het zelve noch veel dieper fchijnen, wanneer hetin zijn bJuimcn? 
waere diepte eenich licht ontfangt. Wat eenige bruine dingen in het licht geen oorza- 
aengaet, de bruintezal haerook niet doen wechwijken, maer veel eer de kcn^an 
kenlijkheit doen voorkomen , gelijk aen de bruinviflen fomtijts gezien kan ^^°^ *"^' 
worden. Men ziet de verwen der vilfchen, zegt Philojlraet t inhetblaeuw- *"' "* 
Verwich fchijnfel der zee allengskens verfchieten. De voorlle fchijnen heel wcchwij- 
zwarttezijn, de naefte minder, d' andere beginnen eerft een weinich uit kingvcr- 
ons gedicht:' ontwijken, daer nakrijgenze eenenfchaduwachtigen en zoo mindert 
voort eenenwaterigenfchijn, tot datmenze eindelijk maer alleen meent in^'"'"'='^^"" 
*t gedicht te hebben.Dat veele geacht hebben datmen met fterke fchaduwen ^^"' 
belt kan doen voorkomen, blijkt daer uit, datzeveeltijtsinhaere werken 
zeer bruineen tterk befchaduwde beelden in de voorfte hoeken van hare 
ftukken hebben te pas gebracht, laetende in de middelruimte een licht in- 
zien. Ik en wil niemants vonden misprijzen, maer zal alleen met het ont- 
dekken van de zuivere waerheit deeze wonderkunlt licht maken. Ik zeg dan, 
dat alleen de kenltjkhejt de dingen naby doet fchijnen te zijn , en daer en te- Wat cygent- 
gen de egaelhep de dingen doet wechwijken : daerom wil ik , datmen 't geen 'm^ "^oet 
voorkomt , rul en wakker aenfmeere , en 't geen weg zal wijken , hoe verder ^°°''^°"'^.? 
en verder,netter en zuiverder handele. Noch deeze noch geene verwe zal uw kenT^ * ^ 
werk doen voorkomen of wechwijken , maer alleen de kenl^kheyt of onken- 
/^i^^ey r der deelen Wat is 't, alsgyop blaeuw papier een blaeuwen Hemel 
met drijvende wolken in 't veld na 't leven tekent , dat uw papier zoo na by 
ufchijnttezijn, en het Hemelfch Jazuur 200 oneindelijk verre .^ 't Is om 

Q^q 2 dat 



3o8 C A L L I O P E. 

dat uw papier, hoe effen gy 't ook oordeelt, eenzekere kenbaere rulheyt 
heeft, waer inhetoog lUerenkan, ter plaetfe, daergy wilt, 't welk gy 
in 't gladde blaeiiw des Hemels niet doen en kunt. De f choone verwen wij- 
j)^<5j.I^qqj,, kenzoowel wech, als de onzuivere, gelijkaenZon, Maen, locht en ge- 
hele der ver- ftarnte te zien is; end' onzuivere koleuren zullen zoo wel, als de fchoone 
wc is ook voorkomen, als gyze door een zekere rw/fof^r, die de J^w/^f^Ot/r der deelen 
geen oor- uitbeelt, aenwijft. Dit zal genoeg zijn voor die 't begrijpt, want ik wil 
'tvoorko- "letgeen rfcfr^rcwtwiflen. P4«/j4i was d' eerfte , diede handfloegaeneen 
men. zekere foorte van Schilderic , in welke hy van niemantachcerhaeltwierd, al 

hoe wel hem veeledaer in navolgden: want alshy de lengte vaneenen Os 
Verkortinge wildeaenwijzen , zoo heeft hy hem eerft met het hooft en met de borft 
door krach t recht tegen over d' aenfchou wers gewent , zonder hem na de gewoonte van 
lorcere^ii te"" ^^^^^^ meefters zydelings te ftellen ; en dus doende heeft hy niet te min zij- 
wegcge. ne gantfche lengte en dikte genoegfaemlijk te verflaen gegeven , daerna, 
bracht. gelijk alle d' andere konftenaers eenige by zondere gedeelten hunner beelden, 
omdezelvigebeterte doenaffteken, met lichte verwen verhoogden, en 
door eennaebuurige bruinigheyd verdiepten; zoo heeft hyden geheelen 
Os zwart gemaekt, het wezen zijner fchaduwenmaer alleen uit de kracht 
der geweldiger verdiepinge uitwerkende, en door een zonderlinge verkor- 
tenskonft, met eenen ook te wege brengende, datmen zijne platte Schil- 
derye vooreen verheven ende half rondt beeld zoude hebben aengezien. 
Ook fcheenen eenige dingen gebroken enpuntich of hol te weezen, die 
nochtans geheel effen en glat waren, 't Welk ook, nevens andere, van 
Konding en Baltaz^ar da Siena'is teweeg ^ebnchty want hymaektein't paleysvan Gigi 
UI thcffing. eenige korniffen en verfierzelen , of t ftuko waer , zoo wel op zijn verkorten, 
enmetnaeuwewaerneming van lichten en fchaduwen, dat zelfs die van de 
konftdaer door bedrogen wierden, en niet konden gelooven, dat het ge- 
fchildert was, voordat zydaer van door 't aenraften verzekert waren. En 
hoe heerlijk Fabritius zich hierin gedragen heeft , is noch hier te lande te 
zien. Wy hebben zelfs in dergelijk bedroch, zooin 'tooft alswefterlijkfte 
rijk van Europa, ons na vermogen gequeeten. BehalvendenToneelfchil- 
der KAlaJfeshecft Nicias ook by de ouden in verkortingenen inziende ver- 
fchieten uitgeblonken. Apeüestoenhy Alexanderde Groor met den blixcm in 
dehandfchilderde, gelijk boven vermeit is , zoo fcheenen de vingers met 
zamen den blixem van 't tafereel af te ffeeken. 

Philojlratus heeft het zelve in de Schilderye van de yvoire Venas aenge- 
Voorbecl. merkt. De Godin, zegt hy, wil niet fchijnen gefchildert te zijn, want 
''*"■ haerbeeltiszoo geweldichaffteekende, dat het fchijntomhelsbaer te we- 

zen. Zeuxisy Polignotus en fw/r^nor arbey den met groote vlijt, om haerc 
beelden een levenden geeft in teaeflemen, en voor al te doen uitheffen, 

'twelk 




Het achtfle Boek. 509 

•t welk haer in lof boven alle andere Mcefters heeft doen toeneemcn.'t Welk 
wy ook tot befluittoewenfchen aen al diehaere voetibppen met yver na- 
tredenten de leiren van onze Calltope en haere drie ftaetjuffers in 't betrachten 
vande fchoonheyt, grafelijkheyt, fchakeering, en goede overeendracht 
des gehcelen vverx met yver ter proef tlellen. 



NEGENDE HOOFTDEEL. 

Hoe zich een Konjlenaer te draegen heeft tegens 't gewelf 
der Fortuine. 

Et is een mijner grootfte droefheden, zegt Jefm Sjrach, als C'*^-^*' 
verftandige mannen als drek geacht worden. Alben Durerw&n d'Onwctea- 
eenigeStadbeftierderseen zeer konftich fluk Schilderygetoonc heit ver- 
zijnde, prees het zelve na verdienften, waer op deeze wijze fmaccdc 
domme Heeren hem toefchooten , dat de Meefter des zelven werks daer ter ^""jj^'j, (^jgj 
Stede van armoede in'tGaühuis gedorven was. Als of zy zeggen wilden hiervan, 
datdekonft zoo grooten zackniet en was, terwijlze zelf haer befte oeffe- 
naers van armoe vergaen liet. Maer hy antwoorde hen : dat zy hen hier over 
ceuwich te fchaemen hadden > dat zy een man , die aen hun Stad een onftcrf- 
felijke eer had kunnen toebrengen, zoo fmadichgehandelt hadden. Maer 
deze onbefchoftheyt heeft meermalen gehecle ftedentotfchandegedient: 
Want toen den grooten Poëet Meleftgenesy federt met den naem van Howf- ^"'^^ *^* 
rus al de werelt over bekent, tot Kume zijn Goddelijke Gedichten zong, en YLume. 
hy bemerkte datzeeenige verftandige Kumaners behaegden, zoofteldehy 
henlieden deeze voorwaerde : dat indienze hem uit het gemeen wilden 
onderhouden, hy de Stadt Kwwf beroemt wilde maken. Dit geviel al de 
geene, die 't hoorden, wonderwel, zy preezen zijn voorflach , en be- 
loofden, dat indien hy dit aen den Raet wilde verzoeken, hem ook voor 
tefpreekcn, en nae hun vermogen te helpen. MeleftgeneSi door dit zeggen 
aengemoedicht, rrat, nae dat de Raet vergadert was, in hetRaethuis, 
enbadtdengeenen, die dner toe geftelt was, dat hy hem voor den Raet 
wilde brengen, gelijk gefchiede, en toen droeg hy de zelfde woorden we- 
gens zijn onderhout, zooalshyzete vooren aen de Liefhebbers had voor- 
geflagen, den Raet voor, en uitge^eyt hebbende trat buiten , en ging 
voor het Raethuis zitten. Midlerwijle raedtpleegden de Heeren , wat men 
den man behoorde te' antwoorden f De geenc, die hem daer gebracht , 
en al de geene , die Me lefigenes in de byeenkomftegehoort hadden, ver- 
ftonden dat men zijn verzoek behoorde toe te ftacn, tot dat eender on- 

Q^q 3 der 



gio C A L L I o P E. 

der hen, tot eeuwige fchande van Kume, hen tegen viel, zeggende: dat 
by al dien zy eenmael Homeren, dat is blinden , bettonden onderhout te ge- 
ven , zy dan voortaen een grooten hoop zouden krijgen , zonder daer 
cenich voordeel af te genieten. En hiej uit heeft Melefigenes3.\kïGet[i den 
naem van Homeer bekomen ^ want de Kumaners noemden de blinden HomC' 
ren. Zy floegen dan zijn bede en verzoek plat af, betoonendein'tver- 
fmaden van den blinden Homeer , die door zijn kunft en wijsheyt de gantfche 
werelt verlicht en zoo veel geleerden ziende gemaeckt heeft , haer eygene 
blintheit i waer over hy aldus klaegt : 

Minerfbad my ten roem van Kume als upverkooren , 
Maer 't woejle volk tpoum nae mijn hej/lig r^m met hoor en. 
Zoo ongelukkig worden ook fomtijts braevegeeltenindeSchilderkonft 
onthaelt , wanneer zy haere verkeering ontrent beeltige menfchen houden. 
Wicdekonft Alde^eene, die door haere verdienden lofgedichten waerdich zijn , zegt 
vcrfmadeD. een^jej., pleegen ook de vaerzenen gedichten van ganfcher harten te be- 
minnen; daer dezelve van geringe gemoederen gemeenelijk verfmaet en 
veracht worden. Zoo zietmen ook dat bezienswaerdige perfoonen de Schil- 
derkonft liefhebben: endatze van niemand gehaetwort, dan van zooda- 
nige, die'tbeeter zouw paden in deitallen van Cj/c^ onder de zwijnen te 
leeven , dan by reedelijke fchepfelen te verkeeren. Agefüaus , zegt Plutar' 
chas , verbood uitdrukkelijk in zijn teltament , datmen zijn beeltenis niet en 
20ude fchilderen noch gieten. Maer waerom? Hvwaseenonaenzienlijke 
en kreupele vent , daer met fchilderen of gieten geen eer aente behaelen 
was. Zoo gaf hy dit bevel zoo zeer niet uit onweetenheyt, als wel uit zijn 
bekende onwaerdicheyt. En zeeker , ik zach noit een eenichzins volmaekt 
menfch, of ik bevond 'er een geneegentheyt by , om zich zelfs eens ver- 
heelt te zien. Maer fchoon men al liefde vind, zoo vind men overal 't volk 
niet, dat een konffenaer dient. Hy moet, 't is waer, voor eerlt zijn goe- 
de fortuine in zijn eygen verdienflen , dat is , in de deugt en in d' aengenaem- 
heyt van zijn werk zoeken: maer daer nae inoet hy omzien, dat hy door 
nooi[ich"" y verige Mecenaten in de gunft der machtige Prmfen of Koningen geraeke : of 
by de vvelvaerende kooplieden in achtinge koome. Want zonder hulpe van 
gunftige aenleyders , en voortkruijers , die hem luitruchtich opfchreeuwen, 
zal hy bezwaerlijk bekent worden. En dat noch 't flimft is , zoo heb ik deur- 
gaens bevonden , dat de liefhebbers of iemant draegen of onderdrukken , en 
dat zy zelden onverfchillich, maer deurgaens eenzijdich zijn. En dit was 
d' oorzaek , dat veele Schilders , jae zelf onder d' aeloude , de vermaert- 
Go:dc Mee- ^Jcyt te beleeven gemift is: zh Arifiodemas , Thafius, Polples, Atramttenes, 
ftcrsvcr- Nkomachus , Schopas , en veel andere. Want fchoon het hen aen vlijt 
drukt. jjQ^{^ vernuft fchorte , zoo bleeven zy ver donkert en in d' armoede verfmoort 

door 



Het acht ft e Boek. ^ n 

doord'eenzijdichejrtdcrgcwaende konftkcnders, diehaer als met de voet 
op de nek traden. ii;rcfl de gieter, en !ƒƒƒ)ƒ)«/ de Beclthouwer konden d' ar- 
moede niet overwinnen, fchoondcczc zijn beelden bj'naedeedeleeven, en j„^, Voa'. 
d' ander het koper khier bezielde. Vttruvius zegt 'er zijn gevoelen af; dat rede van 't 
het de konÜenaers, hoe fchoonzy ook voordoen, zeer lichtelijk teegen derde boel{. 
loopt, indien zv te arm zijn, om'tgezach hunner kond na bchoorente 
hanthaeven , of door geen genoegzaeme tijt de gemeeoe gunft derven , of 
lich zelvendoorfchoon praetennieten weeten bemint te maken. Wat de 
armoede en een bekommerden ftaet belangt , menheeft veel dcurluchtige 
geeften daerdoor zien verdrukken , en eyndlijk verfmooren'j want de ar- Dekunft 
rnoedemaekt den menfche moedeloos , en voornamentlijk konftenaers, doorarmot- 
die door de zoetheyt, die zynoch in de kunll vinden, verrukt, het hart '^^'"^'^"°°'^^ 
niet en hebben hun zei ven te waegen. Hier van dient tot voorbeelt 
den uitfteekcnden Schilder , den kleinmoedigen Antonio van Corregio, ^"^'^f" 
die voor een zak korens een Mariebeelt fchilderde , dat een zak vol "^S^^' 
dukaten waerdich was. En die- eyndeling , met feftich kroonen aen 
quatrinen beladen, van Parma te voet na zijn huis tot Corregio gaende, 
van dien ongewoonen laft in zeer heet weder zich zoo vermoeide , en 
fomtijts onderweegen, om zich te verkoelen , water drinkende , zich 
zoocjualijk bevont ; dat hy t'huys komende vancenfterkekoortfebevan- 
widrt,tebedde viel, en ontrent zijn veertichfte jaerftorf. Maer het getal de- 
zer ongelukkigen is grooter, dan ik begeer op te haelen. Wat de onvermaert- 
heyt ofonbekentheit aengaet, een ftaelrje zal hier genoeg zijn. Toen Antonjt 
van D^fi^eyndelijk tot Genua zoo veel had te weeg gebracht , dat hy met een . ^en '" 
voorfpraekbrief tot Romen by zeker Kardinaelwiert gezonden, zoverworfjc onaenge- 
hy de genade van zijn t7/rw«nrf«fof/r te konterfeyten , waer in hy ook al zijn merkt, 
vlijt en vermogen te kolt ley; maer noch den Kardinael, noch icmant anders, 
kon'er iet byzonders inzien, en de Schilders, die getoepen wierden om 
hun oordeel te zeggen, bekenden dat het al redelijk wel was, van een vreem- Stael acn 
deling. Dus geraekte 't Xonterfeytfel in een hoek, en van D^i^in't vergeet- ''^" ^'J'^* 
boek, en fchoon hy zich zei ven) dus van al de werelt verlaten ziende, van mis- 
troofticheyt het hair uit het hooft trok , niemand kreunde 't zich, noch 
men verbood hem geen ftrop te koopen, en het (tont hem vry , zoo wel als 
Franfuko ïiamenkoi van misiroofticheyt te derven, die door Bernytt \erm 
bluh, na't huis der fchimmen voer, daer hem BambootSy zoo men zegt» 
namaels ging zoeken. Maer toen, na verloop van jaeren , vanD^ibalzijn 
zwacricheyt te boven was, zijn nacm door de werelt klonk, en hy door 
gunft van 't Hof van Withal verheevcn en bekent wiert , zoo wiertook 
'tkonterfeytfeldesKardinaels tot Rome voor den dachgehaelt, verwon- 
dert, geprezen, en eyndeling als een Mirakel ten toon geftelt, 

Hiet 



Sueltje van 

Herkules 

Zegcrs. 



312 C A L L I O P E. 

Hierby paft noch een ftaeltje van den ongeachten en nochtans, inde 
konft, grooten Herkules Zegen: dezen bloeide, of liever verdorde, in 
mijn eerïte groene jaren. Hy was van een gewis en vaft opmerken, zeker 
in zijn Teykening van lantfchippen en gronden , aerdich in verzierlijkc 
bergen en grotten , en als zwanger van geheeie Provinfien , die hy met on- 
metelijke ruimtensbaerde, en in zijne Schilderyen en Printen wonderlijk 
liet zien. Hy benaerltichde hem de konft met onvergelijkelijken yver; 
maer wat was 't ? niemant wilde zijn werken in zijn leven aenzien ; de Plaet- 
drukkers brochten zijn printen met manden vol by de Vettewariers, om 
boter en zeep in te doen , en't geraekte meeft al tot peperhuisjes. Eyndelijk 
vertoonde hy een plaet , als zijn uiterfte proefftuk , aen een kunftkooper tot 
Amfterdam , veylende de idve voor klein geit , maer wat was'tr" de Koop- 
man klaegde dat zijn werken geen waer en waren, enontzachzichbyna 
't koper te betalen, zoo dat den ellendigen Herkules ongetrooft met zijn 
plaet na huis molt , en na dat hy eenige weynige printen daer af gedrukt had- 
de, fneed hy de zelve aen ftukken, zeggende ; dat'er noch liefhebbers 
komen zouden, die viermael meer voor een afdruk geven zouden, alshy 
voor de geheeie plaet begeert hadde, gelijk ook gebeurt is, want yder 
print is naderhant zeftien dukaten betaelt geweeft , en noch g elukkich diezc 
krijgen kon i maer den armen Herkules had'er niets van te bet : want fchoon 
hy zijn hemden en de lakens van zijn bedde verfchilderde of verdrukte (want 
hy drukte ook Schildery) hy bleef in d'uiterft e armoede met zijn ganfche ge- 
zin, 200 dat zijn bedroefde vrouwe eyndelijk klaegde, datal wat'ervan 
lywaet geweeft was, verfchildert of verprintwas. Ditnam de mistroo- 
ftigen Herkults zoo ter harten , dat hy allen raet ten eynde zijnde . zijn 
droefbeit in de wijn wilde fmooren, en op eenen avont buyten zijn ge- 
woonte befchonken zijnde , qiiam t'huis , maer viel van de trappen , en 
fterfi openende met zijn doot de oogen aen alle lief hebbers, die van die 
tijd afzijn werken in zoodanige waerde hebben gehouden, alsze verdienen , 
en altijts verdienen zullen. 

Wat de onbefpraektheit aengaet , deeze en behoorde zoo grooten hin- 

derpael niet te zijn, maer de befchreumtheyt , zeedige beleeftheyt, en 

hetvrymoedichvertoonenvanrijne werken, behoorde aen de verftandige 

liefhebbers genoeg te zijn ; want de Schilderkonft is het vertoonen eygener 

dan het fpreeken. Maer zommige hebben door een fchijnbaer gezwets het 

geene , dat hen in de kunft ontbrak, vervult, andere hebben door een verley- 

dende lift de ooren en oogen der onverftandige liefhebbers beguichelt,anderc 

Samenïwcc hebben met fchalke verbinteniden hunne werken door gunftelingen doen 

ring. opfchreeuwen,en door het toekaetfen van twee of drie famengezwoorenen> 

den bal der Fortuine in hun gewelt gekregen. Z eker« wel een ftaetkundige 

lift» 



Onbe- 
fpraektheit. 

Gezwets. 

Lift. 



Het achtjie Boek. ^ i ^ 

Jift, maerverdoemelijk, wanneerze tot verdrukking van eerlijke en edele om andere 
geeden wort in't werk geflelt, en onbeflandich , dewijl de waerheitdoch tevcrdruk- 
cyntlijk eens uitbarft. De Schilderkonftiszcker te edel , om door zoo '^^°* 
fnoode zonden onderlleunt te worden ; behalven dat het ook gevaerlijk is , 
cnfchuldigentebeleedigen, daer men deftokflagen wel met fcherp betae- 
lenkan. 

Door deeze vervloekte famenzweering worden alle vafte oordeelenlos 
gemaekt, want hier door worden de goede dingen immers voor een tijt 
lang onderdrukt, endekrepele werken der deelgenootenopgefchreeuwt. 
Het en is wel niet onnatuurlijk > dat veele konftenaers hunne eygen werken ^ 
voor de bede houden i maer men plach altijts aen die den prijs te ^even, meTd?bcfte 
die van elk meeder in de tweede plaets nae zijn eygen werk geiteltwiert; di.gco plach 
daer de verftandige de zelve nu behoorden waerdich te achten , die met den ^^ ^cnnco. 
grootften y ver vervolgt worden. 




TIENDE HOOFTDEEL. 

Vervolg van*t voorgaende. 

E vervloekte Nijdt, vyandinne van goden enmenfchcn> heeft Hact en ver- 
niet alleen deze famenzweeringen gefmeet, maer heeft ook > door "" bewczco 
verborge liften, fomtijtsnoch gruwelijker ftukkenaengerecht, 
gelijk men zegt van Bacm Bandinely die, ziende den roem van 
M.Agnolo, door den wonderlijken Carton van den krijg tePifa, vol van AcnM.Ag- 
fchoone naekten en grafelijke betveegingen , die tot licht van al de "°'°' 
Schilderjeugt was opgehangen , dit wonderftuk der konlt uit wangunft 
verdelgde; want hy in een ongeleege tijd, met een nagemaekten fleutel , 
heymelijk in de zaele, daerze hing, komende, fc heurdeze in veelftuk- 
ken : Gelijk hy naderhant ook veel gebootfeerde figuuren en marberen van 
de zelve hand uit fpijt vernietigde. Zoo veel onlufts quam den groeten 
Michiel Agnolo over j en noch meer , toen hem den verwaenden Beeltfnijder 
Torrfgianoy uit nijt en euvel al fpeelende de neus aen ftukken floeg ; en 
fclioon hy daer over uit Florenfen gebannen wiert , Michiel Agnolo bleef ech- 
tervooral zijnleven geteykenr. Maerwatbeklaegelijker zaek, zoo 't wacr 
is, venth men vzn Lukas van Ledden y die uit liefde tot de kunft, de Schil- ^"'^?''*° 
ders tot Middelburg, en voort met Af4tttx,e tot Gent, Mechelen, en Am- ^ ^°' 
werpen bezocht, en in yder Stadteen banket van zeftich gulden, dattoen 
veel was, ten befte gaf, dat hy federr geen gezonden dach hadt , en zes 

R f jaeren 



314 C A L L I O P E. 

jaren lang van een verteerend vergift qiiynde. OEdelekunft! is'cmoog- 
lijk dat'er zoo onedelmoedige buft'cls uwe eere bezoetelen. En nochtans 
is't waer , dat men fnooder rank voor weynige jaeren te Parijs gezien heeft. 

De Bruin, ^eeker Schilder van grootfe Teikening, en Meefter in't maken van Mo- 
dellen tot tapijten , v?as by Koning Loipes de veertiende en al't hof in hoog- 
achting ; hy gaf uit liefde tot de kun(t , en natuerlijke gunft , aen eenen 
rijn Neef, die ook zijn naem voerde (doch onwaerdich) zijn huis ten belten. 
Maer deze van duivelfchc nijd en Eerzucht bereeden , kon niet lijden dat de 
glory van zijn vrient zoo hoog in top ftont, en hoopeloos van door den 
wech der Deugt hem gelijk te worden, befloothem van kant te helpen: 
dies hy op een morgen zich zoo ver vergat,dat hy de fpijzen van zijn Neef en 
huiswaert ging vergiftigen : begevende zich, gelijk verraders, door haer 
geweetegepijnicht, gemeenlijk blo zijn, daer op ftraks op de vlucht. Den 
goeden Meefter bevond zich dadelijk na den eten bijfter qualijk , raaer zien- 
de dat al die van zijn huis in een gelijke ontfteltenis vervielen, kreeg ver- 
moeden van vergift. Men Helde flux alle raet van brakende middelen en te- 
gengift in't werk , en zoo gelukkich , dat den Schilder met zijn gezin weder 
te recht geraekten.Het miüen van den Neef bracht eerft vermoeden op hem, 
en noch meer zijn vertrek , men fpeurde hem na , en kreeg hem aen een der 
Zeeporten.Hy wiert te recht geftelt, enfchuldich bevonden j d' Edelmoedi- 
ge en medogende Konftenaer bad noch om zijn vergiffenis by den Koning: 
m^et Lowijs , temeer om 's mans deugt en des anders ondankbaerheit tot 
wraek geprikkelt , gaf geen gehoor, nam de zaekalseenvadermoortop, 
beftaefde 't flrenge gerecht j en men zach korts daer aen den onbedachten 
vergiftiger zijn fnood leven in't aenzienvan ai dewereltaendeGalgineen 
ftropeyndigen. 't Rechte loon voor zoodanige, die de deugt door gruwel- 

Apdlcj. flukken zoeken te verdelgen. Maer wat willen wy over de nijdicheyt dezes 
tijts klagen? Apelles, die den naem van Prinfe der Schilders draegt, is van 
deze harpye niet bevrijtgeweeft: wanttoenhy tot Alexandryen, inEgyp- 
ten, zijn heerlijke konft aen Koning P/o/owfw vertoonde , enmetgrooter 
cerenontfangen wiert, zoo misgunde hem zulks eenen jl«ripfei/«i, die hein 
trotfen willende niet en konde, dies hy raiddelzocht hem te verraden. Hy 
befchuldigde Apelles by den Koning : Dat hy den voornaemften was ge- 
weeft, diemet TfcfodoMdeStadTyrushadomgewent. En zelf dat hy PW«- 
fu had doen innemen. Ttolomeus wiert deur deze tijdinge bitterlijk geftoort , 
en van gramfchap razende noemde Apsües een ondankbaren verrader, tot dat 
een derfchuidigé zich over den onfchuldigé ^pfü« erbarmende, voort quam» 
en de waerheit openbaerde.De Koning was befchaemt,vani4/>f//«zoonwaer- 
dichgehandelt te hebben, fchonk aen hem hondert talenten gouts, en gaf 
den valfchen befchuldiger Anüphilus tot een flaef aen hem over. Zoodanigen 

loon 



Het achtfle Boek. ^ i ^ 

loon wcnfch ik alle Anthiphilen toe , die de deurluchtige deugden door fnoo- 
de leugenen en verraderyen zoeken te verduideren. 

Zeeker,booze tongen kunnen fomtijts der vroomen lof wel iets bezwaU 
ken, Godt weet tot wat proeve hy 't toelaet, maer het quaet loont einde- 
lijk zijn raeeftcr wel met dubbelt fret. De waerheyt komt eyndlijk te 
voorfchijn , alwaert dat gy't niet beleefde , maer de deugt kent geen tijd. 

Wiltgybeftandigen roem in de kond verkrijgen, 200 poog om wel te - ,. 
doen. Staet gy na een beflandich geluk, zoo tree niet buiten de zeedige dcugtP 
deugt. 

Oy moet u zelven met een verdraegfaem gedult wapenen , wanneer lief- -t Gedult 
hebbers overkomen, die meer geld of gezach , dan kennis hebben : want aengepre- 
ten komt niet altijtsgeleegen, dat men hen na verdienden ftraffe , ge-^^"'p, 
lijk (4) ZeuxisMegabjz,us afwees , toenhy hem op zijnen winkel met groote \J^^ -/f'"'' 
pracht en grootsheit bezoekende, zeer dwaes en vermeetenvandekunft ^jheUes,ln 
fprak ; want Zeuxis fchoot hem toe , dat hy by een yegelijk , zoo lang hy ge- rufl desge- 
zweegenhad, met vreez'en verwondering was aengezien , maer dat hy moedsc.12. 
nu, door zijn onbefchaeft en dom oordeelen van 't geen hy nietenver- 
flond, zich zelven tot een fpot der verfwrijvende jongens gemaekthadde. 
Michiel Agmlo o chruikte meerder beleeftheit, toenhy den Florentijnfchen in'twelnc- 
Davidt uit het verlaten ftukmarber hieuw j want als hem .So<im«iberifpte, men van der 
dat den neus te dik was , zooklomhyopdefteygering, met zijn houwtuig onkundigen 
en wat gruis , hem gelatende het aengeweezen gebrek wech te nemen , en °°'^'^"'' 
te werken, hetende fomtijts wat gruis afftuiven; vraegende eyndelijkhoe 
't hem nu geviel f* Sodertni, zich zelven vleyende, zach wel aendachtich ^°°^^^^'' 
omhoog, zeggende, zeer wel, en zeekergy hebt daer nu het leven gege- ^°' 
ven. Maer zoodanige kunftkenners zijn ons meermaels ontmoet, enhaer 
oordeel is niet altijts fchadelijk. Onzen Livius had laetft in een Huk de waer- 
heit uitgebeelt , daerze van de gerechticheit gekroont wierr , hy had'er ook 
eengryzaert als de tijd bygevoegt, gelijk het onderwerp fcheen te verey- 
fchenj maereen der aenbelteeders gaf voor, dat dien ouden vent daer niet 
pafte. Waer over den Schilder hem eneenige andere beelden, die toch niet 
opgemaekt waren , uitftreek , ontladende zich zelven van geen kleinen 
arbeit, en prees den vernuftigen raetsiiian. Maer de Schildergeeft wort Kan niet al- 
fomtijts tot ongedult getergt, wanneer de verwaentheit des berifperste tijdsden 
hoog loopt. ^pf//^j liet ons hier af een alom bekent dael na, toen den ''°°" ""■ 
Schoenmaker, na dat hy daegs te vooren de Schoenriemen, met goede ^^^'r^^l^'j.'^^l^j 
Schoenmakers kennis, gelukkich berifpt had , en hy die nu verbetert zach, uit. 
iets op het been van Venus wift te zeggen : want Apelles, die zich verborgen Voo.berl- 
hadde, fprong met yveruit, en belade hem , Schoenmaker, by zijn Pan- '^'^"' 
totfel te blijven. M'nhiel Agnolo ook , toen hy des Paus beeld van koper vijf ^iJa*crt- 

R r i ellen p,-^4;- 



^i6 C A L L I O P E. 

ellen hoog maekte, wiert van t.Trancta SchilderenGoutfinit, toenhy 't 
TotTpitfe hem vertoonde, met geen andere lof vereert , als, dat het een zeer fchoon 
antwoorden, gietfel, en van goede ftotfe was. Waer over Agnolo ant woorde,dat hy daer van 
den Paus te danken had , dieze hem beitelt hadde, gelijk hy Franfia de Drogi- 
ften daer hy zijn verwen haelde. Makende hem vourt vooreen plompaert uit, 
en zijnen zoone, dat een fchoon jongsken was, tocvaerende, zeyde: Uw 
Vader maekr fchoonder levende , als gefchilderde beelden. Of dezen y ver 
van i4^«o/ö ie hoog liep, itel ik anderen te oordeelen. Immers hybelgd'et 
hem, dit Fr ancia de lïoffe, en niet de vorm prees. En Fr^iwtM had moog- 
lijk te grooten gevoelen van zich zelven , want men zegt dat hy van ontilel- 
tenis noch geftorven is , toen hy de wonder fchoone Cecilia van Rafael , die 
nochtanszijn vriend was, gezien hadde, en de zelve zoo veel beeter dan 
zijn eygen werk bevond. Michiel Agnolo was anders, gelijk 't by groote Mee- 
fters gemeen is, rasgeraekt; want toen eenenMfj[/fr£i4^Jo tegen den Paus 
gezegt hadde, dat zoo onfchamele naekten , als in't oordeel van Agnolo 
gefchildert waren, beter in een Badftove, dan in des Paus Kapelle palten, 
200 fchilderdehydeezenPriefter flux byonthout, met een Slang, die hem 
in zijn fchaemte bijt, in de Hel, en als een M/^i^nnet Ezels ooren. Ook 
dreef hy een Edelman , die van den Hartoch van Ferraren gezonden was om 
del^d^tezien, die hy voor hem gemaekt hadde, van hem, om dat hy 
't ftuk ziende zeide , dat dit zoo veel byzonders niet en was : zonder 't zelve 
naderhant den Hartoch te willen verkoopen. Een ander Edelman te Bolog- 
nen vraegde hem , wat hy meerder achte,een beek van hem , of twee Ofleni' 
Waer op hy hem antwoorde, n a de oflen zijn , want deeze van Bolognen zijn 
vrygrover, als onzete Florenzen. HetantwoortvanF. Z«a/;frowaszoo 
bits niet, maer niet minder van nadruk , ten aenzien van denperfoon, 
daer hy*t tegen hadde: wantalshemde Kardinaei Farnezetoefchoot, Ra- 
Enwrack. fa'élUrbyn en d'andere goede Schilders en waren nu niet, leyhy'er tegen in, 
de goede konftbeminners , Pauzen en Prinfen waren nu ook niet. Men 
geeft hem ook na , dat de Crf/«wj«/rf , die van hem in print uitgaet, eenich- 
zins overeenkomende met die, daer Apelles zich tegens den Koning Ptolomeus 
mee ontfchuldigde , tegens Farneze hier om gemaekt is. 

Wy zullen meer andere wraekoeffcningen derSchilders voorby gaen , en 
hier alleen [naereenigeaenroeren, die wel zoo fcherpzinnichenbelacche- 
lijkzijn, alseenige Poctifche fchimpdichten , gelijk men zegt dat Seha- 
jliAendel?\omhot ineen Kapelle van St.Vieter Montoriy een Monnik fchil- 
derende , van Michiel Agnolo gewaerfchuvvt wiert , dat hy 't werk zoude be- 
derven. En^ftu^Mfwdewaerom vragende : zoo antwoorde ^^«o/o, dewijl 
de Monniken de ganfche werelt , of waerze komen , bederven, zoo zal 
dit kleyn kapelleken, zoo gy'er dezen Monnik inbrengt, ook niet vry 

gaen. 



Het achtfte Boek. 3 1 7 

gaen. Als ook zeeker Schilder een Pi(;ia, 100 't de Jtaliaenen noemen , flecht 
genoeg had afgcbeelt, enden Meelter aen dezen zelven Ai. ^^«c/ovracgde 
wat 'er hem af -acht ? zoo gaf hy tot antwoort , dat dit wel een Piëta , dat isy 
een zeer deerlijk ituk vverks was. 

Dit gaet nu de tong aen , maer andere hebben zich met het pinfeel al 
zwijgende gewroken: gelijk vlpW/fiin zijne Calumnia, boven gedacht. 

Die van F. Zucchero , gelijk wy gezegt hebben , hebben wy in print. Maer ^^" Kkzu. 
men vertelt van den Schilder Klez.tSydH hy zich van de Koninginne Stratonice 
gehoont achtende, haerfchilderde, als wentelende in de onkuifche omhel- 
zingen met eenen Viflcher , en dat hy dit Tnfereel tot Ephezen in de haven 
opentlijk ten toon ftelde, maer zelfs fcheep ging , en wech vluchte. Het 
welk hem nochtans zoodanich niet en gelukte, als hy wel gemeent hadde : 
want de Koninginne, van een anderen aert, als de Vorften, diementans 
vindt, dieom Schilderyen , daer in zy waenen gehoont te zijn, haerena- 
bueren ten oorlog ontzeggen, wilde zelfs niet, dat men dezeSchilderye 
wechnam, maerheeftze zelfs wegens de konft, die 'erin gepleegt was, 
ineere doen houden. Maer ik raededaerom niet, datmenK/«z,»voorbeelt 
naevolge ; want groote Heeren hebben lange armen. 

Andere hebben om zich te wreeken, yzere traliën gefchildert voor het 
afbeeltfel van iemant , die haer aenbefteet (luk verzuimden af te haelen. 
Dezen heeft 'er een Monnikskap opgezet, en een geellelijk zusje byge- 
voegt. Eenander heeft boeyen aen de handen, of een flropomdcnhals 
gehangen. Andere hebben haer iets befpottelijks of onfchamigsindehand '^"'"P 
gegeven. En zommigetDet de wrake des penfeels noch niet gepaeit, heb- 
ben'er gedichten en fmadige vaerzen bygevoegt. Maerlaetual deeze op- £jjf^g ^■^^_ 
fchuimingeneensontlleldengemoets , ó Schilderjeugt , niet verrukken , del. 
maerltelgeftadich, nevens een betamelijk gedult, deeze twee middelen 
in't werk , te weeten , dat gy met gtwjl en eerbïedicheh van een anders werk Van anders 
oordeelt : laet uw grootft e verfmading als die van Allen Durer zijn , die ^^'^ ^f' '^ 
iet flechts ziende, gemeenlijk niets anders zeyde, als: Erbadt fejn vlijti°^^ "^"' 
gedaen. 

P.P.RtébensuitltiWenin Nederlandt komende, gebruikte zijnheusheyt 
wel te pas : want als hy merkte, dat zeker Schilder , reets in achting, fmae- 
dichvanhemfprak, zooginghy den zelven bezoeken, prees de deugden, 
die hy in zijn konfibefpeurde,nae de rechte maet, en verzocht hem verder 
zeker aengevangen fluk op te maeken , alzoo hy betuigde luftich te zijn , oni 
iets van zijn konft te hebben, d' Ander door deeze minzaeme bejegening tot 
zwijgen gebracht , vervaerdichde 't vereyfchte ftuk , 't welk Rubenshed.en- 
genaemde, en vorderde hem den prijs af: d' ander befchacint deed een ta- 
jnelijken eyfch, maer Rubem ant woorde : hy had hem dubbel 200 veel toege- 

11 r 5 fchiktj 



't 



3i8 C A L L I O P E. 

fchikt, bctaelde'tmildelijk, en kreeg door zijne edelmoedicheytdegunfl: 
De Konft van deezen y vcraer , die in zijn gemoed overwonnen niet alleen de heusheyt 
klimt (ot vanRubcnsy maer ook zijne kontt, tot den Hemel toe opfchreeuwde. Maer 
crafh"!»'''^ wie zallufl: tot de konit hebben, als de konftenaers onderling elkanders 
door de on- w^rk verachten. DekonlKlukken zijn dien prijs waerdich, die'erdeken- 
deilingc ders onder malkanderen opzetten, ze^t Cicero. Hoe dwaes zijn dan die oef- 
hrusheit der fenaers , die , door 't verachten van een ander s werken , hunne eygene doen 
onkcrukTs ^^^C" •'' Protogenes t in zijn Vaderland B/jorfw als een verfchoveling leven- 
de, quam met zijn kond in achting, door de deugt van ApeüeSj want de- 
zen waerdigen Priufe der konft by geval aendat Eylandtgelant, Protoge- 
nes werken ziende, vraegde wathyze hielt? En hoorde met leetweezen, 
dat hyze op een zeer geringen prijs flelde : maer om dit te verbeteren bood 
hy 'er dadelijk vijftich talenten , of dertich duizent kroonen voor, laetende 
daer en boven door Rhedus den roep loopen , dat hy 'er noch veel aen meen- 
de te winnen, alzoo hyze als zijn eygen werk, dat reets tot ongelooflijken 
prijs gefteegen was, meende te verkoopen. De Rhodiaenen dit vernemende, 
zagen Protogenes konlt wel haeft met andere oogen aen , booden 'er ook 
goede fommen gelts voor . maer Apelles bleef by zijn bot , en üont daer niet 
vanaf, voordat zy 't zelve verbeterden. Zeker, Apelleskon door het won- 
derlijkfte ftuk werx , dat hy ooyt by de hand nam , geen heerlijker lof , dan 
door deezedaedt , verdienen; waerdich dat elk konftenaer de geheugenis 
daer van in zijn hart drukt, om de zelve nae ds maetezijnder gaven te vol- 
gen; al waertmaer als A.Durett als hyde dingen van onze Geertjen van 
^r.jf^MKot Haerlem met verwondering bezach. Wuerl^kjt zeyde hy, erts 
ej/n mhaler im moeden leibgeweejl. 't Welk de konft en deezen meefter tot ver- 
heerlijking mocht gedijt hebben, had hem de doodt niet te vroeg wech- 

Hoczin S^^"'^^' 

minJer'te Men moet ook , wanneermen iemants werk zier, die noch onrijp in de 
prijzen. konft is , met befcheydentheyt daer van fpreeken , nietdatmen'tzoodae- 
delijk als een wereltswonder zal uitkrijten, en het booven alle ervaeren 
meefters werk Hellen, als of het niet hooger te brengen waer , gelijk fomtijts 
de jonge melkmuilen meenen dat hun toekomt ; maer men zal de kenbaere 
deugden, die 'er in befpeurt worden , prijzen, en de wrange onrijpheeden 
met voordacht voor by gaen. t 

Gy Meefters zult uwe Diffipelen, die gelukkichin'tleeren zijn, ook 
met geen nijdige oogen aenzien: Dedalus onderwees zijns Zufters Zoone 
Talui-> den vinder van de draeikonft-, en vandezaege, naedegelijkenifie 
van het kinnebakken eensSerpents, maer als hy over des jongelings groote 
geeft nijdich wicrt , zoo heeft hy hem den hals gebroken, 't Welk hem zelfs 
tot ondergang van zijn geheele huis geftrekt heeft. G^eft aen een yder den 

lof> 



Het achtfle Boek. 5jp 

lof, die hem toekomt, want die andere lichrvacrdich verachten, worden Die anJc 
ook niet verfchoont. BAcdo Bandinel (gelijk wy gezeikt hebben) was zoo nii- verachten 
dich, dat hy niet alleen alles verachte, maer noch diffipel zijnde de tevke- ^"'^"^^ "'" 
ningenvan M/c/jf/ /4^wo/oaenftukkcn fcheuide.en naderhantde bootfee'rfels '^"^^''°°'''' 
van den zelven meefter verbryzelde , om hem zijn eer en faem,en andere van 
200 fchoone voorheelden teberooven. Macr hy vviert zelf ook van andere 
liefhebbers genoeg gehekelt en befchimpt. 't Was aerdich van zekere Edel- 
vrouwe , alsze in gezelfchap van eenige hdellui Jen de marberc Adam en Ev4 
bezach , en gevraegt wiert wat haer van die beelden dacht f' Van het mans- 
beelt, antwoorde zy, voegt my geen oordeel te geevcn, maer wat de 
vrouwe belangt , zy heeft twee goede deugden , zijnde wit en ftantvaftich. 
Maer andere gingen dit eygcn werk met fpitfe gedichten te keer. Ziet hier 
eenftaeltje: 

Den lujihofwas onteert door Adam en z.ijn bruit ; 

Dïesdreefmen hun daer uit. 
En dees twee beelden ook^^ die deez.e kerk befmetten , 
Behoortmen uit te zetten. 

Gy zult ook, ó Schilderjeugt, de werken uws leermeefters behoorlijk 
in waerden houden , en fchoon gyze verbeteren kunt , zoo palt het u niet , 
die te verachten. Maer gedenkt altijt, dat zy van die hand komen, dieu 
in uwezwakheyt placht te geleyden. En zegt met Atexander: Mijn vader 
gafmy het leven, maer van dezen heb ik het wel leven door Godts genade 
geleert. 

Tentweeden, zoobetrachtdatuw werklofwacr-diehts. Zoozal'tu aen 2elf i 
geen ware kenners eindlijk ontbreeken, fchoon ganfche (teeden met waen- docnl*^^ 
wijze narren, en partijdige liefhebbers vervult waren. Maer dewijl ik acn Tweede 
liefhebbers gedenke , zoomoetiku, ó konftliefdigezieleh, ookditteee- ™'^'^'•'' 
moed voeren : dat gy u wacht van den droeflem der konft te beminnen : maer 
wilt gyiiw hartopccnige Schilderyen zetten: zoolet eerft wel, of'er be- 
minnenswaerdige deugden in zijn j ofdezack, dieverbeelt wort , wel zoo 
waerdigeninhout begrijpt, als van C//o vereyfl worr ,• of dep-oportieook Aen de lief. 
zuiverlijk is waergcnomem ; of de kolorijtenen fchaduwen met delefi'en hebbers, 
van Terpftcboreen Melpomene overeenkomen : ofde doeningen en lijdingen 
ook haere rechte rol fpeelen? of deomftandicheden ey^en zijn ? of de 
fchickinggeeftigis; eneyndelijk, of al deze deugden deur de gratiën ver- 
bondenzijn? Want zoo gyu aen andere beuzelingen vergaept, zoozijtgy 
den naem van liefhebbers onwaerdich. 

Wijders van zijn eygen konft vermetelijk te fnorken, paft geen edel qe- ,^- ^ 
moed: d* oude Meelters ontzagen zich op hareftukken tefc'hrijven da^tzeken!'*^'""' 
gedaen of opgemaekt warenija men vond boven de drie ftukken niet , meent 



jio C A L L I o P E. 

d'Oudc Tltniusy daer, Apelles fecit, Apeües heeft het gemaekty op ftond. Maerwcl 
ichreven yeelc met het opfchhft van , Apeües faciebat t Apelles maekte ditjïuk^werks, 
Tel^cn/wj, ^j^ ofliynoch daer af en aenkongaen, als 't hem geliefde. Want heten 
/4ai.r?r behoort een Schilder nimmermeer te verveelen zijn werk beter en beter te 
Om altijc te ixiaeken ; de tijd ververfl fomtijts het oog , en het oordeel van vreemden , 
inogcn ver- verllandigen, en dommekrachten , van nijdigen, gunflelingen, en on- 
HoorXn partijdigen ontwaekt den geelt. Jae de Boeren zullen u fomtijts wel een feyl 
anders oor- in UW werkaenwijzen , gelijk D«rfr zegt, hoewel zy u niet leeren kunnen , 
'*"'• hoe gy die zult verbeeteren. Fidias , na dat hy dien vermaerden Jttpiter voor 

d'Eleanengemaekt, en d'eerfterey ze aen den dag gebracht hadde, ^ftont 
achter de deure , en luilterde wat d' omftanders in zijn werk preezen of bek- 
ten. Enzoodrazy vertrokken waren, floot hy de deuren, engingdeoor- 
deelen der menichtetegens zijn beeld overweegcn, en verbeterde 't geene 
daer zyby avontueren 't rechte wit getroffen hadden: en Apelles gebruikte 
dien zei ven wech. Want die al wilde volgen wat het domme volk oordeelde, 
70U vaeren als Dion, die Xfd4 met hare kinderen Kajiorcn PöWwa; uit eyer- 
fchaelen brekende, gefchildert hadde, en dezelve in zijn winkel geftelt, 
Maer volg- ,^gf yoor nemen alles te veranderen wat de menichtequam te berifpen, ge- 
'^""'^i'^^^'' lijk aefchiede: wanrhy hoorde met gedult al haereaenwijzingen aen, en 
Dion.' maekte 't zoo als zy 't verftaen hadden ; nu verkorte hy de neus van Leda , of 
een arm van Kaftor, dan verdunde hy den hals van Polluxy ofde knie van 
de Moeder, tot dat de godin , noch godin, noch hen' met kuikens, maer 
eereenbeerin, met twee ongelekte jongen geleek. Dit gedaen hebbende , 
ftelde hy 't wederom in zijn winkel ten toon , met dit byfchrift : 
's Volkj, oordeel , dom en x.ot , 
Heeft das ditfluk verbrod. 
Men moet geen oordeel volgen, als 't geen datmen bevint met de waer- 
hey t over een te koomen: want daer is geen grooter dwaesheit , zegt Tuüius, 
Men moet dan datmen iets zonderlings van de vergaderinge der geener verwacht , die, 
rijn werk een by een, anders niet dan flechte verachte werkluiden zijn. Men moet zich 
riecaUijts ook wel wachten , als men eens zijn beft gedaen heeft, alles te willen ver- 
macr ah mèn anderen. Zy zijn zeer ongelukkich, die 't geen hunin'teerlte wel gevalt, 
21)0 beft ge- t' elkens wederom verwerpen , en iets geheel van 't vorige verfchillende by 
dacn heeft , jg j^^^ j neemen. Want zy doen haer verttand door een verkeert misvertrou- 
tc vrcdcn ^^^ grootelijx te kort , zoo dat ik naeulijks weet , of hy , dien al wat hy doet 
'^''"' wel aenftaet , of dien niets met allen vernoegt , wijtft verdoolt is. Den over- 

naerft igen bootfeerdcr Apoüodorus kreeg fomtijts zoo quaeden gevoelen van 
zijn eygen werk , dat hy v eeltijts zijne volmaekte beelden aen (Tukken floeg; 
waeromhy onder de wandeling den dollen ^poüö^or«igenaemtwiert. CaUi- 
machus medeakijts zijn werk verbeteren willende, maekte 't arger, en wiert 

daer- 



Het achijle Boek. gji 

daerom Kakoxjteknui gebynaemt. Zijn werk al te zeer te pijnigen maekt /iet 
zelve zwaermoedich , het is ook onmogelijk dat de viericheyt des geeüs al- 
tijts eevenfris zouwblijven, ^peüci beroemde zich, dnhy Vrotogeneséditv 
in overtrof, dathy van zijn werk kon affcheiden. Het is een meefterlijk 
teyken , als iemant de deugden , die hy in 't begin in zijn ftuk gebracht heeft, 
tot den eynde toe kan bewaeren.Het geen alreede wel is,behoeft geen verbe- 
tering, en die het geen , dat goet is , ongefc honden laet, geek te kennen 
dathy't verftaet, Daerom hebben groote meefters ook wel dingen, die in 
*t eerfte aenleggen een gelukkige welftant hadden,onopgemaekt gelaten, van 
vreeze dat zy die zouden bederven.. Zoo kan 't ook gebeuren datdegrond- 
verwe uwes doeks of paneels in't koloreeren te pas komt,en met eenige duw- 
kens geholpen , uwen arbeyt verlicht. 

Om zijn werk te verbeteren, houtmen ook dat het goet is, het zelve ^^^^^ ^''° 
• •II L j ° r 1 . werk met 

voor een wijl wech te zetten, om het daer nae met een verfch ooge t over- fomtiits ter 

zienj gelijk Hor4fi«i van den dichter begeert: Houw uw fchriften , zegt zi)dcn zal 
hy, negen jaeren by ut* huis j wat niet uitgegeven is, kan ment'elkensf"""'°'" 
uitfchrabben. Maer een Schilder zouw dezen raet te zeer volgende, weynich ^ ^^'*'^ ^^^^ 
uitrechten. Ik heb liever dathy zijn werk volkomen opmaekt, en, luft verfch oog 
het hem namaels , het eerfte door een tweede verbetert: Poëten mogen te bezien, 
door denken , maer Schilders moeten door doen , Meefters worden. Wy 
zullen iemant met hulpe der negen Zufteren wel van de konit ieeren fpree- 
ken, macrvanniemantmet dit onderwijs een Schilder maeken, tenzyhy 
de hand vlijtich aen't werk fla. Een gcduurige oefFening moet de oogen ver- 
klaeren, en't pinfeel moet metter tijt als indehandaengroejen. Schilders £p^ c^] i 
blijven zelden , diezezijn: zyneementoe, ofgaenterug, en, dat won- der moet 
der is , men ziet fomtijts braeve geeften als in haeren loop ftilftaen ^ en hoe zich geduu- 
zy'er tegen fchijnen te worftelen , van dagh tot dagh verflechten. Daeren- "S oefTcnen. 
tegen gebeurt het ook , dat de geene , die lang vergeefs gearbey t en geklau- 
tert hebben , zonder op te komen , eens fchierlijk opdaegen , en een hoogc 
fprong doen. d'Oorzaek hier van is, dat haere oefFening van't waere onder- 
wijs afdwaelt, of dat den anderen , die lang verdoolt liep, op een nader 
weghgeraekt. Maer laet iemant den naeften wech al hebben, hyzalze we- 
derom quyt raken , indien hy met geduurige oefFening die niet en on- 
dcrhoude. 

5o/o« begeerde dat in burgerlijke tweedracht een yderborger zijde zouw haerine" 

kiezen. Maer wy begeeren dat den Konftenaer zich alleenlijk met de konft geenStaet- 

bemoeye. Prorogfw^i bleef fchilderen in 't beflorraen van Rhodes^ Parmeusin z^kcn te be- 



bloedich innemen van J^oiwf ^beyde , of hen den oorlog niet aenging. Men "'°7 
kanookmetfchilderenzoo wel, als met dichten > de vorften tergen, gelijk li^^^^ 

S r reets gen. 



en; 
Vor- 



ter- 



522 C A L L I O P E. 

Kluchjc reets gezegt is. Bram een dichter onzes tijts had oitvier Kromtpel Prote^or in 
/anBmno. £ngelant met een bits en fchandich gedicht getergt> en met Latijnfche 
vaerzen dapper geheekelt , ja zoo , dat hy 't naeulijks verkroppen kon 
Dicht tegen Dij by eender gemerkt, die een reys over Zee had, nam voor, totver- 
maek van Kromtpel, aen Bruno een part te fpeelen. Hy gaet hem dan tot 
Amfterdam vinden, en neemt hem tot leermeeftervan zijn kinderen aen, 
en belaft hem op zekeren dach in den Haeg te komen, ondertufTchen ver- 
trekt hy na de maes, en in een Engels Schip, dat ophemwachte. Bruno 
terbeftemder plaets en tijt inden Haegverfchijnende, wort wel ontfan- 
gen, maer men geeft hem een briefjevan zijn Heer, hem te poft tot Rot- 
terdam te volgen, alzoohem daer noodich te fpreeken hadde, waer op 
den Poëet zich ftrax derwaerts fpoede : maer tot Kotterdam indeaen- 
geweezene Herberge komende , zeytmen hem , dat dien Heer in een Schip 
op ftroom leggende , tegaftwas, en geboden hadde, dat, als JBr«Mö daer 
quam, men hem dadelijk aen boort zoude geleyden, om zich daer met het 
gezelfchap vrolijk te maeken. Dit brocht den leermcefter byna in twijf- 
feling, maer van Joviaele natuur liet hem gezeggen, voer na boort, en 
wiert over den goeden voortgank van den aenflach met ruime tejgen ver- 
welkomt. Hy cenichzins goet inneems , en zoo wel onthaelt, verloor 
2ijn kommer en voorzorg in den wijn, en mofttekooy. Ondertufl'chen 
hyfte matroos de zeylen op, 't fchip raekte in zee , en de wind dienende , on- 
trent de kuft van Britan je, eer Br««o half flaepdronken ontwaekte. Maer 
hy ontnuchterde wel haeft, toen hy zach hoe 't hier gefchapen lach, en 
men hem zijn lafterfchrift wegens Olivter voorley j hy wenfchte zich zel- 
ven wel op 't Eylant Teneriffe, ofwel onder deHottentotsvandeZuit- 
kaep: hy zach alrecrs, zoo hem dacht, den driehoek van T</fcor« , of de 
Gerechtplaets van Chaerenkras. En te meer, als men hem, tot Londen 
komende, hoewel in een eerlijke kamer , opfloot, en aenzeyde, van 
voor den Proteólor te moeten verfchijnen. OndertufTchen was'er een an- 
der perfoon, bequaem tot dezen trek, die hem troofte en moed gaf, en 
door ondervragen quanfuis de oorzaek van zijn droef heit nafpeurde. Maer 
hywas zoo ver in wanhoop geraekt , dat hem geenerley vertrooftingen 
hielpen j want zijn fchimpdichtlagh hem te zwaer op'thart, end'overtui- 
ging van zijn gewiffe, door zijn ongeluk, onder 't gewelt geraekt zijnde 
van een geweldenaer, dien hy zoo zeer beleedicht hadde. Maer deeze 
zijn gemaekte vriend troofte hem , zoo veel hy kon, en voornamentlijk met 
deezenraet: Dathy Bruno een nieuw vaers zoude maken, ter eeren van 
Kromwei, zoo heerlijk, als hy kon, endat men'tzelvevertoonende,met 
hulpe van vrienden en voorfpraek , een kans moft wagen ; om hem uit 

dezen 



Het achtflc Boek. ^23 

dczar» nood tererloflen. Dezen raet dacht den Poëet wel goet , niaerhy Wcdcrlcit 
bevont zich byna van al zijn zinnen , ik zwijg van de Pierides verlaten. Doch ^'^^ • 
gedwongen van de nood een deagt te maken , nam de pen in de hand» 
fchreef dat het dreunde» om de galg t'onirijmen, en, na de gewoonte 
dcrPoëeten, behagen in zijn werk krijgende, fchiepmoed, en betoon- 
de eindelijk wat de kracht des geefts in zoo hoogen nood te weeg kan 
brengen. Maer wat hy bedacht of dichte , ten voldeé zijn gemaekten 
vrient niet , die hem telkens berifpte , en als met fpooren noopte » ora 
hoogerfprongentedoen. Brwwo dan zette zich fchrap, herfmeede en her- 
vormde zijn vaerzen , en putte al defchatten van zijn geeft uit, in den D win- 
geiant te verheffen , en zijn lof te trompetten , tot dat hy als t'eynden aém 
was. De Meelters van de klucht brachten toen dit gedicht voor Olivter en ^" ^°" ^"- 
zijn gunftelingcn , die'cr groot vermaek in fchiepen , 'twerkpreezen, en 
om den Poëet loegen. 'ttind was, dat men Bruno invryheitftelde, en 
meteen yereering verzach , om dathy zoo braef, teg^n zich zelven om 
ürijt dichtende, had overwonnen. Dus was hy in korten tijtverley ten 
verloft , bedrogen en befchonken , geprezen en tetfens befpot. Zoodanich ^^"5f" 
ftatl hebben wy ook van zeker Schilder tot Milanen , die , toen Attila Atdia"'" 
ganfchltalien afliep, een Roomfchen Keyzer fchildcrde , die op een gou- 
den prael zetel zittende , de Gotfche en Scythifche Vorften onder zijn 
voeten trat. Toen nu Atüla de Stad Milanen inkreeg , en hy , onder ande- 
re dingen, ook dit Tafereel zach , zoo geboot hy terftont, dat men den 
Meeftervandit werk zoude opzoeken , die ook wel haefl gevonden , en 
voor hem gebracht wiert , maer byna doot van vreeze. Attila hem ziende 
matichde zijn toorn,en zeyde alleen tot den Schilder : Gaet heenen , en fVelt 
mijn beeltenis op dien troon , en mael de Roonifche Koningen ootmoedich Kooft door 
voor mijne voeten, zakken vol gouts uitftortende. Dit is den Poëet en den '^"^"g &^- 
Schilder zeker wel gelukt ; en zy betoonden dat men ook tot de kunft ge- ' 

dwongen zijnde, de zelve kan oefFenen, hoewel Filippo Lifpi het tegen- 
deel dreef: want toen hemhartog Kosmusde Medicisi op dathy zijn werk 
zoude vorderen, opfloot, rechte hy niets uit, ja fneed zijnflaeplakens 
tot koorden, en klom uit de venfter. Maer toen hy na eenige dagen gevon- 
den, en met goede woorden weder aen'twerk gebracht was, en ^osmus y^^^^ ■ 
hem zijn vryheit liet , zoo voer hy wakker voort , zeggende : De uitnement- wedcrlpro- 
heden derzeltfamc geeften zijn hemelfche beelden, onbequaem voor lalt- ken. 
dragende vrachtezelen. 

Maer om onze zaek re befluiten, dat een konftenacr niet alleen geen groo- 
ten behoorde te tergen, maer zelf ook geen kleinen, 200 zal dit ftaeltje 
genoegzijn. Eupalusen Anthermus y dooreengril, die hun in't hooft quam, 
aangedreven, hebben de beeltenis van den Poëet Hipponailes, dieeenhal- 

S f 2 ven 



314 C A L L I O P E. 

Geen ccrlij- vcndwerg, enmetcenenookzeeileelijk enmismaektwasi opcmlijkte» 

kc lieden te toongeftcit; 't welk H<ppo«4fl« vernomen hebbende, en dat daer dageliJK 

Toor"' ccn ^^^^ lecdige gaepltokken enfpotvogels tot den winkel van B«/>4/«f en Ant' 

Poctcn. /^^rw« toeliepen , om haren fpotluft te verzadigen i zoo heeft hy deze 

fchampachtige konftenaers, door een bitter wraekgedicht, in Jambifcbe 

vaerzen, zoo dapper over den hekel gehaelt, dat zy haerzelvenuit enkel 

fpijt verhingen. Daerom vermaent Socrates wel te recht al de geene , die 

haer goeden naem liefhebben , haer te wachten datze geen Poëet te vyand 

krijgen, om dat zich haerekracht min in *t prijzen, dan in 't verachten ca 

fchelden uitftrekt. En zeker, hy loopt met zijn hooft tegcns den prikkel , 

die defpreekende konüdoor deltomme poogt te overfchrceuwen. Want 

zelfde vorften, gelijk Plutanhus zegt, zijn ongelukkich, zoo zy gehaec 

worden vaneenftadt, die welfpreeken kan, ot daerde dichtkunft, ge- 

/^>p/yj^y. leertheit, en welfprekentheit bloeit. (4) De goede Min w, jfttpirmvrient, 

chusin kon vanden naem van quaet, door den haet der Acheners, nietgezuiveit 

TheftHs. worden. Ja fchoon hem Hefiodus en Homèer een waerdich Koning noemden ^ 

de dichters van Athenen banden hem vooreeuwichindeHel. Dit Hooft- 

deel hebben wy onder *t gezach van Caüiope wat te lang geraackt , maer den 

jyer dreef ons buiten 't fpoor. N u moogt gy Urma op haer beurt hooren. 



VRA. 



r^^^.^: 




U R A N I A 

De Hemelheffter. 

Het negende Boek. 

Inhoudt. 

jj£^ loopbaen nu ten eind , zoo zal Urania 
Ons veeldtrhandejlach van fchildrengaen verbeelen , 
En melden het gebruik der Eedle Tafereelen , 

En hoe deez fchoone kon/i den Schilders komt tejiaé. 

Wat ver\i^ enoek ings vrucht door Hemeljche genae , 
Wat beurzen ztvaer van gout j watgloryrijker te /gen 
Tepluckenftaen , noch doodt noch graf zal oit verzwelgen 

'Den naem eens Konfienaers : maer zonder wederga 
Ceddelt zalzijn roem ten Starrenhemel fieigren. 
Wte zouw voor zulk eengunft zijn zweet en arbeit weigren ? 

Op de Print. 

ZTdie den geeft tot in den Hemel kan doenflreeven y 
En daerom hier te recht met Starren isgekroont > 
Wort met drie kinderen in dezeplaet vertoont > 
2)/V Eercy Rijkdom , of een vol vernoegen geev en : 
*t Vernoegen fchaft de ziele op Aerde een zalich leeven : 
^e Rijkdom lyfsa^ emak -, en d'Eer verquikt den geeft : 
Wanneer men telg op telg van verfche lauren let ft , 
Word men ten Graeve uit in d^ onficrflijkheit verheeven. 
Wte dan in konft volhart , en zich geen moeite ontziet » 
Vtndhier een haven vry vanftormen en verdriet. 



Sfj IN- 



jï<S U R A N I A. 

INLEIDING. 

Ie anders als gy, ó Hemelfche Zanggodin , zal my dit vertoog 
van de Schilderkonft helpen eyndigen i Die den Hemel aen ons 
in een fpiegel vertoont , en uw wit tafereel gereet hebt > als of 
gy zelf woud fchilderen. Vertel ons, op hoe menigerley wijze 
de kond; zich wel verkleed heeft j en hoe veelerley flach van Schildery zy ter 
werelt bracht, dan zult gy ons, ten trooft, uwe belooningen voorftellen, 
en, met een minlijk toeknikken , de ftarren om uw hooft doen tintelen. 





EERSTE HOOFTDEEL. 

Van verfcheide gebruiken van fchilderen. 

E Schilderkonft zijnde een naaepfter van de natuer , in zoo vee- 
lerley ja oneindlijkebefpiegelingen, hebben wy nu wel eenich- 
fins verhandelt , voor zoo veel alsze \r\ het verftant begreepen 
wort jmaer laet ons, eer wy tot ons befluit komen , als in 't voor- 
by gaen, de gedaentensen wijzen van fchilderen, die van *t begin af tot 
deeze tijd toe , voor zoo veel ons bekent is , in 't gebruik zijn gsweeft , eens 
overloopen. 

Wy zullen meeft van het fchilderen fpreeken , van toen bet alreets ten 

top gefteegen fcheen , en zijne oeffenaers ipet glory kroonde. Macr laet 

ons dan eerft onderzoeken , waer toe men de Schilderyen Qiaekt?, en wat 

dingen men al plachte befchilderen. Van den op-en ondergang der konft 

'tScWdcrcn ^^^^ Melpomene , voprnamentlijk ontrent den ChrillelijkenGodtsdienftj 

der Zcfge- verflach gedaen. Welk wy nu zullen overflaen. 

rechten aen Tot Rome quam de kunft mceft in aenzien , toen Af. Valtmt Maximus 
de wanden ^^^4/4 den zeeflach , dien hy tcgcnsdcKartagers won , en de zecge over 
zcnjbegoft W^^»"" in Sicilien , aen d'eene zijde van het Hpftilifcheraethuis» haddedocn 
Anno45>o fchilderen, 't welk federteen gewoonte veroorzaekte van de bloedige fla- 
na Romacs gen der Romeinen tegens haere vyanden in de Raethuizen af te maelen. 

ouwing. Wat gebruik de Schilderkonft ookindetryomfen hadde, befchrijft ons 

OebruiK van .ö , . , ^ r n ■ 

jippianus •^fp^'^nus Alexandrinus ^ inde vertooninge van de Zeegeteelt van Pompejus\ 
AhxAndri- ï^ant na dat hy vertelt heeft, wat groote perfonaedjen al voor zijn triomf- 
mslib.^. wagen gingen, zoo zegt hy, dat boven de geene , die tegenwoordich wa- 
ren. 



Het negende Boek. 227 

ren » noch gedragen wierden d' afbeeldingen en geiijkeniflen van de eeene, 
die doodt waren,te weten, van Tjfgyanus en Mithridates , zoodanich als zy oe- Schilderyen 
ftreeden liaddcn^ overwonnen en gevlucht waren; ook hoe Mithridates in Tdom- 
had belegert geweeft, by nacht in Itilte gevlucht was, zijn doodt, met ^"• 
beyde zijn dochters , die met hem begeerdei te fterven , by hem "efchil- 
dert, nevens al zijn andere kinderen, van beyderley Sexe, die reets voor 
hem geltorven waren. En dacrenboven de beelteniflen van hunne Goden op 
de wijze der barbarisken gekleet en toegeruft. Voorts wiert 'er een tafereel 
voorgedragen, waer indefchepen , die hy in 't oorloog gewonnen had- 
de , in afgebeelt en gefchildert Itonden , te weten, achthondert , die galli- 
oenen voerden, met de {teeden,diehy gebout hadde, of van hem onder 
fchatting geltelt waren , als acht in Kappadocien) en twintich in Cilicien en 
Syrien ; hier by ftonden wederom de Koningen van hem overwonnen, ge- 
fchildert, als Tjgranus Koning van Armenien , Attrocesvan Iberien , Oriz.es 
van Albanien , Darius van Meden , Aretha van Nabathea, en Amiochus 
Koning van Comagene j alle zeer natuurlijk gefchildert , en de beduidenif- 
fen, nevens de Schilderyen, inde tafereelenbygefchriftverklaert. Maer 
wy hebben een tijdt beleeft , in welke men het fchildcren van zeegetaferec- 
len zoo hoog en euvel opnam , darmen daerom by na alleen een afifchrik- 
lijken enbloedigen oorloog aenving, mer meerder hevicheyts, als of 'er 
een Helene omkhickt was • maer hy vind licht aenftoot , die in de wil heefc 
teÜruikelen. 

Om nu weder tot het gebruik van Schilderyen te komen : daer is als noch 
een zeertreflijke oratie van M. .4^ri/>p4 in wezen, zegt P/in/ttf,noopende het 
gemeyn maeken van alderhande Schilderyen en Statuen : 't welk geraetfamer 
ware geweeft, dandatmen de zelve in de landrhuizen verbant. Zoo zegt- 
men ook van Apellestdit hy geen Schilderyen wilde maeken , als om in open- 
baere plaetfen geftelt te worden, en daerom zachmen zelfs in zijn eygen 
hpis niets ter werelt befchildert. 

De edele Romeinen, ten n]denvin Seneka, hadden haet eygen beelte- 
niflren,en die van hunne vooroudere met haere naemen, op een lange rijg,met 
veel ftrikken en banden gebonden , in haere voorhuiden te pronk hangende, 
Enals'eriemant van henlieden ftierf, 200 hadden zyftraxdeeze menichte 
gefchilderde namaegen by der hand, omhaer uitvaert te verzelfchappen. 
Ook fielden zy de konterf eytfel en en beeltcniflen der geleerde mannen in 
haere boekeryen. 

Toen Key ^er Claudius , die van de peft ftorf , om zijn deugt van 't Room- 
fche volk wiert vereert, zoo wiert hemin't kapitool een prachtich beclt -sKeyzers 
opgerecht , en daer beneevens een gouden fchilt ten toon geftelt , daer zijn bcelt op «n 
beeltenis in kleyn begrip , en pennings wijze op gefchildert was. ^'''''^* 

Maer 



l..onjDgs 
beeldt op 
't toneel. 
Toneelco. 



Schrikdieren 



Poorten en 
deuren be- 
fcbildcrt. 



Kraemwin- 
kels. 

Martelfluk- 

ken. 

iEskuIapien, 



Dankftuks. 
kcns. 



Schilderyen 
in Badftovcn 



Opdrink- 
vateii. 



Tuig be- 
fcbildert. 



Scliilden. 
oorfpronk 
van't woort 
fchildcren. 



328 U R A N I A. 

Maer als de Athenienfen, Koning D^w^rri«i ter eeren,eenfeeftdach vier- 
den , zoo (telden zy hem levens groot in Schildery , rijdende of zittende op 
een wereltkloot, op hun voortoneel. Wat de toneelenaengaet, dezelve 
zijn dikwils zeer aerdichbefchildertgeweeft, ja zoo , dat de ravens door 
't gefchilderde dak van dat van C. Pulcher bedroogen wierden. 

Toen drieman Lepdui in een bofchachtige plaetfe eens huisvefte, en 
door het gezang der vogelen niet rullen konde , zoo wiert'er een verf chrik- 
kelijken draek op een lange parkement rolle gefchildert , en de plaetfe daer 
mede omhangen, en men zegt, zeyt P//m«i, dat de vogelen door deezen 
fchrik het quinkeleeren nalieten. En zoo plachmenze ook namaels , des 
noots zijnde,te (lillen. 

Voort heeftmen de ftatspoorten,en ook de deuren derbyzondere huizen 
met Af iM^rv-«^i beelden befchildert , en M^r^Schilderyc zachmen in de voor- 
fteeden. Ook zijnde deuren met andere goden-of heldenbeelden verfiert 
geweeft. En in groote huizen, ontrent des poortiers wooning, zachmen 
gemeenlijk een grootengcketenden hond aen de wand, met dit byfchrift, 
CAVE. CAVE. CANEM. 

Het gevecht tuffchen de wezels en muizen fchilderdemen op de berden 
der kraemwinkeltjes, en aen deeynden tweeflangen^ op dat niemant die 
plaetfen zoude ontreynigen. 

Ontrent deplaetfen, daer d'oude Chriften martelaers gedoot waren, 
fchilderdemen de gefchiedeniiïen van haer volftandich lijden. Maer de Hey- 
denen, uit een krankheyt opftaende, lieten de beeltenis van ^sculapius 
fchilderen, en hingen die in haere befte kamers op. DeChriftenen, door 
dit voorbeelt tot dankbaerheit vermaent , lieten , wanneer zy van eenigc 
krankheden, fchipbreuken, of andere nooden verloft waren , degefchie- 
denis afmaelen, en zoodanigen heylich daer by, als zy voornamentlijk 
waenden hen geholpen te hebben ; en dit gebruik duurt noch onder de 
Roomfche tot dezen huidigen dach. 

M.Agrippa verfierdedeheetfteplaetfcn derbadftoovenmec kleyne tafc- 
reeltjesjdic in 't marber bequamelijk waren ingevoegt. 

d* Egyptenaers befchilderden haere zilvere drinkvaten , in ftede van 
daer op te graveeren, met het beek van Anubis. d'Oude fchilderden ook 
veel op glas. 

Voorts heeftmen tot verfieringe ook de toornen derpaerden, en hang- 
felriemen, bortekijnen , pijlkokers, tenten, en fchildenbefchildert ge- 
hadt. De fchilden der nieuwe foldaetcn bleven blank, tertijttoe, dat zy 
een loflijkedaed bedreven. Men gelooft dat het fchilderen, in de neder- 
duitfche tael, van fchilden befchil deren herkoipt: want dat d'oude Bata- 

▼ic- 



Het negende Boek. gjtj 

vieren van geen andere Schilderyen, als van haerefchildengeweeten heb- 
ben, islichttoeteltaen. 

De Stokbeciden of Statuen plachmen ook fomtijts te befchilderen , niet 
alleen vermiljoen root , maer ook fomtijts met al haere verwen , gelijk den 
j4f/;«iteKreufis. Zoo droegen d'Egyptenaers op hare feeften een houten 
beeltvaneendoodenmanom, zoodanich gefchildert dat het een natuur- 7-'^* n!"^^' 
lijken dooden Tchcen , enzoodedenookdeMooren. ' *** 

Maer eyndelijk wilde ik wel ,datmen het voornaemfte gebruik van Schil- 
dery kon uitvinden tot voordeel van 't gemecnc beft, en tot voorftant van 
de Republijk, gelijk het zelve teweeg gebracht wiert door den Sicyoni- 
fchen Kapitein -4r4r«i: die door zijn liefde tot de Schilderkonfl de zelve ge- r 
weldich vorderde , bevrijdende daer door zijn burgers en Vaderlant uit een b^ücgr- 
bloetbat , en uicerften ondergang , winnende voor zich zelven de grootfte truik van 
eer, die oit raenfch mocht verkrijgen. Sicyonia bloeide vaitin de konft, ^^hildery. 
maer was in uiierften noot door burgerlijke tweedracht : want tachtich bal- 
lingen, waer van eenige wel vijftich jaeren gedoolt hadden, wederinee- K"^^^"- 
roepen zijnde, en haere verbeurtgemaekte goederen weder aengrijpende, *^'^"'*^^" 
ftelden alles in een onfliffelijken oproer. u4MfttJ dit ziende , en zijn Vader- 
lant beminnende, begaf zich ter Zee nae Egypten, om hulp te zoeken by 
Koning Ptolomeus , dien hy gewoon was te onderiiouden , met aen hem veel 
vandebefteenfchoonfte Schilderyen, inzonderheit van PamphjilusenMe' 
lanthaSi te zenden. Waer voor hem Ptolomeus leets vijfentwintich Talenten 
gezonden hadde, maer zijn liefde tot dekonft, nevens die van zijn konft- 
rijke Stad, Koninklijk willende erkennen, vereerde hem noch met hon- 
dertvijftich, of, als andere rekenen, 175 Talenten, van dewelke jIm- 105000. 
rwiveertichmethem in Peloponczen voerde, en de Koning zond hem de ''f°o°^"» 
reft in verfcheide poften nae. Door middel van dit geit ftilde^r^rwi den 
twift in zijn Stadt, vereenigde de borgeren, en bracht zijn Vaderlant in 
eer en ontzach, by vyanden en bontgenooten. Maer de ballingen lieten 
ook in'tbyzonder een koperen beeltt'zijnder eere maken, onder aen het 
welke zy dit opfchrift lieten graveeren : 
Aratus heeft ücb heerel^k^equeten. 

Met vroombeït in d' afgrijs fel^ken brandt , 
Zijnglorjf rijft in een verheven ft ant , 
By Herkies roem alleenlijk af te meten» 
Wy Ballingen z.ijn weder vrygez^eten , 
De ruft vernieuwt in 't lieve Vaderlant , 
En huis en kerk herftelt in d' oudeftant : 
Des tpy bier , om x.ijn Deugt niet te vergeten , 

T t Dit 



^10 U R A N I A. 

Dit keper heelt bejlelden tot z.ijn eer. 
o Htjflandt , van de Goon bemint \ Die meer 
Om hejfi z.ocht als uw eygtn : wjfin't ende , 
Gemeten noch de vrjfheit , tn met lujl 
U Gemeene recht , in vrede en waere ruft ; 
Daer wy z.00 lang om i^uchtten in d' ellende. 
Wat dunkt u, of dit gebruik van Schilderyen niet te ftade quam f Hendrik^ 
de Groot Koningvan Vrankrijk, wel bczetfende hoe veel geksjaerlijx uit 
het lant nae Italien om Schilderyen in te koopen vervoert wiert , was d'eer- 
fte, die zijn eygen landaertin dekonft aenfokte, omalzoodie gounnijn 
tot zich te trekken, die federt ook zoo heeft toegenomen, dat Italien in 
Vrankrijk verplaetil fchijnt. Maer om dit eenichzins na te volgen > zoo 
wilde ik onze Hoogmogendegezachebbers der Repubiijkeraeden, en bid- 
den, Dat zy in acht geliefden te nemen, djt de Schilderkonft in onzen 
ftaet, als in een nieuw Grieken, in't beft van haer bloei jen is; dat zy den 
j*^®' ""' ''^" Vaderlande eygen , als een onkoftelijke mijne, parelvillerye , en edelge- 
enlooeze- ^^^cnte groeve, dagelijx veel rijke juweelen van kabinetftukkenkan uitle- 
ten. ° veren, dic , zonder veel koften daer aen te verfpillen , alleen door 't vernuft 
van weynigeeeters tothooge waerdije konden gebrocht worden, depor- 
feleynender Sinezenin geduur zaemheyt verde te boven gaen, en een on- 
gelooflijke fchatwaerdich zijn ; datzy middelen gelieven te beraemen om 
deze fchatten buitens 's lants te doen vertieren; de kooplieden, daer in 
handelende, te begunftigen j of, 't welk de konft tothoogereere zouw 
dienen , wanneer 't haere Hoogmogendejbeliefde aen nabuurige of veraf- 
gezetene prinfen eenige vereeringen te doen, dat de zelve meeft in onge- 
meen goede en nieuwe Schilderyen beftonden. Zeker , noch Keyzers , Ko- 
ningen, noch geenerley grootvorften zouden die verfmaden , en den 
ftaet zouw daer geenkleyne eere mede inleggen. Danzach ik de konft in 
ons Vaderlant Vrankrijk en Sicyonietrotfen, en het hooft ten Hemel beu- 
ren; en, dat wenfchelijxt van al was, de fch robber y uitftervcn. Van 
wijder gebruik , als ook misbruik » zullen wy in't laetfte van dit boek 
fp reeken. 



TWEE- 



Hei negende Boek. 3^1 




TWEEDE HOOFTDEEL. 

Van verfcheiden aert engedaente van Schildery^ en wij' 
ze vanfchilderen. 

Et is voorwaercenganfch duiOerezake, de rechtewijzen van 
fchilderen , die de oude Grieken gebruikten) uit te vinden. Wy 
weeten wel van eenige, die een fponfie beezichden, om het 
geene, daer in zygemifi hadden, uit te doen, maer dit brengt Onxeker- 
Dns j^etn zekerheyr by van den at'rr hunner verwen ; want men zoo wel oly- ^^^^ *'^" ^^ 
lis waterverwe , jaeo"kgommeIak verwe, alsze noch warm is, met -een ^i'^^"^" 
[pons kan uitdoen. P/z/iJWifchrijft van een gefchil derden treurfpeeler, ver- der ouden. 
^ezeUchapt meteen jongen, van de hand van Ariftides, van Thebes tot 
Romen in den Tempel van ApoUo gebracht, die, door Markj4s JmiuS) 
Rooms fchout , aen eenen onverltandigen Schilder gegeven was om fchoon 
temaken en af te droogen, tegensde feeüfpeelcn vanilpo//ö: maerdathec 
ftuk door de beeftige domheit deezes werkmans in al zijne bevallijke gratiën 
vernieticht was. Doch dit kan ook, 't geen Ff rw<i«<ia meent , dat de ou- 
den van geen oly-of vafte verwen en wiften, niet verzekeren; want een 
dommekracht kan alles verderven. 

Noch komt ons dentrekltrijttufTchen ApeüesenProtogenesvrcemtvoory Trekftrijt 
maer luiftereerft, hoe dit toeging : Apeües door de hem van Prorogtw^i ver- te Rhodus. 
lokt, begaf zich na Rhodus, om zich door 't zien , van'tgeenhemgezegt 
was wegens de uitnemenheit deezes konrtenaers, te vergenoegen, doch 
aengeland, en op den winkel komende, vond hy Protegenes niet t' huis, 
maer wel een oude vrouwe, en een bereyt tafereel op den Ezel ; deswilde 
hy wechgaen, maerdeoude verzocht hem zijnen naem te melden, opdat 
hacrmeefter weeten mochte, wienaehemgevraegthadde. ApeÜeshieropi 
nam eenpinfeel met verwe, en trok daer mede een wonderlijken fijnen 
trek , zeggende : Zegt hem , dat het dezen man is , die hem zoekt , en ging 
wech. Toennu Prorff^fnfiwedergekeert was, de vrouwe gehoort hadde , 
cn'tgeen'ergefchiet was, zag, bekende hy dadelijk dat het Apeües moft 
zijn: want, zeydehy, het is onmogelijk, dat iemant anders , als Apeües t 
zoo volmaekt een trek kon haelen. Maer hy zelve nim een pinfeel , met 
een andere foorte van verwe , en doorkloofde de linie van Apeües , met noch 
een veel dunneren trek ,en uirgaende belaüe 't oude wijf,dien aen den vreem- 
deling, indien hy weder quame, tetoonen, en te zeggen: dat dit de hand 

T t 2 vvas 



Geeft geen 
klare ope- 
riog. 



DeO.vnn 
Giotco. 



33» U R A N I A. 

was van den man , dien hy zocht. Het geviel ook zoo, want ApeÜesqimn 
andermael, en itondfchierbefchaemt van 7ich verwonnen te zien. Dies 
heeft hy de voorige linien , met een derde verwe zoodanich deurfneeden, 
dit Protogenesbékennen moft verwonnen te zijn, en na de haven liep om 
hein te zoeken , en , gelijk aen edelaerdige konflenaers paft , hem minne- 
lijk verwelkomde, en beleefdelijk onthaelde. En dit tafereel , daer niet 
anders, dan deeze drie trekken op ftonden , en van verre niets op te zien was • 
is langen tijdbewaert geweeft , en in 't paleis van Cttfar ^ onderde trefFe- 
lijkfte werken van de grootfte meefters, opgehangen, daer het ook, ten 
tijden van P/;«/«i, noch mede verbrand is. Maer deze hiftorie maekt ons 
noch nietgeruft in 't begrijpen van de wijze van handeling, en 't pinfeel- 
voeren der ouden. Zommige waenen dit alleen maerfijnelinien geweeft te 
zijn: linien, gelijk ^awiwi zegt, die met een vaerdige lichte hand zachte- 
lijk'getrokken waren , linien, die met anderverwige linien op 't alderfubtijl- 
fte waren deurfneeden. En deezeftellenalde prijswacrdicheit in de hand- 
greep, niet boven de O van Gio»o te achten j die my hier wel te pas in den 
zin fchier. Toen Paus Benediüus de negende voorhad eenige ftukken in Sint 
P/Vr^n Kerk te doen maeken, zond hy een hoveling, omtot Siena, Flo- 
renfen, en elders, de Schilders te bezoeken, en van hen eenige tey kenin- 
gen te begeeren, om aen zijn Heylicheytte vertoonen. Dezen hoveling 
quam eyndeüjk ook by den geeftigen Giotto , en verzocht ook teykening van 
zijnder handt. Giotto nam een vel papier , op welk hy trok met een pinfeel , 
den arm veftigende tegen zijn zijde om zoo een pafterte weezen, met 
een draejendehand, zonder den arm te verzetten, een zoo volkomen net 
getoogen rond , dat het wonder was. Dit gedaen zijnde, gaf hy 't al grenik- 
kende den hoveling, zeggende : Zie daer de Teykeninge; waer over zich den 
anderen, meenendebefpot te zijn, verontwaerdichde.Maer Giotto zeyde , dat 
het meer als genoeg was, om aen den Paus te vertoonen, en dat hy zien 
zoude, of men 't zouw kennen. Den anderen vertrok onvernoegt, doch 
vertoonde dit echter onderde teykeningen, tot groot vernoegen en ver- 
wondering van den Paus , en alle verftandigen, alszy verftonden , hoe 
Giotto zijn O zonder pafler gemaekt hadde , waer op hy ook tot Romen ont- 
boden wierr. En hier uit wies het fpreekwoort,datmen tegens volk van grof 
deeg gebakken, gemeenlijk zeyde: Gyzijt ronder dan de O van Giott9. 
Maer om wederom tot de trekken van Apeües en Protogenes te komen , Karel 
Vermanderc^eeft'evy mijns bedunkens, beter oordeel van. My dunkt niet, 
zegt hy , dat dit flechte recht uit getrokke linien of ftreeken (gelijk veele 
meenen, die geen Schilders en zijn) geweeft zijn, maer eenigen omtrek 
van een arm of been , ofwel eenige tronie vanter zijden , of iet dergelijx, 
welkers omtrek zy zeer net hebben getrokken , en t' fommiger plaetfen door 

mal" 



Het negende Boek. 333 

malkanders trek met de verfcheidene verwen heencn , dat hier doorklieven 
van P/im/«i zal geheeten weezen, gelijk degeleerden, die geengoet ver- 
ftant van onze konft hebben , daer ook onverltandich van khrijven en fpree- 
ken. En mij n meeninge be veftich ik hier mede , dewijl Vliniiu getuigt , dat 'er 
de gecne, die de Schilderkonft verltonden , grootelijx van verwondert en 
verbaelt waren: waer door wel te verftaen is , dat het konltige omtrekken, 
en geenfimpele linien waeren, die zoo uitnemende oppermeefters in onze 
konll tegen malkander om ftrijt getrokken hadden: want een rechte of 
kromme linie uit der hand heenen te trekken , zouw menich fchoolmee- 
fter,fchrijver,ofeenander,die geen Schilder en isjdikwils veel beter doen,als 
de befte Schilder van de werelt. En zulx wort by den Schilders niet veel ge- 
acht^ want daer toe gebruiktmen de ry of regel. Mier dekonftverftandige 
verwonderen en ontzetten zich , wanneer zy zien eencn aerdigen en konlti- 
gcn omtrek , die met een uitnement vtrftant behendich getrokken is , waer 
indeTeykenkonft tenhoogften beftaetj maer de rechte linien zouden zy 
ongemerkt voor by gaen. Dus verre Vermander. Doch wy zullen > om de ou- 
de wijzen van doen uit te vinden, wat naeuwer onderzoek doen. 

P//Mi«iheeftdriederley wijzen van fchilderenaengeteykent , als in wafch. Vcrhcven 
't Welk ik houde dat een aert van bootfee ren geweeft is, gelijk ik tot Weenen werk. 
van N ieuberger zei d'ich gekoloreerdeltukjes gezien hebbe; en wort verhe- 
ven werk genoemt. 

De tweede wijze noemde men Eiuaupcé, met vier gefchilderde of ge- Encaufticc 
brandeSchildery , 't welk mogelijk met de manier van des Glaesfchrijvers gebrande 
bakken der verwen, ofwel met het op gout araaljeeren , dewijl zy'tgraef- Schildery, 
yzer ook gebruikten, eenige gemeenfchap gehad heeft : hoewel, zoo 't ^? 
fchijnt, zy het zelve ook in yvoir deden, 't welk mooglijk een wijze van 
inleggen geweeft is, doch valt zwaer te raeden. Echter meent F^rwwW^r, 
dat het maer een wij^e was van met gloeijende yzers te trekken op hout , of 
yvoir: en dat dit geheeten wiert Linearts Piciura , gevonden van eenen 
Pbilocles van Egypten. En dat andere daer nae beltaen hebben deeze om- 
trekken met een enkele verwe te vullen, welke gedaente vanfchilderenby 
de Grieken Monochroma genoemt wiert;, die van Zeuxis en anderen gelukkig is 
in't werk geftelt. Maer dat Encaujiicé fchilderen zoo flecht niet geweeft is , 
dunkt my genoeg te blijken aen het konftige {h»k,dat Augujius van N/cüi had- 
de, 't welk den tijtel voerde, dat het van N/ri^i gebrand was. 

De derde gedaente van werken was met her penceel , en gefmolte wafch- ^^-^chvcr- 
verwen , 't welk, mijns bedunkens , iets gemeens met de Japonee- ^'J^'u-jj 
fche manier van lakwerk gehad heeft > te meer, dewijl dusdane Schil- lakwcik. 
deryen noch door de Zon , noch den wind , noch door het zee- 
water befchadigt wierden : en hoewel de lak werken by de Japanders 
veeltijts eenige verheveniheit hebben , zoo zoumen miftchien in Eu- 



g;4- U R A N I A. 

rope , daer de konft nu in zoo veel hooger graet , d".n in't ooften bloeit , de 
konft van met lakwerk platte Schildery te maeken , dieingeduurzacmheit 
d'oly vervve te boven gaen , en in kracht overtrefl-en zoude , wel uitvinden ; 
indien ons de wijze van doen> diemen in Japan heeft > te recht bekent 
waer. 
alserot'-' ' Noch vind ik een wijze, die zy Parergon noemden, enwaseenwerk 
tifll-n, alsgrottiiren. 

Wat foorte van Schildery het ge weeft is, die men M^^wdröw noemde , 
Meandrutn , kan ik niet zeggen , alleenlijk zegt men, datze dien naem van de Rivier Me- 
Schildcry. ander ontleende , om datze , door 't menichvuldich draeyen en wenden , met 
den krommen loop dezer dwaclen Je Riviere fcheen over een te komen. 

Maer na dat het konftqueekende Roomfche rijk , door den zentvloet en 
overloop der barbarifche volken , vernielt was , zoo zijn niet alleen de Ael- 
oude konftltukken geheel vernieticht geweelt, maer zelf zoo zijn de wij- 
zen van fchilderen,en de geheele gedaentens van werken verloorcn. Alleen 
vondmen ontrent den jare 1 200 eenige weynich Ciriekfche Schilders in Ita- 
lien , waer van eenige met ey-en ooklijmverwe , en andere op inuuren in nat- 
te kalk fchilderden ; ofwel met gebakke veel verwige glazen in daertoege- 
maekte kalkinleyden, 't welk men Mofaik noem Ie, welke konft Tajide 
Mofaik. meefter vandenkluchtenaer BuffeiniakksviLnde Grieken leerde. En Gaddo 
De venctia- q^^^i f^elde deeze konft ook op kley ne Tafelkens te werk, en ook zelf met 
men zich de ^yerfchalen. Maer G/otro heeft de konft van Mofaik veel verbetert, gelijk 
konft van noch in *t voorhof van St. Pteters Kerk, aen 't fcheepken Petri , daer de glaes- 
Mofiikge. jens zoo net gevoegt zijn , als of t met het pinfeel gefchildert was, te zien is. 
L°bb^"'^ .Sr. Alrfri^w; Kapelle , diemendefchoonfte, vooreen Kapelle, acht van de 
werelt, is t'eenemael van Mofaik gemaekt. Maer het voornaemfte Mofaik 
werk, in de wereld bekent, is het weiffel van 5r. ^öji^Kerktot Konftanti- 
nopolen, gemaekt, 200 ^^«i^fi vertelt, van geverfde en vergulde vierkan- 
te ftukken marbers , zoodanic h t* famen gevoegt , als of't uitgehouwen werk 
was, zeer heerUjken vangrooteduurzaemheit. Men vind ook noch eenige 
mofaikwerken hierendaerin Italien ; ja zelfs aen den poel Avernus , inde 
grotte van de Kumienfche Sibille : ook is de ronde kap van de Kapel der ge- 
boorte tot Betlehem, zegt Sandijsy met Mofaik borduurfel behangen; als 
ook de Kerk van de Maeget Maria, Van gelijken zijn in den Tempel van het 
hey lig graf, tuflchen den top vandenmuurin verfcheyden hollen, Schilde- 
ryen vanheyligen in Mofaik, maer, na de Griekfche wijze, zonder fcha- 
duwen. 
De vloeren waren ecrtijts in Griekenland zeer arbeytfamelijk , i"ge- 
Lithoftrata. daentcn als Schildcrvcngeplivcyc , 't welk men houd dat Ltthojlrota ^enoemt 
was. Jn deze konft plachi'o/«i boven zijn tijdgenooten, na't getuigen van 

Plf' 



ootc 
en 



Het negende Boek. ^ ^ ^ 

Tlimus , uit te munten , zich eenen grooten naem gcniaekt hebbende , door 
*t vloeren van een huis in de fladt Pergamo , 't welk met den naem Afarotos 
Oikos y èoit'is i 'tongevaegdehuis, genoemt wiert ; omdat hy de fnipper- 
lingen en kruimpjes van de Tafel daer inne , van kleyne verfcheydenverwi- 
gelteentjcs zoo aerdich gemaekt hadde , als ofzeonachtzaemlijkop den 
grond, na'tfcheyden vandemaeltijt, geftroit lagen. Hier zachmen een Zehzamc 
verwonderens wacrdige drinkende duive , die 't water door de fchadiiwe van *^o". 
haer hooft fcheen te verbruinen , terwijl haer een andere 't ecten ontfnapte. 
Andere zaeten en fpeelden op den rand van de kruik , andere bakerden Plin:i6.r^ 
haer als in de Zonne , en verfleeten den tijt met pikken , en het (treelen van 
hacre vederen. 

jf«/i«jCcz.4r liet hem, zelfs in zijne oorlogstochren, zeekere vloeren, vloerfchil- 
die of met vierkante fteentjes beieyt waren , ofmernitgehouwe ftuxkens d^^ry. 
van marber,yvoor,ofvaneenige andere Itoffe zeerkonltichin malkanderen C.5"w«oh: 
gevoegt waren, naevoeren. Divts 

Vorders heeft eenen Ducïo van Siena, ontrent den jare ij56metmarbere \\!^'*^' 
groote fteenen van vcrfcheyde verwen de vloeren beginnen te plaveyen,daer Aecnef/^ 
in hy beelden, hiftorien en allerley fitraden te weeg bracht, vullende de vloeren bc 
groef kens, die de Teykening en omtrekken vertoonden, met zwart Pik. ^°^''^°'^" 
MaerDowiw/co Becafmny , zijn lantsman, heeft dezen vondt zeer verheer- 
lijkt , gelijk ik in de Domkerk van Siena gezien hebbc, daer de HiUoricn van 
ons eerfte Ouders in de vloer ingeleyt , en opeen verwonderlijke wijze uit- 
gebeelt zijn.d'Edele Regeerders van Amlterdam hebben op deze wijze ook 
den vloer van de groote zael,in haer nieuw Stadhuis,mct Werelt^Iobcn ver- 
fiert, en mogelijk hebben dekabinetmakershaer manier van met veel ver- 
wich hout in te leggen, bloemen, beelden, en gebouwen te verbeelden, 
uit deeze voorbeelden van Siena geleerr. 

Want men fchildert niet alleen met fteenen , als verhaeltis, maerook ^"?^'^'^ 
met het inleggen van hout, dat van verfcheide verwen te famengevoegt, waktin 
de pinfeel fomtijts wil trotfen. Aldus zegtmen dat buiten Bologna , in het hour. 
Klooftervan5i«fM/d34f7o/wBo/io, zeer aerdige doelen , met Lantfchap- 
pen, gronden en gebouwen verfiert , wonder aerdich te zien zijn. 

Maer om wederom tot met het pinfeel fchildcrcn te komen, zoo is de F.efco. 
grootfte manier der Italianen in Fïefco , op't natte kalk met kalkwater , ver- 
mengt met natuurlijke aertverwen , waer op naderhand, als 't droog is , 
metlaken Azuurgroen, ofanderedoorfchijnende eyverwe ^ef^lazcert en 
verbetert kan worden. Maer deeze wijze van fchilderen wil einze locht niet 
lijden, fchoonzeby den grooten Al;t/)f/ ^«^f/o voor Meellerswerk, te^en 
'tfchilderen in oly verwe , dat hy vrouwen werk noemde , geacht wiert. 

Degeenedie gewent zijn op natten kalk te fchilderen , gebruiken ook 

een 



3^6 U R A N I A. 

Sgraffiato. een wij ze van daer op te teykenen , 't welk zeer aerdich ftaet, en bequaem is 
om hier te lande te gebruiken. Eerftelijk , wanneer den gevel ottemunr 
cerft ruw bezet is , zoo neemtmen geftampte kool , gebrant ftrooy of 
hooy, en mengt dat onder de kalk, daermen den muur dan zoo zwart mede 
aenftrijkt, daer nae laetmen over dien donkeren gront zuivere kalkaen- 
pleyderen , hier op gaermen dan,zijn kartons gefponfijt hebbende, met een 
puntich yzer te werk, trekkende arfeerende en kratfende 't geen men beraemt 
heeft , en tot meerder zachticheit kan men ook met eenich zwart, tot frefco 
bequaem, 't pinfeel ofborftel te hulp neemen. Deeze wijze van op den 
muur te fchilderen of kratsfen, wort gelooft dat van Andries di Coftmo Floren- 
tijn eerll gevonden is j en wort Sgrapi geheeten. 

Het en is geen klein fieraet voor de werken in fresco geweeft ,dat de groo- 
Stcco en te meefters in Italië zelfs haere werken met llucco verfiert en met grottiflen 
Grotiiren, gecomparteert hebben. Zelften tijde der ouden , gelijk gebleeken is, want 
eenen Motto da Feliro , in 't leven van Paus Alexander den zeflen , een zwaer- 
moedich menlch zijnde , heeft in zijn eenicheit in de oude Roomfche ruwij- 
nen de gecomparteerde welffelsgaen nateekenen, en zoo onder als boven 
deraerdein VtUa AdrianabyTivoly, ja veelmaendentot Puzzuolo, en in 
Campana den ouden wech tot Trullo by der zee , in de Tempelen en grot- 
ten onder d'aerde tot Bajaen Mercato;; zoo dat het fcheendathy de gro- 
tiflen, die, om dat menze tot dier tijd toe niet dan in de Grotten onder 
d'aerde te zien vond , den naem van grotiffen verkregen , al had in- 
gezwolgen , gevende de zelve door zijn groote ervarenthcyt in zijn 
fchilderen meerder binding , en rijker verfierfelen , de lofwerken een 
grafelijker aert , en bequamer invoegingen van beeldekens. Maer Jo- 
handaUdine als geboren tot fieraden, heeft, wanneer men by St. Pieter 
in Vincula , in de vervallen van 't Paleys van Titust om eenige beelden 
oroef, en aldaer eenige verwelfde kamers vol grotifTen en Hidorikens ne- 
vens fieraden van ftucco vond , die, fchoon veel hondert jaer oud, noch rede- 
hjk verfch fchecnen , en van kunft en teykening uitnemend waren ■ het ge- 
luk gehad dat hy niet alleen het grotisfchilderen wederom tot zijn vol- 
komenheyt herbracht , maer het werken in ftucco wederom uit de doot ver- 
wekt heett. Want al hadden veele voor hem gezocht van pleyfter,kalk,Griex 
pek, wafch, en gebroken bakfteen ftucco te maken, en daer op te vergul- 
den, zoo en had noch niemand de deugd van deeze, deurde Antijkenge- 
daen, bereykt. Hy beftonddan kalkenpozzolana, een zant datmen bui- 
ten Rome graeft, onder een te mengen, en daer af beelden van halfrond te 
maken , maer noch en konde hy de gladdicheit en witticheyt der Antijkfche 
ftucco niet bereiken. Anderwerf nam hy , om iets witter te hebben,dan poz- 
zoiana, en liet ftampen ruwe ftukken van Trevertijnftcen, enmengdedat 

in 



Het negende Boek, g^j 

ïnTrevertijnfchenkalk, en bevond dit beter, maereyndelijk namhy van 
den fchoonften witte marber tot pul ver geftampt en gezift , in gemelde kalk, 
en vond dit te zijn den rechten ftucco der antijken. En deze konft van fluc- 
co te maken , gevoegt by zijn aerdich grotti/eeren , fchilderen van kruiden 
en biezen , vogelen en dieren , heeft zonderling cieraed gegeven acn de 
heerlijkfte werken des grooten Rafaëls. Doch Baltafar da Siena wift met 
zijn verwen en pinfeelen de halfronde ftucco op zijn platte Schilderyen zoo 
aerdich na te bootfen > dat de befte Schilders daer door bedrogen wierden i 
maer menzoujv hooger vermogen der verwen door exempels kunnen aen- 
wijzen. 

Dewijl wy hier van ftucco iets gerept hebben , zoo laet ons ook dit wey- 
nige van 't plaiftergieten zeggen , en fchoon*t minder aen de Schildery, P'^'^c' 
als de ftucco behoort, zoo heeft het nochtans meerder nutticheit, als ik ^'"^°' 
beluft ben hier te verklaeren. 

Het plaiftergieten is > na Vïtniui getuigenis , eerft aengevangen van Ly- 
ftjltatust broeder van den vermaerden I;'^4j , hyftamptedeCypiofpIaiftcr, 
enmaektedienat, vormende daer mede , metover 't aengezicht te gieten, 
de tronien , welk terftont droogende hy weder met gefmolten wafch vulde. 
Deze plaiftergroeitinbyzondereaderen, dieloopende zijn doofde kalkber- 
gen van Syrien, Grieken, Italien, Spanjen en Duitsiant. Maer dezen 
braven vond, na datze lang verloren geweeft was, is wederom in gebruik 
gebracht en vernieuwt van Andries Verochioy ontrent den jare 1340. Hy 
brande en ftampte eenen zachten fteen , die gegraven wort ontrent Siena , 
Volterra , en andere plaetfen van Italië , welke gezift zijnde met warm wa- 
ter gemengt wiert, en was dan bequaera om iets af te drukken, en droog 
zijnde tot vorm , om het inge^drukte wederom af te gieten. Die hier meer 
van gelieft te weten, keere zich tot de meefters van deze konft. Wantten 
zal een Schilder niet berouwen, dat hyeenige ledige uuren incenige frajig- 
heden af te gieten befteet heeft. 

Delijm-enEyverwen zijn zeker niet geheel te verbannen, eerftelijk,om ... ,.. 
haere quikke helderheyt , ten anderen , om haere handelbaerheyt in 't vaer- Ey^erwen.^" 
dich fchilderen; en voornamentlijk, om dat zy tot veel gebruiken bequaem 
zijn, daer de oly verwen tekortfchieten. De klaerheit van de Sijs-en Ey- 
verwe is zeer bequaem omietsby kaerslicht ofvanverretevertoonen, ge- 
lijk als in verregezichten,of in befloote fpeeltoneelen. Ook, wanneer een ftuk 
recht tegen over het licht of een venfter moet hangen , zoo is de Lijm-of Ey- 
verwe beter, alsd'olyverwe j vermitsze niet en blinkt. En dewijhevlot 
uit depinfeel glijt, zooifte bequaemer tot overvloedige werken, als tot 
befchutfels, behangfels, of gefchilderde tapijten j gelijkmenze daer toe 
over tweehondert jaren deurgaens gebruikt heeft; wammen kanze, gelijk 

V V het 



358 U R A N I A. 

het konterfeitfel , dat DureraenR. Urbj^n zond, en de Sint 3^41^0 1; onthoof- 
ding van Mabuz^e was , zonder fchade vouwen en kreuken. 

Becafurnit Schilder van Siena , hielt het daer voor , dat de Eyverwe ge- 
duurzamer werk was, dan zelf de olyverwe, vermits, zeyde hy, dat de 
werken van broer jfo4«, btoet Phdtps Bemz.z.0 ^ die van Eyverwe, en zeer 
oudwiren, minder waren vergaen , alsdeltukken van I«i^^ van Kortorta, 
o( Pelaivol^y in jonger tijdgedaen. Maeron^e Nederlantfche lucht zouw 
miflchien het tegendeel waer maken. 

Nu zoo was 'er moogli jk noch een ander mengfel tot de verwen te men- 
gen te vinden , 't welk by de Ooltindiaenen int gebruik is : deze fchilderen 
bloemen, fruiten en figuuren op zijden ly waten en katoenen , en dit houd 
zoo vaft, datmen'thondertmaelmachjuitwalTchen, zonder dat de verwen 

xncnofcl ' verdooven. Herodoot zee^tïn Clio y dat d'inwoonders van den berg Krf«i^<j/j« 
^ bladeren van de boomen ftampen , en datze dezelve met water vermengen , 

en gedierten op de kleederen fchilderen , die niet uitgaen , maer met de wol 
verflijten, en altijtszoofchoonftaen, als ofze daer eerft op geweven wa- 
ren. Zeker, wie weet, of by ons ook zulke boomen niette vindenzjn. 

Olyvernis. Na zooveelerley wijzen van fchilderen, die detijdt of verfchoven of 
verandert heeft, zoo fchijnt het, dat eenige vlugge geeften, die de Sijs- en 
Eyverwe gebruikten, t'onvreeden geweeftzijn dat haere werken het wa- 
ter en 't afwafl'chen 200 wel niet, als vand'aeloude Schilderyen getuigt 
wort, konden lijden. Dies zoo heeft al vroeg eenen Baldovinetti y eenen 
TifeUoy eenen Antonelloy en zelfs onzen 3fofc4wv4«£;'i^zijn Ey-enHjmwerk 
beginnen te vernifl'en , met eenige olyen daer toegediftilleert, gelijk 'er 
gezegt wort, dat j4pf/i«plachtevernilTen, meteen vernis, die zoo dun en 
glad was, dat, wanneermenzeaenroerde, men zich inbeelde dat de hand 
daerafalsbefmetwiert : die de Schilderyen Vooralle ftof bewaerde , en in 
een fchoone luift er hielt , en nochtans by niemant als van hem kon gemaekt 
worden. Ook niemant, alsvan E/i(^, is dit verniffen wel gelukt , zoo dat 
een yder verwondert was over de glans van zijn werk , maer hy zelfs was niet 
te vreeden, voordat hy, nae een lang, en alchymirtifch onderzoek, de 
lijnzaet-en nootoly , met eenige andere ftoffen vermengt en gezooden, 
voor de droogenfte en beRe verniffen uitvond: ja eyndlijk zelfs, dat de 
verwen zich gaerne daer in vermengen , en gemakkelijker verwerken lieten, 

Olyverwe. als in eenige der voormaels gebruikte vochten. En aldus is deolyverwein 
Nederland gevonden, en tot Brugge door Jobanvan E^i^eerft in 't gebruik 
gebracht, ontrent denjarei4[o. Welken vondeenen Siciliaen Antenello 
van Meflina van £ƒ j^heeft komen afleeren , en heeftze tot Venetien gaen |in 
't werk (lellen , van waerze zich voorts over Italië , ja ganfch Europe , ver- 
fpreyt heeft. Maer het is te verwonderen , dat de werken van onzen eerften 

vin* 



Het negende Boek. ^^p 

vinder van de oly verwe zoo ichoon en beitandich zijn gebleven > dat by nae 
niemant namaelsdie versheyt der verwen heeft konnen nakomen, gelijk 
LükAi de Heere van hem zegt : 

Benevens z.ijne kon(l is't noch een Hemelval > 

Dat al x^ijn verwen , fcboon door outheit , niet hez^tvijken 
Infcbier tweehondeitjaer , maer houden duurichjlal ; 

Vat zietmen nu ter tijd aen weymg werken blijken. Op ver- 

Maer alsmen overweegt hoe zorgvuldich onze oude Schilders geweeft zijn , fchcyden 
in haere werken te beleggen, zoo zahnen'tvoor geen wonder keuren, ^o^^" 
Want voor eerft hebben zy, gelijk men op de natte kalk gewoon is> met '^ ' "^"* 
groot gedult een teykening, zoo groot als het werk zoude zijn, gemaekt, 
welke zy dan op het eerlte wit haeres paneels fponften , en zuiverlijk trok- 
ken en fchaduwden , waer over zy dan een vleesverwig primuurfel leyden y 
't welk het werk, bynaals haifgedaen, deede doorlchijnen , en hierop 
voldeden zydan hare (lukken ten eerden op. Eenen£4rf«f van BruiTel liet 
eenrtuk, daerhy het Oordeel op voorhadde, eerit geheel over vergulden, 
en Ho/tf f» heeft zijnzilverlakenen, is 't niet met Zilver, ten miniten met 
tenteei of witte foelie onderleit. Andere hebben goude, zilvere, en ko- 
pere plaeten gebruikt: andere hebben geheelealtaerüukken, gelijk ik ge- 
zien hebbe, van tin laten gieten. Sebajltaendel Piombo vond uit, om met 
olyTerweopderhuurentefchilderen 5 en om dezelve voor alle vochticheyt 
te bewaeren , zoo bereyde hy de fteenkalk met maliik , en Grieks pek , t' Ta- 
rnen gefmolten, en ftreek het op den muur, en effende dit dan met een 
mengfel van roodachtich kalk , zeer bequaem om zijn naekten beftandich te 
bewaeren. Andere beplaifteren de onbeltreeke muuren met een mengfel van 
lijn terwe meel, en daer onder klein geftooren Heen, gemengtmet wit van 
Eyeren ^ en dit zoude zoo hart als marber zijn.Hugo en Holbeen hebben dit tot 
Brugge en Londen ook nagevolgt. Maer Ptombo fchilderde met behulp van 
zijn mengfel op allerley groote Itecnen.Zommige hebben de muuren flechts 
met het mengfel van een deel fementen'eenhalfdeel verfchgeleftekalk, 
beflaegen met lijnolie,beflreeken.Het edel gefteente,als agaeten en toets, be- 
hoeven dit behulp niet. Bajfan was aerdich in nachcjcns op zwarten toetsftec, 
toetfende devlammeflraelrjesmetecn gcudpen, die vernift zijnde natuur- 
lijk verdweenen. Maer lywaet , gacs, of tijk, isbequaemft voer groote 
ftukken , en wel geprimuurt zijnde lichtfl om te vervoeren. . 

Van Gomverwe, verlichtery, of lijmning, heeft Londen al lang de 
kroon gefpannen, hebbende al over de hondert jaerendenovernetten Hol- 
been en zijn navolgers gehad, en praelende noch korts met den onnavolglij- 
kcr\ Koeper i die meer wonders in elk deeltie van zijn trony en bragt , als de 
moQder yzn Lukoi de Heere, die een meulen met volle zeylen, mculewal, 

V v 2 meu- 



340 U R A N I A. 

meulenacr, paert, karre, en toekijkers, zoo kleyn afbeelde , datmen*t 
al tefamen met een half koregraen konde bedekken. 



NaeltfchiU 

dcry 

Acupingcrc. 



Tcxtilis 
piilura. 
IUiia;cayeU. 



Tapijc-fri 
Lapfchil- 
dery. 




DERDE HOOFTDEEL. 

Vervolg varé-'tvoorgaende Hoofideely en hoe Natuur fomttjts 

zelfs fchildert en beelden vormt. 

ESchilderkonft, dewijlze alleenlijk verbonden is, 'tzyvan na- 
by of van verre , denatuuringedaenteen verwe natebootzent 
s zoo vryin't veranderen van manieren van doen, en verkiezin- 
gen van doften, daer de natuur haer op duizenderhande wijzen 
irbynageen eynd aente vindenis. Jaeenmeefterinde 
konlt zal niet alleen in alle landen , maer ook zelf meeft in alle buien zi ch 
van gereetfchap verzien vinden , om door zijn konft verwondering te 
baercn. 

De Naeldfchildery wort den Phrygianen toegefchreeven. Zoo wierden 
ook de Borduurwerkers eertijts Phrigiones genaemt, om dat de konft van al- 
lerley ftikfelwerk te maken in Phrygie eerft gevonden is ^ maer Lukaen geeft 
den Egyptenaeren deze eer. 

Weef-of Tapijt fchildery is nu noch zoo wel , als in oude tijden, in 
waerden, en heeft zijn herkomft uit Babilonien. Dejoodfchevoorhang- 
fels waren deurwrocht met vremde gedrochten , zegt Klaudianus-y maer of 
dit waer is , durf ik niet verzekeren. 

d'Egyptenaersverwden , in P/imttui jd , haere kleederen, als ofzege- 
fchildert waren. Zy overftreeken haere katoenen of lywaten , nadatzewel 
gevreven waren, niet met verwen , maermetditofdac verwdrinkend nat; 
zoo datmen 'er niets op konde zien , voor datze in een ziedende ver wketel 
wierden ingedoopt, en ftrax daerna al gefchildert wierden uitgetrokken. 
Zoo was het wonderlijk , dat door eenderley verwe , die in den Ketel Wis , 
het kleet veel verwichgemaektwiert, verandert zijnde na de hoedanicheit 
des verwdrinkenden nats. En deeze verwen waren onmogelijk uit te waf- 
fchen. En de ketel, die de koleuren buiten twijffel zoude vermengen, in- 
dienze gefchildert daer in gefmeten wierden, fchakeerde en fchilderde de 
zelvige al kokende, ja de verzengde kleederen waren veel fterker,danof 
zy noyt verzengt waren geweeft. 

Maer ik zal Borduuren , Tapijtmaken,en met veelverwige lappen behan- 
fels famen hechten (want de Schilders hand is daer te edel toe) overflaen, 
fchoon dit al natuurlijke kinderen van de Schilderkonftzijn, maer onterft 

door 



Het negende Boek. 54,1 

door haeretraeeheden en moeilijkheden der handwerken ; echter hebben Zectuig. 
zich doorluchtige geeRen des ouden en nieuwen tijds vcrluflicht, in met ^^'^'''^<^'y* 
fchelpen > hoorens en Zeetuig te tey kenen en fchildcren , en zei f wel geko- 
loreerde figuuren van fchelpkens zaem te zetten ^ die van verre niet alleen 
eefchildert, maer in fchaduwige grotten geplaetft levende fcheenen. Al- 
leen dunkt my, datiktotbefluitnochfchuldich ben te ftellen den kondi- 
gen vond der Mexikanen^ gelijkze ^Cfl/?4befchrij ft : Daerzijn, zegthy, 
zommige goede meelters van Indiaenen > die met pluimpjes en veeren wee- ,, r l 1 
ten na te bootien de Schilderyen, met zoodanigen welitant, datter de derv. 
Schilders van Spanjenganfch geen voordeel teegen hebben» En deeze ma- 
nier van fchilderen gaet aldus toe ; Voor eerïl hebben zy de Tomene josy 
Gtt4f4, M474;, en andere veelverwich gevederde vogelen, waeruitzy, die 
dood zijnde, meteen nijptangsken, zoodane kleurde vederkens trekken, 
als zybegeeren, klevende die, ineen daertoe zeer bequame lijm, mee 
zulkeenraddicheitennetticheit, zoo effen engelijk, in elkander, dat het 
teenemael gefchildertfchijnt; hebbende daer nevens zoodanig een klaer- 
heyt enluiller, dat het onze Schildery verdooft; zoo dat Koning Filipi 
van Spanje drie kleine ftuxkens , dienende tot een bladwijzer in een gety- 
boek, van deeze zoo vreemde Schildery ziende, zeydf : dathy noitin zoo 
kleyne figuuren waerdiger dingen gezien hadde. En Paus Sixtus de vijfde ver- 
blydehemin'contfangen van een tafereel , waerin Sint Pr^wci/tw aldus met 
veeren was afgebeelt: maer als hy verltont dat het van d' Indianen en met plui- 
men gemaekt was , zoowildehy 't beproeven, ftrijkendeeenwe nich met 
den vinger daer over, en aldus taftelijk verzekert zijnde, dat het niet dan 
veerkens waren, liet hy hem dunken, dat het weleen wonder dingen was, 
zoo veelerleyverwige pluimkens zoo net in een te voegen , datmenze van 
met het pinfecl gefchilderde verwen niet en konde onderfcheyden. 

Eindelijk ftaet ons hier noch aen te merken , hoekonftich de natuurfom- ^^'.""" 
tijtszelffchildert: Hier en wil ik niet fpreeken van gevlakte Tijgers, en ;^ji\j^l' 
Luipaerden, geoogde Paeuwen , of veelverwige vogelen , Pergamifche c^farel 
Oefterfchelpen , ofindifche Kinkhoorens , bloemen of diergelijke, die curiojjt es 
de natuur wel veelverwige vlekken geeft, maer zelden met iets kenlijksbe- inouic. 
fchilderr. Viin Edele üeenen zegtmen , datmen in den Donderfteen de '" ^«^elge- 
verbeeldinge eens Blixems ziet ; in den Robijn vuur; in denHagelfteende 
gedaenteenkoutheit des Hagels, al waer't datmen hem in't midden des 
vuurs wierp; in de Esmerauden diepe en doorluchtige golven der Zee. De ^ 
Kreeftfleen volgt de gedaenteeener Zeekreeftna. DePaddefteen, dieby _'''^;'"f*^" 
de Latijnen noch by geen naem bekent is, drukt de gedaente eener Padde ^,0,,^^ (l-^/^ 
van binnen in zich zoo natuurlijk uit , dat geen konft die zouw kunnen over- ^<j, 
treffen. Zoo vertoont den Adderfteen een Adder, de Scharites den vifch 

V V 3 Scharyt 



onsr' 
in 



5+2 U R A N I A. 

Schary , den Haviksfteen een Havik , den Kranenfleen een verfierden Krae- 
nenha!s> de Boxoogenüeen het ooge eens Box. Daeriseenen, die een 
Verkensooge, eenen die drie menlchen oogen te gelijk aenwijft. De 
Wolfsüogenrteen maèlt een Wolfsooge met vier koleuren af, als vuurroor, 
en bloetroot , en in't mid den wort het zwart met wit omfingelt. Is't dat gy 
den zwarten Boonfteen opent, gy zulteen Boon in't midden vinden. De 
Eykenboomfteen konterfeit een blok van een boom nae; enbrantookin 
maniere van hout. De Ciflites en Narciffites maelt Eyloof. De Aftrapias 
fchict uit het halfwitte hemelblaeuw blixemftralen. De Vuurfteen vertoont 
brant van binnen. In denKoolfteen zietmen de vonken herwaerts en der- 
waerts fchieten. De SafFraenfteen geeft de verwe van Saffraen , de Rooze- 
fteen van de Rooze , de Koperfteen van Koper , den Arentfteen drukt een 
Arentuit, met een blinkende ftaert; en deze gedaente wort ook in't af- 
fnijden van varenkruit gezocht. De Pauwefteen heeft de Schilderye van een 
Paeuw, de Chelidonia van een Aspis. Den Mierfteen heeft d'ingedrukte 
beeltenis eener Miere j denSchalbiterlteen die vaneen Schallebijter, den 
Schorpioenfteenvaneen Scherpioen, en elk op 't verwonderlijkft. Maer 
wat vervolg ik deze dingen, die ontallijk zijn, dewijl het klaer is, dat de 
hatuur zelf als met vermaek in de Schilderkunft behaegen fchijnt te nemen. 
In Aoaet y^y hebben ook veel A gaetfchilderyen gezien , daer de natuur in den fteen 
pen. ^^ geeftige luchten, aerdigeverfchieten,eygentlijkelantfchappen, fteeden, 
gebou?^7en en fleenrotflen wonder vreemt , en als kunftich had afgebeelt. Zoo 
zouden ook de aders der fteenen van Nogent op de Seynegefchilderde ge- 
boomten natuurlijk vertoonen. Maer den Agaet van i^rrfcwid'Epirot was 
Ivhizcn" ^ aenmerkelijk , want men zegt dat'er i4po//ö met zijn harp, enonzezufteren 
denegen Mufen , elk met haere by zondere eerteykenen,in te zien waren. 

Albertus Magnus zegt tot Venetien in S. Markus Kerk een Agaet gezien te 
hebben , op de welke zeer natuurlijk het hooft van een Koning ftond , zijn- 
de meteen kroon gekroont (<jj. En te Romen toontmeii noch in een Por- 
^v ,, '*^'''^phyr-fleen een hooft met een pauzelijke kroon j alles door de natuur 2^c~ 
TnXT Schildert. 

Jitte:;ien In Mans velt worden fteenenuit de mijnen gegraeven , diede gedaentens 

te :(ien is aen van vidchen i vorfchen , en ander gewormte natuurlijk uitbeelden. Zyle- 

defVand. yen noch, zegt L. van den Bos , die gezien hebben een fteen, die een 

vrouwe nae haer doodt uit de blaes genomenis, op de welke zoo natuurlijk 

een padde uitgedrukt, of, om beter te zeggen, opgedrukt was (want de 

beeltenis ftondt daer hoog verheven op) als ofze met een konftige beytel daer 

op gehouwen was. 

Vricxfchil- Olaus Magnus mackt gewach van wonderlijke Schilderyen in bevrooze 

dcry, glazen onderde noortkrinj?. Wy moeten hiernochiets vandeerfmerkenin 

de 



Het vegende Boek, ^a^ 

de geflachten der menfchen, als een wijze vanfchildercn ofteykenen inde 
natuer, by voegen. Denakomelingen van Koning 5f/f«j^^i hadden een an- 
ker als haer geflachtmerk , gelijk hy de gcdaente van een anker op zijn dije Geflaclir- 
gehad heelt. De nakomelingen van Ptlo^s waren op de rechter fchouder ge- merken, 
teikent : en Ipbigenia kende haeren broeder OreJïes:ien den «olijfboom op zijn 
rechte fchouder , het waere blijk, dathy uit PWo/)i gefproten was. Het 
gellacht der Sparti, binnen Theben , kcndemen aeneen lancie op haere 
iichaemen. De wratten > maelen of fproeten, zegt PlutarchuSi verdwijnen 
menichmaelinde kinderen, envertoonen zich wederom in de kintskinde- 
ren. Een Griekfche vrouwe, die een zwart kint ter werelt brocht, van 
overfpel beticht zijnde , wiert bevonden in *t vierde lit van Mooren afkomft 
te zijn. Heitodoor maekt zijn Moorfche Koningin , door 't aenzien 
van een blanke Schildery , van de fchoone Chariktea zwanger. Natuur fchil- 
dert, zoo'tfchijnt, door vrouwlijke inbeeldmg kunftich genoeg: want Moc^^-rs in- 
zekere overfpe^lfterby haren fnoepigen boel zijnde, had haeren afweeziqen b eldmgcn 
man door de vrees zoo va(t in haere gedachten gedrukt , dat het hoerenkint, icinidf ren 
dat zynamaels baerde, denman beter dan zijn echte kinderen geleek, j^ '^^ '''"'^^J* 
zwijg nu van moerbeycn, fruitteykens, en andere gedaentens, door vrou- 
we fchrikofluft den kinderen medegedeeltj want Jakpbs oyen befchilder- 
den ook wel de lammeren na de halfgefchilde ftokken. 

Natuur is ook fomtijtsbeelchouwüer in de bergen , en maekt wonderlij- Natuurs 
ke gelijkenilTen , maereen konftenaermoetze meteen geloken oog fom- beelthou- 
tijts wat toegeven. In China, byChunking, aende Feuftroom, leyideng^^; , - 
berg Fe, die zich vertoont als een zittend mansbcclt, op zijn Chynecs Oima" "'^ 
met de beenen over malkander, en de handen in den boezem over een, en 
zoo fchrikkelijk groot, datm:n zijnoogen, ooren, neusgatenen mondt 
twee Hoogduitfche mijlen verre duidelijk genoeg kan onderfcheyden. 
Op den berg van Kiu is een beeit te zien, dat zijne verwen nae de ge- 
flalte des luchts verandert. Op't gebergt Gaulo is een rots , die natuurlijk de 
gedaente van eens menfchen neus verbeclt , uit welx neusgaten twee fon- 
teinen vloeijcn , d' eene koudt en d' ander warm. Den berg Chinkanq heeft 
de gedaente van een haen. Monien ziet als met twee zeer natuurlijke 
fteene oogen. Ineen diepen afgrondt, van den berg Cokieu, wort eens 
menfchen-en beeftenbeelt gezien. Maer dit alles is in China. In *t noor- 
den vintmen de rots van de monnik met kop en kap. En men zegt dat'erby .,, , 
de ftranden der Oftrogotten , voor by de ftadt Horkop, een rivier is loopen- arocjcnde 
de, die bynaeallerley gedaentens in haere key en vormt, niet anders dan ged.icntcn. 
ofze door konfl: gemaekt waren ; want zommige hebben de gef^aite van een 
menfchelijklichaem, ofvan handt of voet, of vinger, of dergelijk. 

Maerditis vrykunÜrijker,dat bydeftadtSneen, inOpperpoolen, aer- 

den 



344 U R A N I A. 

Gfocjfndcn den potten, ketels, kannen, endergelijken huisraet, van zelfs in d'aer- 

Huuraet, jg groeijen, zijnde week, wanneerze uitgegraven worden, maer hart, 

zoo haeft alsze in de lucht komen. Doch wat zeg ik van het fteenen Banket- 

tnBankcr. /-yjj^gj.^ dat in de beekjes opgeraept, en by de liefhebbers bewaert word r* 

Natuur en 't geval bbotfen de kond nae , gelijk de konft de natuur. 

Maer 't geeneCarneadesverhaelt, is vreemder. Daer is, zegt hy, eer- 
^'"' tijts in de fteen groeven van 't Eylant Cfo/w een hooft van een kleinen P4» 

gevonden geweeft, als de fteenhouwers een groot ftuk fteens in ftukken 
hieuwen. Ook vertelt Pi/M/«jdatmenin de Pariaenfche putten eenengroo- 
Silenus. jgp fteen midden doorbreekende , het beelt van Silems daer in gevonden 
heeft. Maer ik zouw eer gelooven , dat een hoott van Silenus rybeeft het 
daer voorheeft aengezien. Van kleyne houte mannekens of wijfkens, by 
Pisdicfjcj. fommige Alraunen ofliever Pisdieven genoemt , wort zeU by zeer geleerde 
mannen groot werk gemaekt , als of een natuurlijk gewas haer deze gedaen- 
. te gegeven hadde.Lauremberg die anders overgeloovich genoeg is,fpreekt 'er 

HiliorU ^^^^^ ^^" • ^^' ^'i" kleine beelden (zegt hy) gefneden na de figuur van man- 
van't derde "^" en vrouwen niet al haer ledemaeten , welkers hoofden met lange hairen 
bondert. bewafTen zijn, en een klein wit hemdeken aen hebbende, en in 't kort, 
even zoo toegemaekt als de Alraunen of wichlarefTen der oude Duitfchen, 
maer, om de waerheyt te zeggen , enkel bedroch. De wortel van het kruit 
Mandragora is van natuur even zoo geformeert , als een klein naekt menfch: 
deze wortel graven de bedriegers uit d'aerde , veegenze af, makenze fchoon, 
en brengendoor geeftichuitfnijdcn zooveel tewege, datze een mannetje 
of wijfje, zoozy dan willen, gelijk zijn. Daer de hairen wezen zullen, 
fteeken zy eenige gerfte korens of ander zaet in , laeten dat uitwaflen en op- 
droogen , dan ftaet het vaft , en fchijnt het natuurlijk hair niet ongelijk : de- 
ze trekken zy dan aerdige hemden aen , omgordenhaer, enbewaercnzein 
een zuiver doosje, zoekenze duur te verkopen, bevelen de koopers die 
wel te bewaeren , alle week te waflchen , en goede acht op te nemen : beloo- 
ven hen daer uit geluk en goede fortuin, in handelen, koopen en verkoo- 
pen. Op zoodanige manier wort de blinde werelt bedrogen , en alzoo fpeelt 
de Duivel zijn Perfonagie. Ik heb 'er zelf ook verfcheide gezien , en onder 
andere twee by de Heer Pandelaer in Beijerland : maer die verftant van onze 
konfl: heeft , moet om zulke beuzelingen lachen , die veel te onnoozel zijn , 
om een verftandige te doen verwonderen. 



VIER- 



Het negende Boek. ^^^ 




VIERDE HOOFTDEEL. 

fVat vruchten een Konflenaer ten loon van zijnen 
arbeyt te verwachten heeft. 

ETamptvan Viawxa , Meeftreffe van ons negende boek , is het 
belle te verkiezen. Maer wat is'er beter als't leven van een ver- ^'?**"''* *^' 
maert Schilder? Wat oet^ening^ wat ilaet zou hy voor de zijne be- co^JcT'r 
geeren te verwillelen ? Ons leeven is een gemeyne gave van de perchccon * 
Natuur , maer een gelukkich leeven te kunnen verkiezen , is een byzondere l'eleggerU 
Godlijket^unft. Wy zullen dan hier, tot befluit van dit werk , het geluk- '^'iS""''/''*''- 
kich leven eens konftigen Schilders , die tot een uitnemenden trap geklom- *J ^"^^* f'* 
men is, aenwijzen, en de belooningen , die hy voor zijnen arbeyt enge- ^^'^^jja'^" 
duurigen vlijt te verwachten heeft, voorftellen. En dewijl de aenprikke- /7noOT«Vi 
lingentotdekonftdriederleyzijn, zoo zijn ook de eynden der zelve, daer celejie , (f 
de Konltenaer toe poogt te geraken , driederley. En dit zal, 6 Schilder- ^'^^"<''. 
jeugt, het begrijp zijn van hetgeene gy in deeze onze negende en laetfte 
winkel van Vrania te leeren hebt. 

De vrucht van de konft, zegt Seneka , is iets anders , dan die van ^etdaden. 
't werk; Pi<i/<iimaekteenbeelt, de vrucht van de konft is, 't geen dat hy ^''Z'' 3 ?• 
begeerde gemaekt te hebben j en die van 't werk, dat hy'tmet vruchten 
voordeel gemaeckt heeft. Fidias heeft zijn werk volmaekt, fchoonhy't 
niet verkocht heeft. Hy heeft driederhande vruchten van zijn werk : d'een Driederley 
is't vernoegen van zijn geweeten , 't welk hy door 't volmaken van zijn vruchtca 
werk ontfangt; d'ander van 't gerucht; en de derde van't voordeel en de ''^"^c konft. 
nutticheit ,die hem, of door de gift, verkooping , of door eenige andere pro- 
fijtelijkheyt, aengebracht zal worden. Heerlijke belooningen voorwaer, 
en wel waerdich , datmenze met zoo vierich een drift en y ver vervolgt : de- 
wijl'er niets grooter noch gewenfter op aerde te bejagen is. Wyzullenze, 
om de jeugt geftadich voor oogen te ttaen , in dit vaers , als den hoogften 
prijs,ophangen: 

Dr te dTtfteaprik^ls z^ijn j waerom men ksnjlen leert : 
U tt liefde , om' t loon y enombjelk^tezijngeéert. 
Want f choon Seneka de twee laetlte, loon en eere> als vruchten van de cerftc 
ftelt , gelijkzc ook zijn , zoo is elk in't byzonder machtich genoeg om een 
wakker gemoed gaende te maken. 

De eerfte drift dan , die iemant tot de Schilderkonil komt aen te moedi- q^ ij^g 
gen, is een natuurlijke liefde tot deze meer als gemeen bekoorlijke Go- dtVunft. '" 

X% din , 



54.6 U R A N I A. 

din, die haereoeftenaers alleenlijk doorhaere deugtfaeme befpiegelingen 
indefchoonftewerkftukkendes wonderlijken fcheppersgelukkichmaekt, 
ja zoodanich , datze als een knaging in haer geweeten gevoelen, wanneerze 
eenigentijdverzuimt hebben haercminlijkeMeeftrefïe te dienen. Eneven 
gelijk Titus Vefpaftaen zich de vreugde deswerehs beklaegde, wanneer 
hyeenendach verzuimt hadde eenige weldaet te doen, zoo ftelde onzen 
grooten voorganger Apelles zich zei ven ook deeze wet voor : 
NuUa dies abeat , quin linea dudafuferfit. 
Geen Dagb en meet my oh ontwaken > 
Voor ikjen goede Jlreek kanflrtjksn. 
1 M / ^y ^^^^^" °"^ "" "'^^ Üooren over'tgeene Plutarchui van Archtmedes 
^ ' zegt, dat hy alle konlten, die, in't werk geüelt zijnde, profijt aenbren- 

gen, voor flechc en veracht hielt, en een huurling betaemende. Noch 
Stntha. ook over'tgeene Senekê voorgeeft: dat hy niettoellaen kan, datmende 
EpiJi.iS» Schilders alsvrye konlïenaers ontfangt; jae zoo weynich , vervolgt hy, 
als de Beeldfnijders en Marberhouwers , of d' andere dienaersvan pracht 
enoverdaedt. tnhy (kit onze konft, nae de verdeeling van Pci/»iiowi;«, on- 
derde Speelkonften, die alleen tot vermaek van oogenenooren vertrek- 
ken. Wat d' andere vryekonften aengaet, die de Grieken E/f«f/7^r4/ noe- 
he^vtoDzc7* rnc"> deeze noemt hy kinderlijke konflen; en hy kent geen andere voor 
konft, vry, als diealleen voorde deugdtzorg draegen; wanthy heeft alreets te 

vooren bekent, dathy geen wecenfchap eerde, die men voor geit leeren 
kon , ais alleen voor 700 veel zy den geeÜ tot de Deugt bereyden , en niet 
wederhouden. Dat het enkel oogmerk onzer Schilderkonft zou w zijn, den 
geeft tot de Deugt te bereyden, willen wy niet drijven, wy kennen een 
naeder en zekerder weg, maerdat zy niemand van de deugd afhoudt, is 
onwederfprekelijk : jae datze den oprechten oeilenaer, door het geduu- 
rich befpiegelen van Godts wondere werken, tot den Schepper aller din- 
gen in hoogenaendacht optrekt, is kennelijk genoeg. En dat zy onder de 
vrye konften behoort , blijkt daeruyt, omdatmendiealleen vryenoemde, 
diemenwaerdichachtevan vryemenfchen geleert te worden. Waer onder 
^^ de Schilderkonft geen van de gcringfte getelt wiert. En waerom zoudemen 

d'indcre, haer geen vrye konft noemen , daermen de Letterkonftofte Grammatica 
de eerfte onder de zelve rekent? want de Schilderkonft brengt ook hetzel- 
ve te weege. Jae zoo veel als de Redcnkonft of Diale£lica ; of de Redenrijk- 
konitof Rhetartca y immers zoo veel het verftant belangt , want fchoonze 
gezegt wortftom te zijn, zoo fpreektze nochtans overvloedich, op een 
Hieregliyhifchewijze, En wat ifler edels in de Talkunde Arithmeticay en in 
de Geometrie ofte Meetkunde, datineninde Schilderkonft nieten heeft j* 
Zeker, ly zijnbcyde Dicnareflen van de Schilderkonft. WatdeM«/r<:<«oftc 

Zang- 



Het negende Boek. 34,7 

Zangkonft belangt, vvat ondcrfcheytis'ertufTchenhaeren Vt^ura} An- 
ders niets , als dat zy op 't gehoor met hooge en laege klanken werkt : maer 
diergelijk brengt onze kontt op 't gezicht > door een overeenftemming van 
duizentderley verwen , teweege^ of zal haermooglijk de Altrologie , of 
Starrekracht- kunde , de laetfte van de zeven vrye gezufters verbluften f Ze- 
ker, deze vooral niet , dewijl ze moogeiijk zelfs niet verdient een konft ge- 
noemt te worden , ik zwijge , datze de voorrang van Pióiura begeeren 
zoude. 

Ook zoo mocht het den konftoeff^enaers tot verkleyning dienen, wan- 
neer men hun het oordeel van Plutarcbui toeftiet:, daer hy in 't begin van 
P^m/fi leven aldus fchrijft : dat daer noiteenig man van rechtfchapen ge- 
moed was , die , aenziende het beek van Juptter in de ftad Pifa , zouw wen- 
fchen Phidiaste zijn, noch ook Polj/kletus , indien hy dat van jfwwo binnen 
Argos zage : wantten volgt niet nootzaekelijk , zegt hy, dat wanneer 
het werk verhcu-t, de werkman daerom altijrs te prijzen zy, gelijk hy 
even te voren Antifthenes invoert, die , wanneermen eender Ifmentas als EnPlutar- 
een goet Speelman en pijper aenprees , antwoorde , zulx waer te zijn , maer fproken. 
dat hy voort een deugniet was , en anders zoo goeden pijper niet zoude kon- 
nen zijn. Al waer hy ook f ;/i/>/>wbyvoegt, die zijn Zoon Alexander beftrafte; 
zeggende, ichaemt gv u niet dat gy zo wel zingt, als willende te kennen gee- 
ven,datde.konften, en Muzen zelfs, eere genoeg ontfangen , wanneer deur- 
luchte perfoonenfomtijtsdentijdt quiften om haerer oeffenaers werken te 
zien ofte hooren, Voorts Anakreorty Fjflemon , en ^rcfoi/ocfow vermaeklijke 
fchrijversjinde zelve rygeftelt hebbende, roemt hy alleen de deugt, en 
befluit, dat men wel behoort te vredente zijn, van anderen te hebben de 
konftige werken , ja ook alle goederen des toeloopenden geluks, maer dat 
alle anderede deugt van ons hebben zullen. Wy zullen hierop aldus ant- 
woorden : Dat wy zeer geerne belijden , dat de konften , hoe hoog ten top 
gevoert , ja zelfde fchoone Muz.en , niemant zoo veel ficraet en waerde kun- 
nen toebrengen , als de waerachtige werkingen van deugt en vroomicheit , 
die de zielen vergoden, en de menfchen, waerzy ook zijn, in een Hemel 
ftcllen, maer wy en kunnen ook niet toeftaen, dat het een nootzaekelijk 
gevolg is , dat de ondeugden aen de kunften verbonden zijn j waer uit dan 
volgen mach dat Phidioio^ Polj/kletta, ja ook ifmenioi zdf , zoo vroom en 
oprecht zouden kunnen geweeftzijn,als zijnen Perikjes, die, als veel door- 
luchtige mannen plegen te doen, de muzijkvan Damonof Pjthokjydes ge- 
leert heeft, ook, om myby onze konft te houden, zoo en kan ik niet bc- 
fpeuren, dat zy«neer van de Deugdt, van wat feéte die ook befchreven 
,Wprt, afleyt, dan de wapenen , of het burgerbeftier: maer zy, zijnde 
onechte Zufter van de bel piegelendewijsgeerte, onderzoekt, met hulpe 

X X 2 der 



348 U R A N I A. 

Zy onder- der mect-cn tclkunft, de zichtbare natuur. En voorwaerik mochte, om 
^^ h^b*^^ van Plutarchui af te fcheyden , wel dus fpreeken , ongequetft zijn hoogacht- 
natuur/ bacr oordeel; dat daer noiteenich man van rechtfchapen gemoed was, of 
hy zou liever wenfchen te zijn zoo kondigen beeldenaer als Poljkleet of Pfc^- 
dias, als een woedenden H4«mfc4/ , een onruftigen Pinhust of een alver- 
nielenden Alexander zelf ^ want hoe groot haeredacden geweeft2ijn> zy 
zijn uit verwoetheit, onrecht vaerdic heit > en guaede begeerte voortge- 
brachtidaer de oeffeningen der Edele konften i in ftille opmerkende betrach- 
tingen van de gehcymen der natuur, met de oeffeningen der deugden over 
een ftemmen en gelijk loopcn. Ik zoude wenfchen Diogenestt zijn, zey 
Thflippus Zoon, indien ik geen Alexander was. Zijn geboorte belette zulks, 
Maer Diogenes waer mooglijk liever een Hond , dan een Alexander ge- 
weeft. 

Waeropikdanderfvaftftellen, dat een oprecht oeffenaerderSchilder- 
konft , die haer alken om haer zelfs wil , en om haren deugtfaemen aert 
navolgt, waerlijk t'onrecht zoude verfmaet worden. Alle wijsgeerigen 
zijn tot geen ftaeten of burgerbeftieringen beroepen, en niettemin zijn- 
ze in't verfmaeden der wereltfche hoogheden by PlutarcJm, daer 't hem te 
pas komt, hoog genoeg gepreezen, fchoonze aen dewereltgeengrooter 
fieraet, noch aen haer zelven meerder geruftheit en vernoegen, als onze 
Wort bc- Schilders in'toeffenen dezer bevallijke wijsgeerte , hebben toegebracht. 
ergere- Waer op ik dan befluite , dat de geene , die de konft alleenlijk uit een zui- 
gen, verelietd e hebben nagevolgt, haer doelwit voor eerft hebben getroffen, 

te weeten , het genot van een vermakehjk vergenoegen. 
j ^- Jaezoodanich, dat een aendachtich Schilder, gelijk 5^«fi^4 leert, meer 

^"„}'^^^^,'^raengenaemheyt vint in het fchilderen zelfs, als in gefchildert te hebben : 
want deze beezicheyt, diehy aenzijn werk befteet, heeft eengrootver- 
maek in den arbeyt zelfs. Maer de geen, die zijn hand van een volmaekt 
werk afgetrokken heeft: , vind geen zoo groot vermaek. Hy geniet dan de 
vrucht van zijn konft, maer genoot de konft zelve, toen hy fchilderde. 
Treflijk zeker, en hier uit kan men verftaen , hoe gelukkich dezen wijzen 
man henlieden geacht heeft . diewaerdichlijk met onze gelukzalige God- 
dinnen verkeerden. 

Daer op had Frans Tloris , wel met recht deeze fpreuk in den mond : Wan- 
Geefcdcn neer ik fchilder, leefik , en fpeelengaende fterf ik. NJCMJwaszooopgeto- 
oefFcnacrs togen en verrukt , alshy beezich was, dat hy vraegen moft , ofhyookge- 
leevcncn noenmaelt hadde. Maer Protogenes kon door al't gerucht der Soldaetea^, 
^^^^ ^ ' die Rhodus quamen belegeren , niet zoo veel afgefchriktworden dat hy zijn 
werk zou geftaekt hebben.Ja de Schilderkonft was hem zoo lief en fmakelijk, 
dat hy terwijl hy zijnen uitnemenden IaI;^$ maekte,niet anders en at,als ge- 
welkte 



Het negende Boek. 34P 

welkte lupynen , feigboonen of wolfsfchoten , anders vijgboonen, de welke Lekkerny, 
hem dienden voor fpij ze en drank, op dat zijn lichaemonbezwacrt en zijn 
aendacht onverhindert blijven mocht. De groote Titiaen was in de vermaek- 
lijkheden der konft zooingedompelt , datmen hem tzijnen zes en tachtich 
jaren noch fchildcrende gevonden heeft , zoo dat het fcheen , als ofhy in de 
konft wederom verjeugde. M'tchiel Agnolo beminde de konft als een Huis- Enjonkhcir. 
vrouw, hem van den Hemel gegeven : want toen hem gezegt wiert , dat het 
jammerwas dat hy wijf noch kinthadde, om de vrucht van zijnen arbeyt en 
eere te genieten : zooaniwoordehy: de konft is my genoeg een moeilijk 
wijfgeweeft , maer beminnens waerdich : en mijne werken zullen mijn 
kinderen zijn, zooze iets dogen. GelukkichhaddeGitfrrigeweeft, die de 
fchoone deuren van St.Jansgemaekt heeft, waer hy zonder andere kinde- 
ren geflorven: want zy hebben alles verdaen wat hynaeliet, en de deu- 
ren Iben noch ; gelijk wy in Caüiope noch eens hebben aengemerkt. 

Indien dit alles niet helpen kan , zoo moet ik noch hooger toon opheffen, De Schilder- 
en zeggen, dat her penfeel niet alleen de pen,maer de levendige ftem tot ver- ^°"^ "°'^ 
noeging desKonftenaers uittart. Indié Apeües Venus niet en hadde gefchilderr, ^ ^^" ' 
voor d'inwoondersvan't EylantKoos,zegt Ovi<i/«i ,zy lach als noch onder , . « 
't zeewater gedoken. Zicdaer,ofhy de fchilderycn niet alleen de eere geeft •'^ 
van boeken der leeken te zijn i maer of hyze niet als de bewacrders van der 
Goden geheimenften rekent ? 

Deoogen zijn veel fcherpergetuigeniffen , zegt eenander, dan de 00- 
rcn. En Naz.arius : die dingen die ons door d'ooren worden ingeftort , wor- 
den nergens nae zoo vaerdich in ons gemoed gedrukt , als die wy door 
d'oogenindrinkcn. Hier op ^i«ri/i4f«. De Schilderye, eenftilzwijgend 
werk, enaltijts denzelven fchijn houdende, doordringt en beweegt het 
gemoed zoodanich , datze meenichmael de kracht der welfprekenhey t zel- 
ve fchijnt te boven te gaen. Maer hoor hoe St. Bafüius de kracht der Scliil- 
deryeboven zijne welfprekenheyt verheft : Staet op nu, zegt hy , ó gy 
doorluchtige Schilders , die d'overtreflijke daden der Kampvechters af- 
bcelt , verheerlijkt nu door uwe konft 't verminkte beelt des Opperheers : 
verlicht , door de koleuren uwer wijsheyt , de vroome daeden des gekroon- 
den Kampioens, die ik al te duifterlijk heb afgefchildert. Ik gae mijns 
weegs, van ulieden overwonnen zijnde in de Schilderye der kloeke dae- 
-den des Martelaers. Ja ik verheuge my zelven , dat ik dus verwonnen ben. 
Want ik zie de handen ontrent het vuur, denganfchen ftrijt, en den groe- 
ten worftelaer veelbequaemeren eygentlijker in uwe verbeeldinge , dan in 
mijne woorden uitgedrukt. Seneka mede ze^t y dat de vervaerlijke Schil- 
derye van een droevige uitkomfte ons gemoed ontroert. De Jefuyten 
mede, wel wetende hoe veel het zien voor 't zeggen gact, hebben een ge- 

X X 3 woontc 



5fo U R A N I A 

woonte aenf^enomcn van door vertooningen > zqo van fchilderycn, 
als levendige beelden , de lijdingen onzes Heylants uit te druk- 
ken , en getuigen dat deze vertooningen de gemeene gemoederen 
meer tot mededogen en aendacht bewegea, ajs de belte predikatie mo- 
gelijk zoude kunnen doen. £n zy plegen dit niet alleen in het hart 
yan Chriftenrijk , maer meer onderde volken , die van ons geloof niet en 
weten. En zeker, dezeeerfte beroernÜïen door de Schilderyen of andere 
vertooningen veroorzaekt t verwekken by den aenkomelini^en een begeerte 
om nae alles te vraegen , en eenlichticheyt o:n haeftiger onderricht te zijn. 
Voorbeeld. En fchoon dit by mijn landtsluiden nae de mutfaert ruikt, zoo moet ik'er 
net volgende exempel by voegen, Bogorii vorll van Bulgaryen , op de jacht 
ver